Het fortissimo van Bach en Luther

Tentoonstelling: Luther, icoon van 500 jaar reformatie

Naar aanleiding van deze tentoonstelling in Utrecht, waarin ook aandacht zal worden geschonken aan de Lutherse kerkmuziek, plaats ik hier gedeelten uit een lezing die ik in 2006 in de Amsterdamse Thomaskerk hield voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie.

In Nico Bakkers vertaling De Koninklijke Mens van Karl Barth komt een passage voor over Bachs Matthäuspassion: 

Op haar zuiver muzikaal gehalte wil ik niets afdingen. De Matthäuspassion wil echter een uitleg zijn van de hoofdstukken 26 en 27 van het Matthëusevangelie. In die hoedanigheid kan ze haar hoorders alleen maar op een dwaalspoor brengen. Zij is één enkele, –  in bijna ononderbroken moll – waarlijk wonderbaar golvende wolkenzee van zuchten, van klachten en aanklachten, van uitroepen van ontzetting, treurnis en medelijden: een treurode, die in een regelrecht grafgezang (“Ruhe sanft”) uitmondt, een ode, die niet door de Paasboodschap is bepaald en er zelfs niet door wordt begrensd en waarin het motief “Jezus de Overwinnaar” volledig stom blijft. Wanneer zal het aan de kerk en aan de vele duizenden en duizenden, die de lijdensgeschiedenis van het evangelie enkel in uitgerekend deze versie kennen, duidelijk worden gemaakt dat het hier om aan abstractie gaat en dat dit beslist niet het lijden van Jezus Christus is? (p. 103).

In het boek De beproeving – over de nieuwe bijbelvertaling, onder redactie van onder anderen Ad van Nieuwpoort, staat een interessante bijdrage van Nico Bakker en een reactie daarop door Alex van Ligten, predikant in Sneek. Naar mijn idee geeft Nico Bakker hierin een nadere uitleg van wat Karl Barth volgens hem wil zeggen. De titel van Bakkers bijdrage is al duidelijk genoeg: ‘Opstanding als vertaalmotief’.

De opstanding vormt het afsluitend grondmotief van heel de bijbelse verkondiging. Het staat in 1 Korinte opgetekend in zijn onophefbare vreemdheid en andersheid. De opstanding van Jezus vormt het fortissimo van de bijbelse theologie. De bijbelse theologie vindt haar oorsprong en einde in de verkondiging van de dood en de opstanding van Jezus Christus, de Messias van Israël (…). Bijbelse theologie heeft als zwaartepunt de absurde boodschap van de opstanding van de doden. Zonder de boodschap van de opstanding is het christendom zinloos (…). Opstanding is de kern van de Christusverkondiging (…).
Aldus Nico Bakker in de voetsporen van Karl Barth (p. 65 e.v.).

Alex van Ligten reageert hier aldus op:
Bakker noemt de opstanding van Jezus het fortissimo van de bijbelse theologie. Mijn vraag is: hoe forte is dit fortissimo precies? Kun je niet met evenveel recht en reden de bevrijding uit de slavernij zo aanduiden? En de tocht naar het beloofde land? En de terugkeer uit de ballingschap? Oftewel: is het complete muziekstuk van de ganse heilige Schrift niet te groot en te lang voor slechts één fortissimo? Kunnen er niet meerdere fortissimi zijn? (p. 73).
Ik wil proberen aan te tonen dat het motief van Bachs Matthäuspassion inderdaad een heel ander fortissimo is dan Barth er graag in had willen horen.

Een kleinood in het midden
In de Matthäuspassion staat een kleinood in het midden. Een kleinood die het middelpunt vormt én ook hier het eigenlijke verhaal vertelt: het fortissimo in bijbels-theologische zin. Elke goede uitvoering van de Matthäuspassion zet de schijnwerpers op dit midden – telkens opnieuw word je zo vermaant dít centrum, deze verkondiging op je in te laten werken alsof het hier en nu opnieuw gebeurt, opnieuw geschiedt.
Om tot de symmetrie te komen, ging Bach in het tweede deel van de passion uit van de enige zin in het evangelie van Matteüs die letterlijk wordt herhaald: ‘Laat Hem gekruisigd worden’ (Math. 27:22 en 23). In de Statenvertaling:

Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden. Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!

Het architectonische middelpunt in de eerste opzet van de Matthäuspassion bevindt zich precies daartussenin:

  • het koraal ‘Wie wunderbarlich ist doch diese Straffe’
  • een recitatief (‘Der Landpfleger sagte’)
  • het arioso voor sopraan ‘Er hat uns allen wohl getan’
  • en de sopraanaria waar alles om draait: ‘Aus Liebe will mein Heiland sterben’.

(Een arioso is een tussenvorm tussen een recitatief, waarin het evangelieverhaal wordt verteld en een aria, een zangstuk met meer zeggingskracht).

Een kathedraal
Opmerkelijk is dat Karl Barth op het eind van zijn Kirchliche Dogmatik ook een architectonische ruimte ten tonele voert. En al noemt hij het woord kerk, laat staan ‘centraalbouw’ niet, toch licht er iets in op wat ook Bach voor ogen moet hebben gestaan. Maarten den Dulk heeft het in zijn boekje Heren van de praxis, over Karl Barth en de praktische theologie als volgt omschreven:

[Barth] roept onweerstaanbaar de herinnering op aan het interieur van een kathedraal, waar slanke zuilen en een netwerk van ribben het gewelf dragen alsof het zweeft. Hij [Barth] gewaagt met lust van een ‘volkommen Bauwerk.’ De pointe van de metafoor ligt daarin dat – om bewust deel te kunnen nemen aan de ontmoeting met God – er werkelijk een ruimte geconstrueerd moet worden (…). Het beeld wordt als volgt uitgewerkt: de dragende elementen zijn de noties ‘rechtvaardiging’ (als zaak van God) en ‘geloof’ (als reactie van de mens); en het zwevende gewelf is de christologie die wel nagestreefd maar nooit echt bereikt wordt. Het beeld wordt ook weer gecorrigeerd: in deze constructie is het Jezus Christus zelf die vanaf de fundamenten werkzaam is (p. 129).

Voor ons is het jammer dat Barth deze metafoor niet toepast op Bachs Matthäuspassion. Maar dat valt hem natuurlijk niet kwalijk te nemen. Wat hem wél valt aan te rekenen, is een zekere ongenuanceerdheid die uit een opmerking als zou de Matthäuspassion ‘één enkele, – in bijna ononderbroken moll – waarlijk wonderbaar golvende wolkenzee van zuchten, van klachten en aanklachten, van uitroepen van ontzetting, treurnis en medelijden’ zijn. Het gaat te ver om dit in zijn totaliteit te ontkrachten – maar enkele voorbeelden wil ik u tot slot niet onthouden.
Het begint al met het openingskoor: ‘Kommt, ihr Töchter helft mir klagen’, die door Bach in e kl.t. is gezet. Maar … daarbovenuit klinkt het hemelse blauw als van een glassculptuur: ‘O Lamm Gottes, unschuldig’, door Bach gezet in G gr.t.

Deze dualiteit tussen grote en kleine terts wordt door de grote Bachkenner Christoph Wolff in het boekje bij de CD-opname o.l.v. Ton Koopman als zeer wezenlijk beschreven. Het slotkoor lost deze dualiteit dan ook slechts gedeeltelijk op, al staat het in C gr.t. (e-G-C is een drieklank – let op de symboliek!). De echte oplossing komt, aldus Wolff, met de fanfares van de trompetten, twee dagen later in de cantate van Paaszondag. En trompetten zult u in de Matthäuspassion niet tegenkomen.

Een ander fortissimo
Nog een voorbeeld. Dat is het koraal ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ van Paul Gerhardt op een melodie van Hans Leo Hassler (in het Liedboek voor de Kerken opgenomen als Lied 183). Het komt vijf keer voor. En van die vijf keer slechts één keer in een moll toonsoort – of, in goed Nederlands: kleine terts. Het is zoals Casper Höweler in zijn boekje over Bach’s Matthäuspassion als belijdend geestelijk drama schrijft: ‘Gerhardt en Bach bedoelden geen klacht of ontroering om de dood van Jezus, maar troost en belijdenis, wat veel dirigenten door uitersten van pianissimo en adagio niet tot zijn recht laten komen’ (p. 67).

Vijf keer een strofe van dit koraal – slechts één keer, deze laatste maal, in mineur (a kl.t.). Het doet mij denken aan een schitterende overweging die Marius van Leeuwen, hoogleraar van het Remonstrants Seminarium schreef in het januarinummer 2006 van het tijdschrift Adrem.
Hij neemt daarin het beeld Stadsplan II uit 1948-’49 van Giacometti in het Museum Berggruen in Berlijn tot uitgangspunt (zie afb. hierboven): ‘Je ziet’, schrijft hij, ‘vier lopende mannen. Hun armen bewegen mee met hun loop. De vijfde figuur is een vrouw. Ze staat roerloos, de armen langs het lijf.’  Deze vrouw doet Van Leeuwen denken aan Jezus, van wie wordt gezegd dat Hij ‘gekomen is (…) en mensen liefhad met een enkel woord en soms ook met zijn blik, zijn zwijgen, de vanzelfsprekendheid doorbrak waarmee de mensen hun eigen gang gingen.’  In bijbels-theologische zin is en blijft dit een fortissimo – al is het een ander dan Karl Barth had gehoopt te horen.

 

Op de eerste dag van de week

Lezend in Ad van Nieuwpoorts recent verschenen boek Uit de tijd komen bij mij associaties op met het beeld van een glas: zowel half vol als half leeg. Half vol, omdat ik wel een héél glas vol lust van zijn persoonlijke verhalen als ‘liberale dorpsdominee’ in Bloemendaal. Half leeg, omdat ik wel een héél glas vol lust van zijn exegeses waarin die verhalen soms overgaan.

In een gesprek met Annemiek Schrijver (De verwondering, 8 januari 2017) gebruikte Van Nieuwpoort een ander beeld. Dat van de leegte, wat mij deed denken aan dat mooie boekje van Theo Witvliet: Het geheim van het lege midden. Juist dáárom kan je een ander mens worden, zei Van Nieuwpoort, dáár wordt de creativiteit geboren. En hij had het over muziek en gedichten. Ook dáár had ik wel wat meer over willen lezen: het aangeraakt worden door de Geest/geest. Nu staat er aan de ene kant heel voorzichtig, en aan de andere kant heel stellig: ‘Ik ben (…) onder de indruk van de geest die door de profeten en de apostelen spreekt’ [en ook in muziek en gedichten?, EvS]. ‘Als je dat God noemt, dan doe ik wel voorzichtig mee. Maar geef mij maar liever Jezus.’ Boem paukenslag. Bij Schrijver aan tafel heette het nog: de joodse [vet, EvS] Jezus, en dat klinkt toch anders, minder Evangelisch.

Het verschil zit hem naar mijn gevoel dan ook vaak in een woordje te weinig, zoals hier, of een woordje teveel. Hoezo zegt de dominee na een doophandeling: toen ‘vroeg ik nog even [vet, EvS] aan de ouders of ze hem in hun huis wilden ontvangen als een kind van God’? Dat is toch geen vraag voor even tussendoor? Of bedoelt Van Nieuwpoort dat het onderscheid tussen gelovigen/ongelovigen er minder toe doet dan lang gedacht? En wat doen die twee letters zo in de zin over Jezus die ‘door zijn eigen mensen is overgeleverd en zo [vet, EvS] ter dood veroordeeld en gekruisigd’? Je kunt het verkeerd lezen, en dan zijn de rapen gaar! Want waar blijven de Romeinen bijvoorbeeld in deze lezing?

Van Nieuwpoort staat in de theologische traditie van de Amsterdamse School, met leermeesters als Breukelman en Deurloo. Een traditie die teksten wil lezen in het literaire verband waarin ze staan, niet als een historisch verhaal, maar door een lezer die zijn/haar verbeelding kan laten spreken om dit verhaal uit te laten praten, zodat hij/zij te maken krijgt ‘met een verhaal dat raakt aan de vezels van ons bestaan.’

Een voorbeeld uit de eerder genoemde aflevering van De verwondering. In vuur en vlam zegt Van Nieuwpoort dat Daniël dertien jaar was toen hij aan het hof van Nebukadnezar kwam. We weten het niet. Sommige geleerden meenden dat hij veertien jaar was. Maar als ik niet de historie, maar mijn verbeelding erop loslaat, en denk dat dit ná zijn bar mitswa moet zijn geweest, dan zou hij inderdaad dertien jaar zijn geweest. In dat ene cijfer klinkt een context mee. Mooi; ik knap er meteen van op, om Annemiek Schrijver te parafraseren nadat haar gast de hoop had uitgesproken dit jaar in te kunnen gaan ‘in het geloof dat niets onmogelijk is.’

Ik was trouwens al opgeknapt na lezing van een prachtig interview met de predikant uit Bloemendaal door Yvonne Zonderop in De Groene Amsterdammer (8 december 2016). En half opgeknapt (we hebben ’t nog steeds over een glas dat zowel half vol als half leeg is) door het interview door Jacobine Geel in Jacobine op zondag (nog steeds op 8 januari 2017). Van Nieuwpoort zat hier aan tafel met Margrietha Reinders, Kristien Hemmerechts en Lisette Thooft. Op één of andere manier herkende de drie vrouwen zich soms wel en soms niet in wat hij betoogde. Niet over wat hij (kort, was erin geknipt?) herhaalde over God wat hij ook al in zijn boek schreef, en een beetje over wat hij ook hier benadrukte: het Bijbelverhaal dat moet spreken als fictie. Even kwam ook de leegte aan de orde. Lisette Thooft kwam ermee, maar toen was het gesprek jammer genoeg afgelopen.[1]

De opmerking van Van Nieuwpoort over het feit dat de Bijbel geen antwoorden heeft, maar vragen anders leert stellen, rijmde op het Kyrie-gebed dat Henk Gols ’s ochtends (we hebben ’t nog steeds over 8 januari) uitsprak in de Amsterdamse Oude Kerk: het gaat er niet om dat je geen antwoorden krijgt, maar dat je ze niet vindt.
Eén woordje verschil en daarmee een uitspraak om op te kauwen en over na te denken, net zoals het nieuwe boek van Ad van Nieuwpoort, dat ik op vele tafels wens in leerhuizen, binnen en buiten de kerk.
Misschien moet de schrijver op tournee, zoals fictieschrijvers doen. Door op televisie op één dag in twee praatprogramma’s te verschijnen, is hij daar eigenlijk al mee begonnen. Op de eerste dag van de week; ’t kan niet mooier.

[1] ’s Ochtends kwam de leegte ook aan de orde bij VPRO Boeken, toen Jeroen van Kan dichteres Mieke van Zonneveld interviewde n.a.v. het verschijnen van haar debuut: de dichtbundel Leger.

http://www.kro-ncrv.nl/deverwondering/seizoenen/seizoen-2017/ad-van-nieuwpoort

Voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

Eli Content_The creation of manMomenteel ben ik het boek Reflecties. 25 kunstwerken en 24 filosofen van Onno Zijlstra en Wensy Janssen aan het lezen. Het is een originele inleiding in de esthetica, het  onderdeel van de filosofie dat zich bezighoudt met kunst en schoonheid. Telkens gaat één concreet kunstwerk in gesprek met het denken van een bepaalde filosoof. De auteurs hopen dat hun reflecties een aanzet geven tot het zelf bedenken van eigen combinaties tussen een kunstwerk en een filosofie.

Vandaag ben ik aangekomen bij het hoofdstuk ‘Utopie: Content en Marcuse.’ Hierin gaat het kunstwerk The creation of man (zie afb.) in gesprek met ‘de filosoof van de kritische studenten van ‘68’: Herbert Marcuse. Maar de auteurs ontkomen er hier, maar ook elders in het boek niet aan, om ook uit de Bijbel te citeren. In dit geval aan een tekst uit Jesaja:

Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.

Juist op de dag dat ik dit hoofdstuk lees, gaan mijn gedachten terug naar de Bijbelpassage die vanmorgen in de Oude Kerk in Amsterdam werd gelezen (Lucas 14:7-14), en die ongetwijfeld door de aanhangers van de theologie van het socialisme in de jaren ’60 van de vorige eeuw met Marcuse in de hand is uitgelegd:

Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft,
vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren,
in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen.
Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.
Dan zult u gelukkig zijn.

Twee rijtjes van vier: respectievelijk het establishment en de onderkant van de samenleving, waarbij Jezus de partijganger van de tweede groep is. Een sabbatsmaal, een feestmaal als voorsmaak van hoe het zal, en moet zijn. Geworteld in verhalen uit Tenach, zoals die van Jesaja. Het avondmaal is een oefenen daarin, zoals ds. Hans Uytenbogaardt opmerkte.

‘Marcuse’, schrijven Zijlstra en/of Janssen, ‘vindt het nier irreëel op een gelukkige samenleving te hopen. Niet omdat te verwachten is dat een uitgebuite, verarmde arbeidersklasse in opstand zal komen, maar omdat veel mensen walgen van de tegenstelling tussen de geweldige rijkdom [het eerste rijtje van vier, EvS], ook aan kennis en technische middelen, aan de ene kant en aan de andere kant de uitbuiting, honger en armoede in de wereld’ [het tweede rijtje van vier, EvS].

Zijlstra en Janssen schrijven dat we ‘met verbeelding onze wereld kunnen humaniseren. Er is al fantasie voor nodig om in te zien dat al die zaken die ons noodzakelijk lijken dat helemaal niet zijn; we kunnen anders met onze rijkdom omgaan. Om te bedenken hoe is ook weer fantasie nodig.’ Marcuse schijnt in dit verband Schiller bij te zijn gevallen: ‘Wat wij nu als schoonheid zien, zal eens werkelijkheid zijn.’

Soms kan echter niet alleen filosofie en literatuur maar ook de Bijbel helpen ons een beeld van die komende werkelijkheid te vormen. Als voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Rust en bezinning – The red turtle

The red turtleEen man spoelt aan op een onbewoond eiland en probeert er weer vanaf te komen. Wanneer en waar wordt niet duidelijk. De verwikkelingen die dit oplevert, vormen de rode draad in de film The red turtle. Een sprookjesachtige Frans-Japanse animatiefilm van de Nederlandse regisseur
Michael Dudok de Wit.

Een film die allerlei grenzen verkent. Tussen natuur en cultuur, waarbij het rood van de zeeschildpad staat voor bloed én voor liefde. Tussen water en land, want zowel de schildpad als talloze krabbetjes die voorbij komen bivakkeren op de grens ervan en volgen de aangespoelde man de zee in of het land op. Tussen mens en dier, zoals je dat uit sprookjesverhalen kent. Tussen hoop en wanhoop ook, wanneer de man fata morgana’s ziet waarin een strijkkwartet in 18de eeuwse kleding een flard Janáček speelt, en wanneer een tsunami het eiland overspoelt en een spoor van vernietigingen achterlaat.

Allemaal prachtig vorm gegeven, zoals de broekspijpen van de man die zachtjes heen en weer gaan door de wind, zoals de lange schaduwen die op het strand worden geworpen. Alleen de muziek is misschien soms wat al te bombastisch.

Bovendien spelen er allerlei Bijbelse, symbolische motieven mee in deze film. Zo slepen de krabbetjes telkens weer takjes voort over het zand, zoals de duif na de zondvloed een olijftakje in zijn bek had als teken van een hoop, van een nieuw begin. En zo tekent de man in ’t zand, zoals eens Jezus deed. De man tekent alsof ware het een rotstekening uit een lang vervlogen verleden. Jezus schreef woorden, maar we weten niet welke. Zoals de kreten die de man slaakt ook niet duidelijk te herleiden zijn, maar de bedoeling ervan wel duidelijk is.

Achter me loopt een grootmoeder met haar kleinzoon de bioscoop uit. Hij heeft het een mooie film gevonden. Maar op de vraag van zijn grootmoeder of hij er ook een moraal in heeft gezien, antwoordt hij ontkennend. Toch zit die moraal er denk ik wel degelijk in; de film is niet louter een woordloze vertelling van de levenscyclus van een mens, geboren uit het water, steeds ouder en grijzer wordend. De boodschap zou kunnen zijn dat vluchten niet meer kan (Frans Halsema en Jenny Arean). Of dat er geen ontkomen aan is. En er zit ook een oproep in: blijf dicht bij jezelf, zoals de rode zeeschildpad ons denk ik leert.

Ik moet eraan denken wanneer ik thuis de toespraak lees en zie die de Duitse bondskanselier Angela Merkel gisteren in Berlijn hield. En in De Groene Amsterdammer een mooi stuk lees van Rutger van der Hoeven. Over een gecondenseerd jaar dat de wereld ook in een goede richting kan trekken. ‘Zoals 1989, met opwarmers aan het einde van het bewind van Pieter Botha, Hirohito en Ronald Reagan, en aan het eind van het jaar het neertuimelen van de communistische regimes in Oost-Duitsland, Tjsecho-Slowakije, Polen en de rest.’ Maar 2016 voelt als een slecht jaar. Toch is er volgens de auteur hoop: ‘Een les van die samengebalde jaren is dat crises ook weer overgaan. Net als de cyclus van terrorisme.’

Daarom heeft Merkel denk ik gelijk: laten we onze kalmte bewaren en ons eerst bezinnen voor we ons uitspreken over mogelijke daders, IS of niet. Dat is wat we volgens Van der Hoeven kunnen bijdragen: rust en bezinning. Zoals Merkel en Van der Hoeven ons voordoen. Zoals The red turtle ons voorhoudt.

http://www.groene.nl/artikel/crisis

De klop op de deur

Johann_Sebastian_BachAfgelopen week maakte ik een aantekening bij een retweet met een link naar een uitvoering van het orgelkoraal Wer nur den lieben Gott lässt walten BWV 642 van Joh. Seb. Bach (zie afb.) door Dorien Schouten. Er ontspon zich een interessante discussie hierover met de Nederlandse Bachvereniging.

Mijn bezwaar richtte zich tegen de tekstopvatting dat hier sprake zou zijn van ‘de God van het Oude Testament’. Krijgshaftige bazuinen in het pedaal waren de muzikale uitwerking ervan. Immers: in deze nog steeds – wat mij betreft voortwoekerende – visie zou de God van het Oude Testament de God der wrake zijn, een wrede God. En – dat komt er dan meestal meteen achteraan – de God van het Nieuwe Testament de God van de liefde. Alsof er twee Goden bestaan.

En dan heb ik het nog niet eens over nog een stapje verder in deze gedachtegang, waarin de boodschap van het Oude Testament, die vol oorlog en geweld heet te zijn, wordt geplaatst tegenover die van het Nieuwe. Alsof daar geen sprake is van geweld op z’n tijd! ‘Het is zo anders’, dat Oude Testament, ‘dan de boodschap van Jezus: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen’ las ik onlangs nog in de Bijbelse Dagkalender 2016. Het is om moedeloos van de worden.

Maar dan opeens is er weer een uitleg van een Bijbelgedeelte uit het Nieuwe Testament waardoor je opveert. Afgelopen zondag gebeurde het in de uitleg van André Fox in de  Oude Kerk in Amsterdam. En thuisgekomen hoorde ik op youtube dezelfde opvatting uit de mond van Evert Jan de Wijer, de predikant van de Thomaskerk in de hoofdstad.
Het draaide om Lucas 11:1-13, een tekst over bidden. Maar dan met een andere insteek dan in de Bijbelse Dagkalender.
Direct nadat Jezus Zijn discipelen het Onze Vader heeft leren bidden, volgt een gelijkenis over een vriend die midden in de nacht aanklopt en vraagt of hij drie broden kan lenen. De man aan wie dit wordt gevraagd, geeft geen thuis. Jezus geeft het advies om onbeschaamd door te blijven gaan met op de deur kloppen.

Zittende Maria_omgeving Adriaen van WeselDe uitleg over wie die man is die geen gehoor geeft, wees richting God. En dat kun je alleen maar denken en zeggen als je door de uitlegtraditie van het jodendom heen bent gegaan en die hebt geïnternaliseerd; op die manier is er, ondanks dat ik wel eens moedeloos wordt, hoop. Het is net als Jezus die Zijn hand legt op het Boek, zoals het beeld ‘Zittende Maria met staand Christuskind’ toont uit de omgeving van Adriaen van Wesel (Museum Catharijneconvent, Utrecht, zie afb.). Niet om ons de les te lezen, zoals Herman Pleij meent (bijschrift tentoonstelling ‘De zomer van Herman Pleij’, t/m 4 september 2016), maar omdat ook Hij de joodse leer in zich heeft opgezogen als was het moedermelk.

En de man die klopt? Dat zijn wij, die onbeschaamd door moeten gaan met kloppen. Met schreeuwen wellicht. En met – voeg ik eraan toe – het stellen van de vraag: ‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ (Gerard Reve). Zonder moedeloos te worden.

Opeens ga ik al die klopmotieven in het werk van Bach ook wat anders beluisteren …

https://twitter.com/Bachvereniging/status/756902694510534656

http://allofbach.com/nl/bwv/bwv-642/#organiste-dorien-schouten

https://www.debijbel.nl/link/Lucas%2011:1-13/1baa9f2436fc6bba0314219a9669bab5

https://www.youtube.com/watch?v=01KI97acyBE&feature=youtu.be

De getemde feeks

Shakespeare

 

 

 

 

 
De afgelopen week, en het begin van een nieuwe, heb ik mij beziggehouden met De getemde feeks van Shakespeare (zie afb. rechts). Dit naar aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse vertaling door Marijke Versluys van Vinegar Girl van Anne Tyler: Azijnmeisje, De getemde feeks opnieuw verteld.

Alvorens ik me aan het lezen van dit geweldige boek zette, bekeek ik de dvd van de opvoering van The Taming of the Shrew door de Royal Shakespeare Company (2011). De vroege komedie van de Bard over twee dochters: Katharine en Bianca. Hun vader, Baptista, staat erop dat de oudste, Katharine het eerst trouwt. Zij heet een feeks of een azijnmeisje te zijn. De enige die dit wil, is Petruchio. En zo geschiedt. De feeks heet door hem getemd te zijn. Of is er meer aan de hand?

Pas vandaag viel mij de gelijkenis op met het verhaal van Jezus, Martha en Maria (Lucas 10: 38-42, zie schilderij van Joh. Vermeer links). Natuurlijk gaat elke vergelijking een beetje mank, maar toch. Martha valt tot op zekere hoogte te vergelijken met Katharine: waar Bianca alles achter zich laat slingeren, ruimt zij op. In de hervertelling van Tyler heet ze Kate Battista, en brengt ze haar vader meermalen zijn vergeten broodtrommeltje met zijn lunch voor tussen de middag na.

In Lucas heet het dat Martha helemaal in beslag wordt genomen door het dienen (diakonia) van de gasten, terwijl Maria aan de voeten van Jezus zit te lernen. Ze doet er haar beklag over bij Hem, maar Hij wijst haar terecht nadat hij twee keer haar naam heeft genoemd; in de Bijbel het teken dat er een omwenteling aankomt. ‘Je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk’, zegt Hij.

Op de dvd gebeurt op het eind hetzelfde als Karel Eykman in zijn Kinderbijbel laat gebeuren: iedereen gaat aan tafel. Bij Eykman nog gevolgd door het gegeven dat Jezus en Maria de afwas doen.
Wat er naar mijn gevoel in de prachtige monoloog die Katharina (Kate) aan tafel afsteekt gebeurt, is hetzelfde als waartoe Jezus oproept: heb vertrouwen (pistis), schenk elkaar een glimlach en een vriendelijk woord. Hier zit geen getemde vrouw, maar een sterke vrouw die ons lehrt. Ze wendt zich in de versie van Tyler tot Bianca (Bunny) en zegt:

‘Het valt niet mee om een man te zijn. Heb je daar ooit over nagedacht? Als mannen ergens last van hebben, dan vinden ze dat ze dat moeten verbergen. Ze denken dat ze moeten doen alsof ze alles goed in de hand hebben, ze durven hun ware gevoelens niet te tonen. Of ze nou pijn hebben of wanhopig zijn of diep verdrietig, als ze liefdesverdriet of heimwee hebben of gebukt gaan onder een enorm duister schuldgevoel of ze dreigen faliekant te mislukken … “O, het gaat goed met me hoor,” zeggen ze. “Alles gaat prima.” Als je erover nadenkt hebben ze veel minder vrijheid dan vrouwen. Vrouwen bestuderen andermans gevoelens al van kleins af aan, ze perfectioneren hun radar, hun inuiïtie en hun empathie of hun intermenselijk hoehetookmagheten. Zij weten wat er onderhuids speelt, terwijl de mannen vastzitten aan sportwedstrijden en oorlogen en roem en succes. Het lijkt wel of mannen en vrouwen in twee verschillende landen wonen! Ik kruip niet in mijn schulp, zoals jij het noemt, ik verleen hem toegang tot mijn land. Ik gun hem ruimte in een oord waar we allebei onszelf kunnen zijn. Grote genade, Bunny, snáp dat dan!’

Met dank aan ds. Justine Aalders, voorganger in de dienst in de Oude Kerk Amsterdam op 17 juli 2016.

Een boek als herinnering

Gestolde pijn_DuvekotBij een tentamen Letterkunde dat ik eens deed, was één van de vragen of door veel invulling van een personage (= informatie en emotie) de mogelijkheid tot inleving door een lezer wordt vergroot of juist kleiner wordt. Ik had als antwoord de laatste optie gekozen, terwijl de eerste de juiste keuze heette te zijn. Deze vraagstelling kwam weer boven toen ik het in 2000 verschenen boek Gestolde pijn (zie afb.) van Willem S. Duvekot las. Ik schreef erover in Quadraatschrift (dec. 2001) en herplaats deze bespreking hier in enigszins herziene versie als een In memoriam, omdat Duvekot op 24 februari jl. is overleden. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

 

Eerste deel
Ook, of juist, wanneer het níet om literatuur gaat, wil ik eigenlijk niets weten over ‘het felle licht van de zon op deze dag in de lente’ wanneer de auteur uit de duisternis van het Monument van de kinderen in Jad wasjem in Jeruzalem komt, al snap ik wat hij ermee wil zeggen en staat de ervaring mij ook nog helder voor ogen. Ik wil helemaal niet weten dat je ‘goed moet uitkijken bij het oversteken’ van de Stawkistraat in Warschau, al weet ik dat er in het verkeer ook veel doden vallen. Toch is het een onvergelijkbare grootheid. Ik zou met andere woorden willen dat de pijn van de Sjoah ook in overdrachtelijke zin onder Duvekots pen was gestold, seizoenen en dagelijkse verkeersproblemen voorbij. Ik wil zélf verbanden kunnen leggen die mij alleen maar tussen de regels door worden aangereikt.

Tweede deel
Het ingehouden beschrijven van plaatsen van de Sjoah, meer nog dan de monumenten in de zin van beelden, zoals Duvekot dat met name in het tweede deel van zijn boek heeft gedaan, zegt eigenlijk al genoeg. Hij beschrijft in het tweede deel plaatsen ‘van de pijn – maar zeker ook van de hoop – uitgedrukt in beelden en plaatsen ter nagedachtenis’ in Jeruzalem, Warschau, Treblinka, Krakau en Auschwitz. Beschrijvingen die rijkelijk zijn voorzien van zelf gemaakte zwart-wit foto’s.
Citaten uit boeken van ooggetuigen, zoals in het eerste deel van het boek voorkomen (Herzberg, Kolitz, Wiesel) ontbreken hier nagenoeg geheel. Met uitzondering van indrukwekkende gedichten van Ida Vos. Dit maakt de doorgaande beschrijvingen des te indrukwekkender. Mede door een soms onderkoeld taalgebruik: ‘Binnen een half uur was dit onderdeel van de ontvangst [in het kamp, EvS] afgelopen.’

Epiloog
Een eenheid vormen, omdat ze soms in andere bewoordingen worden hernomen, de theologische explicaties waarmee het hele boek wordt doorspekt. Zoals: ‘Welke verdwazing dan alleen de hoogmoed kan de kerk ertoe brengen dat zij de boodschap van Jezus, die ze beweert te volgen, in haar tegendeel heeft verkeerd!’ Hier is de theoloog aan het woord die onder andere bekend is geworden als redactiesecretaris van het tijdschrift Ter Herkenning. Dit zijn onontbeerlijke momenten van bezinning die – zoals op de achterflap wordt omschreven – bijdragen aan wat het boek uiteindelijk wil zijn: ‘Een goede voorbereiding van een bezoek aan deze monumenten.’ Of, voor wie niet in de gelegenheid is de plaatsen te bezoeken, een poging de be-teken-is ervan duidelijk te maken. En – zou ik eraan willen toevoegen – een boek als herinnering voor hen die al dan niet alle monumenten al hebben bezocht. Want ‘vergetelheid veroorzaakt ballingschap, maar de gedachtenis is de weg naar de verlossing’ (Baäl Shem Tov).

Omdenken met Nico T. Bakker

Bakker_Koninklijke MensOp 29 december jl. overleed prof. dr. Nico T. Bakker, emeritus predikant van de Nederlands Hervormde Kerk en emeritus hoogleraar aan de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam.

In 2005 volgde ik een leerhuis van hem in de Amsterdamse Thomaskerk over het boek De Koninklijke Mens (zie afb.). Daarover schreef ik toen een verslag voor de rubriek  Uit het Leerhuis in: Verbreding nr. 3 (mei 2005). Dat herplaats ik hier, als een In Memoriam. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

‘Waarschuwing’ staat er op de aankondiging van het festival de Verborgen Planeet. ‘De ontdekking van deze muziek kan iemands ideeën over wat muziek kan zijn, of zelfs zou moeten zijn, grondig veranderen’. Dit ging, in andere bewoordingen, ook op voor het eerste Thomas-leerhuis waarin we onder leiding van vertaler en inleider prof. dr. Nico T. Bakker, terzijde gestaan door de toenmalige predikant van de Thomaskerk, Ad van Nieuwpoort, met ruim twintig mensen gedeelten lazen en bespraken uit het boek De Koninklijke Mens, berichten aangaande Jezus, teksten en fragmenten uit de verzoeningsleer van Karl Barth.

Omdenken
‘Omdenken’ (metanoia) noemde Nico Bakker het om hier – in één adem door – vreugde aan te beleven en troost in te vinden. Ons Godsbeeld werd aan de hand van Barth – en in diepere zin de Schrift zelf – niet opgepoetst maar schoongemaakt en afgestoft. Soms streng en hard, met een borstel, soms zacht met een stofdoek én een blijmoedige glimlach om wat zo allemaal tevoorschijn komt en uit de tekst oplicht.

De eerste avond inspireerde een deelneemster tot het maken van een beeld, een hoofd met als je het aan de ene kant bekeek duidelijke trekken en aan de andere kant trekken die verborgen bleven. Dat deze afbeelding van de Koninklijke Mens parallel is, ‘conform aan God’ is zoals Barth het zou noemen, kwam in soms alle heftigheid, uitgaande van de radicaliteit van het kruis, gaandeweg de drie avonden naar voren.

‘Conform God’ wil zeggen: ‘Naar (de wil) van God geschapen (…) in waarachtige gerechtigheid en heiligheid;  (Ef. 4:24). God, dat is de Naam, de gans Andere. Als je niet in de Koninklijke Mens Jezus gelooft, geloof je ook niet in deze God die én zeer hoog woont én zeer laag neerziet (Ps. 113:5-6). Jezus, als mens gelijkvormig aan God, legt ons uit wie de God is waar Tenach van spreekt. Als de knecht Gods, in de gestalte van een knecht, betreedt hij als Heer het menselijk toneel (p. 25). Wat werkelijk tegen al onze denkbeelden ingaat, is dat hij nota bene aan het kruis, aldus Barth, de exacte uitbeelding van God zelf is. Het kruis betekent niet enkel het einde en de afbreking van de levensweg van Jezus, maar betekent ook het doel en de afsluiting ervan (p. 102). Een verbijsterende verrassing, uitgewerkt onder het kopje ‘Kruis als kroon’. Dit komen wij in geen enkele andere religie tegen. Bij het doordenken van de consequenties hiervan ontdekken wij dat ‘omdenken’ wel een heel ingrijpende correctie van al onze ‘christendommelijke’ Godsconcepten betekent. Toch is dit volgens Nico Bakker ‘voluit wat vandaag genoemd wordt: christologie van “onderop”‘ (p. 11).

In onze gesprekken werd op die manier het beeld van Barth als de theoloog die weinig of niets van ervaring moest weten genuanceerd, en kwamen wij onder de indruk van zijn actualiteit van mensen van nu. Streng – zeker, maar Barth was in zijn denken tot op zekere hoogte óók verwant aan het denken van Levinas die God omschreef als de bondgenoot van de wees, weduwe en vreemdeling.

De dienst van Woord en Gebed voor Nico T. Bakker zal plaatsvinden op 6 januari 2016 om 11.00 uur in de Thomaskerk, Prinses Irenestraat 36 te Amsterdam.

 

Evangelische muziek in concertzaal?

Rafael_Estasi di Santa CeciliaTerwijl de kerk een steeds meer marginale plaats in de samenleving krijgt, speelt religieuze en zelfs liturgische muziek een steeds grotere rol in concertseries in de concertzaal. Soms gecondenseerd in één weekend, zoals afgelopen zaterdag en zondag. En met, toeval of niet, eenzelfde geestelijke achtergrond die de kerk een al dan niet gewenst nieuw leven in moet blazen: een evangelische. Met – zoals Van Kooten & De Bie het een keer omschreven – ‘een hoog Hallelujah-gehalte’.

Het begon zaterdag tijdens het ZaterdagMatinee. Van de Milanese componist Pasquale Corrado ging in een uitvoering door het top Ensemble Intercontemporain o.l.v. Matthias Pintscher een nieuwe compositie in première: D’Estasi, gebaseerd op het schilderij Estasi di santa Cecilia (Pinacoteca nazionale in Bologna) van Rafaël (zie afb.).
En het ging zondagmiddag verder tijdens een concert in de Z-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniel Harding, waaraan werd meegewerkt door het Nederlands Kamerkoor. Op het programma stond onder meer het motet Jesu meine Freude BWV 227 van Joh. Seb. Bach.

Corrado, zo lazen we in het programmaboekje, had de muzikale structuur van zijn in opdracht van het NTR ZaterdagMatinee geschreven werk in zes zones verdeeld, ‘één zone voor elk door Rafaël gepresenteerd figuur plus één zone die de figuur van Christus representeert’. Niet dat die op het doek voorkomt – maar toch. Volgens Corrado is Hij ‘impliciet aanwezig’ in de ziel van Cecilia.
De inleider tijdens de rechtstreekse radio-uitzending wist te melden, dat Rafaël het doek schilderde op de grens van een door christendom beheerste kunstperiode en het humanisme, waarin de mens centraal staat. Corrado wist dit vakkundig onderuit te halen en een evangelische duiding aan het schilderij te geven die helemaal past in de opkomst van het evangelische christendom.

Die tijdgeest drong ook door in de interpretatie van genoemd Bachmotet: Jesu meine Freude. Waarbij het duidelijk was, dat het Harding meer ging om ‘Jesu’ dan om ‘Freude’. Zowat elke zin waarin Jezus werd bezongen, werd er expressief uitgelicht. In de zin ‘mir steht Jesus bei!’ en ‘Jesus will mich decken’ ging dat gepaard door in beide gevallen een enorme vertraging. In de zin ‘Jesu meine Lust!’ (in het programmaboekje met uitroepteken) met een sterk diminuendo.

Wat moet je hier nu van denken? In ieder geval dat het fijn is dat de scheiding tussen kerk en concertzaal wat betreft religieuze en liturgische muziek steeds meer wordt geslecht. Het kan je overal toevallen. Of het ook bevalt, is een tweede en zal voor iedere luisteraar verschillend zijn. En ook dat is een goede zaak. Een vleugje humanisme wellicht.

Zie ook mijn bespreking van het boek Tussen aarde en hemel van Kasper Jansen op: http://leerhuisamsterdam.nl/ (onder: Leerhuis – Boekbesprekingen), die eerder verscheen in De Verbreding (nr. 4, augustus 2005).

Als het waar is (II): acht jaar later

Eddy Reefhuis_2Eerder publiceerde ik hier een interview dat ik bij het intrede van Eddy Reefhuis (zie foto) als predikant van de Oude Kerk in Amsterdam met hem had. Hier volgt deel II, het verslag van een gesprek dat ik voerde t.g.v. zijn afscheid op 22 november a.s. (zie onder aan deze blog voor meer gegevens).

Ik maak me steeds meer zorgen voor de joodse wortels in de christelijke eredienst, ook in die van de Oude Kerk. Niet zozeer wat jou betreft, maar bijvoorbeeld soms luisterend naar de voorbeden. Herken je dat?
Na acht jaar heb ook ik de meeste vragen bij de aandacht voor de joodse wortels, niet alleen van onze liturgische, maar van onze hele christelijke traditie.
Wat ik destijds daarvan had geleerd, ben ik niet kwijt geraakt, integendeel. Die respectvolle vrijmoedigheid, en dat het ‘gans andere’ nu juist in onze concrete werkelijkheid zo ‘gans anderspolitiek‘ blijkt, dat is het geheim van het onderlinge geloofsgesprek dat in de laatste jaren in de Oudekerkgemeente op gang is gekomen. Maar dat dat alles joodse wortels heeft – daarvoor is de aandacht meer en meer verdwenen. Interne discussie over wat dan ‘echt joods’ zou wezen, en toenemende wrijving over de politiek van de staat Israël, hebben ernstig afbreuk gedaan aan de belangstelling daarvoor. En voor volgende generaties is de vervolging en systematische moord op joodse landgenoten steeds meer een ver in plaats van een huiveringwekkend nabij verleden.

Is de dialoog, of misschien inmiddels trialoog (inclusief de islam) daarvoor niet wezenlijk?
Of die aandacht voor de joodse wortels ooit terugkeert via de dialoog tussen kerk en synagoge, weet ik niet. Op dit moment zie ik meer mogelijkheden in de hele actuele interculturele dialoog, waarin een groep als Salam – Sjaloom een belangrijke en vrolijke rol speelt. Nu nog vooral, omdat zij de steeds fellere tegenstelling tussen joden en moslims rondom de Israëlische politiek overbruggen. Maar daarin brengen ze beide hun eigen traditie mee en die is ook nu soms verfrissend anders dan de onze.

In de tijd dat je predikant in de Oude Kerk was, is ook de Nieuwe Bijbelvertaling ingevoerd, wat niet zonder slag en stoot ging; er wordt ook in de Oude Kerk, en vooral van aanhangers van de Amsterdamse School, veel kritiek op geleverd. Op het leerhuis heb je naast kritiek op de NBV ook regelmatig waardering voor deze vertaling geuit. En zelfs de Bijbel in Gewone Taal kwam op tafel. Ben je opgeschoven qua ideeën?
Nou, voor de NBV heb ik altijd naast kritiek ook waardering gehad. Direct al bij de verschijning merkte ik, hoe mensen, lezend in de NBV, soms voor het eerst in zeventig (!) jaar ontdekten, dat de bijbel ook voor hen was. Dat is geen kleinigheid, lijkt me.
Maar terugkijkend op acht jaar Oude Kerk, en ook op ook op meer dan dertig jaar predikantschap, verbaas ik me er vooral over, hoeveel moeite het ook mezelf nog steeds kost om de Bijbeltekst als tekst, als literatuur te lezen. En daarin ben ik misschien eerder meer dan minder Amsterdamse School geworden. ‘De tekst mag het zeggen’ is daar het adagium. En hoever dat reikt, is me in de afgelopen jaren nog veel duidelijker geworden. Mede dankzij de diensten rond kunst in de kerk werd me duidelijk, hoezeer de bijbel zelf ook kunst is, literatuur, die als alle kunst op heel eigen wijze bepaalt hoe ze wil worden verstaan.
Maar als ik over een tekst moest preken, en die zich niet zo gemakkelijk prijsgaf, was het toch moeilijk om geduldig die tekst te blijven volgen, en begon vroeg of laat toch de vraag naar wie God is – over die tekst te heersen.
Daar wil ik nog verder van worden verlost. Bijbellezen, samen met anderen – ja graag.
Maar preken – eerst maar eens een jaartje niet.

Tenslotte wil ik nog een kritische noot met je kraken. Ik vind het jammer dat de afgelopen jaren de Paascyclus aan ingetogenheid verloor, en de liturgie op zondag maar uitdijt met bijvoorbeeld een Hallelujah voor de Evangelielezing waar je vragen bij kunt zetten. Wat is de diepere bedoeling achter dit alles?
Je doelt waarschijnlijk op de veranderde opzet van de Witte-Donderdag-viering, waar we de afgelopen drie jaar hard aan hebben gewerkt. Niet langer de Pesachviering van Jezus met zijn leerlingen als opmaat naar het eigenlijke Pasen, Jezus’ lijden en sterven en zijn opstanding uit de dood; maar de joodse Pesachviering als het kader waarbinnen Jezus met zijn leerlingen, dus ook met ons, zijn eigen lijden en dood durft te vieren als verhaal van bevrijding, van opstanding dus ook. Daardoor is de Witte-donderdag-viering veel uitbundiger geworden. Over de juiste vorm zijn we ook niet uitgedacht. Maar die omkering – Pesach als kader in plaats van als opmaat – daar ben ik erg enthousiast over. Die moeten we niet meer kwijt.
En dan die extra responsies op zondag, met als laatste ‘aanwinst’ het Hallejujah voor het het evangelie – die responsies bevorderen volgens mij, dat de dienst geen eenrichtingverkeer is, maar we die samen doen. Bij dat Hallelujah kun je inderdaad je vragen hebben. Suggereer je daarmee niet toch, dat het Evangelie uiteindelijk de hoogste waarheid is, belangrijker dan Tenach? Voor mij is het Evangelie vooral de verbazing dat deze hoogst bijzondere teksten ook voor buitenstaanders, dus ook voor mij, opengaan. Dat begroeten met het van oorsprong Hebreeuwse maar inmiddels in heel de christenheid en daarbuiten bekend geworden Hallelujah vind ik wel geestig. Maar ik herinner me veel diensten waarin we ook zonder bleken te kunnen. Dus die vragen erbij – vooral stellen.

En aan het eind van het gesprek stelde Eddy Reefhuis mij een vraag terug – dialoog met de teksten en met elkaar hebben we immers meer en meer als de kern van ons leerhuis ontdekt – : hoe kijk jij terug op de afgelopen acht jaar, in het bijzonder op het leerhuis waar je praktisch vanaf het begin aan hebt meegedaan?
Voor mij vallen leerhuis door de week en kerk op zondag niet los van elkaar te zien. Wat beide samenbindt, is dat ik hoop dat er een evenwicht in wordt bereikt tussen gevoel en ratio; dat mijn hart soms even opspringt en dat mijn hersenen op z’n tijd knarsen. Zodat je de week weer door kunt en op iets kunt blijven door kauwen, en in beweging wordt gezet. Tot het zich, naar je hoopt, een volgende keer weer herhaalt. Haast als een ritueel, door de gang van de seizoenen heen.
In het leerhuis kom ik ook om anderen te ontmoeten – werkelijk te ontmoeten. Dat gebeurt niet altijd, en soms wordt je er ook in teleurgesteld, maar áls het gebeurt, levert dat bijzondere momenten op om te koesteren. In de kerk kom ik vooral om (zoals je zelf een keer treffend zei) God te ontmoeten, – God in de eerste plaats (en voor mij meer dan Jezus) en als een ander je tegemoet komt – dat ervaar ik vooral in het gezamenlijk zingen, zelfs fysiek door soms naar elkaar toe te buigen – dan geeft dat een extra dimensie. En als een ander je links laat liggen – ook dat gebeurt -, dan is er de ratio die je tot de orde roept: alla, láát. Het blijft mensenwerk, dat heb ik nooit sterker ervaren dan in de teleurstellende tijd dat ik scriba en kerkenraadslid was. God heeft soms raar grondpersoneel. Ik niet in ’t minst.


De nieuwe hemel komt in de bijbel op aarde. Het is een stad!
In de eerste stad in de bijbel, Babel (of Babylon), doen ze het omgekeerde. Daar willen ze met een toren naar de hemel. Een grote spraakverwarring verhindert dat. En die spraakverwarring is van God gegeven. Want al die verschillende talen geven ruimte aan allemaal verschillende verhalen. In plaats van zich te uniformeren voor een hoger doel waaieren de mensen uit over de aarde om hun eigen weg te zoeken en hun eigen verhaal te vinden.

In Nieuw Babylon is die spraakverwarring niet verdwenen. Nog steeds mogen er verschillende verhalen naast elkaar bestaan en brengen die ook hun eigen taal mee. Maar in Nieuw Babylon nodigt de Oudekerkgemeente ieder die op 22 november a.s. de Oude Kerk komt binnenlopen, uit, niet alleen het eigen verhaal te vertellen maar ook te luisteren naar een ander. Wie weet hoor je een verhaal dat je niet kende, waarvan je de taal niet eens verstaat, en dat je toch raakt en een nieuwe wereld voor je opent, pal voor je neus.

Jeruzalem is de andere stad in de bijbel. Daar wordt erkend dat die verschillen ook tot botsingen leiden en pijnlijk zijn. Maar in Jeruzalem roepen de slachtoffers daarvan niet om wraak maar om verzoening. Gemakkelijk is dat niet. Door de eeuwen heen gaan verzoening en verraad hand in hand. Maar soms ….
Het nieuwe Jeruzalem is, dat die verzoening niet de welhaast onmogelijke taak is die wij mensen moeten volbrengen, maar een onvermoede werkelijkheid die, o wonder, over ons neerdaalt. Voor dat wonder nodigt de Oudekerkgemeente u, samen met haar afscheid nemende predikant, uit om op zondag 22 november a.s. ’s middags de Oude Kerk binnen te lopen en dat te beleven.

Zie voor meer informatie: http://www.oudekerk.nu