Pinksteren 2019

‘Gods weer, maar niet het beste’ is, hoorde ik vanmorgen in mijn wijkkerk, een oude spreuk die in Noord-Amsterdam werd gebezigd. Het doet denken aan de opvatting, dat noodweer van God komt. Als waarschuwing of straf. Ik kwam het nogal eens tegen toen ik met mijn Masterscriptie over het kwaad in de filosofie (Susan Neiman) en literatuur (Philippe Claudel) bezig was. Dat dit zo is, geloven (de meesten van ons) al lang niet meer, maar het ontkent ook een beetje dat bijvoorbeeld een blikseminslag een momentum kan zijn, een symbolisch geladen iets.

Immers: het begon op de Sinaï, lazen veel kerkelijke gemeenten deze Pinkstermorgen, ‘te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde’ (Genesis 19:16). Dit Bijbelgedeelte gaat vooraf aan de gift van de Tien Woorden (tien geboden, Genesis 20), die de joden met Sjavoeot (Wekenfeest) vieren.

Aan de kinderen – en tegelijk ook aan de grote mensen – werd aan de hand van een klein stukje dondersteen verteld, dat bliksem die in de aarde, bijvoorbeeld op de Veluwe, inslaat het water zoekt en daar een stuk(je), tot wel dertien meter, verschroeid met een hitte die warmer is dan het oppervlakte van de zon. De aarde smelt daar tot glas en de inslag laat een leegte achter, als ik het goed heb begrepen.

Ik moest denken aan een gedeelte uit het indrukwekkende boek ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen (uitg. Lebowski Publishers, 2019). Het gaat over concentratiekamp Bergen-Belsen: ‘Vanaf januari 1945 sterven er gemiddeld meer dan tweeduizend mensen per week in het kamp. Iedere ochtend stapelen zich zo’n driehonderd nieuwe lijken buiten de barakken op en er valt met geen mogelijkheid tegenop te stoken. In het heidelandschap verschijnen kuilen zo groot als sportzwembaden, waarin de slachtoffers van het stuiptrekkende naziregime verdwijnen: hun graven anoniem maar hun nalatenschap voor altijd met de aarde van het Lüneburger natuurgebied verbonden’ (p. 332-333).

De bliksem zal vast ook wel eens in dat landschap inslaan. Wie het wel eens heeft gehoord: het geeft een enorme, stalige klap. Het is niet de stem van God, maar van de natuur die, wie weet, net als die van de ramshoorn in Genesis 19 meehuilt met het leed van hen die daar, in dat schuldige landschap in de aarde liggen en ons oproepen óók te huilen om de leegte die ze achterlieten. Of misschien sterker nog: ons oproept ons ertegen te verzetten dat meningen als die van Forum voor Democratie over joden die zich gewillig naar de slachtbank lieten leiden gemeengoed worden. Roxanne van Iperen leert wel iets anders!

De verbondenheid die Roxane van Iperen beschrijft, en die als diepere laag ook de boodschap van Pinksteren inhoudt, proef ik ook in de prachtige en indrukwekkende kunst van Roni Horn.Aan haar kunstwerk in Museum Voorlinden (zie linker foto), en aan dat in de tuin van Museum Arnhem (rechter foto). Kunst om bij stil te staan met de respectievelijke (onbewuste) reminiscentie aan de windingen van een (rams)hoorn, aan de beschermende werking voor het landschap. Ik hoop dat de Venustrechter na de ver- en nieuwbouw van Museum Arnhem (gereed in 2022) nog steeds of weer te zien zal zijn.

Monteverdi’s Mariavespers in Holland Festival

Alleen in het Evangelie van Johannes vallen Pasen en Pinksteren op één dag, en toch had ik het gevoel dat ze dit op Eerste Pinksterdag ook deden bij de half-geënsceneerde opvoering van Monteverdi’s Mariavespers (1610) – tenslotte een ‘religieuze meditatie’ volgens Pierre Audi in het programmaboekje – in het kader van het Holland Festival in de vijftien meter hoge Gashouder in Amsterdam, waar al eerder Nono’s Prometeo en Neuwirths Encantadas te zien waren.

Dat komt zo. Midden in de Gashouder, met daaromheen halfrond opgebouwde tribunes tegenover koor en orkest, lag een monumentale sculptuur van Berlinde De Bruyckere: Cripplewood (Kreupelhout), die eerder te zien was tijdens de Biënnale van Venetië (2013). We kennen haar werk rond grote thema’s als lijden, hoop, kwetsbaarheid. Deze dubbelheid, deerniswekkend aan de ene kant en krachtig aan de andere kant, proefde ik ook in deze sculptuur, bestaande uit een op de grond liggende, 20 meter lange boomstronk (een iep, wist iemand te vertellen) waarin je, mede door de steeds wisselende belichting, ook knekels kon zien. Of zoals J.M. Coetzee naar aanleiding van de Biënnale schreef: ‘Een exploratie van leven en dood – dood en leven, leven in dood, leven voor de dood, dood voor de dood.’
Het riep een Bijbeltekst te binnen die met Pasen wel wordt gelezen: over dorre doodsbeenderen (Ezechiël 37) die langzaam weer tot leven komen.

Het waren de geweldige solisten en het al even geweldige, ongeveer veertig mensen tellende, in 2006 opgerichte koor Pygmalion onder leiding van Raphaël Pichon die er dan weer omheen liepen, dan weer voor bleven staan, dan weer bij gingen liggen waardoor deze dubbelheid van dood en leven werd benadrukt; ze zongen een doodsklacht, ze leken het al zingend adem in te blazen als in het Pinksterverhaal. Grotendeels in blauwgrijze kleding; we hebben het tenslotte over Mariavespers. Ondersteund door het gelijknamige, op authentieke instrumenten spelende orkest, met een rijke continuo-bezetting waarin twee harpen opvielen die met hun sensuelere klank dan bijvoorbeeld die van een luit teksten uit het Hooglied ondersteunden. Wat een vondst! Koor en orkest waren bij De Nationale Opera al eerder te horen geweest in de productie Trauernacht.

De bedoeling van Audi, De Bruyckere en Pichon was overigens ook om een ‘mise-en-écouté’ in de ruimte (‘mise-en-espace’) neer te zetten: een verbeelde luisterervaring als in de San Marco in Venetië, waarvoor Monteverdi zijn werk schreef. Je kon je inderdaad in de San Marco wanen, met de musici die van plaats veranderden en de klank die je vanaf steigers alom omringde. Prachtig hoe zacht de instrumentalisten soms durfden te gaan en toch door de hele, in het donker gezette ruimte goed hoorbaar bleven, dankzij de onvolprezen geluidstechnicus Jan Panis. Een nadeel bij deze opzet was wel, dat er geen boventiteling was of op z’n minst een aanduiding van wat werd gezongen: welke Psalm, wel deel uit het Hooglied, welke Evangelietekst of wat dan ook. Te beginnen met een schitterend gregoriaans Pater Noster (Onze Vader).
Te snappen was het natuurlijk wél, want zo’n tekstbalk zou het fraaie lichtontwerp van Felice Ross en de video’s van Mirjam Devriendt doorbreken.

Het leek wel een gewijde viering. Voor Maria, voor de natuur, voor leven en dood, levenden en doden. Even dacht ik: wat zou Henk Vreekamp hiervan hebben gevonden, de ‘door joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog’? We zullen het niet weten maar iedereen werd uitgedaagd zijn/haar eigen invulling aan deze ervaring te geven.

Het jaar van Vivaldi

Vreekamp_VivaldiHet jaar van Vivaldi : hemel en aarde in onze seizoenen / Henk Vreekamp. – [Utrecht] : Uitgeverij Kok, [2016]. – 224 pagina’s ; 4 ongenummerde pagina’s platen : illustraties ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-435-2587-9

In 1991 verscheen Gedachten over gedenken van Henk Vreekamp (1943-2016) met ondertitels als ‘kerst-‘, ‘paas-‘ en ‘pinksterkring’. Dit boek is een geheel herziene versie daarvan. De ‘kringen’ uit 1991 zijn nu opgenomen in de seizoenen. Vreekamp omschreef zichzelf als een ‘door joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog.’ Hij publiceerde op deze driesprong de trilogie Zwijgen bij volle maan, De tovenaar en de dominee en Als Freya zich laat zien. Het is jammer dat we niet meer in gesprek met hem kunnen gaan over dit postuum verschenen boek. Bijvoorbeeld over zijn haast Hegeliaanse Vivaldi-opvatting: een afwisseling van harmonie, oppositie en integratie. Dit boek leent zich goed voor lees- en/of luisterkringen. Hoewel voor december 2015 aangekondigd, is de uitgave na het plotselinge overlijden van de auteur versneld verschenen, al is dat een beetje ten koste van een zorgvuldige redactie gegaan. Een mooie toevoeging vormen de sonnetten waarop Vivaldi zijn De vier jaargetijden baseerde en kleurafbeeldingen van schilderijen van de seizoenen van Poussin, Crane en Mucha.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Oude feestdagen nieuw

Hagia SophiaIn het boek De stad aan de rand van de hemel van Elif Shafak (uitg. De Geus) dat ik momenteel lees/recenseer, staat een verhaal over de Turkse architect Sinan en diens Indische leerjongen Jahan (p. 335 e.v.). Sinan krijgt van de sultan de opdracht om de Hagia Sophia (zie afb.) in Istanbul te vergroten. Daarvoor moeten de omringende huizen worden gesloopt. Sinan begreep dat ‘zijn meester de keuze moest maken tussen de mensen en het gebouw, en hij duidelijk voor het laatste had gekozen.’

Het verhaal doet denken aan dat van de Walburgiskerk in Zutphen. Tijdens een rondleiding daar hoorde ik jaren geleden dat het koor van de kerk een knik maakt, omdat het treurt.
Tijdens een cursus kunstgeschiedenis leerde ik, jaren later, dat die knik erin zit, omdat de bouwheren de omringende huizen moesten c.q. wilden laten staan. Een geestelijke reden tegenover een seculiere dus.

Soms staan ze niet tegenover elkaar, maar in elkaars verlengde. Het joodse Pesach is bijvoorbeeld van oorsprong een oogstfeest, maar werd later de viering van de uittocht uit Egypte. Toch klinkt de oorsprong in de huidige viering van bijvoorbeeld een ander feest, Sjavoeot (Wekenfeest, Pinksteren) nog door: in het loslaten van een jonge duif en het binnen dragen van pas geboren baby’s, zoals ik in een kibboets in Israël meemaakte.
Dit maakt dat het voor seculiere mensen mogelijk ook iets van het feest mee te beleven.

Iets soortgelijks kan opgaan in de discussie over religieuze feestdagen en het ‘afstaan’ van de tweede dag (Tweede Paasdag en Pinksterdag bijvoorbeeld) voor een feest van een ander geloof. Seculiere mensen en christenen kunnen zo Ramadan, dat nu op de kalender staat (18 juni t/m 17 juli) meebeleven wanneer aan het vasten de inhoud wordt gegeven die moslims er ook deels aan geven: verbondenheid met arme en hongerige mensen op de hele wereld.

Ook valt te denken aan het gezamenlijk vieren van nieuwe feesten, zoals Keti Koti, een Surinaams begrip (= Verbroken Ketenen) dat de afschaffing van de slavernij symboliseert, op 1 juli 1863 in de toenmalige koloniën Suriname en de Nederlandse Antillen.

Zowel de oprichting van het instituut NiNsee, het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis, als de oprichting van herdenkingsmonumenten, waaronder het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark, zijn directe resultaten van deze inspanningen.

De rabbijn Lody van der Kamp, de predikant Herman Koetsveld en de humanistische moslim Enis Odaci hebben iets soortgelijks voorgesteld, namelijk ruil Tweede Paasdag in voor het joodse Jom Kippoer (Grote Verzoendag), en Tweede Pinksterdag voor het islamitische Suikerfeest. ‘Dat is’, zeggen zei (in: Trouw, 4 juni 2015) ‘een prachtige verbreding van de symboliek van het leven.’ Mijn zegen hebben ze.

You don’t know where you are goging

marielle_videlerLaat ik één draadje lostrekken uit de verhalen die vier mensen het afgelopen jaar vertelden aan beeldend kunstenaar Mariëlle Videler, en dat verder weven met het oog op Pinksteren. Als een draad van Ariadne.
Ik begin met trekken bij vers 8-11 van Handelingen 2. Daarin worden verschillende taalgroepen genoemd, van Griekse tot de Semitische talen. Maar de Grieken als volk ontbreken.

Zou dat komen omdat ze misschien symbool staan voor de ratio, de filosofie, en het hier primair gaat over emotioneel geraakt worden, over de openbaring? Wie zal het zeggen.
Maar het lijkt wel of de verhalen die Erda, Pierre, Jos en Marije aan Mariëlle Videler vertelden, zich gaandeweg in het emotionele verhaal voegen.

Marije heeft het tijdens het eerste gesprek (dag 1) over het hoofd dat mee moet, en eindigt op dag 3 met zaad om uit te zaaien. Jos, die als journalist eerst nog zijn pen mee wil nemen en spreekt over de ‘denkende Jos’, heeft het tijdens het laatste gesprek (dag 3) over het ‘hart, symbool van de ziel’. Ook Pierre verschuift de noodzakelijke dingen die hij in zijn bagage voor de reis met onbekende bestemming wil stoppen: van een Opinel-mes, een adresboek en een agenda, naar een kruis, waxinelichtjes en een rozenkrans.
Ieder van hen lijkt gaandeweg vervuld te raken met wat Piet Oussoren vertaalt als ‘heilige geestesadem’ (Handelingen 2:4).

‘Wie weet toch nog een feestje’, zegt Erda die steeds meer zin in de expeditie lijkt te krijgen. Maak je niet ongerust en verlies de moed niet (Johannes 14:27) lijkt ze te denken.
Wij lezen die verhalen, zoals de joden in Handelingen luisterden. We worden er als het ware ingezogen, en tot één gemeente samengesmeed (Ezechiël 11: 18 en 20). Opdat we samen op reis gaan en zo, fysiek en/of geestelijk, verder komen dan vanwaar we vertrokken. Met materiële zaken in onze bagage, met symbolen en elkaar. Om het verhaal aan elkaar door te vertellen.

Op verzoek geschreven voor de Zondagsbrief nr. 631 (8 juni 2014) van de Oude of St. Nicolaaskerk te Amsterdam. T.g.v. de tentoonstelling You don’t know where you are goging met werk van Mariëlle Videler (zie afb.) in de Oude Kerk (15 mei – 15 juni 2014).

In vrijheid aangeraakt

D'huyvetters_SpinozaNog maar enkele weken geleden was het Pesach, waarop joden de uittocht uit Egypte en de bevrijding van de slavernij herdachten. Ondertussen wordt, met dit in het achterhoofd, vooruit gekeken naar het Wekenfeest. Zoals de christelijke kerk, met Pasen in de rug, telt naar Pinksteren.

Het afgelopen weekend zong het begrip slaaf op verschillende plaatsen rond in mijn hoofd. Om te beginnen tijdens de laatste studiemiddag van de Vereniging Het Spinozahuis over een nieuwe vertaling van de Staatkundige verhandeling van Spinoza (zie afb.).

We lazen het elfde, onaffe hoofdstuk over de volksregering. In paragraaf drie daarvan sluit Spinoza vrouwen en ‘servi’ hiervan uit. D’huyvetters vertaalt dit laatste heel hedendaags met ‘mensen in loondienst’, W. Meijer geeft het in een oude vertaling (1901) weer met ‘dienstbaren’. Maar volgens inleider Piet Steenbakkers mag je hier, geredeneerd vanuit het Romeinse recht, gewoon ‘slaven’ lezen. Iets dat in de tijd van Spinoza nog wel degelijk bestond (onder meer in onze koloniën!).
Belangrijker is de kwestie van uitsluiting. Je kunt dit niet 1:1 naar onze tijd vertalen, maar je mag het ook niet wegredeneren. Wat de Farizeeën volgens Steenbakkers in zo’n geval deden, was in een tekstcommentaar een witruimte open laten. De grootte daarvan stond vast.

Vervolgens kwam Peter Tomson als voorganger in de Amsterdamse Oude Kerk op de zondag aansluitend in een soortgelijk verband wat uitsluiting betreft, met een andere interpretatie. We lazen onder meer Johannes 9:39-10:10. Tomson redeneerde de angst die Johannes had voor de joden ook niet weg: ‘Johannes is een tekst met een trauma, en alleen als we daar alle begrip voor hebben, kunnen we zijn boodschap verstaan en ons eigen maken’.
Het trauma bestond erin, dat Johannes de deuren voor ‘de’ joden gesloten hield (Joh. 20:19),
zoals christenen later joden uitsloten. Zó voelt het dus. Je kan er gevoelig door/voor worden, of de andere kant uitslaan, en in wreedheid ontaardden.

Je kan ook het gemopper voorbij zijn, zoals Steenbakkers de houding van hedendaagse feministische stemmen als Moira Gatens en Aurelia Armstrong over Spinoza omschreef. En zoals Tomson in vergelijkbare zin de stem van David Hartman (1931-2013) in 1981 in Auschwitz or Sinai (be)noemde, het trauma voorbij.
Het enige dat rest, is om vergeving vragen en God aanroepen in vrijheid aangeraakt te worden

met levensadem, lente-tijding,
en doe met krachten ter bevrijding
ons hier in Christus’ vrijheid staan.
God, laat ons niet vergaan!
(Ad den Besten, Lied 709).

Met de nadruk op ons, inclusief. Slaaf en vrije, man en vrouw, jood en christen.

Tussen Pasen en Pinksteren

Celestial teapotTwee dagen na Pasen namen we in de Amsterdamse Oude Kerk afscheid van Riet Schilling (1926-2014). We kunnen niet om haar moeilijke laatste levensfase heen, terwijl ook Pasen nazindert en ons voorgaat. Beide vinden hun parallel in de Evangelietekst die wordt gelezen, en in de manier waarop ds.
Ietske C. Jansen deze uitlegt.

Het is Johannes 20:11-18, een tekst die rust op twee pijlers: ‘Maria stond buiten bij het graf en weende’ aan het begin, en: ‘Maria van Magdala kwam bij de leerlingen en bracht hun de boodschap: ik heb de Heer gezien!’ aan het eind. Een tekst die als een wolk schuift van donker naar licht, van niet zien naar zien, van ongeloof naar geloof.

Armando
Als geen ander, maak ik een paar dagen later op uit een lezing van Everdien Hoek, heeft Armando dit verbeeld. ‘In het licht van het voorafgaande’, heette die lezing. Op zijn doek Melancholie (1986, Centraal Museum Utrecht) schilderde hij een witte onderzijde met zwart erboven. De donkerte lijkt het wit weg te willen drukken. Twee jaar later schildert Armando op Schuldig Landschaft (1988, Lakenhal Leiden) het omgekeerde: een zwarte onderkant met wit erboven. Met een vleugje rood als teken van hoop, als een adertje levensbloed.
In een volgend schilderij dat werd getoond, Blau (2010) lijkt de strijd tussen licht en donker te zijn opgeheven. Nog weer later schildert hij Der Engel (2012, Cobra Museum Amstelveen) dat de spreekster doet denken aan een uitspraak van Walter Benjamin: ‘Zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait’.

Nog weer een paar dagen later leest een vaste groep mensen mee met de predikant van diezelfde Oude Kerk, Eddy Reefhuis. Dit keer ligt onder andere 1 Petrus 2: 1-10 op tafel. We lezen over een mens die moet groeien naar het licht, die met uitgestrekte handen naar de bevrijding reikt. Weg is de donkere onderkant van het schilderij. Het is de hemel waaraan wij hangen. Het Blau van Armando. Het is de omgekeerde wereld, de omgekeerde werkelijkheid.

Joris Landman en Bertrand Russell
Zondag moet blijken of de kerkdienst, het ritueel het kader kan scheppen waarin alles een andere kleur krijgt, waarin de wind van het paradijs door de kerk kan waaien, waarin een  project van Joris Landmand de rol kan spelen van stem en tegenstem, zoals kerk en kunst dat kunnen doen, elk zichzelf blijvend als het even kan.
Landmans project Celestial teapot hangt op een andere manier aan de hemel en bevraagt zo de dienst. Landman wil door middel van een poëtische omkering Russels theepot  (zie: http://www.oudekerk.nl/nl/programma/kalender/from-dust) ‘echt’ proberen te maken. Er zal een zwarte doos staan, met een theepot erin. Maar die zie je niet. Je moet het geloven, zonder meer.

Bertrand Russell stelde dat het zinloos is te denken of te spreken over het gegeven dat een porseleinen theepot in een baan rond de aarde en Mars kan draaien. Landman wil proberen het wel te realiseren en heeft contact gelegd met de NASA. Wat zal het effect zijn? Of zien we liever de bijna zeven meter hoge Celestial teapot van Lily van Stokker op het dak van Hoog Catharijne in Utrecht  (zie afb.), die even is neergedaald?
Het verschil is misschien als dat tussen de twee pijlers in het verhaal van Johannes 20. Allebei ‘bestaan’ ze. Het verhaal legt er een verband tussen. Daardoor worden we bewogen, en in beweging gezet. Zondag en alle dagen van de week. ‘Wenn ihr wollt, ist es kein Traum’ (Yael Bartena, 2012).

A dialogue

Gertrude SteinDe tekst Every afternoon. A dialogue van Gertrude Stein (zie afb., links) geeft geen enkele rolverdeling of regieaanwijzing. Ook kan ik mij niet herinneren ooit een meer gelaagde tekst te hebben gelezen. Een tekst die uitnodigt tot verbeelding en tot respons. Een dialoog eigen.

Patricia Werner Leanse deed het eerste met haar buitengewoon intrigerende verfilming van een opvoering (de eerste ooit?) van de tekst van Stein. Ik doe hier het tweede.

Ondanks het feit dat Stein deze tekst midden in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk schreef (1916), ademt hij toch een zekere hoop. Er ís ook reden om hoopvol te zijn, al kan (nog) niet worden gezegd waarom. Of het moet duidelijk de hoop op verandering zijn. Vandaag nog niet, maar kom morgen met verhalen. Of zaterdag. En zing dan. Dat gaat misschien beter dan praten.

Het gaat om emoties, om empathie en spiegelingen (I get up – So do you get up), in de film fraai, soms humoristisch en als commentaar (dialoog!) vertaald.
Sta op: het is Pasen. We verstaan niet wat er wordt gezegd: het is Pinksteren. Beide vallen op één dag. We wachten op zijn komst (Come again – Come in again), maar hij lijkt niet geïnteresseerd en we moeten hem niet uitdagen. We hopen dat hij een boek meebrengt. Eens, wanneer hij komt. Die hij is – zonder dat het er staat – ongetwijfeld Picasso, uit Marseille. Maar mag je in hem, net als in Godot van Samuel Beckett, ook niet de a/Ander zien? Eigenlijk gaat het stuk over iedereen, over Elckerlyc. Daarom staan er misschien ook geen rolverdelingen in …

Zie voor de verfilming van Deer Productions/Monalisa Toneel Club:
http://vimeo.com/bubbleeyes/gertrudestein
Link naar de Geography and Plays’ bundel waar Every Afternoon in staat:
http://www.gutenberg.org/files/33403/33403-h/33403-h.htm

Zwijgen bij volle maan

Zwijgen bij volle maanHet boek ‘Zwijgen bij volle maan’ van Hendrik Vreekamp kan als reisgids dienen. Letterlijk, vanwege de ondertitel: Veluwse verkenningen. En figuurlijk, als een innerlijke reis, vanwege het vervolg: van Edda, Evangelie en Tora.

Verkenningen
Zoals het bij elke reisgids gaat, is het goed toch bij elke verkenning eerst het VVV binnen te lopen. Dit kan (het boek dateert uit 2003) tot mooie aanvullingen leiden: de synagoge van Elburg is inmiddels een klein museum, de voormalige synagoge van Hattem niet langer een kantoor maar een toegankelijke winkel waar de eigenares zich van de oorspronkelijke bestemming bewust is en – o grote vreugde! – de synagoge in Dieren is niet langer een kerk maar krijgt de oorspronkelijke bestemming terug. Het huis van de familie Hamburger, Holkerstraat 9 in Nijkerk tenslotte is inmiddels een winkel, maar ook dáár kom je gaandeweg wel achter.

Kuieren
Gaandeweg wil zeggen: al kuierend, zoals Anne van der Meiden het vanuit zijn Twentse achtergrond zou noemen. En – gebiedt de eerlijkheid te zeggen – in ons geval ook veel met de auto. Met een rooms-katholieke vriendin probeerde ik in de loop van een vakantie op het spoor te komen van wat de schrijver wil zeggen. Al kuierend van gedachten wisselen en alles van verschillende kanten proberen te bekijken, zoals Van der Meiden het woord ‘kuieren’ – dat méér is dan wandelen – invult. Met enkele waardevolle ‘uitstapjes’ buiten het boek om, zoals Het Verscholen (of Verborgen) Dorp, enkele gereconstrueerde ondergrondse hutten zoals ze in 1943-1944 aan in het totaal zo’n 100 onderduikers in de buurt van Vierhouten onderdak gaven.
De reis werkte uiteindelijk op twee fronten door: van het midden naar de rand en van het einde naar het begin.

In het midden
In het midden van de Veluwe ligt het Kootwijkerzand. Niet alleen als een Heilige der heiligen, als een plaats die ons niet is gegeven (p. 267), maar ook als het lege midden zoals beschreven in het boek ‘Het geheim van het lege midden’ van Theo Witvliet: waar de dialoog tussen Edda (Miskotte!), Evangelie en Tora, heiden, christen en jood plaatsvindt, zonder de stokken en zwaarden van de kruistochten en in (letterlijk) alle openheid.
Dat wij tussen twee haakjes het Kootwijkerzand alleen in een glimp door het autoraam zagen, en er verder omheen zijn gereden, zoals Jelle Brandt Corstius eens beschreef de Merapinvulkaan tot op een paar kilometer te zijn genaderd en zonder bezichtiging terugkeerde, is haast symbolisch.

Aan de rand
Wonderlijk genoeg ligt de kerk in Hattem – in tegenstelling tot wat Vreekamp meent (p. 148) – net als die in Elburg níet in het midden maar aan de rand, wat het verhaal nog spannender maakt. Want dáár hoort de kerk: aan wat cultuurwetenschapper en econoom David Hamers in zijn boek ‘Niemandsland’ de rafelranden van de stad noemt, tussen stad en platteland, legaal en illegaal, formeel en informeel.
Ook Hamers vraagt ons mee te kuieren op zijn tochten, van het midden waar politiek (en kerk) het voor het zeggen denken te hebben, naar de rand, en terug naar het (lege) midden dat daardoor is veranderd en tot bescheidenheid maant.

Vanuit het einde naar het begin
De tweede beweging is het denken ‘vanuit het einde, vanuit een houvast achter de horizon’ (p. 267). Vanuit Pinksteren. En daarmee haalt Vreekamp de pneuma-theologie aan, die uitgaat van de geest en niet – zoals de logos-theologie – vanuit Christus.
Is het verwonderlijk dat ook het denken van iemand als Dorothee Sölle, die altijd te vinden was aan de rafelranden van de samenleving, zich juist ná haar diepgaandere kennismaking met het jodendom ook in deze richting begon te bewegen?
Als je het boek van Hendrik Vreekamp uit hebt, en het weer opnieuw begint te lezen, zoals in de synagoge tijdens het Slotfeest/Simchath Tora (Vreugde van de Leer) waarmee het Loofhuttenfeest wordt afgesloten wordt gedaan, begin je weer met (het hoofdstuk over) Genesis 1. Bij de tweede keer lezen wordt dan duidelijk dat de schepping en de natuur van de Veluwe niet mogen worden verwisseld.

De overweldigend mooie natuur hebben wij ervaren, na Pinksteren, zoals Vreekamp dat vooral in de tijd van het Loofhuttenfeest heeft gedaan. Naar de barensweeën van de schepping moet vooral worden geluisterd, als een opdracht haar niet te vernietigen maar te helpen voltooien. Zoals de christen naar de heiden en jood moet luisteren.

Zó rijk is het boek, dat dit gaandeweg allemaal wordt opgeroepen. Een boek om te lezen en te herlezen. En al keuvelend na te reizen. Fysiek en figuurlijk. En op z’n tijd ook weten te zwijgen, want

            Diep in het Heidens gat,
            begraven ligt een schat.
            Wie hem bij volle maan weet uit te spitten
            en daarbij zwijgen kan, zal hem bezitten (p. 117).

Aan de vooravond van het verschijnen van het derde deel uit de “Veluwe-trilogie” van Hendrik Vreekamp.