René Gude over René Descartes

René Gude over René Descartes / René Gude ; redacteur: Florian Jacobs. – 1e druk. – Leusden : ISVW Uitgevers, [2019]. -122 pagina’s : portret ; 18 cm ISBN 978-94-925384-8-2

Wie verwacht dat dit boek een systematische inleiding is tot leven en werk van de filosoof René Descartes (1596-1650) komt bedrogen uit. Wat het wél is, is een smaakmaker die uitgaat van de enorme kennis én de liefde die René Gude (1957-2015) voor de Franse filosoof had. Voor hem was het denken van de man die vooral bekend werd door zijn idee van scheiding van lichaam en geest en zijn wetenschappelijke methode, nog lang niet passé. Gude schreef erover en werd er kort voor zijn dood door Erno Eskens over geïnterviewd. Eskens was gedurende enkele jaren Gudes opvolger als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte. Gude, bij het grote publiek bekend geworden als Denker des Vaderlands, verstaat als geen ander de kunst filosofie helder en duidelijk over te brengen. Aan de orde komen thema’s als: kortzichtigheid, kritisch optimisme, huilen en permanente verandering. Bevat naast de artikelen (onder meer overgenomen uit Filosofie Magazine) en het interview tevens een
samenvatting van Descartes’ Meditaties. Pocketformaat; normale druk.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Steven Nadler en Spinoza (I)

Via de Illustere School, die open colleges aan de Universiteit van Amsterdam aanbiedt, volgen een handjevol mensen twee weken lang naast zo’n ruim dertig studenten en – als aparte ‘categorie’ – emeritus hoogleraar Piet Steenbakkers, die de leerstoel Spinozastudies aan de Erasmus Universiteit bekleedde, avondcolleges over de Ethica van Spinoza door niemand minder dan prof. Steven Nadler, auteur van verschillende boeken over deze en andere filosofen, maar ook over Rembrandt en – recent verschenen – rabbijn Menasseh ben Israël.

Na de eerste week kregen de studenten de opdracht om één van de stellingen uit de Ethica te kiezen en er een stukje van driehonderd woorden over te schrijven. Voor vanavond 11.59 uur. Helemaal op eigen kracht, zonder gebruikmaking van secundaire bronnen, zonder omhaal van woorden hoezeer hun opa of oma al van Spinoza hield. Als ik op de intelligente vragen die ze tijdens de colleges stellen af mag gaan, worden dit vast zeer lezenswaardige stukjes!

Wij als – meest – oudere jongeren die aanschoven, hoeven die driehonderd woorden niet op papier te zetten, maar aangezien ik de grijze cellen graag beweeglijk wil houden, heb ik me er ook aan gewaagd. Met dit verschil, dat ik me niet helemaal aan de opdracht heb gehouden, het is tenslotte een blog.
Ik koos voor de derde definitie (mag dat ook?), in de vertaling van Nico van Suchtelen:

Onder ‘substantie’ versta ik datgene, wat op-zich-zelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen datgene, waarvan het begrip niet het begrip van iets anders, waaruit het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.

‘Het ligt misschien voor de hand om bij een definitie over de woorden “versta ik” heen te lezen, maar dat zou in dit geval jammer zijn, omdat er iets wezenlijks in wordt verwoord dat, pars pro toto, veel zegt over wat we in de rest van de Ethica tegenkomt – “ontvouwd wordt”, om met Nadler te spreken. De omschrijving betekent niet alleen: lezer, ik neem je bij de hand, volg mij in mijn argumentatie, maar óók: lezer, ik ga net zoals ik in de Talmoed leerde, in gesprek met andere, in dit verband vooral filosofen. Zoals Jezus van Nazareth een soortgelijke Talmoedische omschrijving bezigde in de Bergrede: ‘Maar ik zeg u’.
Spinoza gaat in deze definitie overigens in gesprek met Descartes, die in tegenstelling tot hemzelf twee substanties onderscheidt: God en mens, waar bij Spinoza de mens een mode is van het subject God of Natuur (Deus sive Natura), door Nadler in zijn colleges een paar keer aangevuld met ‘Power’ (potestas, macht, zie de propositie bij stelling 36: ‘Al wat bestaat openbaart Gods macht, welke de oorzaak is van alle dingen’). Waarbij kan worden aangetekend dat macht zowel behoort tot de substantie als tot de expressie ervan, de attributen.
De substantie is eeuwig en oneindig. Dit impliceert dat de Natuur/natuur, Schepper/schepping eeuwig zijn, dat wil zeggen dat de schepping nog niet is voltooid; een joods idee. Immers: de mens kreeg de opdracht (mitswa) de schepping te helpen voltooien. Want al noem je Spinoza atheïst (zoals Nadler als ik het goed begreep volgende week zal betogen, en ook in zijn boek over de Ethica betoogde) of panentheïst, die veren schud je, ban (cherem) of niet, niet zomaar af. Het biedt in ieder geval openingen tot wat Nadler creatief, zelfstandig denken noemt. En dat is wat hij ook van zijn studenten vraagt.’ (300 woorden). 

Stan Verdult wees op zijn blog naar een video van Nadler over Spinoza en Menasseh ben Israël, waarvan ik de link hierbij onder dank doorgeef: https://bdespinoza.blogspot.com/2019/05/beluister-steven-nadlers-lezingen-over.html

 

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

Iris van der Graaf – Is nergens ergens?

Is nergens ergens? : verhalen over filosofen en hun ideeën / Iris van der Graaf. – Amsterdam : Uitgeverij
Nieuwezijds, [2017]. – 135 pagina’s : gekleurde illustraties ; 18 cm ISBN 978-90-5712-466-2

Waar komt alles vandaan? Wat is echte vriendschap? Dit soort vragen komt aan bod, hoewel niet helemaal chronologisch, via het oude Griekenland, met de natuurfilosofen, en voorts via Descartes, Kant, Nietzsche, Kierkegaard, Wittgenstein, Arendt, Sartre en De Beauvoir tot Martha Nussbaum. Elk van de eenendertig hoofdstukken wordt afgesloten met een vraag om over door te denken, iets over op te schrijven of thuis of op school over te praten. Onderwerpen die aan bod komen zijn bijvoorbeeld: de zintuiglijke wereld, oneindigheid, schoonheid, verlangen, kunst, liefde, de dood, gender, geloven en niet geloven, taal en emoties. Iris van der Graaf is filosoof, beeldend kunstenaar en illustrator. Haar doel is kinderen te leren nadenken. Via dit handzame boek kunnen volwassenen/leraren met kinderen in gesprek gaan. Helder en toegankelijk geschreven, zonder dat de auteur op de knieën gaat zitten. Vrij aantrekkelijke lay-out met leuke, eenvoudige kleurenillustraties van de schrijver zelf,
en een uitklapkaart met een overzicht van de genoemde filosofen. Breder van insteek,
en zonder dat de auteur een mening ventileert, dan Mag je zeggen wat je vindt? van
Aby en Sander Hartog, dat meer op normen en waarden is gericht. Voor kinderen vanaf
ca. 9 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Ik. filosofie van het zelf

Ik. : filosofie van het zelf / Leon de Bruin, Fleur Jongepier en Sem de Maagt. – Amsterdam : Boom [2017]. – 199 pagina’s ; 23 cm ISBN 978-90-895389-6-3

Dit boek gaat in op vragen als: Wat is het zelf, wat is identiteit? De bedoeling ervan is om verschillende filosofen aan het woord te laten die zich door de eeuwen heen met deze vragen hebben beziggehouden en om tevens hun antwoorden te onderzoeken. De studie bestaat uit zes hoofdstukken, die zijn onderverdeeld in primaire teksten en toelichtingen op de ideeën daarin. De onderwerpen die aan bod komen, zijn: continuïteit van het zelf; het zelf; kennen wij ons zelf; authenticiteit; autonomie en zelfverbetering. De auteurs zijn alle drie docent filosofie aan een Nederlandse universiteit. In heldere bewoordingen wordt inzicht geboden in denkbeelden van denkers als John Locke, Daniel Dennett, René Descartes, Jean-Jacques Rousseau, Karl Marx, John Stuart Mill, Axel Hanneth en Pico della Mirandola. Het mooi uitgevoerde boek onderstreept het belang van filosofie in het denken over een actueel onderwerp.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Van de ISVW naar de OU en terug

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfree

Het denken van de inmiddels overleden oud-Denker des Vaderlands, René Gude (zie foto, Sarah Wong) wordt nog steeds levend gehouden. Op 28 januari a.s. vertelt ds. Trinus Hibma over hem in het Huis van de Levenskunst (Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam). In maart 2013 schreef ik onderstaande, hier iets aangepaste bijdrage aan het Liber Amicorum t.g.v. het afscheid van Gude als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden.

 

Het kan verkeren! We schrijven 2000 rond wanneer ik deelneem aan de zomercursus ‘Leven en werk van Benedictus de Spinoza’. De tweede cursus die ik aan de ISVW volg; over de eerste straks meer. En niet de laatste, dat zal wel duidelijk zijn.
Ik had een cursus Inleiding in de filosofie gedaan bij de Open Universiteit en wist me niet goed raad met die Spinoza. De (eerste?) zomercursus over hem in Leusden kwam dan ook als geroepen; ik wilde proberen te achterhalen waar die haat-liefde voor hem nu vandaan kwam. Totdat de Vereniging Het Spinozahuis uitweek naar Barchem, heb ik (zo’n beetje) alle cursussen over Spinoza in Leusden verstouwd.

Doordat ik die basiscursus aan de OU had gevolgd, voelde ik me inmiddels zekerder van mezelf en dorst me vaker in Leusden te vertonen. Met enige regelmaat kom ik er een weekend of soms een week genieten, want dat is het, met volle teugen. Alleen de boslucht al! En de heerlijke diners – niet te versmaden! En al jaren bekende gezichten in de keuken, wat leidt tot een verheugd weerzien. Toen ik jaren geleden eens een jaar verstek liet gaan, werd ik zelfs gebeld met de attente vraag of er soms wat was. Kom daar maar eens om bij een ander cursusinstituut! Dat zegt óók iets over de manier van directievoeren!

Niet dat ik in die tijd contact had met René Gude. Ik moet zelfs bekennen dat ik bij de ISVW nooit een cursus van hem heb gevolgd… Dat kwam pas bij de OU, toen hij een college over René Descartes gaf (zie: https://elsvanswol.nl/?p=1426). Wat een docent bleek hij te zijn! Toen hebben we ook pas voor ’t eerst elkaar de hand geschud. En ik kreeg een vriendelijke glimlach cadeau. Echt met elkaar van gedachten wisselen, dat hebben we pas in 2012 gedaan toen René (zo noem ik hem in dit verband) als deelnemer (!) aanschoof bij een deel van een cursus van Frans de Haas. De Haas kende ik ook van de OU en zijn naam lokte mede.

Ondanks het feit dat ik niet of nauwelijks contact met René Gude als docent en directeur heb gehad, zijn mijn vervolgstappen op het terrein van de filosofie ondenkbaar zonder hem en de ISVW.
Ik schreef het al: er was een eerste cursus die ik er volgde, nog voor die over Spinoza. Dat was een succescursus, begreep ik: die van Jan Keij over Emmanuel Levinas. Daarna heb ik heel wat cursussen over Levinas gevolgd: van het (Leerhuis) Tenach & Evangelie, VU Podium, de Vrije Gemeente … Eenkennig ben ik niet, maar de ISVW is altijd mijn honk gebleven.

Het heeft er zelfs toe geleid dat ik een bachelor scriptie voor de OU over diezelfde Levinas schreef; dat zou René Gude vast niet hebben vermoed, maar het zou hem ongetwijfeld blij hebben gestemd. En dat doet mij weer goed. Immers: de basis voor dit alles ligt bij de ISVW, ‘zijn’ ISVW.
Elke keer dat ik daar terug hoop te komen, zal ik met een beetje weemoed denken aan de gesprekken die we in de afgelopen jaren hebben gemist, want ‘alles begon met een goed gesprek’ kopt Filosofie Magazine van maart 2013 boven een artikel van zijn hand. Maar ik zal vooral denken aan hetgeen hij me, met de ISVW en persoonlijk, heeft gegeven. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

De Descartes van René Gude

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeFilosofie Magazine kwam met wat zij noemen een ‘extra dik bewaarexemplaar’ (mei 2015): René Gude in Memoriam. Het artikel van Daan Roovers opent met de zin: ‘Ik kan leven met onzekerheid. Dat heb ik van Descartes geleerd.’ Dit brengt mij in gedachten terug bij een college over Descartes, dat René Gude (zie foto) in 2010 gaf voor de Open Universiteit.
Mijn aantekeningen werk ik hieronder uit. Ter nagedachtenis aan een fijne leermeester, ‘de man die de filosofie een gezicht gaf.’

Gude begint te zeggen dat hij bij zijn denken de ‘autobiografische methode’ gebruikt, net als Descartes zelf. Gebaseerd op het thema van de OU-cursus: vrijheid. Het gaat er dus om hoe zij tot het concept ‘vrijheid’ zijn gekomen.

Tijdens zijn studie sociale geografie stelde Gude zich twee vragen:

1. hoe verhoudt deze wetenschap zich ten opzichte van andere vormen van wetenschap
2. wat is mijn statuur als deskundige.

Hij kwam erachter, dat hij gewoon filosofie aan het bedrijven was, want:

1. wat is wetenschappelijke kennis?
2. hoe deel je de wetenschappen in?

Descartes heeft rechten gestudeerd, maar geneeskunde was zijn fascinatie. Die wetenschap was toen nog niet zo ver ontwikkeld als moderne wetenschap. Dat wilde hij verbeteren. Door een opleiding voor artsen te starten die door een betere wetenschap de mensheid beter kan dienen. Pragmatisch dus. En dan pas artsenij in praktijk te brengen.

Descartes kwam naar Nederland, waar de verdeeldheid was georganiseerd, eerder dan dat je kan spreken van tolerantie. De ene na de andere universiteit schoot uit de grond.
Hier dacht Descartes zijn nieuwe methode van wetenschap veiliger en eerder te kunnen slijten dan aan de Sorbonne. Om die reden ging hij later door naar ‘het land van de beren’: Zweden.

Wat houdt vrijheid nu bij hem in? In de eerste plaats zelf denken, een eigen fundament vinden, niet alleen de traditie volgen. Hij wilde een inventieve methode ontwikkelen, die niet alleen van lezen uitging, maar ook het oog op de wereld richtte.
De kern is dan: aansluiten bij de twijfel die je hebt, bij alledaagse vragen die je tot de bodem uit wil zoeken. Dat heet filosofie. Er staan je twee dingen te doen:

1. vallen en opstaan
2. metafysische meditatie loslaten op kennis.

Descartes koos voor de tweede methode. En begon te twijfelen, door in het te onderzoeken probleem te stappen en zich af te vragen: Wat zou betrouwbare kennis kunnen zijn?
Dit is methodisch een enorme breuk in de constatering dat je kennis hebt opgedaan, zonder deze methode of structuur. De vraag is vervolgens: Wat is daarbinnen dan waar en wat niet? Je kunt weer twee dingen doen:

1. doorgaan met positief benoemen wat goed is, omdat …
2. of je afvragen of er inzichten bestaan die 100% betrouwbaar zijn.

Descartes zelf gaat nog harder twijfelen. En wel expres. Hij doet een twijfelexperiment. Het risico bestaat, dat er geen echte wetenschappelijke kennis mogelijk blijkt, neemt hij daarbij voor lief. Een andere mogelijkheid is, dat je ‘iets’ vindt dat je niet onderuit kunt halen.

Descartes presenteert niet zijn bevindingen, maar hoe hij daartoe is gekomen. Dus door van het begin bij de conclusie te geraken, en door van de conclusie weer terug te keren naar het begin. Je kunt de weg (voie) volgen van de

1. orde synthetique (bewijzen)
2. analytique (aantonen).

Je moet alle stappen zelf mee kunnen maken. Of niet …
Descartes wil je mee zien te krijgen: ‘Dat heb ik nu ook.’ Hij biedt tenslotte een methode in zijn Meditationes. Hij twijfelt alles weg: alles dat via de zintuigen is waargenomen, is het meest waarschijnlijk (voorstelling in ons denken), maar tegelijk verdacht:

1. droomexperiment voldoet niet aan criterium van 100% zekere kennis
2. kwaadwillende geest – zelfs wiskunde voldoet niet meer.

Dan ligt de conclusie voor de hand dat alles betwijfelbaar en hoogst onzeker is. Maar één ding staat vast: niet de inhoud is weg, want je weet dat je er moet zijn om überhaupt te kunnen twijfelen (Ik denk dus ik ben). Telkens wanneer je dit zegt, is het waar.

Waarheid is wanneer wat je zegt samenvalt met wat je ermee bedoelt; de voorstelling past op datgene wat je bedoelt (adequate kennis). Er zijn dan twee categorieën:

1. dat wat niet samenvalt met een zaak
2. deel dat wél samenvalt.

Je wilt die delen groter maken. Dat betekent óók dat het niet meer onzinnig is om naar wetenschap te zoeken, naar betrouwbare kennis.
Er is een principe, een vast punt van waaruit je vertrekt: kennis van

1. het denken. Is beperkt, maar maakt deel uit van een deel dat méér belooft. Kom je door eigen inspanning.
2. kennis van lichamelijkheid. Deze geef je aan in termen van uitgebreidheid en gestalte. Het blijft waar als je materiële eigenschappen wegdenkt (lengte, breedte, diepte als berekening van de voorstelling van een lichaam).

Hier begint het dualisme van Descartes zich te ontwikkelen. Met mentale processen (denken) en somatische processen (lichamelijkheid) komt Descartes zo bij de geneeskunde uit. Respectievelijk psychologie en somatiek. De arts onderscheidt deze: heeft iemand mentale problemen of lichamelijke? Eigenlijk was Descartes volgens Gude dus psychiater vanuit de huidige stand van zaken geredeneerd.

Wat is dan uiteindelijk vrijheid? Er is sprake van keuzevrijheid, denkvrijheid en beslissingsvrijheid. Maar: de vrijheid is beperkt. Vanuit jouw perspectief, jouw startpunt, kun je vaststellen of iets betrouwbaar is of niet. Dát is de vrijheid die je hebt. En dat mag je leven noemen.

Dat heeft René Gude ons voorgeleefd. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Link: https://isvw.nl/picot/
Boek: René Gude over René Descartes (ISVW Uitgevers, ISBN 978-94-92538-48-2, december 2018).

‘Ik denk dat ik op een intuïtieve manier denk’

RozalieHirs-foto-300x300                                    (speling)

Lees je, droom, je, denken, nu?

Rozalie Hirs i

‘Ik heb mij lange tijd beziggehouden met de studie van de abstracte wetenschappen’ schrijft de Franse wis- en natuurkundige en filosoof Blaise Pascal (1623-1662) in zijn Pensées, de na zijn dood gevonden notities die nog steeds worden gelezen.

Hij vervolgt met te zeggen dat hij er genoeg van kreeg ‘omdat het zo weinig met mensen te maken heeft. Toen ben ik studie gaan maken van de mens en heb ik ingezien dat abstracte wetenschappen eigenlijk niet geschikt zijn voor de mens, en dat ik er minder mens van werd.’ Je zou kunnen zeggen dat de componist, dichter en chemisch ingenieur Rozalie Hirs (geb. 1965 te Gouda) dezelfde weg is gegaan.

Alvorens zang en compositie te studeren, studeerde zij Chemische Technologie aan de Universiteit van Twente te Enschede en de Universitá La Sapienza in Rome. Tijdens deze studie ‘leer je je denken te ontwikkelen. Wetenschap is iets van deze wereld, terwijl in poëzie [en muziek] ook de wereld van dromen en intuïtie een plaats heeft. Als je probeert te analyseren waarom je iets mooi vindt, blijft er altijd iets mysterieus over, iets dat buiten de rationele verklaring valt. Dat intrigeert me.’ ii

Hierin ligt de overeenkomst tussen Hirs en Pascal, de man die schreef over ‘de relatie tussen wetenschap en geloof, vrijheid en verbeelding, geluk en medelijden, macht en kracht, waarbij hij voortdurend een verband legt tussen toeval en wet, natuur en gewoonte, geest en hart, wetenschap en ervaring, het aardse en de mystiek’, aldus Jacques Attali in zijn biografie over Pascal. iii Of zoals Rozalie Hirs het in een interview met Ivo Postma omschreef: ‘Ik heb een soort liefde voor denken. Denken is leuk. Ik ben (…) emotioneel maar ik heb daarnaast mijn denken (…) ontwikkeld en dat heeft me een soort balans gegeven. Ik denk dat ik op een intuïtieve manier denk.’ iv

En dat is volgens een andere Franse filosoof, René Descartes (1596-1650), daarin gevolgd door Spinoza (1632-1677) een ander niveau dan denken op een puur rationele manier: eerst de ratio (rede) dan de scientia intuitiva (intuïtieve kennis), waarbij het één zich aan het ander spiegelt. Zo spiegelen de gedichten en muziek van haar zich aan elkaar en hebben op de lezer/luisteraar ook nog eens een bespiegelende uitwerking en nodigen uit tot ‘nadromen’ (Dirk de Geest).

Beide, gedichten en muziek maar ook gevoel en ratio hebben elkaar nodig net zoals het denken de wereld nodig heeft. Het gaat Hirs in haar muziek en gedichten om een dialoog tussen beide, muziek en gedichten, het onderzoeken van de buitenwereld enerzijds en introspectie anderzijds, het lichamelijke en het geestelijke, het zintuiglijke en de beelden die samen de ver-beelding vormen, wereldbeeld en zelfbeeld

i Rozalie Hirs: ‘(speling)’, eerste gedicht uit de gelijknamige bundel. Uitg. Querido.
ii Michiel Cley: ‘Chemisch ingenieur, dichter en componist.’ In: OORsprong, mrt. 2000; p. 38-41. Toevoeging tussen vierkante haakjes van Rozalie Hirs tijdens een gesprek dat ik met haar had na terugkomst van een periode in Berlijn, waar zij onder andere optrad met de componist/performer James Fei en samen met Karin Kiwus en Jan Oberländer de Duitse vertaling van haar gedichten redigeerde.
iii Jacques Attali: ‘Blaise Pascal: het Franse genie.’ Uitg. Agora.

Inleiding tot een in Mens en melodie verschenen artikel over Rozalie Hirs (2004/2005) dat hier wordt herplaatst n.a.v. een uitvoering van haar Roseherte tijdens November Music, 6 november 2014 in Den Bosch.