Een bol

Ik omschreef het programma van een fraai orgelconcert van hem eens als een bol, als een toverbal, die telkens anders kleurde. We schrijven 10 augustus 1983 en het speelde zich af in de Grote Kerk van Leeuwarden, en ik schreef erover in de Leeuwarder Courant van een dag later.
Op het programma stond, naast werken van Nicolas de Grigny, Joh. Seb. Bach, Ernst Pepping en Max Reger ook de Pinksterhymne Veni creator op. 4 (1930) van Maurice Duruflé (foto rechts). Volgens Goethe de mooiste hymne die ooit is geschreven. Over creativiteit, over liefde.

Het toeval wil, dat Tjeerd van der Ploeg (want over hem heb ik het) vanmorgen datzelfde stuk, Choral varié sur le thème du ‘Veni creator’ speelde tijdens wat een Orgeldienst werd genoemd. Op zondag Rogate (Bidt) in de Bethelkerk in Amsterdam Tuindorp-Oostzaan (zie foto links, EvS). Het zou een onderdeel worden van wat ds. Kees G. Zwart in zijn inleiding een preek in drie delen noemde: eerst de gesproken tekst, daarna de ‘wervelende compositie’ van Duruflé en tenslotte een gedicht vertolkt door een doventolk (Annet van den Berge). Alleen: dat laatste, ik neem aan Lied 697 uit het Liedboek, viel samen met het stuk van Duruflé. Jammer maar waar wat mij betreft. Een al dan niet derde onderdeel had dan ook best stilte mogen zijn. Om te reflecteren op die preek in twee delen.

Eigenlijk bestond de opbouw van de hele dienst min of meer uit twee delen. Ga maar na: voor de verkondigingen in taal en klank klonk aan het begin het koraalvoorspel Nun bitten wir den heiligen Geist BuxWV 209 van Dietrich Buxtehude, Lied 360 Kom Schepper, Geest op een melodie uit de negende eeuw en enkele verzen uit Psalm 19 op een Geneefse melodie (1542). Allemaal oude melodieën, waarbij je je overigens kunt afvragen waarom het inleidende koraalvoorspel niet binnen de orde van de dienst viel, dus ná het klokgelui. En na de verkondiging de wat nieuwere melodieën, van Frits Mehrtens (Lied 763) en een korte, mooie en krachtige improvisatie daarover tot slot.

Wat de verkondiging in gesproken taal betreft: deze viel ook uit in twee gedeelten. Eerst ging het over Exodus 20:1-21, de uittocht naar het leven vanuit de bevrijding. De vraag is hoe je dat kunt bewaren. Het antwoord ligt volgens dominee Zwart in de Tien woorden, de tien invalshoeken, de tien bakens in de zee van het leven. Liefde is de grote drijfkracht.
Het tweede gedeelte was naar aanleiding van Johannes 14:15-21. Jezus haalt de geboden aan. Weer is liefde de drijvende kracht om in vrijheid te kunnen leven. Dat wil zeggen: krachtig en geestig.

Ten aanzien van Van der Ploegs uitvoering van Duruflé’s koraalvariaties, kan ik haast letterlijk overnemen wat ik in de Leeuwarder Courant van 11 augustus 1983 schreef naar aanleiding van zijn uitvoering van hetzelfde stuk op het Müllerorgel: ‘Het is opvallend dat [nu] het Flentroporgel onder de handen van Tjeerd van der Ploeg (…) heel ver tegemoet komt aan de verschillende klankkleuren. Variërend bijvoorbeeld van tongwerken (…) tot de grondstemmen’ en – vul ik hier aan – de fluiten.

Het was niet zozeer een toverbal die na dit koraal nog weer anders kleurde, maar een bol zoals ik het ook in de Leeuwarder Courant noemde: een bol waarin licht valt, telkens anders gedurende de dag. Een bol als op de achterwand van het Arnolfini portret (1434) van Jan Van Eyck. En wat daar dan het centrale thema van is? U raadt het al: liefde. Het kan niet missen.

Mooi dat in deze tijd wordt gezocht naar een wat experimentele invulling van een dienst die via kerkdienstgemist kan worden gevolgd. In verbondenheid met anderen thuis en met hen die ons voorgingen, in woord en muziek.

Bewustwording of bevrijding?

Op 4 november 1995 hield Bettine Siertsema (foto rechts) in het kader van het leerhuis ‘Vijftig jaar: bevrijd waarvan en waartoe?’ van de kerkenraadscommissie Tenach & Evangelie in de Thomaskerk te Amsterdam een lezing over de tweede generatie joodse schrijvers in Nederland.
Naar aanleiding van zowel het overlijden van Carl Friedman (foto links) – die zij ook enkele keren noemde – en 75 jaar bevrijding herplaats ik hier in iets aangepaste vorm het verslag dat ik over dat leerhuis schreef in
Bekirbénoe, december 1995.[1]

Bettine Siertsema, inmiddels assistent professor aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, onderscheidde drie thema’s die in Brief aan mijn moeder (1974) van Ischa Meijer eigenlijk al aanwezig zijn. Het gaat om: het zwijgen over de Tweede Wereldoorlog, het sociale isolement en de bindingsangst van zowel de overlevenden als hun kinderen.

Het grote zwijgen
Veel van Meijers thema’s en motieven vind je, al dan niet vanuit een andere achtergrond, elders terug. Het eerste thema, het grote zwijgen bijvoorbeeld. Zwijgen om, zoals in zijn geval, niet pathetisch te lijken. Of, omdat de Tweede Wereldoorlog lang geen gespreksonderwerp was daar de vader deed alsof de kinderen alles al wisten, zoals Jessica Durlacher beschrijft in de door haar samengestelde bundel De olifant en het joodse probleem (1994).
Het omgekeerde van zwijgen komt echter ook voor: over elke maaltijd of elk feest hangt de schaduw van verhalen over de oorlog, zoals Carl Friedman vertelt in haar Tralievader (1991). Op die manier wordt oorlogsdreiging en antisemitisme voor kinderen zonder nog al teveel besef van tijd reëel en actueel.
Bettine Siertsema concludeerde op grond van de literatuur, dat praten echter uiteindelijk wel eens minder belastend zou kunnen zijn dan zwijgen over de oorlog. Of er echter nu werd gepraat of gezwegen over het grote leed, de kinderen voelden dat hun kleine kinderleed daarbij in het niet viel en vaak niet aan bod kwam, getuige bijvoorbeeld de verhalen van Miriam Guensberg (in: Foto Jozef, 1989).

Sociaal isolement
Het tweede thema dat de spreekster aansneed, het sociaal isolement, komt duidelijk naar voren in het werk van niet alleen de hiervoor genoemde Carl Friedman, maar ook in dat van de bij een groter publiek bekende auteur Frans Pointl (De kip die over de soep vloog, 1989).

Bindingsangst
Het derde thema, bindingsangst, is terug te vinden in de literatuur van oorlogskinderen zoals Chaja Polak (Zomaar een vrijdagmiddag, 1989 en: Stenen halzen, 1994) en Judith Herzberg (de toneelstukken Leedvermaak, 1982, Rijgdraad, 1995 [en Simon, 2001]). In het werk van Arnold Grunberg (Blauwe maandagen, 1994) komt het thema in het kwadraat naar voren, onder andere in de beschrijvingen van bordeelbezoekers.
Bettine Siertsema rekende ook het steeds veranderen van baan en het niet afmaken van opleidingen onder bindingsangst. Het omgekeerde, het zich-begraven-in-het-werk, zoals Ischa Meijer deed, komt in de werkelijkheid ook veel voor, mede getuige de gesprekken die zijn opgenomen in het boek In twee werelden (1985) van Helene Weijel.

Tradities
Veel joden die Weijel interviewde, hechten niet aan religie, maar aan traditie – in wezen een vierde, en recent te onderscheiden motief, waarbij tussen twee haakjes werd opgemerkt dat de staat Israël in de literatuur van de tweede generatie nauwelijks een thema vormt. Wat niet wil zeggen, dat het niet leeft. De spanning tussen religie en traditie komt andere naar voren in Supertex (1991) van Leon de Winter en Mendels erfenis (1990) van Marcel Möring.
Het jodendom is méér dan de Tweede Wereldoorlog. Verschillende schrijvers doen daarom ook een poging het leed te ontmythologiseren.

Conclusie
De bewustwording van het jodendom als religie en traditie, zou je bevrijding kunnen noemen: het leren leven vanuit de traditie, zoals Andreas Burnier ontdekte. Bevrijding in het leven van de auteurs zelf, is in de literatuur moeilijker terug te vinden, maar je zou onder meer kunnen opmaken uit de mildheid in het latere werk van Ischa Meijer, zoals het verhaal Jammer uit de bundel Mijn lieve ouders (1993).
Met het noemen van deze onvergetelijke naam uit de Nederlandse literatuur waren wij weer bij het begin van deze door de aanwezigen zeer gewaardeerde lezing. Maar ook de derde generatie doet al van zich spreken. Al was het alleen maar als toneelfiguren, zoekend naar hun ‘roots’, zoals in de Leedvermaak trilogie van Judith Herzberg.

[1] Sinds 2005 is bekend dat Friedman niet-joods is. Haar uitgever, Van Oorschot, plaatst n.a.v. haar overlijden daarover het volgende op zijn webstie: ‘In 2005 kwam Carl Friedman in opspraak vanwege haar veronderstelde maar niet werkelijke joodse afkomst. Haar werk speelt zich af tegen de achtergrond van de jodenvervolging en autobiografische elementen, waaronder een vader met kampverleden, spelen een belangrijke rol. De veronderstelling dat zij joods was heeft Friedman nooit ontkend en dat is haar sterk verweten. Feit is dat haar katholieke vader in een Duits concentratiekamp heeft gezeten. Zelf heeft Friedman nooit op de aantijgingen gereageerd.’
De foto van Friedman is ontleend aan de website van haar uitgever, die van Bettine Siertsema aan haar profiel op die van de Vrije Universiteit.

‘Ik ben een entertainment’

Als je op de flyer van de IDFA-documentaire King of the Cruise afgaat, – een film die nog steeds in de bioscoop draait (en op PICL valt te zien) -, zou je denken dat de hoofdpersoon Ronnie Reisinger, pardon: baron Ronald Reisinger, dagelijks over het dek flaneert in een Sinterklaasachtige koningsmantel. Niets is minder waar: we zien hem slechts één keer in die mantel om op de foto te worden gezet (zie foto hierboven). Meestal heeft hij een overhemd en een korte broek aan, soms een Schotse kilt.

Niet dat hij niet op wil vallen, want daar is het hem eigenlijk allemaal om te doen. Ouder worden is onzichtbaar worden, zegt hij, en daar heeft hij een broertje dood aan. En niet dat hij de enige extravagante persoon op het cruiseschip is. Neem een Estse vrouw waarmee hij vaak aan tafel zit. Zij is buitengewoon in hem geïnteresseerd en deed me denken aan een Estse die ik eens op een congres ontmoette en die elke winkel indook om een boek over Europese koningshuizen te bemachtigen. Het trekt, zegt Ronnie, baron of koning zijn.

Het is wellicht net zo’n combinatie van echt en verzonnen als de naam van het cruiseschip (Edge) en de naam van de maatschappij op de badges van het personeel (CNO). Regisseur Sophie Dros doet ook geen moeite om er duidelijkheid over te scheppen, net zomin als ze dat doet over het waarheidsgehalte van Reisingers opgediste verhalen; ‘Ik ben een entertainment’ volstaat. Dat is goed, maar denk dan óók niet dat het grote schip model staat voor ‘het’ cruiseschip, net zomin als de passagiers dat doen. Die zijn er allebei in soorten en maten.

Een cruiseschip is – de tweede hoofdpersoon van de film –, nog steeds volgens de genoemde flyer, ‘een drijvende micro-gemeenschap die aantrekkelijk is voor sommigen, en afstotelijk voor anderen’. Ik behoor een beetje tot de eerste categorie, maar denk niet dat ik me op de foto laat zetten, telkens met champagne in mijn hand of in de buurt heb, ga golven, naar de pedicure of de fitness ga. Het zijn dingen die ik thuis ook niet doe, dus waarom zou ik dat daar opeens wel doen?

Ik zie het wel om me heen: mensen die zich vol eten (zoals ook de baron, met de mogelijke gevolgen van dien; halverwege wordt hij naar een ziekenhuis vervoerd), mensen (ook jongeren, die bij mijn rederij ontbreken, zie foto) die zich vervelen en niet of nauwelijks van boord gaan, waar ik de kans te baat neem dat wél te doen om wat te zien van de steden en dorpen in het land waardoor ik heen vaar. Aan boord schrijf ik me in voor de leesclub, bezoek de korte kerkdiensten (andersoortig dan op Ronnies schip), geniet van het uitzicht, zoals dat in King of the Cruise af en toe ook mooi in beeld is gebracht, ben blij als me aan het diner een mooi gesprek toevalt in plaats van de small talk uit de film en bezoek de première van een film van David Attenborough met live muziek.

De muziek die ik verder verkies is niet de rake, ironische keuze van de film (‘Nice skin’ op het moment dat een gerimpelde nek van een oudere dame in beeld wordt gebracht), maar concerten van meereizende conservatoriumstudenten die bijvoorbeeld een Pianokwintet van Brahms spelen. En die zingende serveersters ben ik ook nog nooit tegengekomen. Wel het vriendelijke tot overdreven vriendelijke personeel dat zich afbeult. Ik pas ze af te vallen; geen dagkrantje ontvangen? Dan haal ik er wel een uit een display en niet aan de receptie, want daar vragen ze naar het nummer van je ‘Stateroom’ …

Het zijn twee werelden, die van mij en die van Reisinger en de Estse, die van het ene en het andere cruiseschip, de ene en andere (minder vervuilende) maatschappij, maar op een gegeven moment kantelt de film. In zijn luxe balkonhut vertelt Reisinger over zijn leven, het gebrek aan liefde dat hem ten deel viel en valt. Staat hij (of liever: zit hij, uitgeput op een bankje, terwijl iemand om hem heen aan het stofzuigen is) ‘symbool voor de leegte in de westerse wereld’, zoals ik ergens las? Nee – hij maakt er deel van uit, net als ikzelf op een bepaalde manier. Dat kun je maar beter erkennen en proberen wat meer inhoud aan je eigen leven te geven. Dat kan ook, ja werkelijk, op een cruiseschip.

Zie ook: https://8weekly.nl/special/confrontatie-met-jezelf/

‘Muziek als mimiek van God’

Ik wist al dat de filosoof Jos Kessels (1948) van muziek hield en die ook praktiseerde; in de tijd dat ik secretaris was van het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB), bezochten de toenmalige voorzitter en ik hem thuis om hem over te halen een deel van een studiedag te verzorgen. Als ik het me goed herinner, deed hij zijn kralenspel met ons. Wat ik niet wist, was dat dit is gebaseerd op de tien sefirot van de Boom des Levens uit de Kabbala. Dat las ik in zijn dit jaar bij Boom verschenen Het welgetemperde gemoed (p. 83).

Jo Van Cauter
Volgens de achterflap vraagt Kessels zich in dit boek af, of je Bachs Das Wohltemperierte Klavier kunt zien ‘als een verzameling essays, zoals die van Montaigne? Als woordloze bespiegelingen over de tempering van het gemoed?’ Die zinnen vind je haast letterlijk terug in het boek (p. 64). Toen ik ze las, moest ik echter eerder aan Spinoza denken met diens ‘kennis van de passies als medicijn voor gemoedsrust’, om de titel van een essay van Jo Van Cauter aan te halen (in: Ethiek & Maatschappij, jrg. 12 nr. 4, p. 17-32). Een essay dat ik hier naast het boek van Kessels leg.

Kennisleer van Spinoza
Om te beginnen moet worden aangetekend, dat Kessels Spinoza nergens noemt en als uitgangspunt dan ook niet diens kennisleer neemt met de drie soorten kennis (verbeelding, ratio, intuïtie), maar een drieslag uit het Griekse denken: het ware, goede en schone (p. 127). In deze volgorde. Toch doet waar hij gaandeweg op uitkomt mij wel degelijk aan Spinoza denken. Niet alleen aan de soorten kennis zoals hij die in zijn Ethica beschrijft, maar ook aan de Ethica als geheel.

Das Wohltemperierte Klavier
Eerst de gang die Kessels door Das Wohltemperierte Klavier maakt. Hij ervaart ‘muziek primair als communicatie, een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’ (p. 63) en de bundel van Bach als ‘de ontwikkeling van een getemperd gemoed’ (p. 64), ‘enerzijds puur zintuiglijk, anderzijds diepzinnig en van een wiskundige schoonheid’ (p. 84) als beschreef hij de Ethica. Raak is een omschrijving als: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van een componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 124-125).

Zo gaat het van prelude en fuga naar prelude en fuga, vierentwintig keer opnieuw, steeds verder en dieper. Of, zoals Kessels het op een gegeven moment benoemt: ‘In eerste instantie overstelpt door sensaties (…). Daarna (…) ontstond er een beeld van de structuur’ en tenslotte werd in de kern ‘het enige volledige leven blootgelegd’ (p. 193). Ik herken er de drie hiervoor genoemde kennissoorten van Spinoza in: verbeelding, ratio en intuïtie.

Zelfkennis
Zowel bij Spinoza als Kessels (en volgens hem ook Bach) draait het om zelfkennis, om een mensbeeld waarin wordt gezocht naar vrijheid en gemoedsrust (p. 20). Wanneer je, zoals Kessels, muziek als een vorm van communicatie ziet, als ‘een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’, dan heb je de scheidslijn tussen passieve affecten of passies en actieve affecten zoals Spinoza die onderscheidt al overschreden.

De ‘actieve affecten – ook wel handelingen van de geest genoemd – spelen bij Spinoza een belangrijke rol in het streven van de mens naar zoveel mogelijk autonomie, vrijheid en geluk’ (Van Cauter, p. 25). Via de adequate ideeën komt Spinoza bij ‘ware voorstellingen van onszelf en de wereld rondom ons’ (p. 26).

Het mysterie van overgave
Op het eind van het boek komt de auteur, die het rooms-katholieke geloof vaarwel zei, niet uit bij ‘de God van de filosofen en geleerden, maar op (…) het mysterie van overgave aan de bron’ (p. 232). Hij vraagt zich af, of dit ‘zoiets onpersoonlijks als de natuur is of eerder de hand van Iemand wiens beeld en gelijkenis ik draag?’ (p. 233). Hij, en wij zien in, dat dit ‘een fundamenteel verschil is’. De God of Natuur van Spinoza is niet een persoon, niet een Iemand. Toch blijkt waar Kessels uitkomt op waar Spinoza in zijn vijfde deel van de Ethica op uitkomt: geestkracht (stelling 1 t/m 13), God (stelling 14 t/m 20), de Geest (stelling 21 t/m 23) en tenslotte De Gelukzaligheid als Deugd zelf (stelling 42).

Conclusie
Ik ben dan ook benieuwd of Kessels hier ook zou zijn uitgekomen als hij de weg van Spinoza was afgelopen in plaats van die van het ware, goede en schone. Misschien bij wat emeritus-hoogleraar Akke van der Kooi in haar essay ‘Uit de nacht’ in een feestbundel voor collega Rinse Reeling Brouwer, die immers ook over Spinoza publiceerde, omschrijft als voorbij het onderscheid tussen Spinoza’s ‘God-substantie en de God van Abraham’ (Messiaanse exegese, uitg. KokBoekencentrum, 2019, p. 34). Wie zal het zeggen.

Het werkelijke leven

Zo’n tien jaar volg ik op z’n tijd een cursus van Leeftocht op buitengoed Fredeshiem in Steenwijk, één van de plaatsen waar de Algemene Doopsgezinde Sociëteit cursussen organiseert. Dit jaar was dat van 25 t/m 26 mei jl., een cursus Joodse mystiek door drs. Sjef Laenen.
Er was één Bijbeltekst (Mattheüs 6:5-8) en de uitleg daarvan, die mij gedurende deze twee dagen en lang daarna heeft beziggehouden:

En wanneer u bidt, zult u niet zijn als de huichelaars; want die zijn er zeer op gesteld om in de synagogen en op de hoeken van de straten te staan bidden om door mensen gezien te worden (…). Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader, die in het verborgene is.

Dan de uitleg: het hardop met omhaal van woorden bidden, zou van vroomheid en religiositeit getuigen. Het gaat echter om je relatie met God, niet om wat ‘de mensen’ ervan vinden. Ga bij jezelf te rade, trek je terug in je binnenste en keer je dan tot God. Oefen dit.

We leven – nog steeds volgens de uitleg – in twee werelden:

  1. In dit lichaam, met alle beperkingen van dien
  2. Terwijl de goddelijke vonk en je ziel in een andere wereld thuis zijn

Als we dit beseffen, hebben we geen woorden nodig. Dan is ons hele leven een gebed, het werkelijke gebed. Niet spreken, maar luisteren. In over-een-stemming.

Ik begon me af te vragen of dit ook te vertalen valt naar wat er tijdens de verschillende maaltijden gebeurde. Ik trof telkens mensen aan tafel die, hardop en soms met omhaal van woorden, uitweiden over hun ziekte(n), kwaaltje(s) en ongemak(ken). Ik kon er weinig of niets mee. Waren ze bij punt 1 blijven steken? Misschien – maar kun je over punt 2 dan wél praten? Friedrich Weinreb (1910-1988), de leermeester van Sjef Laenen, heeft dit volgens hem eens vergeleken met het verschil tussen ‘betrekking’ en ‘betrokkenheid’, respectievelijk datgene wat je niet op een ander kunt overdragen en een persoonlijke verhouding tot iemand.

Misschien ligt daar de sleutel tot het antwoord op mijn probleem. De mensen die de cursussen van Leeftocht voor het eerst of al vele jaren volgen, voelen zich op Fredeshiem thuis en ‘onder ons’ – waarmee ik voor de duidelijkheid tussen twee haakjes niet de Doopsgezinden bedoel, want aan tafel zat ook een rooms-katholiek echtpaar. In zo’n sfeer gaat het delen van zaken als ziekten, kwaaltjes en ongemakken wellicht sneller. Al hoewel ik dit zelf nooit zo gauw zou doen, kan ik wél, en op z’n minst, ernaar luisteren in plaats van me er lichtelijk aan te ergeren.
Immers: volgens de website van Leeftocht gaat het bij hun cursussen om genieten, óók ‘van elkaar, de openheid, de ongedwongenheid’.

Dat is de les die ik in mei ook heb geleerd. Nu het geleerde nog toepassen (oefen dit!). Het enige dat ik aan tafel bij een volgende cursus zou willen vragen, is: hoe ga je ermee om, met die ziekte, dat kwaaltje, dat ongemak, zoals Gert Willem Haasnoot en anderen zieke mensen vraagt naar hun veerkracht en levenslessen voor zijn project Vereeuwigd (www.vereeuwigd.nu), maar dan in het klein. Dan gaat het niet meer over ziekte en ziek zijn, maar over menselijke veerkracht. Dan komt misschien op gang wat van Martin Buber (1878-1965) op een steen op het inspiratiepad rond Fredeshiem staat (zie foto Els van Swol): ‘Al het werkelijke leven is ontmoeten’.

De foto’s uit genoemd boek worden momenteel tentoongesteld in de Laurenskerk te Rotterdam: https://laurenskerkrotterdam.nl/o-sacrum-convivium-2/

Een mens te zijn op aarde – een drieluik

1.
Das Lied vom Jammer der Erde –
zo wilde Gustav Mahler (foto links) zijn als Das Lied von der Erde (1909) bekend geworden liedsymfonie eigenlijk noemen; een donker, zwaarmoedig werk over een decadente cultuur.
Maar pas op, leek de Duitse (opera) tenor Burkhard Fritz vanmorgen tijdens een uitvoering samen met de aan hem gewaagde alt Wiebke Lehmkuhl en het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Markus Stenz te willen zeggen: het is niet alléén maar kommer en kwel! Hij maakte er op een gegeven moment een klein toneelstukje van, al zwabberend naar voren lopend en aan het eind weer terug waggelend na het lied waarin een dronk wordt uitgebracht op de lente.  
En hij had gelijk: Mahler ving zowel de lente als de herfst van het leven, de vreugde óm en de zwaarte ván het leven, zoals weergegeven in de Chinese volkspoëzie in een vertaling van Hans Bethge, aangevuld met een eigen tekst.

2.
Anders deed de Zwitserse beeldend kunstenaar Thomas Hirschhorn het zoveel jaar later; in 2002, ook na een eeuwwende, maakte hij een installatie onder de titel Neighbours (zie foto Els van Swol). Deze is momenteel (t/m 12 januari 2020) te zien op de tentoonstelling Hybride sculptuur in het Stedelijk Museum Amsterdam.
Volgens een tekstbordje geeft hij het vergaan van de wereld weer, een zogeheten apocalyptische verbeelding. Hirschhorn meent dat de schilders uit de tijd van Mahler, en wellicht ook de muziek van een Mahler zelf, niet langer meer bruikbaar zijn om de huidige realiteit mee uit te drukken.
Het is een werk dat zich, eerder dan met Mahler, laat vergelijken met het oratorium Die Hamletmaschine van de Grieks-Franse componist Georges Aperghis op tekst van Heiner Müller, dat afgelopen week voorbeeldig werd uitgevoerd door solisten, ASKO|Schönberg en het SWR Vokalensemble onder leiding van Bas Wiegers in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ. En zelfs dan – tussen alle orkestraal en vocaal geweld dat de vorige eeuw verklankt zaten opvallend etherische momenten tussen fluit en celesta. Gelukkig maar, zou ik willen zeggen.

3.
Het woord apocalyptisch dat in verband met Hirschhorn werd gebezigd moet je tenslotte eigenlijk ook anders duiden. Op de manier zoals Anton Wessels onlangs tijdens een zaterdagochtendcursus van het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie (LATE) deed: vanuit de hoop op weg naar een nieuwe aarde waarin de zachte krachten als van een fluit en een celesta zullen winnen, of met een andere tekst, van Willem Barnard, waarin vrede en strijd, dagen en nachten naast elkaar staan:

Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
dat is de dood aanvaarden,
de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten,
de honger en de dorst,
de vragen en de angsten,
de kommer en de koorts.

Ook Mahler, en zelfs Aperghis, drukte dit op bepaalde momenten uit – en het leek alsof de subtiele arm- en lichaamsbewegingen (zonder dirigeerstokje) van dirigent Stenz dit wilde benadrukken. Bij een vrouwelijke dirigent zou ongetwijfeld worden gewezen op die sierlijke bewegingen, maar bij een man niet. Waarom eigenlijk niet? Op deze manier wist hij de sfeer te scheppen waar Mahler om vraagt. Maar, bleek een half uurtje later, Hirschhorn jammer genoeg, al is het in een ander medium, niet aan raakt. Hij vertelt maar de helft van het verhaal.

Tussenpositie

Met veel genoegen leid ik een muziekclubje in een verzorgingshuis. Dit bracht me op het idee om elders, in een huis naast een kerkje (zie foto), iets soortgelijks te willen doen met gedichten. Maar dat bleef bij een idee dat primair werd afgewezen, nog los van praktische consequenties. Het waarom daarvan vormt de aanleiding tot deze blog.

Ik denk dat het niet zo’n goed plan werd gevonden, omdat bij ‘gedichten’ ten onrechte alleen aan moeilijke teksten werd gedacht die bij de beoogde deelnemers niet zouden landen. Hoewel er in dat mooie Zaanse huisje voor een vergadering wel een gedicht wordt gelezen, en na een gezamenlijke maaltijd ook. Daar begint mijn secundair opborrelende verbazing.

In een column van dichteres Ellen Deckwitz (in: NRC Handelsblad, 10 januari jl., dat ik doorgestuurd kreeg van enkele vakantie vierders) lees ik als conclusie: ‘Het is een troost dat Nederland misschien minder bang is voor gedichten dan ik dacht’. Daarbij kun je ook aan de hoge verkoopcijfers en hoge plaats in de Top10 denken van Lévi Weemoedts bundel Pessimisme kun je leren! Maar ook – en dat wil ik hier doen – aan een tussenpositie die gedichten in kunnen nemen tussen het moeilijke dat ze blijkbaar aankleeft en het light verse van een Weemoedt.

De term ‘tussenpositie’ is mij ingegeven door een inleiding over ‘Kunst en het onzegbare’ door dichter/historicus Jan de Bas tijdens een lezing voor Helikon in Utrecht, de middag nadat de column van Ellen Deckwitz verscheen. Al bedoelde hij er wat anders mee, namelijk een positie tussen metafysica en het fysieke in, toch ben ik zo vrij het woord hier te kapen.

Die middag kocht ik voor een prikje een mooie bundeling columns en enkele artikelen van De Bas (overgenomen uit: Chroom, Trouw, Hollands Maandblad en Filosofie Magazine): Artikelen des Gedichts (1997) – een variant op de 12 Artikelen des Geloofs. Wat De Bas doet, is hetzelfde als wat ik had willen doen: mensen enthousiast maken voor gedichten. Ik had bijna geschreven: ‘dichtkunst’, maar dat riekt misschien al weer teveel naar een (te) gedegen bespreking ervan. En dat wilde ik niet, en dat doet De Bas ook niet.

Nee, het gaat me misschien net als ik in een recensie van genoemde bundel die ik las in het literaire tijdschrift Chroom (maart 2002), ‘om poëzie als levenshouding, als middel om leven en geloof op een acceptabele manier aaneen te smeden’. Maar dat niet alleen: ook om leven in deze wereld op een acceptabele manier aaneen te smeden; ook in die zin wil ik een tussenpositie innemen. En tenslotte gaat het ook, net als bij het muziekclubje, om een goed gesprek.

Ik vervolg die weg zelf, want dat is het, dat leerde ik in Utrecht ook van Jan de Bas. En hoop dat er af en toe iemand meeloopt, of dat ik op z’n tijd met anderen mee op kan lopen. Bijvoorbeeld tijdens een leerhuisochtend of –middag van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Dat zou fijn zijn.

Aangeraakt door het Europese verhaal

Onder, bij de deur links: The Curse of Spinoza, helemaal links boven het beeld (Piëta): Spinoza mirrored in the Eyes of God (foto Peter Tijhuis)

Midden in de tentoonstelling Giacometti-Chadwick, facing fear is, na het vroege werk van beide kunstenaars op de begane grond en nog twee verdiepingen met later werk te gaan, wat Ralph Keuning, directeur van Museum De Fundatie in Zwolle ‘een kapel’ noemt ingericht. Saxofonist Yuri Honing (1965) en beeldend kunstenaar Mariecke van der Linden (1973) maakten samen een Gesamtkunstwerk onder het mom ‘Homo homini lupus’ (de mens is een wolf voor zijn medemens). ‘Ze zijn net als ik’, vervolgt Keuning desgevraagd, ‘aangeraakt door het Europese verhaal’.

Spinoza
Het is de filosoof Spinoza die in deze zaal een paar keer voorkomt op de schilderingen van Van der Linden en in een sculptuur van Honing, van wie ook de muziek is die klinkt (van de cd Goldbrun). Deze sculptuur wordt in de begeleidende flyer bij de tentoonstelling omschreven als ‘een manshoge piëta, met Spinoza als Maria en het onthoofde lichaam van Marie-Antoinette als Jezus’. Je herkent Marie-Antoinette van een schildering op de muur en de piëta is het spiegelbeeld van een kleine piëta, die hangt naast het intrigerende Spinoza mirrored in the Eyes of God, hoog op een muur.

Marie-Antoinette komt straks terug, eerst die intrigerende schildering. Je ziet Spinoza op de rug. Zijn lange haar valt over zijn zwarte kleding. Hij staat in een ijzig landschap, dat ook elders opduikt. Op de rug – zag Mozes God niet op de rug? Zodat – zegt de joodse uitleg – hij niet verteerd werd door het licht dat van Zijn gelaat straalt én opdat Hij hem kan volgen. Hier zijn de rollen omgekeerd. God (en de museumbezoeker) ziet Spinoza die van Hem wegloopt. Zijn gezicht is onzichtbaar.

Ook in een andere schildering, The Curse of Spinoza, kijkt de filosoof van de beschouwer weg. Hij heeft ‘the hat of shame’ op, zoals het in de flyer wordt genoemd, ‘used during the Spanish Inquisitio of Jews, for whom his father fled’. De hoed straalt enerzijds licht uit en doet anderzijds meer denken aan het hoofddeksel van Inquisiteur I (1964) van Chadwick, die te zien is in de zaal tegenover de expositie van Honing/Van der Linden.

Franse Revolutie
Bij de poging om de betekenis van een en ander af te pellen, schiet een regel uit Nelleke Noordervliets recente essay Door met de strijd te binnen. Zij schrijft dat bij opstanden ‘de rede en het geweten het eerst buiten werking worden gesteld’. Daar zit Spinoza dan, de man van de rede met de veel later levende Marie-Antoinette op schoot, de tijdens de Franse Revolutie onthoofde koningin. Hét symbool voor decadentie en macht, die in de negentiende eeuw eerder als een held en een heilige werd gezien.

De laatste zinnen van Noordervliets essay luiden: ‘Bij alle opstanden slingert de pendel van macht naar tegenmacht, tussen actie en reactie, van vrijheid naar onderdrukking, van leven naar dood’. In die zin past de zaal in het hart van de expositie met werk van Giacometti en Chadwick. In de mooie catalogus bij deze tentoonstelling wordt een uitspraak van Sartre over Giacometti geciteerd: ‘We lijken tegenover de vleesloze martelaren van Buchenwald te staan. Maar een tel later denken we er heel anders over: deze fijne en ranke wezens stijgen op naar de hemel. Het is ineens net alsof we op een groep hemelvaarders zijn gestuit’. Dit geeft de beelden ook hoop en kracht, zoals die af en toe ook in de schilderingen van Van der Linden naar voren komt.

Verlichtingsdenken
Zo is het ook met het Verlichtingsdenken waarvan Spinoza al dan niet te recht als de vader (bij Honing moeder) wordt beschouwd: volgens de een de bron van het moderne Westerse denken (Jonathan Israel over Spinoza), voor de ander de bron van ‘fascistisch denken’ (Victor Kal over Spinoza) of ‘fascistoïde of totalitair’ denken (Wim Klever over Spinoza).
Dan is de donkere man die op de rug wordt gezien niet iemand om na te volgen, dan is de lichtgevende jodenhoed er een die verblindt en Marie-Antoinette het slachtoffer van wat Noordervliet omschrijft: macht.
Het is een somber beeld dat beklijft. Maar er resten nog twee verdiepingen Giacometti en Chadwick, met op de bovenste verdieping, in de koepel, hoop en humor. Hoop is overigens geen emotie die Spinoza, en Sartre, kenden, want ‘vrijheid ligt in het doen van het goede’, zoals de filosofe Alicja Gescinska eens schreef. Dat is een troost.

Yuri Honing & Mariecke van der Linden: Goldbrun.
Museum De Fundatie, Zwolle, t/m 6 januari 2019.
http://www.museumfundatie.nl

Omhoog getrokken

Wat een prachtig beeld roept de Willibrord-vertaling van het Hemelvaartverhaal op: Jezus is niet ten hemel gevaren, maar hij werd opgeheven, als een beker wijn tijdens een Avondmaalsviering of op een 18de eeuwse ets (zie afb.).

Op de dag af kreeg ik een gedicht met het thema ‘Hemelvaart(sdag)’ toegeworpen waarin hetzelfde beeld werd omgebogen en zo misschien de kern van Hemelvaartsdag op ultieme wijze weergeeft. Het beeld zit in een gedicht onder de titel ‘Hemelbestorming (II)’ van de jonge schrijfster Pauline Kruithof (zie hieronder).
Het gaat, als ik het goed begrijp, over een engel die ‘zweeft op een wolk en gluurt naar de aarde’. Of over Jezus zelf, daar wil ik af zijn. Meesterlijke handen, die van God, hebben de rug vurig rood gekneed, als was hij/zij een vuurvogel. Maar dat niet alleen – en daar gaat het mij nu om – ook omhoog getrokken.

Het gaat voor het eerst sinds de geboorte weer de goede kant op; volgens Henk Vreekamp het moment waarop je door de dood heengaat. Maar het is ook met moment dat leven wordt gegeven, lijkt het wel – de zinsnede ‘het / wittige dons in je lendenen stijgt je naar het hoofd’ kun je namelijk dubbelzinnig opvatten: als zaad én als witte, donzige engelenvleugels, het ‘juk’ zoals Kruithof ze even verderop noemt. Al doemt daar ook het beeld van het kruis bij op, in een evenzeer dubbele betekenis van het woord. En kan dat donzige hoofd ook op een koortsige, dromerige toestand slaan: een wattig hoofd.

De stem die mompelt (de antropomorfe God, die eerder handen had die de engel/Jezus omhoog trokken, op een wolk), dat hij/zij nu aan zichzelf moet denken, ‘hier met je zweetvoeten’ zoals het teer klinkt. Heel aards, zoals de schrijver Meno Bouzamour, auteur van Bestsellerboy over Mohamed Zebbi, een jongen van de straat, en van Mohamed, de proleet, het huis werd uitgezet omdat hij het erover had dat er in de hemel allemaal mensen met zweetvoeten rondlopen, wat door zijn streng gelovige ouders niet werd geapprecieerd.
Maar het had wél tot gevolg, dat hij zichzelf – zoals Kruithof in het gedicht zegt – uit kon rekken.

Je zweeft op een wolk en gluurt naar de aarde. De
meesterlijke handen die je rug vurig rood kneedden
trekken je omhoog – je rekt je uit. ‘Verwend kreng,
kijk hoe je erbij ligt’, mompelt de stem en je knikt

glimlacht devoot, ziet de mensen die je gewoonlijk
storen steeds kleiner worden. De zeurende pijn
in de diepste lagen bindweefsel, onder de spieren
van staal, neemt nog niet af maar voor het eerst

sinds je geboorte gaat het de goede kant op. Het
wittige dons in je lendenen stijgt je naar het hoofd
je sluit je ogen. Iemand streelt onder je haar, je juk,

je versleutelde beenderen. ‘Aan jezelf denken nu
hier met je zweetvoeten’ klinkt het teer, ‘je hebt me
tot leven gewekt terwijl de hele wereld dood is.’

Elkaar de hand schudden

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen de biopic Maudie naar het leven van de Canadese schilder van naïeve schilderijen Maud Lewis (1903-1970, afb. hieronder), gespeeld door Sally Hawkins (afb. boven). Lewis leed aan een ernstige vorm van reumatoïde atritis, waardoor zij klein van gestalte bleef en haar handen, armen en rug krom waren gegroeid.
Dit levensverhaal doet in de verte denken aan de opera
Die Gezeichneten van Franz Schreker (1878-1934) en het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea (geb. 1943). Ze zouden allemaal elkaar de hand kunnen schudden. Over Schreker en Andrea schreef ik eerder (herfst 2007) in Wervel-ingen. Die column neem ik hier, onder toestemming, iets aangevuld over.

Bij De Nederlandse Opera werd aan het eind van het seizoen 2006-2007 Die Gezeichneten van Franz Schreker opgevoerd in een regie van Martin Kušej. De getekenden – in de dubbele betekenis van het woord: de mismaakte of door ziekte getekende hoofdpersonen Alviano en Carlotta, en de door Carlotta letterlijk getekende mensen (of liever: handen).

Kušej heeft het verhaal dat tijdens de renaissance speelt naar onze tijd vertaald. Zo tekent Carlotta niet langer, maar maakt ze foto’s. Wat een accent verlegt, want de bedoeling (het willen vangen van ‘zielen’) blijft hetzelfde.
Maar Kušej gaat verder. Hij waste alle Jugendstil-decoraties af en boog de verkrampte manier van omgaan met seksualiteit om. Zo hield hij een laag over waarin de wreedheid van de tijd van ontstaan van de opera (aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog), net zo wreed als de tijd waarin Lewis leefde en waarin afwijkende verschijningen werden verborgen, tijdloos is. Een laag waarin kunst en leven, esthetiek en ethiek van elkaar zijn vervreemd; een wereldoorlog later kennen we de verhalen van de beulen uit de kampen die ’s avonds Mozart speelden.

De manier waarop Schreker zijn eigen libretto toonzette, doet soms meer aan de innerlijke wereld van de Franse impressionisten (Debussy, Ravel) denken dan aan de gevoelsuitbarstingen van de expressionisten van de Tweede Weense School (Schönberg, Berg, Webern). Daarom verzuchtte een recensent uit de tijd van de componist dat diens muziek geen toekomstmuziek was, maar – en dat was een rake constatering – ‘hedendaagse kunst in de volste zin van het woord.’ Actueel tot op de dag van vandaag, en daarom terecht weer onder het stof vandaan gehaald, zoals Lewis een film waard is.

Zoiets dergelijks geldt ook voor de waardering van het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea, die Schreker over de tijd heen de hand zou kunnen schudden. Zoals Schreker begon in een tijd dat de Weense School invloed begon te krijgen, zo begon de Haagse Andrea zijn loopbaan in een periode waarin de meeste schilders abstract werk maakten, terwijl hij het – net als Lewis – bij figuratieve schilderijen hield.

Andrea beeldt net zoals Schreker mismaakte mensen af. Mensen zonder volledig volgroeide ledematen, gedeformeerde lichamen à la Bacon. Ook zij lijken symbool te staan voor een gebroken wereld waarin geweld en preoccupatie met seksualiteit (over)heersen.
Maar er is nóg een overeenkomst: in beider werk is ook tederheid aanwezig. Niet voor niets is Schrekers werk verwant aan het impressionisme en wordt Andrea wel een ‘psychisch impressionist’ genoemd.

Het blijft allemaal dubbel: het eiland bij Schreker, de tuin op L’anuonciation II (1996-2001) van Andrea, de kippen, katten, bloemen, vlinders in heldere kleuren bij Lewis. Het is soms te mooi om waar te zijn, en te waar om mooi te zijn. Zoals het leven  zelf, al dan niet getekend door mismaaktheid, ziekte of pijn zoals bij Lewis.