Doorvragen

In hetzelfde nummer (oktober 2019) van het tijdschrift Ophef (omslagtekening De Amstelkerk in Amsterdam, gezien door Karel Fr. Wenckebach, rechts) waarin Hans Schravesande een recensie publiceerde over mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek over Henk Vreekamp, verscheen ook een artikel van Marcel Poorthuis onder de titel De Hebreeuwse mythe, een contradictio in terminis? Misschien komt dit aan de ene kant deels tegemoet aan de wens van Schravesande om ‘door te vragen, zowel naar de bedoelingen van Vreekamp als van Van Swol’, hoewel het aan de andere kant duidelijk is, dat Vreekamp het niet over de Hebreeuwse mythe had.

Mythe
Het begint er al mee, dat Schravesande constateert dat Vreekamp ‘weinig definieert, of verschillende, uiteenlopende beschrijvingen heeft van begrippen en ideeën’, terwijl Poorthuis tamelijk aan het begin van zijn stuk zich – zoals hij zelf zegt – waagt aan een definitie: mythe is ‘een narratief, gesitueerd in een oertijd, betrekking hebbend op de verhouding tussen mens en het goddelijke, waarin op de wijze van een verklaring (die niet causaal moet worden opgevat) actuele menselijke ervaringen over dood en leven, schuld en heil, in een oerbegin wordt gesitueerd, maar met universele en paradigmatische pretentie’. Een definitie die ook opgaat voor de mythes die Vreekamp beschrijft, en die hij met de filosoof Hermann Cohen ‘als het domein van de heidenen beschouwde’ (Poorthuis).
Vreekamp had er weet van dat de heiden verbonden was met zijn land, met de woorden van Schravesande ‘het Veluwse heidendom verkende door daar blootsvoets de zandpaden te volgen’. Zandpaden die bij hem overigens pars pro toto stonden voor de zandgronden in Israël. ‘De aarde trouw blijven’, zou hij met de door Poorthuis geciteerde woorden van Nietzsches Zarathustra gezegd kunnen hebben. En ook hier zou dan doorgevraagd kunnen worden, op de manier die Rinse Reeling Brouwer in een artikel in hetzelfde nummer van Ophef doet: ‘We zijn geschapen in de gelijkenis van het zaad, dat in de donkere akker valt, bestemd om dicht te blijven bij de aarde, waar de graven zijn. We zijn betrokken op de pijn van wie verdwenen, vervolgd, weggerukt zijn, maar we aanvaarden dat, voorbij alle zonde en geweld, het sterven tot de goede schepping behoort’ (p. 22-23), waaraan Reeling Brouwer de sterfelijkheid van de aarde koppelt, waarvan Vreekamp ook getuigde in zijn laatste preek, een dag voor zijn dood, die in mijn boek is opgenomen en waaraan Schravesande ook refereert.

Mystiek
Dan komt in Poorthuis’ artikel een link met de mystiek, zoals ook in mijn boekje. Poorthuis haalt Martin Buber aan en definieert met hem de mystiek als ‘de ontmoeting met het goddelijke’. Poorthuis vervolgt met de joodse rationalisten, die ‘de kabbala als groteske getallengoochelarij zagen’, terwijl Vreekamp in zijn latere werk – volgens Schravesande, maar ook al eerder – ‘aandacht en sympathie (…) heeft voor de Kabbala, die hij als onmisbaar ziet voor een volwassen joods-christelijke ontmoeting’.
Hier zou je inderdaad mogen doorvragen – wellicht was je dan met Poorthuis uitgekomen op het gegeven dat zowel Buber als Vreekamp ‘zich veeleer aan de Romantiek verplicht wist[en]  dan aan de Verlichting’. Met als kanttekening dat het geheim van Vreekamp eerder in beide lag; hij was zowel een alfa- als een bèta-man. 1)
Schravesande duidt zijn theologie aan als ‘biografische theologie’. Als je hierover doordenkt, en een ander artikel in Ophef erbij betrekt, namelijk dat van Jaco Zuurmond (‘Onze verantwoordelijkheid zou ons zwaar moeten wegen’), dan stuit je op de vraag of Vreekamp wat had met de zogenaamde George-Kreis. Leden die in navolging van de dichter Stephan George breken met het ‘doorgeslagen rationalisme’ met historisch onderzoek en ‘hun vertaal- en interpretatiewerk verbinden met de authentieke en charismatische kracht van de historische auteurs’.

Mysterie
Misschien kunnen we ook concluderen, dat zijn geheim lag in zijn bevindelijke orthodoxie, ‘met soms baanbrekende vergezichten’ (Schravesande). De vraag is dan tenslotte of ‘het “mysterie” Henk Vreekamp nog kan en zal blijven aanspreken’ (idem)? Ik heb er gezien reacties op en gesprekken over mijn boekje goede hoop op!


1) In dit verband denk ik aan een interview met Jos Kessels in Filosofie Magazine (okt. 2019). Hij heeft het over muziek, de kunstvorm die Henk Vreekamp ook zo na aan het hart lag. Kessels zegt op een gegeven moment: ‘Muziek heeft geen verwijzing, maar wel gedachte-inhoud, die bestaat uit mythen [vet EvS], fantasiebeelden (…). Het is een soort wiskunde van het gevoel’. Over doordenken gesproken …

Vijf theologen en Mozart

Mozart moet je in september spelen
in het voorgevoel van herfst en winter.
Het is nog warm en zonnig in de tuin,
nog vol van bloemen die insecten lokken,
maar de nachten zijn allang gaan lengen.
En het eerste blad begint te kleuren,
al staat de kamperfoelie ( tweede bloei )
nog bedwelmend in de haag te geuren.

 Mozart moet je in september spelen
(het klinkt naar lente, maar het is al herfst): uitbundigheid, het voorspel van de vorst.
Geen maand is zo vol schoonheid als september,
maar het is glorie die zijn eind verwacht:
uit morgennevel wordt nog zon geboren,
maar wat er binnenkort staat te gebeuren
kun je ’s avonds in de wind al horen.

Theo van Baaren (1912-1989)
uit: Trommels van marmer (1986)

Dagelijks ontvang ik van ‘Laurens Jz. Coster’ een gedicht. Begin september was dat bovenstaand gedicht van Theo van Baaren, volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie ‘dichter, prozaïst en vertaler. Tevens theoloog, hoogleraar, beeldend kunstenaar’. Het gedicht raakte me, als poëzie- en Mozartliefhebber, en het deed me denken aan diverse boeken en artikelen van theologen over Mozart die ik in de kast heb staan. Reden om ze er weer eens uit te halen en te herlezen, met in het achterhoofd: heeft Theo van Baaren het bij het rechte eind of voegt hij iets toe aan andere opvattingen?

Karl Barth
De bekendste theoloog die over Mozart heeft geschreven, is ongetwijfeld Karl Barth. Uitgeverij Wever gaf in 1987 een boekje met zijn brief, een essay en een oratie aan respectievelijk over hem uit onder de eenvoudige titel: Wolfgang Amadeus Mozart.
Meteen al in de brief laat Barth zich kennen, wanneer hij het over ‘uw muzikale dialectiek’ heeft. In het essay heeft hij het erover dat Mozart niet ‘een lentekind’ genoemd kan worden: ‘Zo was en is Mozart niet’. Hij kende ‘de vreugde en de smart, het goede en het slechte, leven en dood tezamen in hun realiteit (…), het werkelijke leven in zijn tweespalt (…), regen en zonneschijn over zowel deze als over gene’. Ooit, schrijft Barth, heeft ‘hij eens de dood ’s mensen ware, beste vriend genoemd’. De Franse dirigent Raphaël Pichon van koor en orkest Pygmalion wist het als geen ander, toen hij tijdens het Festival d’Aix-en-Provence samen met regisseur Romeo Castellucci een avond ensceneerde rondom Mozart en sterven, uitsterven en herboren worden.
In zijn oratie over Mozart herneemt Barth de thematiek uit zijn essay. Zijn muziek, zegt hij, is vrij van elke tegenstelling. ‘Duisternis, chaos, dood en hel’ laten van zich horen, ‘zonder ook maar een moment de overhand te nemen. Zich van dit alles bewust, musiceert Mozart vanuit een mystiek middelpunt’. En even verder: ‘Geen lach zonder tranen, maar evenmin schreien zonder een lach!’ Een ‘evenwichtige confrontatie en vermenging van elementen (…) een kostelijke verstoring van de balans’.
Zelfs letterlijk, want ik kan me een les van de musicoloog Leo Plenckers herinneren, waarin hij benadrukte dat Mozart vrij omsprong met de zogenaamde periodebouw; een maatje meer deed het hem vaak.

Hans Küng
Het tweede boekje over Mozart van een bekend theoloog, een rooms-katholieke in dit geval, is van Hans Küng. Zijn studie Mozart. Traces of Transcendence verscheen in 1991 bij William B. Eerdmans/Grand Rapids.
Küng betoogt dat vooral Mozarts instrumentale muziek een uiting van ‘traces of transcendence’ is. Hij is het niet met Karl Barth eens, wanneer deze spreekt over God als totaliter aliter, de gans andere, want dat houdt in dat het attribuut ‘goddelijk’ niet op Mozart van toepassing kan worden verklaard. Ik had een, helaas inmiddels overleden docent aan de Open Universiteit, Wouter Steffelaar, die vond dat je Mozarts muziek best ‘goddelijk’ mocht noemen, als je maar verklaarde waaróm.
Küng is blij dat Mozart nog geen weet had van het negentiende eeuwse onderscheid dat traditionele kerkmusici legden tussen wereldlijke en geestelijke muziek. En daarmee kan ik alleen maar instemmen.

Geke van Schuppen
Na deze twee boeken, kom ik nu bij een artikel van de geestelijk verzorger (AMSTA), theoloog en pianist Geke van Schuppen. Zij schreef het op verzoek van mijn mede-redactielid en studiegenoot van Van Schuppen, Mirjam Elbers van Quadraatschrift (december 2001).
Zij karakteriseert daarin de muziek van Mozart als ‘twee mensen [die] een gesprek met elkaar voeren’ en gaat niet in op voornoemde brief, essay en oratie van Barth, maar op diens Kirchliche Dogmatik waarin hij het ook over Mozart heeft, en op de manier waarop die ‘de schepping in haar totaliteit hoort en tot klinken brengt, ‘vanuit een centrum, vanuit een christelijke begrenzing, vanuit een mystiek middelpunt’. Ze vervolgt dat zijn muziek een verstoring van de balans is, maar gedragen wordt ‘door het vertrouwen dat het licht uiteindelijk zal overwinnen (…). Zijn muziek wil geen boodschap overdragen, wil evenmin uitdrukking geven aan zijn persoonlijke emoties (…). Mozart plaatst de toehoorder in volledige vrijheid (…). Tegelijkertijd klinkt in de totaliteit van de goede schepping iets van Gods Koninkrijk door’. Waarmee de vraag opdoemt, of Barth ‘hier niet toch een toon te hoog zingt?’

Peter Tomson
Ik kom voorts bij een lezing die emeritus-hoogleraar Peter Tomson op 16 maart 2005 hield tijdens een interdisciplinaire studiedag ‘Kerk en Muziek’ in Brussel en dat hij mij destijds toespeelde.
Ook hij heeft het erover dat Mozart volgens Barth ‘de hele wereld van de schepping hoorde, die door het licht [Ex lux perpetua luceat eis, EvS] omstraald wordt’. Ook hij heeft het over een in dit geval ‘kinderlijk weten van het midden – want van het begin en van het einde – van alle dingen’. Tomson besloot zijn lezing met het spelen van een Andantino dat Mozart waarschijnlijk op het eind van zijn leven schreef. ‘Voor mij’, zei hij, behoort het tot het genre, als het woord al bestaat, van de “Gebete ohne Worte”. KV 236 (588b)’. 1)

Theo van Baaren
En lees dan nu het gedicht van Theo van Baaren opnieuw. Over het voorgevoel van de dood, terwijl het nog warm en zonnig is. Het is niet de muziek van ‘een lentekind’, maar lente en herfst ineen. Vol schoonheid die zijn eind verwacht, met het licht van de zon en de eeuwigheid van het Ex lux perpetua luceat eis. Wat er binnenkort gaat gebeuren, is het sterven (het eerste blad begint al te kleuren), maar het is tevens uitsterven en herboren worden. Er klinkt misschien iets van Gods Koninkrijk in door. Dat mag je allemaal in Mozarts muziek horen. Maar vergeet z’n baldadige extra maat niet! En dát doen alle theologen toch wel een beetje. Ook Theo van Baaren.


1) N.B. dit is een vrije bewerking van de aria Non vi turbate no uit Glucks opera Alceste.

Van aangezicht tot aangezicht

‘Tot rust kwam moeder op het moment dat onze huisarts haar hielp met sterven. Op een mooie avond in september, even na half 8 ’s avonds. De telefoon hadden we uitgezet. Ze vroeg om een glas water, dat vader haar gaf – een kleine herinnering aan het beroemde verhaal van George Orwell van een man die ter dood is veroordeeld en al lopend naar het schavot een waterplas ontwijkt. Vader wilde iets uit de bijbel lezen. Maar ik weigerde het, nogal fel. Ze lag op bed en lachte tegen de dokter. Met die lach om de mond is ze gestorven.

Wat Ida Gerhardt over haar – in dit geval – vader schreef, geldt ook voor mijn moeder:

Waar is mijn Vader? Is hij in het licht?
Hij lag verheerlijkt, toen hij was gestorven.
Z
ièt hij, van aangezicht tot aangezicht.’

Dit schreef ik in het boekje over mijn moeder, Ogen van mijn moeder. De ethicus Theo Boer, universitair docent ethiek en medische ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (Groningen), zal het vast niet hebben gelezen. Hij houdt zich als lid van de [regionale] toelatingscommissie [euthanasie], zoals ik lees in een interview dat Maurice van Turnhout met hem had (in: Trouw, 31 december 2018), vooral bezig met dossiers.

Eerlijkheidshalve had ik dit interview overgeslagen – ik weet wel op welk, steeds hetzelfde aambeeld Boer al jaren lang slaat. Een vooroordeel, ik weet het, en in die zin vergelijkbaar met – maar, daar troost ik me mee, onschuldiger dan – de vooroordelen die hij bezigt.
De reactie van Agnes Wolbert (directeur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, NVVE) in Trouw van vandaag bracht me ertoe het alsnog te lezen. Zij wijst op Boers chargeren en het, vul ik aan, wetenschappelijk onverantwoorde gladde ijs waarop hij zich begeeft (beide omschrijvingen, chargeren en glad ijs, neemt hij zelf in de mond) of op de – vul ik ook maar weer aan – kwalijke, onzindelijke vergelijking van euthanasie ‘met de beslissingen in het stemhokje om in 1933 op Hitler te stemmen’. En de suggestie ‘dat euthanasie floreert bij een beddentekort in de Nederlandse ziekenhuizen’.

Ik zou wel eens willen weten hoe zoiets in het Duitsland anno nu – het land waar hij de helft van het jaar woont – valt. Maar misschien leggen ze de meningen van hem daar gewoon naast zich neer. Gelijk hebben ze, zolang Boer ‘zulke demoniserende en polariserende teksten nodig’ blijft hebben ‘in plaats van een open en eerlijke discussie te voeren’ (Wolbert).

Ook Boer komt – ik volg het artikel verder op de voet – met zijn moeder aangezet. Zij overleed op 90-jarige leeftijd en had ‘de handdoek niet in de ring’ gegooid, zoals hij het omschrijft. Ik moet denken aan een poëziekring, jaren en jaren geleden in de kerk. Hierin bespraken we een gedicht en de gespreksleider had het over ‘een cadeau dat je terug mag geven’. Het drong pas na enige momenten tot mij door, dat hij het over het leven had. Hij zei het moe en zachtjes en mede daardoor maakte het grote indruk.

En ja, Boer heeft toch ook naast zijn dossiers kans gezien een boek te lezen. Hij zegt alleen niet welk, wanneer hij op een gegeven moment met ‘de existentialistische denker Camus’ op de proppen komt. Maar laat Camus het nu niet over euthanasie hebben gehad, maar over zelfmoord; wetenschap is ook goed definiëren. En niet over autonomie maar over vrijheid, en dat was de levenshouding die hij bepleitte.

‘Goed sterven’, zegt Boer bijna tegen het eind, ‘dat is vrijwillig sterven’. De woordkeus is misleidend; ik heb van een van mijn eindredacteuren bij het tijdschrift Mens en melodie, ook jaren en jaren geleden, geleerd dat je onderscheid moet maken tussen ‘overlijden’ (passief) en ‘sterven’ (actief). Boers moeder deed het eerste, mijn moeder het tweede. Maar ik ontken hem het recht over dat tweede een (ethisch? wat heet) oordeel uit te spreken. Daarmee ‘schoffeert’ hij – aldus Wolbert – ‘niet alleen de voorstanders van het zelfgekozen levenseinde, maar ook de mensen (en hun naasten) die dankzij onze wetgeving op een waardige en weloverwogen wijze de regie konden hebben over hun overlijden’.

https://www.trouw.nl/samenleving/dilemma-s-in-de-zorg-moet-ik-straks-mijn-eigen-dood-regelen-~ab91d6e8/

In memoriam Nico ter Linden

Op de dag dat predikant en schrijver – zoals hij in de rouwadvertentie in Trouw wordt omschreven – Nico ter Linden op 81-jarige leeftijd na een ziekbed overleed, memoreerde ds. Fokkelien Oosterwijk tijdens een cantatedienst in ‘zijn’ oude Wester, – waar hij bijna twintig jaar ‘stond’ (1977-1995) – dat ze verbijsterd was toen enkele catechisanten niets van de betekenis van water in de Bijbel wisten. Want, zei ze, dat hadden haar voorganger en zij toch zó vaak verteld: het staat voor de dood. En daarom deed ze het nog eens. Niet als een in memoriam, want we wisten toen nog niets van diens overlijden. Mooi, omdat – hoewel ze zijn naam niet noemde – bekend is dat Ter Linden niet zo blij was toen zij hem opvolgde.

Thuis las mijn vader uit de serie Het verhaal gaat, de Bijbelverhalen opnieuw vertelt door Nico van der Linden. Hij deed dat zo aanstekelijk, dat zijn buurvrouw, die rooms-katholiek was, erdoor werd aangestoken en de zes delen ook aanschafte. Niet dat ze er nu geloof ik samen veel over hebben gepraat, maar toch. Er was kritiek op deze delen, zeker, maar dat trok Ter Linden zich aan. Die kritiek betrof het feit dat hij voor zijn hervertelling van de Oudtestamentische verhalen zijn oor niet te luisteren had gelegd bij de rabbijnen. Vanaf dat moment ging hij dat wel doen en dat kwam hem, en de lezers, ten goede. En dat waren er veel; er werden een half miljoen exemplaren van verkocht.

In mijn boekenkast staan niet of nauwelijks boeken van zijn hand, maar eentje kan ik me goed herinneren: De dag zal komen, Janus – gedachten over de dood en over de fantasie van hemel en hel (2003). De titel is ontleend aan een gedicht van François Haverschmidt, dat hij een paar jaar voor zijn dood schreef aan een oude Leidse studievriend. Ik heb het vandaag weer herlezen. Hij heeft her hierin bijvoorbeeld ook over de joodse traditie, die stervelingen ‘leert met een paar passen bij een begrafenisstoet aan te sluiten, als teken van solidariteit, ook al heb je geen idee wie de dode is die daar ten grave wordt gedragen.’ En even verderop citeert hij Martin Buber, die schreef dat het ons past ‘aan te nemen dat [de dood] het einde is van alles wat wij ons kunnen voorstellen. Ons iets willen voorstellen dat aan gene zijde van het sterven ligt, in de geest vooruit willen lopen op wat alleen de dood ons kan openbaren, lijkt mij als geloof vermomd ongeloof. Het echte geloof zegt:  ik weet niets van de dood, maar ik weet dat God eeuwigheid is en ik weet ook nog dat hij mijn God is.’

Niet lang na de dood van mijn vader, toen een predikant mij toevoegde dat hij toch vanuit de huidige natuurwetenschappen zeker wist dat er geen hemel bestaat waar de doden, en zeker niet hun ziel, naartoe gaan, hoor ik Ter Linden in het toenmalige Bijbels Museum in Amsterdam een verhaal vertellen.
Later vind ik het terug in zijn Kostgangers (1981, p. 386-387). Het gaat over een ontmoeting tussen Mozes en een herder, die elke avond zijn beste melk in een kom giet en neerzet. ‘Deze melk’, zegt hij, ‘is voor God.’ De herder veronderstelde dat God het ook opdronk, want elke morgen was de kom leeg. Mozes voelde zich, net als de genoemde predikant, genoodzaakt de herder wat wijzer te maken en zei dat God echt geen melk drinkt. Dat wist hij zeker, even zeker als de herder het tegenovergestelde. Op een dag verstopte de herder zich in het struikgewas en zag dat een kleine vos tevoorschijn kwam en de melk opslorpte. De herder was bedroefd en Mozes terneergeslagen omdat hij de herder zijn naïeve geloof had ontnomen. ’s Nachts sprak God tot hem en zei: ‘Mozes, het was niet goed wat je deed.’

Het is een verhaal dat, gezien de context zo pal na het overlijden van mijn vader, grote indruk op mij maakte. En het is denk ik tekenend voor de predikant en schrijver, die behalve Bijbelkenner ook pastor was. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Katrien Ruytjens – Ruimte voor het onverwachte

Ruimte voor het onverwachte / Katrien Ruytjens, Ellen Van Stichel. – Leuven : Lannoo Campus, [2016]. – 133 pagina’s : illustraties ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-43805-6

Elk hoofdstuk in dit boek is opgedeeld in verschillende, ook door afwijkende papierkleur
onderscheiden gedeeltes: een inleiding, hoofdtekst en ervaringen uit andere boeken, verhalen uit het leven of gedichten. Zij behandelen c.q. onder-steunen tezamen de onderwerpen die aan de orde komen. Dat zijn: wachten, verwachten en open staan voor het onverwachte; het lichaam waarvan je kunt genieten maar dat ook last kan bezorgen; kinderwens, zwangerschap en ouderschap; nare gebeurtenissen in leven en sterven; angst, de klimaat- en vluchtelingencrisis en de maakbare samenleving. De beide auteurs zijn theoloog en grijpen terug op het gelijk-namige boek en gedachtegoed van Trees Dehaene (1996). Dit boek past in een tijd die om aandachtig leven vraagt. Toegankelijk geschreven gezinshulpboek over het leven van de wieg tot het graf.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.