Ietsje meer

‘Zet twee Spinozisten bij elkaar en je hebt ruzie’ zei Erno Eskens (programmadirecteur en uitgever bij de ISVW in Leusden) tijdens zijn lezing ‘Spinoza op de kaart’ tijdens de bijeenkomst Filosofie op de kaart, 20 oktober jl. in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Of – wat netter -: zet twee Spinozisten bij elkaar en je hebt drie meningen. Waarna Eskens kort en to the point liet zien dat je Spinoza kunt lezen als een materialist of als een meer religieus denker.
Eskens is geen Spinozist en ik ook niet, al volg ik al jaren alles wat met de filosoof te maken heeft zoveel mogelijk op de voet (over op de kaart zetten gesproken …). En op ruzie ben ik al helemáál niet uit. Toch wil ik enkele kanttekeningen bij Eskens’ lezing plaatsen, om een en ander recht te doen en recht te zetten. Ik volg het betoog.

De ban
Eskens begon uiteraard in Amsterdam – waarmee ik deze reactie ook weer zal afsluiten. Relatief uitgebreid kwam de verbanning uit de Sefardische gemeenschap aan de orde (1656). Gesteld werd dat de handel van fruit (lees: zuidvruchten e.d.) door Spinoza’s vader in gevaar kwam. Nu was zijn vader al twee jaar daarvoor overleden, en was zijn handel in handen van zijn zoons, hetgeen overigens soms mede in verband met de ban wordt gebracht, als zou Spinoza door het niet aanvaarden van de erfenis het vijfde Bijbelse gebod (‘Eer je vader en je moeder’) hebben overtreden.
Gesteld werd vervolgens dat wel is geprobeerd de ban ongedaan te maken, maar niet waaróm dit tot nu toe niet is gelukt. Het uitgebreid voorlezen van de banvloek en deze omissie maakte dat voor mijn gevoel de verhouding in dit verband een beetje zoek was.

De Ethica
Uiteraard liet Eskens Spinoza’s hoofdwerk, de Ethica niet onvermeld. Daarbij hield hij ‘de dikke pil’ in de lucht. Dat wil zeggen: de Boom-uitgave, zo dik door het uitgebreide notenapparaat, het nawoord, de vele voetnoten en tekstkritische aantekeningen. Mijn uitgave van de Wereldbibliotheek oogt al heel wat bescheidener…
Zo’n pil schrikt de niet met Spinoza’s werk bekende toehoorder ongetwijfeld af, nog los van de niet genoemde, geometrische opzet van het boek. Belangrijker is mijns inziens dat de Ethica tot op de dag van vandaag veel mensen nog steeds inspireert. Dit bleek onlangs nog uit de dichtbundel Eeuwig leven van Atze van Wieren (uitg. IJzer, 2017).

Den Haag
Vervolgens kwam Eskens uitgebreid te spreken over Den Haag, waar volgens hem het huis waar Spinoza woonde (aan de Paviljoensgracht) nog steeds valt te bezoeken. Een gewaarschuwd pelgrim of liefhebber van lieux de mémoire telt voor twee: op dit moment is dat, onder meer vanwege de herinrichting van het archief en de bibliotheek, niet mogelijk, maar ik hoop met Eskens dat dit spoedig wel weer het geval zal zijn.
En dan kwam de eeuwige verwarring over Spinoza’s graf weer boven water. Er staat weliswaar een steen achter de Nieuwe Kerk op het Spui, maar echt: het eigenlijke huurgraf is in 1738 geruimd. Dezelfde fout maakte de spreker ook in zijn overigens heldere, korte artikel over Spinoza in Filosofie Magazine (4/2011, p. 26-27).

‘Een Spinozawandeling zou leuk zijn’, merkte Eskens op, schrijver van een Filosofische Reisgids waarvoor hij een paar keer reclame maakte. Wel, aan zo’n wandeling kun je al sinds enkele jaren onder leiding van Jossi Efrat deelnemen!
En passant zouden we dan volgens Eskens een blik in de Gevangenpoort kunnen werpen, waar Coornhert (zie afb. rechts) gevangen heeft gezeten. Ervaring leert mij, als Coornhertliefhebber, dat dit vergeefse moeite is; je moet als je een blik wil werpen op de ruimte waarin Coornhert zat, onverbiddelijk de hele excursie volgen…

Rol Koninklijke Bibliotheek
Eskens besloot zijn inleiding met een kreet die mij uit het hart is gegrepen: Spinoza letterlijk op de kaart van, in zijn geval Den Haag zetten, kan niet zonder een actieve inbreng van de Koninklijke Bibliotheek, de gastheer van deze middag. Zoiets geldt überhaupt voor de noodzakelijke transitie en transformatieslag die bibliotheken zouden moeten maken om te overleven, maar dit terzijde.

In dit verband is het belangrijk op te merken dat op 7 juli jl. in de Openbare Bibliotheek Amsterdam werd aangekondigd, dat men daar voornemens is een speciale Spinozabibliotheek onder te brengen. En dat mag van mij, in het verlengde van de voorgaande opmerking, best ietsje meer zijn dan een traditionele bibliotheek, en iets soortgelijks als de Erasmuszaal in de Bibliotheek Rotterdam, waar ik me eens een middag heb ondergedompeld.
‘Leuke anekdotes, die willen we horen’ aldus Eskens. Maar daarbij hoeft het wat mij betreft niet te blijven.

Stille waters hebben diepe gronden


Tekst van een korte lezing die ik hield tijdens een filmavond bij Atria, Amsterdam
(19 oktober 2017).

 

‘Ze heeft een talent om de laag die niet in de tekst ligt, maar daaronder, te vertolken. Dat geeft een bijzondere, lyrische sfeer en ongewone diepte aan de teksten.’ Dat zegt de blokfluitiste Stephanie Brandt in Patricia Werner Leanse’s film over de Nederlands-Griekse componiste Aspasia Nasapoulou.
Het zou zomaar over de films van Werner Leanse en Yve du Bois zélf kunnen gaan: zij hebben een talent om de lagen zichtbaar te maken die onder een verhaal liggen, – het verhaal over het leven of een stuk van een componist. Het is in ieder geval het uitgangspunt van mijn korte inleiding op de vijf films die straks achter elkaar worden vertoond: de verschillende lagen die erin zitten, of althans: die ik eruit haal en die in de films naar mijn gevoel al worden gesymboliseerd door het vele water wat erin stroomt: stille waters hebben diepe gronden.

Het verhaal
Het verhaal zelf staat eigenlijk in de aankondiging van deze avond, en daar kunnen we kort over zijn. De films gaan respectievelijk over een door beeldende kunst, literatuur en dans geïnspireerde componiste, een grande dame van de Zweedse muziek, een avantgardiste die haar tijd ver vooruit was, een gedreven netwerker en een componiste van onder meer Franse chansons. Twee films (Beyer en Andrée) zijn met Engelse ondertiteling.
Het zijn verhalen over vrouwelijke componisten in een door mannen gedomineerd gebied. Daarvoor staan misschien het water en de vele vogels die rondvliegen ook symbool; het zwemmen tegen de stroom in aan de ene kant en het je vleugels uitslaan aan de andere kant.
Kijk maar naar het moment waarop wordt verteld dat de Zweedse grande dame, Elfrida Andrée, naar Stockholm gaat om te studeren: pal voor die vermelding vliegt een meeuw met sterke vleugelslagen op. Ook de film over de hiervoor al genoemde Nasapoulou sluit af met wegvliegende vogels.
Het zíjn dan ook verhalen over sterke vrouwen. Andrée bijvoorbeeld was de eerste vrouwelijke kerkorganist in het Zweden waar vrouwen geen kerkorganist konden worden, zo wordt in de film gezegd. En op dat moment wordt een gigantisch slot op een kerkdeur getoond. Andrée verbrak in 1861 het slot, dat in Nederland al eerder, in 1719, was verbroken door Agnita Wilhelmina Snep die haar vader opvolgde als organist in Zierikzee.

De vorm
Het moge duidelijk zijn dat de vorm die Werner Leanse voor haar films kiest, raakt aan muzikale vormen. In de film over Rosy Wertheim bijvoorbeeld valt een A-B-A-vorm te herkennen; wanneer het verhaal aan het begin en het eind (A) in Nederland speelt, in Amsterdam en in Laren, klinkt een door Rae Milford bespeeld klokkenspel, en wanneer het verhaal in het midden (B) is gesitueerd in Parijs, waar ze correspondente voor Het Volk is, klinkt andersoortige muziek. Deze sonatevorm wordt afgesloten met een coda, een door Werner Leanse zelf gezongen gedeelte uit een lied van Wertheim, begeleid door piano én gekras van kraaien:

‘k Heb veel gelachen en geschreid, –
Nu komt de winter, wit en wijd,
Die alles stil zal maken.

Maar ook de vorm gaat nog dieper. Een buitengewoon fascinerend voorbeeld daarvan is te vinden in het portret over de Duits-Amerikaanse componiste Johanna Beyer. Terwijl op een gegeven moment haar muziek steeds langzamer gaat, versnellen de beelden juist, alsof je in een stilstaande trein op het perron staat, terwijl de trein ernaast gaat rijden en snelheid maakt. Aan de kijker wordt overgelaten deze metafoor naar believen zelf in te vullen.

Metafoor
Dat geldt ook voor wat ik een metafoor pur sang zou willen noemen, en waarmee ik deze korte inleiding wil afsluiten. Hij komt voor in het portret van de Nederlandse componiste en pianiste Marjo Tal en viel Werner Leanse toe, terwijl ze in Parijs op straat filmde. Het is het beeld van een clown, waarmee ze Tal ten diepste heeft gepeild.
De beelden doen mij denken aan de clown in de schitterende roman (eigenlijk is het een novelle) De tuinen van de herinnering van Michel Quint: een clown met [ik citeer] ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ voor alles wat er om hem heen gebeurde gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de clown in de roman van Quint was overleden, zei zijn zoontje: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid …!’
Tal koos voor haar werken teksten die een combinatie vormen van humor, ernst en symboliek. Werner Leanse koos voor haar films eenzelfde soort combinatie, waarmee ze het werk van de vijf componisten die vanavond centraal staan een extra lading meegaf. De diepere lagen die ze daarmee blootlegt, heb ik geprobeerd als de schillen van een ui kort af te pellen. Het woord is nu aan de vijf filmportretten zelf.

Johanna Beyer – https://vimeo.com/bubbleeyes/beyer

Elfrida Andree – https://vimeo.com/bubbleeyes/elfrida

Aspasia Nasopoulou – https://vimeo.com/bubbleeyes/aspasia

Rosy Wertheim – https://vimeo.com/bubbleeyes/rosywertheimnl

Marjo Tal – https://vimeo.com/bubbleeyes/marjotalnl

Orgeltocht Noord-Holland door Alkmaar

Gisteren was alweer de laatste Orgeltocht Noord-Holland van dit jaar. Deze voerde de orgelliefhebbers door Alkmaar, van de St. Laurentiuskerk via de Kapelkerk naar de Grote Kerk. De organist was dit keer Aart Bergwerff die over elk orgel iets vertelde, de registers liet horen en enkele voor de instrumenten karakteristieke werken speelde.

Het begon in de St. Laurentiuskerk, waar in 1950 de fa. B. Pels & Zn. een orgel bouwde op de zogenaamde ‘koorzolder’ (zie foto bovenaan deze blog), waarbij het roosvenster zichtbaar bleef. In 2016 werd het instrument gerestaureerd door de firma Adema.
Aart Bergwerff vertelde over de Werderopbouwperiode (na de Tweede Wereldoorlog) die grote invloed heeft gehad op met name de orgelbouw voor protestantse kerken; ik schreef daarover in 2008 een onderzoeksvoorstel voor de Open Universiteit Nederland, waaruit ik onderstaand twee paragrafen (‘Modernisering’ en ‘Historiografie’) overneem. Bergwerff vulde dit in deze kerk aan door te vertellen dat in de orgelbouw uit deze periode voor rooms-katholieke kerken elementen van de Wederopbouworgels, zoals hieronder beschreven, samengaan met elementen uit de orgelbouw van voor de Tweede Wereldoorlog.
Kenmerkend voor het orgel in Alkmaar is, dat het geen kas heeft maar in open opstelling staat, dat het hoge stemmen heeft én romantische registers zoals een Viola di gamba alsmede een zwelkast. In tegenstelling tot een orgel als in de Nicolaïkerk (zie foto voor de twee paragrafen hieronder), dat een mechanisch, neo-barokinstrument is met een heldere klank, zonder strijkende registers, is het orgel in Alkmaar elektro-pneumatisch.

Modernisering
Als iets een duidelijk licht werpt op de vele tegenstrijdigheden die inherent zijn aan het begrip ‘modernisering’, dan is het wel de zogenaamde Neue Orgelbewegung. Deze is kenmerkend voor de orgelbouw in met name protestantse kerken in Nederland gedurende de periode 1957-1973.

De toevoeging ‘Neue’ wijst erop dat vóór de Tweede Wereldoorlog al een aanzet in deze richting is gegeven. Deze in Duitsland ontstane opvatting staat bekend als ‘Orgelbewegung’ zonder meer. In die zin is er – net als bijvoorbeeld bij de uitbreidingsplannen van Amsterdam, die in aanzet al uit 1935 dateren maar grotendeels pas na de Tweede Wereldoorlog ten uitvoer werden gebracht – sprake van een zekere continuïteit. Door het werken met ijkjaren, zoals in de serie Nederlandse cultuur in Europese context wordt gedaan, komt dit echter niet tot uiting. De continuïteit van de Orgelbewegung/Neue Orgelbewegung valt te vergelijken met in de beeldende kunst de Leipziger Schule in de DDR en de Neue Leipziger Schule van na de Wende. Hierbij was één kunstenaar, Neo Rauch (1960) de verbindende schakel, zoals D.A. Flentrop (1910-2003) in de Nederlandse orgelbouw.

Flentrop hield al in de jaren dertig van de vorige eeuw een pleidooi voor ambachtelijk gebouwde orgels met technisch moderner tractuur (de zogenaamde mechanische sleeplade) in plaats van de tot dan toe gebruikelijke pneumatische windvoorziening (de zogenaamde kegellade). Na de Tweede Wereldoorlog nam Flentrop wederom het voortouw tijdens een op 2-3 januari 1953 in Amsterdam gehouden congres van de Nederlandse Organisten Vereniging.

Het moderniseringsconcept dat kenmerkend is voor de Neue Orgelbewegung behelst niet alleen een voortgaan op de ingeslagen weg van technische modernisering, maar ook van een moderner uiterlijk van de orgels onder invloed van het Scandinavische design. Qua klankideaal is eerder sprake van een retrospectief uitgangspunt; hier werd gekeken naar de barokorgels in met name Noord-Duitsland (17e en 18e eeuw).

Een andere tweeslag die kenmerkend is voor de modernisering van de kerkorgels, is de toenemende rol als autonoom, seculier concertinstrument tegenover de traditionele, instrumentele waarde als kerkinstrument.

Tenslotte kan worden gewezen op schaalvergroting als kenmerk van modernisering; het uitgangspunt van de Neue Orgelbewegung was weliswaar ambachtelijkheid, maar door de Watersnoodramp was de vraag naar nieuwe kerkorgels in met name Zeeland zó groot, dat de firma Van Vulpen overging op de bouw van serieorgels.

Het eerste kerkorgel dat deze uitgangspunten (qua techniek, uiterlijk en klank) in volle omvang (ver)toonde, was het door de Deense orgelbouwers Marcussen in 1956 gebouwde en in 1957 door kerk- en concertorganist Lambert Erné in gebruik genomen orgel in de Nicolaïkerk in Utrecht. Dit instrument is bijna twintig jaar toonaangevend geweest voor de orgelbouw in Nederland.

In die zin kan dan ook worden gesproken van de lange jaren vijftig; het laatste orgel dat nog min of meer conform de ideeën van de Neue Orgelbewegung is gemaakt, is het (wederom) door Marcussen gebouwde hoofdorgel in de Grote of Sint Laurenskerk in Rotterdam (1973).

Historiografie
In 1964 verscheen de eerste druk van wat later als een standaardwerk over de Orgelbewegung en de Neue Orgelbewegung zou worden beschouwd: Organum Novum van P.H. Kriek en Herm. S.J. Zandt. De toon van dit boek is tekenend voor de zendingsdrang én eenzijdigheid die de voorvechters van deze beweging eigen was en die ook uit de discussies in het tijdschrift Het Orgel uit deze tijd spreekt. De nadruk in het genoemde boek valt vooral op de technische kant van het verhaal.

Een stap verder gaat Frans Brouwer die in zijn boek Orgelbewegung & Orgelgegenbewegung (1981) op parallellen met de Nieuwe Zakelijkheid en De Stijl wijst.

Pas in het boek Orgels van de Wederopbouw (2006) wordt de cirkel nog ruimer getrokken. Architect Wim S. Ros gaat hierin in op de invloed van de Deense meubelkunst en Stephen Taylor, de huidige organist van de Nicolaïkerk in Utrecht, beschrijft waar het toch allemaal om draait: de muziek die tot klinken wordt gebracht.

Vanuit de optiek van Schuyt en Taverne (Nederlandse cultuur in Europese context) kunnen de cirkels echter nóg ruimer worden getrokken. Het orgel in de Nicolaïkerk in Utrecht kan bijvoorbeeld worden beschouwd als een exponent van de verzuiling en dat in de Sint Laurenskerk in Rotterdam als representant van de oecumene.

Daar is niet veel fantasie voor nodig. Immers: het uitgangspunt bij de bouw van het orgel in Utrecht was het barokorgel van de Lutheranen in Duitsland. Het instrument is in principe niet geschikt voor zuidelijke, bijvoorbeeld Franse orgelmuziek van rooms-katholieke huize uit met name de 19e eeuw.

Het uitgangspunt bij de bouw van het orgel in Rotterdam is er één die dit wél mogelijk moet maken. In die zin is dit instrument niet alleen een sluitstuk van de Neue Orgelbewegung, maar ook het startpunt van orgels waarop niet alleen Duitse barokmuziek maar ook Frans-romantische muziek naar tevredenheid kan worden uitgevoerd.

Nationaal Holocaust Museum i.o.

Majdanek (2009)

Majdanek (2009)

Hervormde Kweekschool

Het is niet de eerste keer dat het me overkomt. Het gebeurde al eerder, toen ik bij het voormalige concentratiekamp Madjanek uit de bus stapte. Een onbetwistbare brandgeur van een barbecue drong mijn neusgaten binnen. Maar het was iets anders: een synesthetische ervaring.

Ik zou wat ik bij een bezoek aan het Nationaal Holocaust Museum i.o. (foto rechts) niet zo willen noemen, maar wat ik hoorde en zag was er niet minder opvallend door. In één van de ruimtes hangt Adressen (2013) van Bart Domburg. Een met een fineliner opgeschreven straatnamen en huisnummers van plaatsen waar joden werden weggevoerd. Een indrukwekkend werk, dat op het moment dat ik ervoor stond door een medewerkster van het museum voorzichtig met een fijne borstel stofvrij werd gemaakt. De zorgvuldigheid waarmee ze het deed raakte me. Evenals een mevrouw die even daarvoor zich al naar de adressen toegebogen stond, en tegen iemand zei: ‘Het danst helemaal.’

Op dat moment schoven twee beelden bij mij over elkaar: dat van de dans waarop de joden in de kampen van de beulen moesten dansen, en die Sjostakovitsj in verschillende composities wrang verklankte. En dat van een hora die ik eens op een avond zag dansen door een moeder en een klein kind in een kibboets in Israël. Statig en naar elkaar toegewend. Uit de ene dans spreekt een ongehoorde droefheid, uit de andere een onuitblusbare hoop. Beide gevoelens bekruipen je als je het nieuwe museum in Amsterdam bezoekt. En dat is ook de bedoeling van de oprichters ervan.

In een andere ruimte hangen negen schilderijen die Jeroen Krabbé schilderde naar aanleiding van het levensverhaal van zijn vermoordde grootvader, Abraham Reiss. Op het laatste ervan is een groepje ganzen afgebeeld, wiens gegak – zoals Jules Schelvis berichtte – de noodkreten van de mensen in de gaskamer moest overstemmen. Ik stond pal voor een geblindeerd raam, waar opeens vogelgeluiden doorheen naar binnen drongen. Vogels uit Artis, dat immers om de hoek aan de overkant van de straat ligt. Het kwam opeens wel heel erg dichtbij en ontdaan ben ik stilletjes weggelopen.

http://www.jck.nl

http://bartdomburg.com/portfolio/adressen-detail/

Uitbetaling van talent

Zwagerman_Wakend over GodCoorte_Stilleven

 

 

 

 

 

 

 

Joost Zwagerman dicht dat alles hem is ontnomen: een antwoordende God, de kosmologische God (‘Gods eindeloze kosmosdood’), de zin van het leven, het kind kunnen zijn. En wat hem niet ontnomen is, is mislukt. Met een polsstok haalde hij de overkant niet. In zwevend evenwicht aanvaardde hij zijn falen. Hij vond troost bij

Vermeer, de parel, het gezicht
op Delft, uit Rembrandts zelfportret
en de kleinste bosaardbei van Coorte

in het Mauritshuis (zie afb. rechts hierboven).

Wat hem niet is ontnomen, is de taal der dichters. Op de schouders van hen die hem voorgingen, staat hij met zinswendingen als

…………….. Die
zoals ik met mijn
beide ogen dicht
dus niet kan zien
naar mijn idee
juist nauwgezet
te bidden zit.

Op symbolen van goed en kwaad rusten zijn zinnen, zoals die over drie bliksemschichten die de ark van Noach op de Ararat verwoestten; een kwaad spelletje van God, waardoor de zondvloed nog steeds voortduurt. Zoals Hij ook in scherven trapt, en zich verwondt aan vergruizeld glas. Een beeld dat het Spiegelmonument van Jan Wolkers in het Amsterdamse Wertheimpark voor ogen tovert.

Maar er staan ook minder verheven, platvloerse beelden in de bundel Wakend over God. Over krabben, schijten, persen en diarree. En het tegenovergestelde idee van een mislukking te zijn, dat echter even zwaar lijkt te wegen:

Ik ken het einde niet van deze uitverkiezing,
van deze uitbetaling van talent.
(…)
Waarom dan toch is het onleefbaar hier?
De hel, dat klopt, zijn alle anderen.
Waarom ben ik, mijn drie kinderen incluis,
gezegend en door God op deze troon getild,
het door man en muis verlaten fabeldier?

Of:

Hoe nu verder. Ik ben vader, zoon, geliefde,
dichter, schrijver, buurtbewoner. Er zijn grenzen
aan zelfs het fenomeenste fenomeen.

Op het eind van de door Hollands Diep uitgegeven bundel (zie afb. links hierboven) heeft Zwagermans denken over God een zwenking gemaakt:

… Ik heb God geloochend.
Nu ben ik Godvrezend.

En toch is dat niet genoeg. De taal wordt hem ook nog ontnomen. Er resten nog maar twee dozijn regels. In de hoop dat hij van God op één plek in het gedicht mag blijven.

Van de ISVW naar de OU en terug

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfree

Het denken van de inmiddels overleden oud-Denker des Vaderlands, René Gude (zie foto, Sarah Wong) wordt nog steeds levend gehouden. Op 28 januari a.s. vertelt ds. Trinus Hibma over hem in het Huis van de Levenskunst (Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam). In maart 2013 schreef ik onderstaande, hier iets aangepaste bijdrage aan het Liber Amicorum t.g.v. het afscheid van Gude als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden.

 

Het kan verkeren! We schrijven 2000 rond wanneer ik deelneem aan de zomercursus ‘Leven en werk van Benedictus de Spinoza’. De tweede cursus die ik aan de ISVW volg; over de eerste straks meer. En niet de laatste, dat zal wel duidelijk zijn.
Ik had een cursus Inleiding in de filosofie gedaan bij de Open Universiteit en wist me niet goed raad met die Spinoza. De (eerste?) zomercursus over hem in Leusden kwam dan ook als geroepen; ik wilde proberen te achterhalen waar die haat-liefde voor hem nu vandaan kwam. Totdat de Vereniging Het Spinozahuis uitweek naar Barchem, heb ik (zo’n beetje) alle cursussen over Spinoza in Leusden verstouwd.

Doordat ik die basiscursus aan de OU had gevolgd, voelde ik me inmiddels zekerder van mezelf en dorst me vaker in Leusden te vertonen. Met enige regelmaat kom ik er een weekend of soms een week genieten, want dat is het, met volle teugen. Alleen de boslucht al! En de heerlijke diners – niet te versmaden! En al jaren bekende gezichten in de keuken, wat leidt tot een verheugd weerzien. Toen ik jaren geleden eens een jaar verstek liet gaan, werd ik zelfs gebeld met de attente vraag of er soms wat was. Kom daar maar eens om bij een ander cursusinstituut! Dat zegt óók iets over de manier van directievoeren!

Niet dat ik in die tijd contact had met René Gude. Ik moet zelfs bekennen dat ik bij de ISVW nooit een cursus van hem heb gevolgd… Dat kwam pas bij de OU, toen hij een college over René Descartes gaf (zie: http://elsvanswol.nl/?p=1426). Wat een docent bleek hij te zijn! Toen hebben we ook pas voor ’t eerst elkaar de hand geschud. En ik kreeg een vriendelijke glimlach cadeau. Echt met elkaar van gedachten wisselen, dat hebben we pas in 2012 gedaan toen René (zo noem ik hem in dit verband) als deelnemer (!) aanschoof bij een deel van een cursus van Frans de Haas. De Haas kende ik ook van de OU en zijn naam lokte mede.

Ondanks het feit dat ik niet of nauwelijks contact met René Gude als docent en directeur heb gehad, zijn mijn vervolgstappen op het terrein van de filosofie ondenkbaar zonder hem en de ISVW.
Ik schreef het al: er was een eerste cursus die ik er volgde, nog voor die over Spinoza. Dat was een succescursus, begreep ik: die van Jan Keij over Emmanuel Levinas. Daarna heb ik heel wat cursussen over Levinas gevolgd: van het (Leerhuis) Tenach & Evangelie, VU Podium, de Vrije Gemeente … Eenkennig ben ik niet, maar de ISVW is altijd mijn honk gebleven.

Het heeft er zelfs toe geleid dat ik een bachelor scriptie voor de OU over diezelfde Levinas schreef; dat zou René Gude vast niet hebben vermoed, maar het zou hem ongetwijfeld blij hebben gestemd. En dat doet mij weer goed. Immers: de basis voor dit alles ligt bij de ISVW, ‘zijn’ ISVW.
Elke keer dat ik daar terug hoop te komen, zal ik met een beetje weemoed denken aan de gesprekken die we in de afgelopen jaren hebben gemist, want ‘alles begon met een goed gesprek’ kopt Filosofie Magazine van maart 2013 boven een artikel van zijn hand. Maar ik zal vooral denken aan hetgeen hij me, met de ISVW en persoonlijk, heeft gegeven. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Vragen te over

Minnee_Construction helmetDe in Nederland ook bij het grote publiek teeds meer aan bekendheid winnende Amerikaanse filosofe Susan Neiman, afgelopen weekend nog te gast bij Winterfeesten in Den Haag, stelt in haar boek Het kwaad denken dat de Eerste Wereldoorlog binnen de grenzen van een ‘normale oorlog’ bleef, als vrucht van ouderwets imperialisme en vroegmoderne technologie.

Hiermee maakt zij zich naar mijn gevoel schuldig aan wat ze zelf verafschuwt (het vergelijken van het kwaad of in dit geval oorlogen) en bagatelliseert ze toch ook enigszins. De Grote Oorlog, die het begin van chemische oorlogsvoering markeerde door het toepassen van gasgranaten, was wel degelijk een moderne oorlog in de zin van een  industriële oorlog door de massaproductie van helmen, waarop inventies waren toegepast.

Dat laatste viel te zien in het derde deel van de vijfdelige documentairereeks Apocalyps van Isabelle Clarke en Daniel Costelle, die momenteel op Canvas wordt uitgezonden (dinsdag 19 januari, 21.05-21.55 uur). Hierin werd verwezen naar het boek Oorlogsroes van Ernst Jünger, die dergelijke technologische vernieuwingen beschreef. Of liever: verheerlijkte. ‘Je moet wel een hysterische romanticus als Ernst Jünger zijn, om enig genoegen te beleven aan de barre verschrikking van de materiaalslag’, schreef Klaus Mann destijds. Het kwam wonderbaarlijk genoeg meer voor in die tijd. En misschien ook nu nog wel.

Wat moet je bijvoorbeeld met de Construction Helmet (2013, zie foto) van kunstenaar Abel Minnee (geb. 1988), een foto te zien op Unfair @ Christie’s, een vernieuwend cultureel initiatief voor en door een jonge generatie aanstormende en gevestigde talentvolle kunstenaars? De helm lijkt eerder op een helm zoals bouwvakkers of misschien ook mijnwerkers die gebruiken dan dat het associaties met oorlog oproept – verraderlijk misschien wel. Een helm als op een plaatje in een verkoopcatalogus, tegen een egale achtergrond om hem beter uit te laten komen. Mooi, zoals Jünger hem zou hebben kunnen beschrijven. Onschuldig wit. Maar tegelijk trilt er een hele wereld in mee, van geweld, ongelukken in de bouw en in mijnen. Zou de helm ertegen bestand zijn? De foto roept vragen op. En de tekst van Susan Neiman niet in de laatste plaats. Dat is wat filosofie doet. En kunst.

Unfair @ Christie’s
Donderdag 21 janurari 18.00-21.00 uur: opening
Vrijdag 22 t/m zondag 24 januari 10.00-17.00 uur: kijkdagen
Maandag 25 januari 10.00-14.00 uur: kijkdag
Maandag 25 januari 18.00-21.00 uur: veiling (besloten event, beperkt aantal zitplaatsen)
Locatie: Christie’s, Cornelis Schuytstraat 57, Amsterdam

www.abelminnee.com
www.unfairamsterdam.nl

Hemel en aarde

Maria KeohaneEen kniesoor die er vanavond bij het Vrijdagconcert in TivoliVredenburg te Utrecht op lette dat de cantate Jauchzet Gott in allen Landen BWV 51 van Joh. Seb. Bach niet specifiek voor kerst is bedoeld, maar ‘et in ogni tempo’ – een soort reservecantate dus. Een kerstjubel, dat kon je er wel in horen.

Zeker als je zulke solisten tot je beschikking hebt als vanavond: de zeer indrukwekkend zingende Zweedse sopraan Maria Keohane (zie afb.) en de trefzekere trompettist Robert Vanryne van het Orkest van de Nederlandse Bachvereniging dat onder leiding van Jos van Veldhoven vol pit begeleidde.

Het was niet alleen Jauchzet Gott maar ook met nadruk in allen Landen – een prachtige accentwisseling die je aan het denken zette; zo werd de volgende zin (Was der Himmel und die Welt) al aangestipt, zodat een grote tekstuele eenheid ontstond en het hart van de goede verstaander even opsprong.
Hemel en aarde vloeiden vervolgens als het ware ineen op de toon van een orgelpunt dat vanuit het kerstlied In dulci jubilo overging in een deel uit het Concerto grosso in g kl.t. op. 8 nr. 6 van Torelli.

Keohane keerde terug in de cantate Unser Mund sei voll Lachens BWV 110 die het gedeelte voor de pauze afsloot, naast de krachtige tenor Charles Daniels en bas Matthias Winckler en altus Alex Potter, wiens stem in de aria ‘Ach Herr, was ist ein Menschenkind’ mooi kleurde met de open klank van de oboe d’amore.
In deze cantate gebeurde iets soortgelijk fraais als in BWV 51: de tekst van het duet ‘Ehre sei Gott’ werd ook hier door accentueringen nadrukkelijk van twee kanten belicht: Ehre sei Gott in der Höhe und Friede auf Erden und den Menschen ein Wohlgehfallen!

Het gedeelte na de pauze had een soortgelijke opbouw als voor de pauze: begonnen werd weer met een cantate, nu Süsser Trost, mein Jesus kommt BWV 151, gevolgd door Es ist ein Ros entsprungen dat nu overging in de Pastorale uit het Concerto grosso op. 1 nr. 8 van Locatelli.
Het kerstconcert in een tot de nok gevulde grote zaal van TivoliVredenburg werd besloten met het Gloria in excelsis Deo BWV 191 van Bach, een driedelige cantate op Latijnse tekst waarin Bach de opening en het slot uit de Hohe Messe opnieuw gebruikte. Ook hier viel de nadruk op het in terra, de vrede op aarde. Om ons in te prenten dat het dáár om gaat. Toen, in de tijd van Bach, en nu.

Herhalingen: 19 december Haarlem, 20 december Amsterdam en 23 december in Tilburg.
http://www.bachvereniging.nl

Sytze de Vries 70 jaar

Sytze de Vries‘Ik maak er zelf geen feest van, maar als ze een feest willen, houd ik dat niet tegen’ zei Sytze de Vries toen hij 25 jaar predikant was. Dat is nu wat anders: op 18 oktober a.s. vindt, rond zijn liederen en teksten ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (15 augustus 2015) het zevende Oecumenisch Liedfestival plaats.
Naar aanleiding van dit heuglijke feit herplaats ik hier gedeelten uit een interview dat ik in 1997 met hem had voor Horizon. Aangevuld met recente ontwikkelingen.

‘Professor Honders zei na een proefpreek: “Je hebt het charisma van de taal ontdekt, maar wees daar voorzichtig mee.” Later heb ik pas gesnapt wat hij bedoelde.’
De Vries moet erkennen dat hij tijdens zijn studie in Groningen niet veel heeft geleerd. Pas toen Beker hem op het werk van Gunning wees, werd het spoor uitgezet wat kenmerkend voor zijn predikantschap kan worden genoemd: de maatschappelijk-literaire exegese die tot liturgie leidt.

Peize en Purmerend
ZIjn eerste gemeente was Peize, waar hij van 1972 tot 1981 heeft gestaan. Aan de ene kant bestond de (kerkelijke) bevolking uit import en aan de andere kant uit zo’n vijfduizend vrijzinnigen die de dominee alleen riepen als ze hem nodig hadden: bij trouw en rouw.
De kerkenraad zocht een jonge predikant die iets nieuws wilde beginnen. ‘Het was een leuke tijd. Er was een groep van twintig catechisanten die in de pastorie op zolder bleven slapen, al woonden ze zo wat om de hoek. Ik voelde mij er als noordeling [Sytze de Vries werd in 1945 in Leeuwarden geboren, EvS] thuis. Iedereen zei je op straat gedag.’
Dat laatste ging in zijn tweede gemeente, Purmerend even door: ‘Ik bleef iedereen gedag zeggen, tot ik dacht: “Ze moeten wel denken dat die vent gek is geworden”.’ Voor de rest was deze periode, van 1981 tot 1986, een heel andere tijd. Een andere streek ook, die volgens De Vries ‘het smoel van Drenthe mist. Purmerend bestaat uit populieren en beton. Pastoraal was het ook anders. Was in Peize zelfmoord aan de orde van de dag, hier kwamen relatieproblemen voor.’

Radio en televisie
In Purmerend raakte Sytze de Vries ‘aan de man.’ Via hem kwam hij bij de IKON en later de NCRV terecht, waar hij tien jaar de rubriek het Lied van de week presenteerde. Hij schreef er zelf ook liedteksten voor.
Gedurende anderhalf jaar heeft Sytze de Vries louter en alleen radio- en televisiewerk gedaan. Hij zei zijn werk in Purmerend vaarwel, vroeg de status van emeritus-predikant aan en ging in Amsterdam wonen. ‘Ik kende Willem Vogel al door mijn werk voor de bundels Zingend geloven. Via hem kwam hij in 1986 in de Sweelinckcantorij terecht.
Toen de predikant van de Oude Kerk, ds. Van Beusekom, wegging, kreeg De Vries voor twee jaar 1/4 predikantsplaats. Na twee jaar werd dit omgezet in een halve formatieplaats voor onbeperkte tijd. De Vries was uiteindelijk van 1988-2005 als predikant verbonden aan de Amsterdamse Oude Kerk.

Amsterdam
Als kritiekpunt op de liturgie die binnen de Oude Kerk wordt gevierd, wordt wel aangevoerd dat als je niet oppast deze in estheticisme verzeilt raakt. Sytze de Vries reageert een beetje fel als hij zich afvraagt of ‘het mooiste voor de Here God dan niet goed genoeg is? Als het maar geen formalisme wordt. De liturgie mag de dienst niet gaan beheersen, met als gevolg een onnozel preekje. Voor deze plek is de vorm, die staat in de traditie van de ongedeelde kerk, de beste. Ik zie liturgie als een uiting van pastoraat; mensen moeten in de liturgie kunnen wonen. En dat mag best groots zijn.’

Poëet
Door zijn werk voor radio en televisie krijgt De Vries ook een landelijke pastorale functie toegemeten. Opvallend is dat zijn liedtekst ‘Zo lang wij adem halen’ zijn meest gezongen lied blijkt. Het roert bij mensen een andere snaar aan dan de Barthiaanse liedteksten uit het Liedboek voor de Kerken (1973). ‘Deze gaan veel meer uit van Gij-Hij in plaats van ik en wij. En in die ontmoeting moet het gebeuren. Als kerk kun je de confrontatie individu-gemeenschap gewoon niet uit de weg gaan.’ Waarmee wij naar mijn gevoel waren aangekomen bij Sytze de Vries’ stokpaardje. ‘O ja?’, reageert hij, ‘dat geeft nog nooit iemand tegen mij gezegd, maar het klopt denk ik wel.’

Hij wil niet door het leven gaan als de man die alleen maar liederen en teksten schrijft, al zijn in het nieuwe Liedboek honderdtwintig liederen, vertalingen en liturgische teksten van zijn hand opgenomen. Die wens is uitgekomen. De website van Sytze de Vries’ werkplaats De Vertaalslag vermeldt dat hij theoloog is (‘geeft lezingen en cursussen’), predikant (‘gaat voor in kerkdiensten door het land’), tekstschrijver (‘ook op aanvraag’), dichter en publicist (‘van bundels’). Een veelzijdig mens met aandacht voor het sociale en het creatieve.

http://www.sytzedevries.com/

Let Freedom Ring

Middleton_Duo TripEén van de vaste onderdelen van het North Sea Jazz Festival is de expositie met kunst die iets zichtbaar maakt van de dynamiek van jazzmuziek. Ook dit jaar (10-11-12 juni). Een onderdeel van de tentoonstelling Let Freedom Ring is werk van kunstenaars die na de Tweede Wereldoorlog de vrijheid en improvisatie van jazzmuziek vormgaven, zoals dat van Sam Middleton (zie afb.). Ter gelegenheid van deze tentoonstelling herplaats ik hier een artikel dat ik schreef voor In formatie (febr./mrt. 1994).

Ik heb wat met het werk van de Amerikaanse, in Nederland wonende kunstenaar Sam Middleton. Is het jeugdsentiment, omdat mijn ‘eigen’ Middleton smaakt naar meer of toch iets anders?
Jeugdsentiment, omdat toen ik als kind longontsteking had, mijn vader ter afleiding thuiskwam met verschillende deeltjes uit de Encyclopedie voor jongeren. Een oorspronkelijk Italiaanse uitgave, voor Nederland bewerkt door W.A.C. Whitlau, die onder andere bekend is door zijn publicaties over de joodse traditie.
Wat in het eerste deeltje (‘Schilderen, tekenen, beeldhouwen’) over de collages van bijvoorbeeld de dadaïst Kurt Schwitters stond, is mij altijd bijgebleven:

‘De collage is een echt moderne kunstvorm. Zo min als er in de moderne wereld nog onderscheid gemaakt wordt tussen hoog en laag en rijk of arm, zo maken de kunstenaars geen onderscheid meer tussen de edele materialen (marmer, goud e.d.) en de alledaagse (papiertjes, blik e.d.). Elk materiaal heeft zo zijn bijzondere eigenschappen en met elk materiaal is dus iets bijzonders te maken, evengoed als er uit elk mens, hoog of laag, rijk of arm, een bijzonder mens kan groeien’ (Zeist, De Haan, 1965, blz. 143).

Het kon dan ook haast niet missen dat, toen we op de middelbare school voor het vak kunstgeschiedenis een scriptie moesten maken, ik als onderwerp ‘De collage’ koos. Ter voorbereiding ging ik naar Hans Redeker, kunstredacteur bij de krant waar mijn vader toen ook werkte: het toenmalige Algemeen Handelsblad. Helaas is de in 1918 geboren dichter en essayist Redeker, terwijl een tentoonstelling met collages van Sam Middleton – met wie hij was bevriend – in Galerie Art Index in Amsterdam aan de gang was, overleden (1992).
Redeker nuanceerde de bewering uit de jeugdencyclopedie enigszins, wat niet wegneemt dat Schwitters eens heeft gezegd dat het werk van de dadaïsten (aanhangers van een kunstrichting rond 1916) kan worden gedefinieerd als ‘de geest van het Christendom in het rijk van de kunst.’

En dan de afbeelding, Duo Trip: een semi-abstract druksel met elementen uit de realiteit: een bol, notenschrift, een toetsenbord met daaromheen een soort inktvlekken; met een duur woord uit de kunstgeschiedenis ‘tachisme’ (la tache = de vlek). In de bol zou je de wereld kunnen zien. De rijke en de arme wereld, de wereld van de blanken en de wereld van Harlem waar Middleton opgroeide. De muziek is de ondergrond ervan en gaat een duet met die ene wereld aan.