Verdunnen of uitvergroten?

In de debuutroman van Dave Eggers, Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit (E.H.V.V.D.G., uitg. Lebowski, 2000) solliciteert de hoofdpersoon bij een Amerikaans televisiestation. Op een gegeven moment wordt hem gevraagd waarom hij eigenlijk is gekomen. Het antwoord luidt: ‘Ik wil dat jij mijn lijden deelt.’ Hij heeft het idee dat het lijden daardoor zal verdunnen. Terwijl de vragensteller denkt dat juist het tegendeel gebeurt: ‘Dat je het uitvergroot door het te delen.’ Zij legt uit, dat je zelf dan weliswaar van het leed wordt verlost, maar dat je er op die manier wel voortdurend aan wordt herinnerd en niet meer aan kunt ontsnappen.
Een interessante denkexperiment: zou één van twee gelijk hebben, hebben ze allebei een beetje het gelijk aan hun kant of geen van tweeën?

Ik neem de proef op de som aan de hand van een ander boek: de roman De pianostemmer (uitg. Wereldbibliotheek, 2008) van de Zwitserse schrijver Pascal Mercier en een metaalsculptuur van de Israëlische kunstenaar Eran Shakine (1962) dat momenteel te zien is in Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam.

Pascal Mercier
Merciers roman gaat (niet voor niets, zou ik haast willen zeggen) over een tweeling van een (ook niet voor niets) pianostemmer die zoekt naar harmonie (tussen verdunnen en uitvergroten?): Patrice en Patricia.
Aan de ene kant wil de tweeling zich ontdoen van een incestueus verleden, door hun verhaal in schoolschriftjes op te schrijven en daarna met elkaar te delen. Aan de andere kant beseffen zij dat juist door dit te doen, hun onderlinge band alleen maar sterker zal worden. De vraag die opdoemt, is wat dan wel de vrijheid op zal leveren waarnaar ze verlangen, waar iedereen naar hunkert.

Allerlei mogelijke oplossingen passeren de revue: zou zwijgen niet beter zijn? Het antwoord staat tussen haakjes (ook niet voor niets, want eerst is het nog maar de vraag of dit ‘de’ oplossing is): blikken zijn veelzeggender en nauwkeuriger dan woorden. Een eind verderop in het boek, wanneer het thema zwijgen wordt hernomen, lezen we: ‘Je kunt elkaar al zwijgend tot zo dicht naderen dat je gedachten en gevoelens die van de ander ten slotte raken. Er zit dan niets meer tussen.’
Het is de kleine, woordarme Paco die Patrice leert dat je eerbied moet hebben voor hetgeen je niet kent en zelf ervaart. Patrice overschrijdt in dat opzicht een grens, wanneer hij zegt dat hij de regen op de hand van zijn tweelingzus kan voelen, terwijl hij met zijn hand de druppels op zijn eigen arm aanraakt. Wanneer met andere woorden de druppels verdunnen ofwel verdampen, letterlijk en figuurlijk.
Maar dan valt tot sneeuw geworden regen, die niet verdampt maar blijft liggen. Daarin ligt lijkt mij het uiteindelijke antwoord van Mercier: aanvaardt wat is dat is, door het te laten gebeuren zonder het persé te willen delen, zonder het te laten overheersen. Met de sneeuw daalt een stilte neer van vóór het ontstaan van de taal en de klanken die de pianostemmer aan zijn instrumenten ontlokt. Er ontstaat afstand en er is de mogelijkheid tot ontsnappen. Is dat het bevrijdende gevoel waar Patrice en Patricia naar op zoek waren?

Eran Shakine
Dan de metaalsculptuur A Muslim, a Christian and a Jew van Eran Shakine dat t/m 13 oktober a.s. valt  te zien in Museum Ons’ Lieve Heer op Solder (foto Els van Swol).
We zien drie in plaats van twee figuren, haast als de bekende afbeelding van de evolutie van de mens; de meest rechtse heeft een gekromde rug. Zou dat een joodse rabbi zijn, gekromd door de vele Talmoed-studie, gebogen boven zijn boeken, zoals tieners boven hun i-phone nu al het gevaar lopen op een gekromde rug?

Er zit behoorlijk wat ruimte tussen de mannen in 19de-eeuwse kledij; ze raken elkaar niet letterlijk, maar lopen wel in een nagenoeg gelijke houding, hetgeen in de beeldende kunst altijd staat voor  empathie en verbondenheid. Ze hebben, net als Paco uit het boek van Mercier, eerbied voor elkaar. Paco leerde dat aan Patrice, zagen we hiervoor, Shakine lijkt dat aan ons te willen tonen. Nu is het aan ons om het in praktijk te brengen …

 

Blog verscheen eerder, in een andere vorm (minus Shakine, plus een ander boek) in Wervel-ingen (herfst 2013). Wordt hier met toestemming hernomen.

Buskes en Kroon – twee dwarsliggers

Uit de nalatenschap van Rie de Kater-Engel, die ik primair kende van ‘mijn’ muziekclubje in het verzorgingshuis waar zij woonde, verkreeg ik de feestbundel voor de vijfenzeventigste verjaardag van ds. J.J. Buskes: Dwarsliggers (uitg. Zomer & Keuning, 1974). Aan hem bewaar ik twee dierbare herinneringen. Op een dag liepen mijn moeder en ik langs een huis dat vol stond met boekenkasten. Mijn moeder liep achteruit om het naambordje te lezen. Buskes dus. De tweede keer was een dienst van de Alle-Dag-kerk in Amsterdam. Een kleine man met een witte haardos en – zag ik later – een slecht gebit stond onder het orgel de kerk in te kijken. Buskes dus.

Het kan niet anders of zo’n boek als dit en de herinneringen aan mevrouw De Kater en mijn wat eerder geboren en gestorven ouders doen je wat. Herinneringen die op een of andere manier verhevigd terugkomen, terwijl ik het boek las, en soms ook in elkaar over lijken te gaan.

Dwarsliggers
Ik zou ze allemaal na kunnen lopen: om te beginnen het hoofdstuk over dr. H.F. Kohlbrugge, die ds. Thijs van Meijeren noemde tijdens de presentatie van mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek in de Amsterdamse Thomaskerk. De man die – zo lees ik – met één woord sprak: ‘de rechtvaardiging van de goddeloze’ – het woord dat Henk Vreekamp, over wie mijn boekje gaat, van hem heeft overgenomen.
Zo zou ik kunnen doorgaan, maar ik kies ervoor enkele hoofdstukken te nemen waarin de naam van ds. K.H. Kroon (zie foto rechts) voor komt. Ook zijn naam werd tijdens bovengenoemde presentatie genoemd. Mijn vader, zo meende de middagvoorzitter, zou bij hem in de kerkenraadscommissie Tenach & Evangelie hebben gezeten. Niets is minder waar; hij had zacht gezegd niets met hem en was penningmeester ten tijde van ds. René Venema. Al lezend in het boekje van mevrouw De Kater kom ik er gaandeweg achter waarom mijn vader waarschijnlijk niet zoveel met Kroon op had.

K.H. Kroon
Ik begin met het artikel dat K.H. Kroon schreef over Martin Buber. Ik proef daarin helaas iets van de wat verongelijkte man die ik eens trof. Het woord ‘aanvechtbaar’ valt nogal eens. Hij heeft kritiek op een niet nader genoemde vrijzinnig hervormde theoloog [dat is: professor Pieter Smits] en uit zijn teleurstelling over Buskes’ antwoord. Pijnlijk, voor een feestbundel zou ik zeggen.

Hoe anders van toon is de bijdrage van pater Van Kilsdonk over Kleijs Kroon. Ik snap waarschijnlijk opeens mijn vader, wanneer Van Kilsdonk schrijft: ‘Kroon is een man niet van het schrijft maar van het woord: in die zin ook niet van de Schriften, maar van de Mikrá (het Hebreeuwse werkwoord kara = roepen, denk aan: korán). Dat betekent: hij leest de tekst niet naar binnen toe maar roept hem uit, met mompelende, peinzende, soms ineens lichtgevende stem’.

Ik denk dat het één niet zonder het ander kan; dat heb ik van ds. Sytze de Vries geleerd: ‘Als een mens zich zijn vreugde niet meer uit kan zingen, zich Gods liefde niet meer te binnen kan zingen, heeft hij één van zijn grootste uitingsvormen verloren’ [vet EvS]. Misschien zit daar ook de crux waarom mijn vader geen affiniteit met Kroon had. Het een kan niet zonder het ander, vond deze ‘Psalmenmens’ zoals diezelfde middagvoorzitter hem eens raak omschreef.

Een waardeloze Psalm of een Psalm van waarde

Het is bijna alweer een nieuwe maand en de nieuwsbrieven en nieuwe nummers van tijdschriften komen al binnen. Twee vullen elkaar onbedoeld aan, want behalve dat ze van een kerkelijke gemeenschap komen staan ze los van elkaar. De een uit Zuid, de ander uit Noord. Of het zou moeten zijn dat het alle twee om een overdenking c.q. meditatie rond de Bijbelse Psalmen gaan.

De eerste was even schrikken. De opening van het ultrakorte stukje luidde: ‘Het hoge woord moet er maar meteen uit: dit is een waardeloze psalm’ [het gaat om nr. 45, EvS]. Wat nog iets anders is dan een ‘anti-psalm’. Zo, die zit. Het zou om ‘theologie op zijn smalst’ gaan, al staan er halverwege in de Psalm wat woorden die verrassen: trouw, rechtvaardigheid en gerechtigheid. De rest is allemaal klatergoud – woorden van gelijke strekking die ik ook in een recensie van een landelijk dagblad over ArtZuid tegenkwam, die momenteel in het rijke Amsterdam (Oud-)Zuid is te zien. Maar voor allebei, de kunstwerken aan de lommerrijke lanen én de Psalm, geldt: daaronder ‘zit toch een messiaans verlangen’. Dat was item één.

De meditatie uit het andere eind van de stad gaat over één zin uit de Psalmen 33, 96, 98 en 149: ‘Zing voor de Heer een nieuw lied’. De auteur van dit wat grotere stuk schrijft voorts dat ze hoe langer hoe meer gelooft dat het Exodusverhaal ‘ook een verhaal is waarin een mens zijn eigen levensverhaal, onderweg naar het Koninkrijk, kan spiegelen’.

Er zijn theologen die menen dat je, in ieder geval in de Psalmen, niet je eigen levensverhaal mag leggen of teruglezen, maar dat geldt niet voor de Exodusverhalen die ook in bijvoorbeeld de bevrijdingstheologie leidend zijn (geweest).
Als je de Bijbel ook (en volgens sommigen vooral) als literatuur leest, dan zou je je kunnen afvragen of met name de Psalmen op een andere manier iets te zeggen hebben: geen holle clichés, zoals de eerste auteur erin las, die ‘het bestaande en de bestaande verhoudingen’ beschrijven en bevestigen, die van macht en machtswellust. Want: zou die schone dochter die wordt geprezen, ook niet pars pro toto kunnen staan voor de dochters Sion? En die koning voor God? Het zijn maar vragen. Vragen die in ieder geval een ander licht zouden kunnen werpen op die ‘waardeloze psalm’.

Zoals een gouden beeld van Jan Fabre op de route van ArtZuid (zie foto hierboven, Els van Swol). Ik kende het al uit de tuin van het Guido Gezelle Museum in Brugge. Een man (Fabre zelf) beschermt het spaarzame vuur. Spaarzaam licht, een klein vuurtje als de drie kernwoorden uit Psalm 45. Maar wel licht dat schijnt en een vuurtje dat we brandend moeten houden. Misschien genoeg om mee te leven en daarom alleen al is de Psalm denk ik niet waardeloos maar van grote waarde.

Drieluik uit Utrecht

Witte Donderdag

Aan het begin van de veertigdagentijd dit jaar hoorde ik in een dienst in mijn wijkkerk een gastpredikant die een lofzang afstak op de ontluikende lente: op de krokussen en de sneeuwklokjes. Zij wees op verschillende soorten tijd: de wereldlijke en de kerkelijke kalender. In de kerk keren we in de veertigdagentijd juist naar binnen. Om daarna, met Pasen, volop op te bloeien.

1.
Welk boek, leek mij, kon ik op de drie dagen van Pasen (Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag) beter lezen dan Lente (uitg. De Geus) van Karl Ove Knausgård? De Noorse auteur verhaalt erin over de lente in het Zweden waar hij woont, over zijn ontluikende kleine kinderen en hoe hij naar binnen keert door de zorgen over zijn vrouw Linda, die wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
Gaandeweg Witte Donderdag bedacht ik me, dat ik net zo goed Knausgårds Liefde had kunnen herlezen met zijn ‘Hun hel is jouw hel, hun hemel is jouw hemel’.

2.
Dat inzicht kwam om te beginnen op tijdens de Paaslezing ‘De inspiratie van het lijden’ van Helikon in Utrecht. Deze dubbellezing werd gegeven door kunsthistoricus Paul Bröker en filosoof Laurens ten Kate.
Een van de schilderijen waarvan een afbeelding werd getoond, was een Laatste Avondmaal van Holbein de jonge. De meeste discipelen zijn erop zijn egoïstisch met zichzelf bezig, zonder al teveel relatie met de serene Christus. Bij Leonardo da Vinci’s Laatste Avondmaal (St. Maria delle Grazie, Milaan) zijn ze echter met Jezus bezig en delen hun gevoelens; Zijn hel is onze hel, Zijn hemel is onze hemel. Op het Isenheimer altaar van Grünewald tenslotte lijkt het of God met de discipelen mee lijdt. Er is geen wanhoop of ontzetting, maar troost. Er is, aldus Ten Kate, sprake van wat in de rooms-katholieke leer ‘dubbele identificatie’ wordt genoemd: zonde (moordenaar) en reiniging (slachtoffer).
Aan het eind van zijn lezing maakte de spreker een zwenking naar het thema ‘liefde’. Hij deed dat aan de hand van een kort stukje van componist Giovanni Legrenzi (1626-1690) op de cd Via crucis van ensemble l’Arpeggiata van Christina Pluhar:

Dit hart dat ooit blij was,
voelt zich nu gebroken door verdriet.

Het gaat dan volgens Ten Kate over het lijden in het algemeen en liefde in de ruime betekenis van het woord.
Het deed denken aan het boek van Knausgård, die in de tijd dat zijn vrouw in het ziekenhuis lag, ‘steeds dezelfde muziek draaide, Queens of the Stone Age, zo hard dat het pijn deed, want binnen in mij deed het pijn en op de een of andere manier hielp de harde agressieve muziek, als een soort tegendruk’ (p. 73).

3.
Het boek van Knausgård en de lezingen ’s middags werkten ’s avonds bij mij door in de dienst in de Domkerk. Voorganger was ds. Sytze de Vries, organist Jan Hage met medewerking van de Domcantorij onder leiding van Remco de Graas.
Het begon al met het Ubi caritas uit de Musica pro Deo van Maurice Duruflé (1902-1986):

Waar liefde en eensgezindheid is, daar is God.
De liefde van Christus heeft ons verenigd.
Laat ons juichen en ons in Hem verblijden.
Laten wij de levende God vrezen en beminnen.
En elkaar met een oprecht hart liefhebben.

Het ging verder in de preek, waarin ik een mooie definitie van zonde hoorde: ‘geweigerde solidariteit’. Ik zag het beeld van Holbein de jonge weer voor me, met hun ‘statische lichamen; zet je je lichaam in beweging, dan beginnen ook je gedachten zich te roeren’ (Knausgård, id.).
Het is een verschuiving van een andere definitie die ik Sytze de Vries eens hoorde geven tijdens een leerhuis, jaren geleden in Amsterdam, die me altijd is bijgebleven en mee resoneerde met zijn tegendeel bij Duruflé: zonde is datgene waar God niet aanwezig is of wil zijn.

Misschien vormen deze ervaringen, al lezend in Knausgård, luisterend naar Laurens ten Kate en Sytze de Vries, kijkend naar verschillende schilderijen van het Laatste Avondmaal en luisterend naar Legrenzi en Duruflé, tezamen een antwoord op een deel van een vraag die in de tentoonstelling Moed in het Utrechtse Centraal Museum (t/m 30 juni a.s.) wordt gesteld: ‘Is compassie exclusief verbonden aan theologische beelden, verhalen en ervaringen?’ Nee dus.

Symproviseren of een mens lenen?

Je leert jezelf beter kennen in de ontmoeting met anderen, in de ontmoeting met  boeken en in wat anderen daarover schrijven. De bibliotheek is daar de uitgelezen plek voor.

1.
Op zaterdag 26 januari jl. deed ik in het filiaal van mijn bibliotheek mee aan wat de kunstenaar en filosoof Erik Hagoort ‘symprovisatie’ noemt: met een klein groepje mensen hardop denken en tegelijk schrijven. We deden het in schriftjes, die (als het kunstwerk dat zo ontstond) aan de Openbare Bibliotheek Amsterdam worden geschonken. We deden het unverfroren, associatief van het ene op het andere thema springend en ze zo aaneenrijgend. Het ging diep en op een gegeven moment voor mij, introverteling, te open.
Ik merkte, dat ik me er met een grapje vanaf maakte en de pen neerlegde en verder alleen luisterde. Maar misschien zullen eventuele toeschouwers, als zo’n ‘symprovisatie’ hier of elders wordt herhaald en zij erbij aanwezig mogen zijn, dit ook als een al dan niet waardevol, in ieder geval opvallend, onderdeel van het kunstwerk beschouwen. Net als de blakend witte pagina’s in mijn schriftje. Wie zal het zeggen.

2.
Drie weken later las ik in het boek Leven in de Waagschaal van Wessel ten Boom een rake omschrijving over de mij zo geliefde Bijbelse Psalmen: ‘de rauwheid van Israëls psalmen’ (p. 18). Ja – ik houd ervan. Niet alleen van de Psalmen an sich, maar ook van rauwe kunst en literatuur in het algemeen. Van kunst die weet te schuren, te raken. En van interpretaties daarvan die er wat van het waarom oplichten en niet verzanden in wat Ten Boom (die bij leven en welzijn straks weer een cursus over literatuur voor het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie hoopt te kunnen geven) ‘estheticisme en dagdromerijen’ noemt. Soms is iets gewoon te wáár om mooi te (kunnen) zijn. Je moet zoiets bevechten, in de waagschaal durven stellen. Overdenken, van links en rechts bekijken, van onder en van boven. Dat lukt mij al ‘symproviserend’ minder, hoewel ik mezelf er wel beter door heb leren kennen (wat niet de eerste doelstelling is): een grapje maken als het me te dicht bij komt.
Misschien wél als ik een mens leen – ook zo’n mooi initiatief van sommige bibliotheken: de Mensenbieb, waar je voor een moment een ‘levend boek’ leent. Je mag alles vragen – dat mag bij het ‘symproviseren’ niet, vragen stellen –, maar je hoeft geen antwoord te geven, net zomin als je dat bij de ‘symprovisatie’ hoeft te doen. Immers: ‘muziek stelt geen vragen. Muziek geeft geen antwoorden’ (Hagoort). Misschien lukt dat me beter?

3.
Ik krijg – verrassing! – de bewerkte versie van de voordracht die Erik Hagoort hield tijdens de verdediging van zijn doctoraat in de kunst (13 oktober 2017, Antwerpen). Ik lees het slot:

‘Op het punt staan iets tegen iemand te zeggen.
Inademen, iets kunnen gaan zeggen,
maar er van af zien.
Weer uitademen, zonder te spreken.
Zeggen als een ademtocht zonder woorden,
zonder vorm, zonder vervoering,
maar wel met een richting: naar jou toe.’

Het was goed zo. Dank je wel, Erik, dank je Wessel. Dank je wel openbare bibliotheek.

Afb. links ontleend aan de website van Erik Hagoort: http://www.erikhagoort.nl/Erik_Hagoort_NL_thuispagina.html

Zien met je hart

Ik zie, ik zie / wat jij niet hoort’ staat er op mijn canvas schoudertas van het Wilminktheater in Enschede. Het heeft al tot heel wat leuke, spontane ontmoetingen geleid. Een oudere heer zei bijvoorbeeld, mij tegemoet lopend op een brug in Amsterdam: ‘Ik hoor niet of nauwelijks meer, maar zien kan ik als de beste. Leuk hoor, die tekst! Ik heb nog les gehad van Wilmink, hier, aan de Universiteit. De beste Nederlandse dichter als je ’t mij vraagt. Nou – een prettige dag nog verder!’ riep hij, achterom zwaaiend, terwijl hij de brug over de gracht verder op klauterde en ik de afdaling inzette.

‘In het kijken zit al het horen’ zei een docent tijdens een studiedag over Cézanne en de filosofie. In het ruiken zit al het zien, denk ik, terwijl ik me weer zie uitstappen bij het voormalige concentratiekamp Majdanek, in de buurt van het stadje waar de historische roman De duizendkunstenaar van Lublin van Isaac Bashevis Singer zich afspeelt. Ik ruik verbrand vlees en denk eerst nog naïef dat er een barbecue bij de naastgelegen huizen wordt gehouden, tot ik me met een schok realiseer wát ik ruik. Dichterbij kun qua sensitieve waarneming misschien niet komen.

Was deze begraafplaats er ook al tijdens de Tweede Wereldoorlog?’ vraag ik aan de Poolse staatsgids die ons over het terrein rondleidt. ‘Nee’, antwoordt ze stellig, de werkelijkheid geweld aandoend. Want die begraafplaats was er wel degelijk al, ontdek ik thuis, net als de naastgelegen huizen. Over-en-weer moeten de mensen elkaar hebben gezien.
‘Ik zie, ik zie / wat jij ook hoort’ vult de docent van de cursus de tekst van Wilmink na de pauze aan. Dát moet het zijn: zien en horen naar getuigenissen. Met je hart:

6.000.000

jij kan het cijfer
6.000.000 beleven
als druppels van de zee
als zoveel keer maal tien

ik, die een generatie eerder
werd geboren,
kan dit getal helaas niet
onbevangen zien

voor mij is zes miljoen
helaas geen cijfer
maar een belevenis
zo groot zo zwart zo wreed

omdat ik achter dit getal
zo nuchter opgeschreven
een gruwelijk en koel
berekend einde weet.

(Ida Vos, Vijfendertig tranen).

T.g.v. de a.s. verschijning van de biografie van Willem Wilmink door Elsbeth Etty (januari 2019, uitg. Nijgh & Van Ditmar).

Wat niet gezegd kan worden

Marga Minco krijgt de P.C. Hooft-prijs 2019 voor verhalend proza. Hieronder in verkorte vorm de inleiding op haar boek Nagelaten dagen zoals ik in 1997 voor een leesclub hield. Een van haar minder bekende boeken.

De schrijfster
Over de schrijfster zelf heb ik niet veel gezegd, want dat is genoegzaam bekend. In relatie tot Nagelaten dagen merkte ik op, dat zij in een interview met Hanneke Groenteman (november 1997) vertelde, dat ze haar boeken altijd het eerst aan haar dochter Jessica Voeten laat lezen. Nagelaten dagen is mede aan haar opgedragen.

Haar werk
Hiervoor gold hetzelfde. Ten aanzien van Nagelaten dagen vertelde ik, dat we daarin elementen tegenkomen uit Minco’s voorgaande werk, onder meer in een kernachtige zin als ‘Ik verliet mijn zuster en bleekte mijn haar’, waarin alles opgesloten ligt.

Nagelaten dagen
Marga Minco heeft zich in het eerder genoemde interview met Hanneke Groenteman uitgelaten over de totstandkoming van dit boek. Een interview dat wordt aangehaald in Joodse tradities in de literatuur van Daphne Meijer.
Het scharnierpunt van Nagelaten dagen is een autobiografisch gegeven: de ik-figuur ontvangt een brief van ene Miriam Weissenbach uit Jeruzalem. Zij bestudeert stambomen, waarna een bezoek aan Amsterdam volgt. Om dit gegeven heen weeft Minco twee andere thema’s, die allebei met haar zus Bettie hebben te maken:

  1. De ik-figuur gaat voor het zusje van haar zwager Hans, Eva Ruppin, naar een adres aan het Wedemerplein waar haar nooit teruggekeerde moeder de huisraad had ondergebracht bij zogenaamde bewariërs, de familie Stelerius, de buren van de moeder van Eva. Het Wedemerplein is uiteraard het Merwedeplein in Amsterdam, hoewel andere straatnamen in het boek, zoals het Kasteelplein te Breda, volgens de kaart wel degelijk echt zijn.
  2. Het andere thema betreft twee bezoeken die de ik-figuur brengt aan Eva in Santa Barbara (Californië). De eerste keer krijgt ze een fotoalbum mee, bestaande uit 23 bijeengehouden, losse bladen dat ze in 1942 voor haar zusje had gemaakt voor haar trouwdag. De tweede keer ligt Eva in het ziekenhuis met een gebroken heup en is ze dementerend. Ze krijgt de Japanse kom, het enige dat de bewariërs uit Eva’s nalatenschap hadden teruggegeven. Eva laat de kom in scherven op de grond vallen, een gegeven waarop ik nog terugkom.

Hiermee heeft Marga Minco symbolisch het eigenlijke thema van het boek aangesneden. Het is, volgens Daphne Meijer, bovendien een thema dat in al Minco’s werk terugkomt: ‘een sjaal, een theeservies, onbeduidende dingen hebben een bijzondere betekenis wanneer zij het enige zijn dat er nog herinnert aan vroeger’. Maar ze gaat verder: ‘Gaandeweg vermindert de wens om nog iets terug te kunnen krijgen: het heeft geen zin om het verlangen naar de personen die er niet meer zijn te projecteren op spullen of foto’s.

De opbouw van het boek wordt gekenmerkt door sterke parallellie, die telkens verbanden suggereren, hoewel er geen enkel contact bestaat.
De stijl is nog soberder dan in voorgaande boeken en de oorsprong van dit boek, een verhaal in Avenue. Het feit dat het bijvoorbeeld om een Japanse kom gaat, wordt niet uitgewerkt, terwijl er in het oorspronkelijke verhaal nog sprake is van een bruidsboeket dat uit Japanse bloesems bestaat, wat als een voorteken wordt gezien.

Recensies
Wat de recensies betreft, is het opvallend dat veel recensenten erop wijzen, dat (en ik citeer Onno Blom uit Trouw, 24 oktober 1997) ‘de vertrouwde elementen uit Minco’s werk in Nagelaten dagen nogal eens een halve of een hele slag zijn gedraaid. Zo heeft het Amsterdamse plein waar Bettie is opgepakt door de Duitsers (…) nu het Wedemerplein in plaats van Merwedeplein. Het lijkt een futiliteit, maar het is in wezen een van de subtiele tekens, die erop wijzen dat Minco een stapje van de werkelijkheid van Het bittere kruid af is gaan staan. Om de metafoor nogmaals te gebruiken: Marga Minco biedt geen afgeronde blik op de glanzend glazen kom van de tijd, maar op de vertekende en gebarsten scherven’.

Elsbeth Etty (NRC Handelsblad, 17 oktober 1997) citeert bladzijde 83 uit het boek: ‘Het was of de motor van mijn geheugen een slag werd teruggedraaid’, net als later het deksel van de vallende Japanse kom. Zij gaat ook in op de titel van het boek: ‘”De nagelaten dagen” van de titel zijn de dagen die door middel van het vergeten fotoalbum aan de schrijfster worden teruggegeven. Maar misschien zijn die dagen ook de dagen, bijvoorbeeld de vier in Californië, waarin de overlevenden nalaten gezamenlijk betekenis aan hun herinneringen te verlenen. Omdat zij het niet kunnen’.

De conclusie die Etty trekt (‘Nagelaten dagen brengt uitkomst noch troost. Wie het boek dichtslaat weet dat het nooit goed komt’) staat in schril contrast tot wat Doeschka Meijsing als duiding aan het geheel gaf (in Elsevier), waarin ze een stap verder gaat: ‘De deksel ligt intact op het ziekenhuiskastje. Tegen het licht gehouden vliegt een vogel, door het porselein zichtbaar, naar de vrijheid. Dit prachtige beeld, het hele boek voorbereid, behoeft geen duiding. Het vat alles samen wat niet gezegd kan worden’.

Dank u wel, Marga Minco, voor uw schitterende oeuvre – de P.C. Hooftprijs is méér dan verdiend.

De toekomst tegemoet

Dankzij de Rialto Filmclub was ik al in de gelegenheid om de tweede speelfilm van de van origine Poolse filmer Pawel Pawlikowski, bekend door Ida (2013) te zien. De inleiding van filmrecensent Laura van Zuylen zette mij op het thema van deze blog over de film Cold War, die in Cannes werd beloond. Een blog die na de film naadloos verder gaat over de tentoonstelling met werk van Shirin Neshat in GEM (Den Haag), die ik afgelopen week bezocht.

Cold War
De film gaat over twee personages: zangeres Zula (Joanna Kulig) en muzikant Wiktor (Tomasz Kot). Nee, eigenlijk over drie, want het volksliefje Dwa Serduszka kun je ook als personage zien. Het komt in verschillende gedaantes voor in deze zwartwitfilm: niet alleen als volksliedje, in een arrangement van rivaal Kaczmarek (Borys Szyc) met een door Wiktor ongeïnteresseerd gedirigeerd orkest, en tenslotte als sterk jazzarrangement in Parijs. De verschillende gedaantes van het volksliedje schuiven mee met de chronologie van het verhaal: in het Polen van pal na de Tweede Wereldoorlog, de tijd van de sterke arm van het communisme en het Parijse existentialisme van de vrijheid.

Je zou ook kunnen zeggen dat die arrangementen een uiting zijn van dialectiek: these (Pools volksliedje) – antithese (goed in het gehoor liggend arrangement tijdens het communisme) – synthese (Westerse jazz).
De twee hoofdpersonages, Zula en Wiktor, staan ook tegenover elkaar. Ze voelen zich zowel tot elkaar aangetrokken als stoten elkaar af. Pas in de laatste zin (spoiler alert!), heel terloops, lijkt het of er tot op zekere hoogte een bepaalde vorm van synthese in de verhouding tussen de twee plaatsvindt. Hoe, maakte een ander kunstwerk mij afgelopen week duidelijk.

Shirin Neshat
Namelijk de video-installatie Turbulent (1998) van de van origine Iraanse kunstenaar Shirin Neshat, die momenteel in het Haagse GEM valt te zien. Hierin staan ook een zangeres en een zanger tegenover elkaar. Als bezoeker zit je niet, zoals bij een film tegenover het doek, maar midden in de expositiezaal, tussen de twee schermen in. Op het ene zie je een man die voor een vol auditorium een traditionele ballade zingt. Op het andere scherm zie je een vrouw voor een lege zaal.
De mannen zijn gekleed in zwartwit (denk aan de film van Pawlikowski!), de vrouw zingt een eigen werk en vindt daarin, net als het jazzarrangement in het Parijs symboliseert, haar vrijheid.
Van een synthese is geen sprake, maar de boodschap van een andere video-installatie die Neshat een jaar later maakte, Rapture (1999), is duidelijk: de mannen zijn gevangen in de traditie (in deze installatie een gesloten fort), de vrouwen staan open voor het onbekende (gesymboliseerd door een boot die wegvaart).

In beide kunstwerken, de film Cold War van Pawlikowski en de video-installatie Turbulent van Neshat, speelt muziek een belangrijke rol. Muziek neemt de rol van het woord – bij Neshat ook de kalligrafie uit eerder fotowerk – over. Beide kunstenaars hebben een boodschap, zonder dat ze politieke kunstenaars kunnen worden genoemd. Hun werk raakt een snaar. En in die zin wordt de synthese gevonden bij de kijker, die het volksliedje en –ballade in zijn/haar hart bewaart en de onbekende toekomst tegemoet gaat.

http://www.gem-online.nl/files/media/shirin_neshat.pdf

Umwertung aller Werte

Het is op deze blog, naar aanleiding van een beeld van de Vlaamse kunstenaar Johan Tahon aan de Landeskirche in Hannover, al eens eerder aan de orde geweest: de typologie van de blinde Synagoga.
Eerst uitgebeeld als een man, zoals Mozes, op een miniatuur in de bijbel van Moutier-Grandval (ca. 840). Hij staat voor Tenach en heeft een sluier voor de ogen, die wordt weggetrokken door één van de apostelen. Dat wil zeggen: hem is het heil nog verborgen en dat moet worden onthuld door de Ecclesia. Later werd het een vrouw, een dochter Sions, soms met niet alleen een blinddoek voor, maar ook nog eens met een kroon die van haar hoofd rolt, wetstafelen die uit haar handen vallen en een lans die is gebroken. Deze typologie gaat terug op de Bijbel: Klaagliederen 1:1 en 5:15-17. Dergelijke afbeeldingen of uitbeeldingen vinden we niet alleen in miniaturen en dergelijke, maar vooral als beelden aan de portalen van grote kathedralen: Straatsburg, Metz, Bamberg, Worms en andere.

Ik moest er weer aan denken, toen ik op de tentoonstelling The Institute of Ungoing Things in het Joods Historisch Museum (JHM) een werk van de Israëlische kunstenaar Uri Katzenstein (1951­–2018) zag. Katzenstein was beeldhouwer, performancekunstenaar, musicus, bouwer van geluidsmachines en filmmaker, en overleed helaas plotseling tijdens de laatste voorbereidingen van de expositie.
In het JHM staat, als onderdeel van de tentoonstelling, een vlaggendraagster als Umwertung aller Werte. Dat wil zeggen: de blinde Synagoga is, als een al dan niet bewuste referentie, onder handen van Katzenstein een trotse vlaggendraagster geworden, die – volgens de website en i-pads op de tentoonstelling, katzenstein.jck.nl (nr. 22) – ‘gespannen en alert op een voetstuk staat, dat speciaal voor haar is ontworpen.’ Het voetstuk doet denken aan de geometrische vormen van de toestellen die Katzenstein ontwierp (met name nr. 36) en die herinneringen oproepen aan kinderspeelgoed.
De tekst vervolgt: ‘Ze strekt één been achterwaarts om haar evenwicht te bewaren tijden de zware fysieke inspanning van het zwaaien van zelfbedachte vlaggen.’ Dat is een element dat overigens doet denken aan het standbeen uit de Griekse beeldhouwkunst, waar discuswerpers op die manier worden neergezet. De vlaggen doen denken aan de androgyne figuren (met name nr. 14) waarvan – ik citeer – ‘het onduidelijk is of de figuren zijn geschapen en adem is ingeblazen, of eerder een aftakelingsproces doorlopen en langzaam maar zeker instorten tot de dood erop volgt.’
De tekst bij nummer 22 vervolgt: ‘Ze kijkt omhoog, maar is geblinddoekt en communiceert dus met behulp van andere visuele middelen.’ Die blinddoek bestaat overigens uit een rode driehoek, die doet denken aan het symbool dat politieke gevangenen (zoals communisten, vrijmetselaars, verzetsstrijders) tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten dragen in de concentratie- en vernietigingskampen.
De conclusie op de website luidt: ‘De sculptuur kan worden gezien als een monument voor de vrouwen die in levensgevaarlijke omstandigheden moeten werken zonder ooit met de lauwerkrans van de overwinning of roem te worden getooid.’

Op deze manier is het kunstwerk van iets negatiefs (de blinde Synagoga) tot iets positiefs (een monument voor vrouwen) omgesmeed. Het omgekeerde komt bij Katzenstein echter ook voor: een gebedssnoer dat moslims gebruiken (misbaha) en is gemaakt uit verwrongen stukjes metaal (nr. 55-56), dat op die manier wil herinneren aan lijden en verlies. Of, wat genuanceerder, als een dubbelslag, goed en kwaad ineen gelijk de mens: Boedler is bijvoorbeeld ‘een door de kunstenaar bedachte samentrekking van Boeddha en Hitler. De sculptuur toont een superheld die is uitgedost met een semi-hitleriaanse, semi-chaplineske snor, gehuld in een jurk, verstijfd in de pirouette van een ballerina. Tel al deze elementen bij elkaar op en je krijgt de kunstenaar zelf.’ Of een beeldje van een als altijd dik gebuikte boeddhistische monnik, symbool van vriendelijkheid, waarop Katzenstein de haardracht en snor van Hitler schilderde. Of – tenslotte – een boksbeugel waarop aan de ene kant GOD staat en aan de andere kant DOG, het omgekeerde ervan. Zegen en vloek ineen.

Het is dan ook te eenvoudig om te willen zeggen dat Katzenstein met de oude man uit Shakespeare’s Macbeth wil zeggen: ‘God’s benison go with you, and with those that would make good of bad and friends of foes!’ Een adagium met Bijbelse proporties, van vloek die tot zegen verkeert als in het verhaal over de ezel van Bileam in Numeri. Maar het heeft er wel de schijn van. En dat stemt hoopvol, als iets om aan te werken zodat het werkelijkheid wordt.

 

De tentoonstelling is te zien t/m 24 februari 2019.
De afbeelding is ontleend aan genoemde website.

Mooie opvoering van Die Zauberflöte

Er is nog een kans om de mooie opvoering van Mozarts Die Zauberflöte bij De Nationale Opera in Amsterdam te zien – en die is de moeite van het grijpen meer dan waard.
Het is een herneming van de voorstellingsreeks uit 2012 in de regie van de Engelse schrijver en regisseur Simon McBurney. Hij staat bekend om zijn herinterpretatie van klassieke teksten voor Broadway, maar hij heeft het libretto van Emanuel Schikaneder nagenoeg in takt gelaten.

Het is niet zoals Lotte de Beer die het libretto wilde ontdoen van vrouwonvriendelijke, seksistisch en/of racistische uitingen. Het was de dramaturgie (McBurney samen met Klaus Bertisch) die zijn werk deed en vaak tot gelach uit de zaal aanleiding gaf; iedereen snapte de toespelingen en that sit.

Ook in de vormgeving waren sommige personages soms omgekeerd, wat tot denken aanzette. Neem bijvoorbeeld Monostatos, de moor bij Schikaneder/Mozart, hier gezongen door de Oostenrijkse karaktertenor Wolfgang Ablinger-Sperrhacke. Een witte zanger, gekleed in een keurig pak. Gaandeweg de voorstelling  veranderde hij in een monster.

Ook de koningin van de nacht, de Armeense sopraan Nina Minasyan, liet haar karakter groeien. Van een ingetogen begin tot de beroemde/beruchte aria die haar wat moeite kostte, maar dat viel weg tegen de mooie opbouw van haar karakter.

Omgekeerd waren ook de rollen van de drie knapen (spat zuiver zingende solisten van het jongenskoor van de Chorakademie Dortmund) en de drie dames (Judith van Wanroij, Rosanne van Sandwijk en Helene Rasker). De knaapjes waren namelijk drie oude heertjes met wandelstokken geworden. Zó oud, dat hun ribbenkast te zien was en ze op sterven na dood leken. De drie dames waren jonge dames die steeds meer sexy gekleed gingen doordat ze zich ontdeden van hun camouflagepakken. De kostuums waren overigens van Nicky Gillibrand.

Een vondst waren ook de acteurs van Complicite uit Londen (het gezelschap van McBurney) die klapwiekende vogels nadeden door met gevouwen witte A4-tjes te klapperen, daarbij soms de solisten tot zeer dichtbij naderend.

Fluitist Hanspeter Spannring mocht zijn solo op de bühne spelen, net als de Glockenspiel-bespeler Jan-Paul Grijpink. Aparte vermelding verdient ook fagottiste Margreet Bongers, die de klank van het Nederlands Kamerorkest onder leiding van Antonello Manacorda (chef-dirigent van Het Gelders Orkest) prachtig kleurde. Opvallend waren de soms lage tempi die werden genomen, maar vanaf de ouverture was al duidelijk dat hier iets moois ging gebeuren. Niet in de laatste plaats ook door de geestige videobeelden van Finn Ross, de geluidseffecten van Gareth Fry en het effectieve decor van Michael Levine. Gaat dat (nog) zien!

 

In mijn boekje Dialoog in muziek ga ik in een hoofdstuk over Die Zauberflöte uitvoerig in op de achtergronden van deze opera (p. 33-38).