Tombeau

In haar negende dichtbundel, Berichten van het front, staat een prachtig gedicht onder de titel Ravel, Forlane. Iedere muziekliefhebber weet, dat de maker ervan, Anna Enquist, zelf piano speelt. Wellicht staat die forlane (Venetiaanse volksdans) wel op haar lessenaar en kent ze het van binnenuit.

Laten we eerst naar het gedicht zelf kijken, dan naar het muziekstuk van de Franse componist Maurice Ravel (1875-1937) en tenslotte naar waar het één het ander raakt. In leven en werk, zowel dat van Enquist als dat van Ravel.

RAVEL, FORLANE


Het kind, vermomd als lied, danst
in zes achtste maat over de velden.
Ze neemt de sprongen in vervoering maar
aandachtig, met beleid maar driest.

Niet zeuren over ijs, verborgen in de baslijn,
maar geloven in het zweven boven gras.
‘Leven’, heet dat. Het is niet moeilijk.
Volstrekt onnodig dat de boel bevriest.

Vind nu een voorbeeld in de componist.
Dat is hovaardig, maar wie zo ten einde
raad is mag heel veel. Gedenk, als hij,
in eigen taal monter wie je verliest.

1.
Het is een beeldend gedicht; je ziet als lezer een kind (de overleden dochter van Enquist, als kind?) dat over de velden danst. Over de Elysese velden wellicht, daar waar de doden in gelukzaligheid verblijven. Het kind danst in 6/8 maat, de maatsoort van niet alleen de forlane, maar ook van een pastorale, een lied van de herder die doedelzak speelt en met zijn schapen over de velden dwaalt.
In de orkestratie die Ravel later van zijn Forlane maakte, valt deze sfeer nog extra op, want het begin wordt gespeeld door een althobo, een lagere variant van de hobo, het instrument dat Enquists dochter bespeelde. Het klinkt zo niet alleen bucolisch, pastoraal, maar ook elegisch, klagelijk. Dat is een extra toets, een extra laag die Ravel aanboort en in zijn orkestratie aanbrengt.

Het meisje maakt, net als de pianist met de linkerhand, sprongen over de toetsen. Aandachtig en met beleid, om niet mis te slaan. Maar dat niet alleen: zo staat ook de componist bekend. Sterker nog, hij kreeg zelfs de bijnaam ‘horlogemaker’.

2.
Daar wil Enquist niet over zeuren, over die koude kant van hem. Over niet over de kou van een dood lichaam. Nee, ze wil geloven in het zweven boven het gras, niet in de dood die alles bevriest en voor eeuwig vastzet, als het beeld van een foto. Het is niet moeilijk, de pianomuziek niet, en leven ook niet. Maar het moet wél blijven vloeien, doorgaan als een melodie. Vooral die in de rechterhand, die het geheel leidt en verder voert.

3.
Het derde vers van het gedicht geeft iets prijs van de achtergrond waarmee Ravel zijn Forlane schreef, en Enquist haar gedicht. Hij gedenkt in zijn taal (muziek) degenen die hij verloor, zij in de hare (taal) haar dochter Margit Widlund, die in 2001 bij een verkeersongeluk om het leven kwam.

Monter zelfs, en daaruit blijkt dat hier iemand aan het woord is, die de muziek van Ravel diep heeft gepeild; de componist van wie wordt gezegd, dat hij verdween achter zijn noten en een masker opzette in de zes delen waaruit de compositie Le tombeau de Couperin, waarvan de Forlane deel uitmaakt, is opgebouwd.

Een tombeau (grafmonument) is een In memoriam, zoals we die uit de Franse barokmuziek kennen. Meestal ter herinnering aan een componist die is voorgegaan. Als leermeester en in de dood. Maurice Ravel schreef deze suite, dit meerdelige stuk, in 2017. Vlak nadat hij ziek terugkeerde van het Duitse front, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog diende als vrachtwagenchauffeur. Hier verloor Ravel verschillende vrienden. Pal ook nadat zijn moeder, met wie hij een diepe band had, overleed.

Het thema van de Forlane ontleende de componist rechtstreeks aan het werk van François Couperin (1668-1733): diens Forlane uit het vierde Concert Royal. Maar wie nu mocht denken, dat het bij een conservatief, neobarok, opgewekt speelstukje blijft, komt bedrogen uit. Het stukje loopt op een gegeven moment zelfs even vooruit op de zogenaamde twaalftoonsmuziek, die in dezelfde tijd ontstond. Ravel is daarin gematigder dan zijn latere Weense kompanen (Schönberg, Berg, Webern), maar toch. Ook hij was ten einde raad en mocht veel. Heel veel, net als Anna Enquist.

 

Anna Enquist: Berichten van het front. Gedichten
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2020
ISBN 978 90 295 42227
Prijs: € 19,99

 

Een mooie uitvoering van de Forlane (en Le tombeau de Couperin) is die van Angela Hewitt, te vinden op YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=1Mgw8pV4iPM

 

Een mooie ervaring rijker

Opeens hoor ik een mijnheer op een balkon beneden mij tegen iemand zeggen: ‘Heb je je goed voorbereid?’ Het antwoord kon ik niet verstaan, en het is natuurlijk altijd meegenomen als je het libretto van de opera die je gaat zien een beetje kent, maar helemaal nodig was het niet, want aan het begin en gaandeweg Rodelinda (1725) van Händel werd het voor ons op doek ‘uitgetekend’. Of, zoals het in het blad van De Nationale Opera, Odeon heet:

Rodelinda en haar zoontje Flavio zijn alleen achtergebleven nadat hun echtgenoot en   vader, koning Bertarido, van de troon is gestoten door Grimoaldo. Iedereen denkt dat Bertarido is gestorven in deze machtsstrijd. Grimoaldo wil dat Rodelinda zijn vrouw wordt, maar zij wil trouw blijven aan haar doodgewaande man. Rodelinda stemt in met het huwelijk onder één voorwaarde: dat Grimoaldo haar zoon eigenhandig vermoordt om te bewijzen dat zij een echte tiran is. Zij verwacht stiekem dat Grimoaldo deze daad niet kan voltrekken en hoopt het huwelijk met dit wrede verzoek uit te stellen. Intussen blijkt Bertarido toch nog in leven en de intriges stapelen zich op. Verwarring, moord, vergeving en hereniging volgen.

Het lijkt net The Heart Goes Last van Margaret Atwood in spé, in plaats van met robots compleet met een maskerade.

Meestal duurt zo’n opera voor je gevoel lang, te lang door alle herhalingen en aaneenrijging van aria’s, maar hoewel deze maar liefst ruim drie en een half uur in beslag neemt, hield dirigent Riccardo Minasi er met het topensemble Concerto Köln de vaart in. Af en toe afgeremd door (veel) applaus, maar dat behoort tot de mores van de opera, zoals – merkte ik afgelopen week weer – het direct (negatief) commentaar leveren na een lied bij de Vocale Serie hoort. Soms is een zanger nauwelijks uitgezongen, zoals countertenor Bejun Mehta na zijn eerste, verstilde aria ‘Dove sei, amato bene?’ En dat terwijl je er nog even in zou willen verwijlen.

De opera speelt in een classicistisch, Engels landhuis dat mooi werd uitgelicht en bélicht met schitterende videobeelden. Bijvoorbeeld van ruisende bomen, wanneer een pastorale als ‘Con rauco mormorio’ werd gezongen, begeleid door blokfluiten en traverso. In dit verband mogen de namen worden genoemd van Christian Schmidt (decor en kostuums), Joachim Klein (licht) en Andi A. Müller (video).

Bij de solisten viel één extra toevoeging op: de rol van Flavio, het zoontje, als zwijgende rol, gespeeld door de (kleine) acteur Fabián Augusto Gómez, op het laatst net zo vermoeiend als een kind kan zijn. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de hoofdrol, Rodelinda, gezongen door de Engelse sopraan Lucy Crowe. Ik las ergens dat haar mimiek te wensen over zou laten, maar zij doet het vooral met klassieke gebaren die soms zelfs stil worden gezet. Overigens: tijdens een lezing bij Spui25, waar ik eerder over blogde, werd juist het ontbreken van mimiek bij Maria Callas geprezen. Het kan, in de loop van de tijd, dus verkeren.

Zonder de andere solisten te kort te doen, was het hoogtepunt voor mij het adembenemende duet tussen Lucy Crowe en Bejun Mehta, ‘Io t’abbraccio’. Niet in de laatste plaats doordat de traverso en de zang, de zang en de traverso samensmolten; zó luisteren instrumentalisten naar zangers én zangers naar instrumentalisten! En ook niet in de laatste plaats door de enscenering van dit duet, in het landhuis, op twee tegenover elkaar liggende overlopen. Mede dankzij regisseur Claus Guth en dramaturg Konrad Kuhn. Zo ging de tijd voorbij en waren we een mooie ervaring rijker.

Muzikanten

Nadat ik eens op een kunstbeurs kennis maakte met werk van kunstenaars die de Galerie Lilja Zakirova (Heusden a/d Maas) vertegenwoordigt, volg ik haar. Al eerder heb ik een blog geschreven over Katerina Belkina (24 februari 2016). Nu is het de beurt aan de Oezbeekse schilder Anwar Abdoullaev (1952). Dit naar aanleiding van haar presentatie tijdens de nieuwe editie van Art The Hague, van 2 t/m 6 oktober a.s. in de Fokker Terminal in Den Haag (stand nr. 29), waar overigens ook weer werk van Belkina te zien zal zijn.

In een mailtje trof ik een afbeelding van dit grote olieverfschilderij, Muzikanten, aan dat mij raakte (zie afb.). Niet alleen omdat het over muzikanten gaat, maar om alle lagen die het aanboort. Je ziet er de sfeer van de regio in terug waar Abdoullaev opgroeide, tussen boeren die fruit verbouwen. Het schilderij geeft de harmonie weer van het landleven in de bergen, tussen mens en dier. In de wetenschap dat het natuurlijk ook anders kan zijn.
Maar dat niet alleen. Je proeft er, door de voornamelijk tere kleuren (oker, lichtblauw en wit) heen, ook de harmonie der sferen in. De figuur links houdt een handtrommel dicht bij het oor, als wordt er geluisterd naar wat vanuit de ruimte de gehoorgang bereikt. De vorm van de trommel is rond, als van een wereldbol. Er spreekt vertrouwen uit en kinderlijke verwondering. In de wetenschap dat die wereldbol eindig is.

De gezichten van de musici in kleermakerszit zijn niet naar elkaar toe gekeerd, al zullen ze ongetwijfeld in hun samenspel goed naar elkaar luisteren. Ze lijken eerder naar de toehoorders gewend om die bij hun spel, bij de harmonie der sferen te betrekken. Het zijn klein gehouden bewegingen, maar die hebben tegelijk een overtuigende, universele en monumentale uitstraling.

Terwijl ik naar de afbeelding kijk, hoor ik Vivi Vassileva spelen. Van haar is net een debuut-cd uitgekomen, Singing’  Rhythm (Alpha). Ze komt niet uit Oezbekistan, maar uit Bulgarije, en speelt ook handtrommel. De genres waarin ze thuis is, zijn: volksmuziek, jazz en renaissancemuziek, terwijl ze zelf ook componeert. Zij speelt niet samen met een bespeler van een Oosterse luit, zoals op het schilderij van Abdoullaev, maar met gitarist Lucas Campara Diniz.

Abdoullaev heeft meer schilderijen rond het thema ‘muziek’ gemaakt. Onder meer van een kleine violist, die op een wolk lijkt te zweven zoals de violist van Chagall ook in de lucht zweeft, boven het dak. De jonge violist heeft z’n instrument op schoot en de ogen dicht. Een ander schilderij is nog Mondscheinsonate waarop een Maria-achtige figuur in het blauw staat afgebeeld met in de handen, of in de baarmoeder – dat zou ook kunnen -, een klein kind, getooid in een prachtige mantel. De maan is er ook, klein, rechtsboven. Maar het gaat om de weerschijn, niet zozeer van het maanlicht zoals de anekdote over Beethovens sonate wil, maar om die van moeder en kind. Er rest maar één woord: prachtig. De rest is muziek.

 

https://zakirova.com/portfolio-item/anwar-abdoullaev/
https://artthehague.nl/bezoekers/#programma

Liefde voor elkaar en de natuur

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen een schitterende film van de Bulgaarse regisseur Milko Lazarov: Ága. Schitterend vanwege de beelden van Jakoetië in noordoost Siberië, maar het had net zo goed helemaal in het noorden van Scandinavië kunnen zijn. Schitterend vanwege het klein gehouden verhaal van twee bejaarde Inuit: Nanook (Mikhail Aprosimov) en Sedna (Feodosia Ivanova). Een klein gehouden verhaal binnen en rondom hun joert op de toendra.

Klein gehouden, maar met een grote draagkracht. Ze proberen te overleven, het echtpaar in hun joert, maar rendieren zijn er niet meer – al ziet Nanook er af een toe één aan de kim verschijnen, maar dat kan ook verbeelding zijn. Hoewel – tijdens zijn vertrek aan het eind van de film rijdt de auto waarin hij zit een rendier aan, dat – hoe symbolisch – boven op de boomstammen in de laadruimte meegaat. Klein gehouden, terwijl de klimaatverandering zich laat gelden, die in de film niet overheerst terwijl toch wel duidelijk wordt wat dit zal betekenen: geen rendieren meer, steeds hardere stormen, ijs dat smelt en als water zachtjes neer druppelt. Nog wel.

Nanook en Sedna proberen te overleven met hun tweeën en een sledehond, terwijl hun dochter (Ága) is weggetrokken naar een diamantmijn. Een enkele keer komt een neef op bezoek. Dat is naast een wereldontvanger hun enige band met de buitenwereld, die langskomt als de vliegtuigstrepen in de lucht. Ze zingen liedjes voor elkaar en vertellen elkaar hun dromen. Zoals die ene over een gat dat in de grond werd geslagen en waarin alle sterren zijn verdwenen.
Het shot op het eind van de film toont zo’n gat, groter dan Nanook en Sedna zelf ooit in het ijs hebben kunnen diggen. Uit de wereldontvanger klinkt het Adagietto uit Mahlers Vijfde symfonie, in de filmwereld bekend geworden door Visconti’s Death in Venice, waarbij echter niet vergeten mag worden, dat Mahler dit als een liefdeslied componeerde.

Want liefde, daar gaat het in de film denk ik primair om. Tussen Nanook en Sedna, van Nanook en Sedna voor Ága en voor de schitterend in beeld gebrachte natuur. Nanook wordt vergeetachtig en dat zou wel eens symbool kunnen staan voor het verdwijnen van de natuurlijke habitat van de Inuit. Of voor onze veelal korte termijnvisie aangaande de klimaatcrisis, als het al de naam ‘visie’ mag hebben. Een dreiging die de hele wereld aangaat en waar iedereen de gevolgen van zal ondervinden. Het enige dat blijft zijn de drie rotsen waarin Sedna de figuren ontwaart van een vader, een moeder en een kind. Want de liefde, die overwint.