Elkaar de hand schudden

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen de biopic Maudie naar het leven van de Canadese schilder van naïeve schilderijen Maud Lewis (1903-1970, afb. hieronder), gespeeld door Sally Hawkins (afb. boven). Lewis leed aan een ernstige vorm van reumatoïde atritis, waardoor zij klein van gestalte bleef en haar handen, armen en rug krom waren gegroeid.
Dit levensverhaal doet in de verte denken aan de opera
Die Gezeichneten van Franz Schreker (1878-1934) en het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea (geb. 1943). Ze zouden allemaal elkaar de hand kunnen schudden. Over Schreker en Andrea schreef ik eerder (herfst 2007) in Wervel-ingen. Die column neem ik hier, onder toestemming, iets aangevuld over.

Bij De Nederlandse Opera werd aan het eind van het seizoen 2006-2007 Die Gezeichneten van Franz Schreker opgevoerd in een regie van Martin Kušej. De getekenden – in de dubbele betekenis van het woord: de mismaakte of door ziekte getekende hoofdpersonen Alviano en Carlotta, en de door Carlotta letterlijk getekende mensen (of liever: handen).

Kušej heeft het verhaal dat tijdens de renaissance speelt naar onze tijd vertaald. Zo tekent Carlotta niet langer, maar maakt ze foto’s. Wat een accent verlegt, want de bedoeling (het willen vangen van ‘zielen’) blijft hetzelfde.
Maar Kušej gaat verder. Hij waste alle Jugendstil-decoraties af en boog de verkrampte manier van omgaan met seksualiteit om. Zo hield hij een laag over waarin de wreedheid van de tijd van ontstaan van de opera (aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog), net zo wreed als de tijd waarin Lewis leefde en waarin afwijkende verschijningen werden verborgen, tijdloos is. Een laag waarin kunst en leven, esthetiek en ethiek van elkaar zijn vervreemd; een wereldoorlog later kennen we de verhalen van de beulen uit de kampen die ’s avonds Mozart speelden.

De manier waarop Schreker zijn eigen libretto toonzette, doet soms meer aan de innerlijke wereld van de Franse impressionisten (Debussy, Ravel) denken dan aan de gevoelsuitbarstingen van de expressionisten van de Tweede Weense School (Schönberg, Berg, Webern). Daarom verzuchtte een recensent uit de tijd van de componist dat diens muziek geen toekomstmuziek was, maar – en dat was een rake constatering – ‘hedendaagse kunst in de volste zin van het woord.’ Actueel tot op de dag van vandaag, en daarom terecht weer onder het stof vandaan gehaald, zoals Lewis een film waard is.

Zoiets dergelijks geldt ook voor de waardering van het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea, die Schreker over de tijd heen de hand zou kunnen schudden. Zoals Schreker begon in een tijd dat de Weense School invloed begon te krijgen, zo begon de Haagse Andrea zijn loopbaan in een periode waarin de meeste schilders abstract werk maakten, terwijl hij het – net als Lewis – bij figuratieve schilderijen hield.

Andrea beeldt net zoals Schreker mismaakte mensen af. Mensen zonder volledig volgroeide ledematen, gedeformeerde lichamen à la Bacon. Ook zij lijken symbool te staan voor een gebroken wereld waarin geweld en preoccupatie met seksualiteit (over)heersen.
Maar er is nóg een overeenkomst: in beider werk is ook tederheid aanwezig. Niet voor niets is Schrekers werk verwant aan het impressionisme en wordt Andrea wel een ‘psychisch impressionist’ genoemd.

Het blijft allemaal dubbel: het eiland bij Schreker, de tuin op L’anuonciation II (1996-2001) van Andrea, de kippen, katten, bloemen, vlinders in heldere kleuren bij Lewis. Het is soms te mooi om waar te zijn, en te waar om mooi te zijn. Zoals het leven  zelf, al dan niet getekend door mismaaktheid, ziekte of pijn zoals bij Lewis.

Leren maar

Even na half augustus verschijnt een Zomercolumn van mij op literairnederland.nl (link komt hier). Het onderwerp is ‘Contrapuntisch lezen.’
Een mooi voorbeeld is een gedicht dat Adriaan Deurloo (foto links) een maand en een dag na het overlijden van zijn zoon Ruben schreef, en een gedeelte uit de studie over Spinoza van Kees Schuyt (foto rechts) die ik onlangs op deze blog besprak.
Eerst het gedicht, dan het gesprek met Spinoza en Schuyt.

Besef steeds weer, steeds
meer dat leven leren is.
Dat leren je verweer
is tegen het gemis,
’t inbrekende verdriet
om wie jou achterliet.

Leren dat leven van
de moederschoot af aan
feitelijk niets anders dan
steeds afscheid is, weg gaan
uit de vertrouwde kring.
Jij moet de leegte in.
Jij moet in de woestijn
weer leren wat jou zijn
opnieuw betekenen moet.

Het helpt daarbij wel goed
het als ontdekkingstocht,
’n reis naar ’t beloofde land
te zien – kort door de bocht
misschien, ja zelfs pedant.
Maar – merk je als je ’t doet,
het geeft de burger moed.

Dus leren maar. De vragen
verduisteren je kim.
Maar plotseling gaat het
dagen.
Je houdt je adem in.

Het is niet een gedicht over Spinoza, laat dat duidelijk zijn, maar er valt wel veel van diens denken in terug te vinden. Voor mij dan, want ik weet niet of Deurloo wat met Spinoza heeft; ‘zijn’ filosoof is Joh. Georg Hamann (1730-1788).
Het gedicht van Deurloo gaat een weg die niet alleen doet denken aan die van Spinoza met zijn drie stappen: de imaginatio (verbeelding), ratio (rede) en intuïtie (inzicht), maar ook aan zeven punten die Schuyt noemt (p. 252-253). Natuurlijk zijn er ook wezenlijke verschillen en die maken het gesprek uit.

Leren is volgens Deurloo verweer tegen gemis. Interessante vraag daarbij is volgens Schuyt of je ’t inbrekende verdriet / om wie jou achterliet ook ‘kunt verdrijven door een heel mooi gedicht (…) te lezen of naar mooie muziek te luisteren. Spinoza vond van niet.’ Deurloo als fervent concertganger en muziekliefhebber ongetwijfeld wel, maar daar gaat het hier niet om. Ook niet over de manier van leren die Elizabeth Bishop in een door Schuyt vervolgens geciteerde dichtregel bedoelt: ‘De kunst van verliezen valt te leren.’
Het leren bij Deurloo is verwant aan het levenslange, joodse lernen, een bevrijdende Exoduservaring, weer leren wat jou zijn / opnieuw betekenen moet. Een inzicht dat, volgens Schuyt, ‘uit jezelf komt en niet meer uit (…) emoties.’

Het is een ontdekkingstocht, of zoals Schuyt Spinoza verklaart ‘mentale training.’ Die opeens kan leiden tot het ‘verdrijven van emoties.’ En dan gaat het dagen en houd je je adem in. Dat is wat Spinoza intuïtie noemt.

De vreugde van het inzicht

Op driekwart van het boek Spinoza en de vreugde van het inzicht beschrijft Kees Schuyt de ruwweg twee tegengestelde lezingen van Spinoza in het algemeen en diens Ethica in het bijzonder: ‘Een naturalistische (lees: natuurwetenschappelijke) interpretatie versus een emanciperend-bevrijdende interpretatie, die vanuit een modern-humane mensvisie het zelfbepalende individu centraal stelt.’
Schuyts denken zou je onder de tweede manier van lezen kunnen scharen, wat hij verderop omschrijft als ‘een bevrijdingsfilosofie, die mensen kan leren welgezind en soms zelfs met vreugde van het leven te genieten.’ Hij schrijft over inzicht dat richting geeft ‘aan ons eigen actieve handelen’  en ‘als richtsnoer voor de inrichting van de samenleving en een democratische staatsvorm.’

Tegenover deze heldere, compacte omschrijvingen staan soms woordkeuzes die hiermee in strijd zijn, of op z’n minst een andere achtergrond verraden. Niet zozeer van de auteur, maar in algemene zin, zoals: ‘goede werken’ voor ‘actief handelen’, wat eerder rooms-katholiek overkomt, terwijl de ‘twee gedaanten waarin God/Natuur voorkomt (naturans en naturata) haast de triniteitsleer van de kerk nadert. Dit kan in beide gevallen bij de monist en de met het joodse denken vertrouwde Spinoza niet de bedoeling zijn.

Daar staan gelukkig ook de vele passages tegenover die het als moeilijk te kenschetsen denken van Spinoza verhelderen. Kort en krachtig, als gezegd, zoals: ‘Het wezen van de mens is in redelijkheid streven naar eenwording met God. Het middel daartoe is kennisverwerving’ of: ‘Het hóógste goed, dat bestaat in de vereniging van de ziel met God en van de mens met God. Door kennis de allerhoogste liefde bereiken; dat is de liefde voor God, die eeuwig en onvergankelijk is. Is men tot dit inzicht gekomen, dan ervaart men gelukzaligheid, dan wordt men een fundamentele instemming met het bestaan.’ En: ‘vrijheid (…) wordt gevoed door karaktervorming en uitgedrukt in een bepaalde wijze van leven of in een levenshouding.’

Gelukkig neemt Schuyt mijns inziens afstand van de opvatting dat Spinoza een determinist was in de huidige betekenis van het woord en de vrije wil geheel ontkende. Zelfs dat hij het beter zou hebben geweten dan huidige hersenwetenschappers als Swaab met zijn boek De vrije wil bestaat niet. Of, zoals Schuyt het zelf verwoordt: ‘Mensen [hebben] de mogelijkheid tot een bepáálde mate van vrijheid, vrijheid als zelfbepaling, specifiek verbonden met de richtlijnen van rede en redelijkheid, leren inzien en daarnaar proberen te leven.’ Dit geldt volgens Schuyt alleen voor mensen, want noodzakelijk leven volgens de eigen natuur gaat alleen op voor God/Natuur (brief aan Schuller, oktober 1674).
Schuyt geeft terecht aan dat Spinoza’s idee van het zogenaamde parallellisme tussen stof en geest (liever: de twee gelijktijdig rollende kanten van een muntstuk) in de neurologie en neurofilosofie inmiddels achterhaald zijn beschouwd.

De auteur van dit boek was voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, in welke hoedanigheid ik hem een keer heb ontmoet en gesproken. Op het terrein van Spinoza is hij een liefhebber in de goede zin van het woord; de vreugde van het inzicht spat soms van de pagina’s af, bijvoorbeeld in een omschrijving naar aanleiding van het derde deel van de Ethica: ‘Heerlijk om te lezen’ of van het vierde deel: ‘Een genot om te lezen.’
Elders beschrijft Schuyt hoe bij Spinoza is uitgekomen: een boek van Terrence des Pres over de rol die de conatus (in de vertaling van Spruyt een ‘dynamisch, evenwicht zoekend ontwikkelingsbeginsel’) ‘speelde bij het overleven in de werkkampen van de Sovjet-Unie en in de concentratiekampen van nazi-Duitsland.’ Hiermee nuanceert hij tevens het conatus-begrip, omdat Spinoza de hoop die overlevenden beschreef juist wantrouwde, en daar troost voor in de plaats stelde.

Dit maakt zijn boek tot een sympathieke en geëngageerde studie. Een enkele keer met dermate lange, ingewikkelde zinnen die je een paar keer moet lezen om te begrijpen wat de schrijver bedoelt, zoals: ‘Deze tegenstellingen worden nu met een uitdrukkelijker doel beschreven en geanalyseerd, namelijk om te laten zien, enerzijds ….’ enz. enz. Ook de structuur had mijns inziens wat strakker gekund.
Een voorbeeld van zo’n sympathiek overkomende en geëngageerde passage betreft die waarin de auteur afstand neemt van de hedendaagse, relativistische uitleg van goed en kwaad. Schuyt stelt dat natuurlijk kwaad (een aardbeving) dicht bij moreel kwaad kan liggen (oliewinning die willens en wetens plaatsvindt).

Het boek is geen hagiografie, wat blijkt uit een zinsnede over de Politieke Verhandeling: ‘Onder de uitvoerige en regelmatig saaie bespreking van de aristocratische staatsvorm dreigt eveneens de hoofdboodschap verloren te gaan’, al zou een goede redacteur behalve de ingewikkelde zinnen eenvoudiger maken ook hier goed werk hebben kunnen verrichten door het overbodig overkomende woordje ‘eveneens’ te schrappen. Hoezo: eveneens?
Ook uit Schuyt kritiek op het essentialistische denken van de zeventiende eeuw: ‘Spinoza leidt de essentie van “de” vrouw af uit de natuur, maar in feite volgde hij de heersende sociale gewoonten en gebruiken van zijn tijd’, wat hij niet als een excuus ervaart.
Uit zijn (persoonlijke) conclusies blijkt dat Schuyt kanttekeningen bij zowel Spinoza’s denken als de receptie daarvan niet schuwt, die hij soms als hij ‘te rigide, te stellig of te dogmatisch’ ervaart.

Dit boek is uitermate geschikt voor zowel lezers die willen kennismaken met Spinoza’s denken als voor lezers die daarmee al wat vertrouwd zijn, voor wat Schuyt de ‘conversation of mankind’ noemt. Wat tevens inhoudt dat hij ook heel wat kritiek te verduren zal krijgen …

Kees Schuyt: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Uitgeverij Balans, Amsterdam (2017), ISBN 978 94 600 34060, € 34,95

Commentaar op deze blog is te vinden op: http://bdespinoza.blogspot.nl/2017/07/els-van-swol-besprak-kees-schuyts-boek.html#comment-form

Katrien Ruytjens – Ruimte voor het onverwachte

Ruimte voor het onverwachte / Katrien Ruytjens, Ellen Van Stichel. – Leuven : Lannoo Campus, [2016]. – 133 pagina’s : illustraties ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-43805-6

Elk hoofdstuk in dit boek is opgedeeld in verschillende, ook door afwijkende papierkleur
onderscheiden gedeeltes: een inleiding, hoofdtekst en ervaringen uit andere boeken, verhalen uit het leven of gedichten. Zij behandelen c.q. onder-steunen tezamen de onderwerpen die aan de orde komen. Dat zijn: wachten, verwachten en open staan voor het onverwachte; het lichaam waarvan je kunt genieten maar dat ook last kan bezorgen; kinderwens, zwangerschap en ouderschap; nare gebeurtenissen in leven en sterven; angst, de klimaat- en vluchtelingencrisis en de maakbare samenleving. De beide auteurs zijn theoloog en grijpen terug op het gelijk-namige boek en gedachtegoed van Trees Dehaene (1996). Dit boek past in een tijd die om aandachtig leven vraagt. Toegankelijk geschreven gezinshulpboek over het leven van de wieg tot het graf.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Leren lijden – Martin Appelo

Appelo_Leren lijdenLeren lijden / Martin Appelo. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 160 pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895394-2-7

Helder geschreven systematische bespreking van verschillende vormen van lijden met de trekken van een zelfhulpboek (‘Herken je dit?’). Aan de ene kant wordt besproken hoe in de loop der tijd in westerse en oosterse religies, filosofie en psychologie over lijden is gedacht. Aan de andere kant staat de vraag centraal hoe daarmee om te gaan. Appelo, gezondheidszorgpsycholoog en gedragstherapeut, definieert het begrip als een primair negatief gevoel. Hij doet dit aan de hand van algemene vragen en vijf levensverhalen. Gaandeweg wordt deze definitie aangescherpt en ontstaat al dan niet terecht het beeld van een ‘hippocratische, calvinistische, freudiaanse vechtcultuur’ tegen de oorzaken van het lijden. De auteur wil echter niet zo ver gaan zichzelf te beschouwen als quiëtist (zich afkerend van de wereld), zoals Leon Heuts in het voorwoord suggereert. Daarvoor hangt Appelo teveel aan het leven en wil hij leren het lijden als onderdeel hiervan te accepteren.

Copyright NBD Biblion. – Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Youth – La giovinezza

Youth_SorrentinoRegisseur Paolo Sorrentino vertelde in een interview over zijn succesvolle film La grande bellazza dat deze eigenlijk over alles en over niets gaat. Dat geldt min of meer ook voor zijn nieuwste film, die 29 oktober a.s. in roulatie gaat, maar die leden van de Rialto Filmclub vandaag al kregen te zien; een prachtige start van het vijfde seizoen. Dat geef ik op voorhand maar meteen weg.

Het verhaal op zich is eenvoudig: in een ressort in Zwitserland brengen componist/dirigent Fred Ballinger (Michael Caine) en diens vriend filmmaker Mick Boyle (Harvey Keitel), zo weggelopen uit De Toverberg van Thomas Mann, hun vakantie door.

Fred weigert om een bepaalde reden, die gaandeweg de film duidelijk wordt, voor de Britse koningin op te treden met eigen werk. Zelfs niet wanneer de Koreaanse coloratuursopraan Sumi Jo de solopartij zingt. Mick werkt gestaag door aan zijn nieuwste film, die de kroon op zijn werk moet worden. Al baart het slot ervan hem moeite; zijn medewerkers verzinnen telkens een andere plot, maar die kunnen de goedkeuring van de meester niet wegdragen. Het uiteindelijke slot blijft open en krijgt in het ware leven een andere wending, die net als de verwijzing naar Mann ook in dit geval herinneringen oproept aan een film – ik hou de titel wijsheidshalve voor me – die eerder in de filmclub werd vertoond. Samen bomen de vrienden over hun leven, hun werk en de kunst in het algemeen.

De diepere laag die in de film wordt aangeboord, gaat over de rol van kunst in leven en sterven. En impliciet over de vraag welke kunstvorm dan de hoogste ogen gooit: is dat woordloze muziek, zoals een eenvoudig liedje als oefening, gespeeld door een jonge violist in het ressort die nog een aanwijzing van Ballinger krijgt, of een Lied ohne Worte gespeeld door niemand minder dan violiste Viktoria Mullova, of is dat bijvoorbeeld dans?
Niet voor niets doen de twee vrienden een weddenschap over de reden van de zwijgzaamheid van een echtpaar in het restaurant van het ressort: zijn ze nu stom of hebben ze elkaar, behalve in bed, niets meer te zeggen en te bieden?
Uiteindelijk lijkt de liefde het laatste woord te hebben, en wordt het met bloemen gezegd. Liefde overwint de dood, die op verschillende manieren het script binnensluipt. En ervoor zorgt dat de kunst blijft voorleven, over de dood heen zelfs weer opbloeit.

Dit script, dit diepere verhaal is op een voor Sorrentino kenmerkende manier vormgegeven, zoals Veerle Snijders ter inleiding van de Rialto Filmclub toonde: in een haast glijdende cameravoering, met een melancholie die in de gezichtsuitdrukkingen tot uiting komt. Dat geldt met name voor beide hoofdrolspelers, waarbij Michael Caine (voor een keer?) de plaats heeft ingenomen van Toni Servillo die we uit eerdere films van Sorrentino kennen. Deze film is een prachtige, sterke opvolger van La grande bellazza.

Woensdag 28 oktober wordt om 20.00 uur in DeBalie@Rialto plaats ingeruimd voor deze film: http://www.rialtofilm.nl/podium/debalie@rialto:%20youth%20-%20la%20giovinezza/

Oude feestdagen nieuw

Hagia SophiaIn het boek De stad aan de rand van de hemel van Elif Shafak (uitg. De Geus) dat ik momenteel lees/recenseer, staat een verhaal over de Turkse architect Sinan en diens Indische leerjongen Jahan (p. 335 e.v.). Sinan krijgt van de sultan de opdracht om de Hagia Sophia (zie afb.) in Istanbul te vergroten. Daarvoor moeten de omringende huizen worden gesloopt. Sinan begreep dat ‘zijn meester de keuze moest maken tussen de mensen en het gebouw, en hij duidelijk voor het laatste had gekozen.’

Het verhaal doet denken aan dat van de Walburgiskerk in Zutphen. Tijdens een rondleiding daar hoorde ik jaren geleden dat het koor van de kerk een knik maakt, omdat het treurt.
Tijdens een cursus kunstgeschiedenis leerde ik, jaren later, dat die knik erin zit, omdat de bouwheren de omringende huizen moesten c.q. wilden laten staan. Een geestelijke reden tegenover een seculiere dus.

Soms staan ze niet tegenover elkaar, maar in elkaars verlengde. Het joodse Pesach is bijvoorbeeld van oorsprong een oogstfeest, maar werd later de viering van de uittocht uit Egypte. Toch klinkt de oorsprong in de huidige viering van bijvoorbeeld een ander feest, Sjavoeot (Wekenfeest, Pinksteren) nog door: in het loslaten van een jonge duif en het binnen dragen van pas geboren baby’s, zoals ik in een kibboets in Israël meemaakte.
Dit maakt dat het voor seculiere mensen mogelijk ook iets van het feest mee te beleven.

Iets soortgelijks kan opgaan in de discussie over religieuze feestdagen en het ‘afstaan’ van de tweede dag (Tweede Paasdag en Pinksterdag bijvoorbeeld) voor een feest van een ander geloof. Seculiere mensen en christenen kunnen zo Ramadan, dat nu op de kalender staat (18 juni t/m 17 juli) meebeleven wanneer aan het vasten de inhoud wordt gegeven die moslims er ook deels aan geven: verbondenheid met arme en hongerige mensen op de hele wereld.

Ook valt te denken aan het gezamenlijk vieren van nieuwe feesten, zoals Keti Koti, een Surinaams begrip (= Verbroken Ketenen) dat de afschaffing van de slavernij symboliseert, op 1 juli 1863 in de toenmalige koloniën Suriname en de Nederlandse Antillen.

Zowel de oprichting van het instituut NiNsee, het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis, als de oprichting van herdenkingsmonumenten, waaronder het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark, zijn directe resultaten van deze inspanningen.

De rabbijn Lody van der Kamp, de predikant Herman Koetsveld en de humanistische moslim Enis Odaci hebben iets soortgelijks voorgesteld, namelijk ruil Tweede Paasdag in voor het joodse Jom Kippoer (Grote Verzoendag), en Tweede Pinksterdag voor het islamitische Suikerfeest. ‘Dat is’, zeggen zei (in: Trouw, 4 juni 2015) ‘een prachtige verbreding van de symboliek van het leven.’ Mijn zegen hebben ze.

De stem van de stilte

Zwaenepoel_Stem van de stilteDe stem van de stilte / samengesteld door Tom Zwaenepoel. -Tielt : Lannoo, [2014]. – 203 p ; 19 cm. – Met register. ISBN 978-94-01-41552-1

Aan de hand van 52 alfabetisch geordende thema’s zijn korte tot zeer korte gedachten opgenomen over stilte. De thema’s variëren van dood en leven tot God en wereld. De gedachten zijn van uiteenlopende mensen, zoals paus Benedictus (zeven keer) en Kahlil Gibran (zes keer) tot de Maleisische zakenman en schrijver Vijay Eswaran (zeven keer).
De bloemlezing werd samengesteld door de doctor in de Germaanse talen, docent aan de abdijschool van Zevenkerken, de Universiteit van Gent en Bayreuth en specialist op het terrein van Vaticaan en pausdom. Mooi boekje om in te bladeren en van te proeven. Voor meditatie en om de waarde van stilte tussen woorden en mensen te ontdekken. Onder anderen voor liefhebbers van het werk van Anselm Grün. Gebonden uitgave in pocketformaat; normale druk. Met register.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen. Geplaatst in week 19 (2014).

 

Grote en kleine verhalen

Het BalkonDe bibliothecaris moet makelaar worden, de theoloog volgens Ruard Ganzevoort inmiddels ook. Makelaar in verhalen, in levenswijsheid. Alleen noemen de Godfathers van De Verhalencoach (Bibliotheek Innovatieprijs 2011) het liever niet ‘makelaar’, want dat associeer je eerder met een handelaar of bemiddelaar. Coachen gaat verder.

Contextualiseren is de nieuwste term: “het in context plaatsen van informatie, het inbedden van informatie uit allerlei bronnen in een op de klant afgestemde dienst” (SIOB). Komt de informatiespecialist daar in zijn/haar eentje uit, komt de theoloog daar uit, moeten we zoeken naar een nieuwe professional of naar nog iets anders?

“Het is jammer als één van die trainingsprogramma’s [zo beschouwt onze Denker des Vaderlands, René Gude, religie, kunst, sport en filosofie] wordt verabsoluteerd” (in: Trouw, 27 juni 2013). Laten we het eerder zoeken in samenwerking, een nieuwe mix waarin de gebruiker centraal staat. De bibliotheekgebruiker, de kerkelijke en niet-kerkelijke zoeker naar levenswijsheid.

Amsterdam heeft een Loket voor Levensvragen over liefde, lijden en leven. Dat is mooi en levert maatwerk op. Maar je kunt het gesprek over om het even religie, kunst, sport en filosofie of de samenhang daarvan ook in groepsverband aangaan. Vanuit grote en kleine verhalen, over de mogelijke zwaarte van een christelijke last, over de lichtheid van het bestaan en wat dies meer zij.

De verhalencoach en de theoloog zijn per definitie mensen die goed kunnen luisteren, zich in een ander (zouden moeten) kunnen verplaatsen en hebben geleerd dóór te vragen. Beiden hebben kennis van collecties boeken, en hoe die zijn opgebouwd en ontstaan. Of het nu bibliotheek of Bijbel heet. En hoe die grote en kleine verhalen hun uitweg vinden in bijvoorbeeld film en muziek, want laten we die niet vergeten. Of liever: misschien zelfs centraal stellen.

De bibliotheek kan zo’n gesprek faciliteren. De vorm zou die van een maaltijd in vier gangen kunnen zijn: religie, kunst, sport, filosofie. Bij de ene gang staat een zwaar boek centraal, bij de ander een lichte film, muziekstuk of een (levens)verhaal. Alles vanuit ‘de klant’ gedacht.

Niets hoeft, alles mag. Ter plaatse grijpen we in de kast, de beamer en de computer staan aan. Alle zintuigen worden geprikkeld. In zin en samenhang.