Vakantieblog (I) – Essen

In juli, op weg naar de documenta 15, de vijfjaarlijkse grote tentoonstelling in het Duitse Kassel, deden wij het Folkwang Museum in Essen aan. Ik werd geraakt door onder meer een olieverfschilderij op hout: Moeder met Eva (1935) van de kunstenaar Otto Dix (1891-1969, zie afb.). Dix beeldt hier zijn moeder af met het nichtje Eva op schoot.
Mijn aandacht werd vooral getrokken door de tak die Eva in haar hand houdt: kamperfoelie, dat in de christelijke iconografie symbool staat voor onder meer het goddelijke. Het is geen christelijk schilderij in de gangbare betekenis van het woord, maar Dix heeft ongetwijfeld weet gehad van die symboliek, net zoals de toeschouwer die kennis in huis kan hebben en zo een christelijke connotatie in dit schilderij legt. Zoals bijvoorbeeld ook in die van een Vlaamse tijdgenoot van Dix, Karel Van de Woestyne (1881-1947) die nu te zien zijn in het Noord-Brabants Museum in ’s-Hertogenbosch (t/m 9 oktober 2022).

De zondag na ons bezoek aan de documenta sprak ds. Gerson Gilhuis (10 juli 2022) in de Nieuwendammerkerk in Amsterdam over signalen van Gods Koninkrijk in de samenleving. Daar waar mensen het goed hebben met elkaar, waar mensen het goede doen is deze kwaliteit aanwezig. Ik dacht terug aan die tak op dat schilderij, als een teken dat het goddelijke in de wereld aanwezig en bezig is. Waar de wereld mooier wordt gemaakt. Seculiere kunst met een christelijke connotatie. Hoe mooi is dat.

Deze blog verscheen in iets uitgebreidere vorm eerder onder de titel ‘Signalen van het Koninkrijk Gods’ in Drieluik van de Protestantse Wijkgemeente Amsterdam-Noord (sept. 2002, p. 9) en wordt hier met toestemming overgenomen.

Elizabeth Wharton

Ik heb geruime tijd een column geschreven voor Wervelingen, het magazine van de Vereniging van scoliosepatiënten. Enkele columns heb ik, met toestemming en al dan niet gewijzigd wel eens op deze blog herplaatst.
Als ik die column nog steeds schreef (ik moest, naar ik meen vanwege bezuinigingen waardoor het aantal pagina’s werd teruggebracht, plaats maken voor een andere invulling), zou ik daar zeker eens aandacht in hebben gevraagd voor het personage Elizabeth Wharton in de thriller Mr Mercedes van Stephen King (2014). Ik doe het nu hier.

Elizabeth Wharton wordt beschreven als iemand met ernstige scoliose, niet alleen helemaal kromgegroeid, maar ook nog eens gebroken door de dood van haar dochter Ollie. Ze zit in een rolstoel, want staan noch lopen kan ze niet meer. Ze is alleen nog in staat naar haar schoot te staren. Een paar keer wordt vermeld dat de ik-figuur, oud-rechercheur Bill Hodges, gefascineerd is ‘door de zilveren stralenkrans rond het hoofd van de oude dame’. Ze is zich niet bewust, schrijft King, ‘van het feit dat ze een wazige kroon van zilver licht draagt’. Het is een opmerking, die mij in gedachten voert naar het gedicht ‘Het licht’ van Martinus Nijhoff (uit: De wandelaar, 2016):

Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren:
Kleuren zijn daden van het licht dat breekt.
Het leven breekt zich in het bont gebeuren,
En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.

 

Slechts die zich sterven laat, kan ’t leven beuren:
O zie mijn bloed dat langs de spijkers leekt !
Mijn raam is open, open zijn mijn deuren —
Hier is mijn hart, hier is mijn lichaam: breekt !

 

De grond is zacht van lente. Door de bomen
Weeft zich een waas van groen, en mensen komen
Wandelen langs de vijvers in het gras —

 

Naakt aan een paal geslagen door de koorden,
Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden:
Dit zijn de daden waar ik mens voor was.

King heeft het gedicht van Nijhoff naar alle waarschijnlijkheid niet gekend, en Nijhoff kon het boek van King, dat krap een eeuw later verscheen, niet kennen. En toch lijkt het – althans in mijn ogen – of ze met elkaar in gesprek gaan, Nijhoff en King, het gedicht en de thriller.

Neem om te beginnen het woord ‘breken’, dat er vier keer staat. Licht kan breken, een hart kan breken. Beide kun je in verband brengen met Elizabeth Wharton. Ook in het gedicht van Nijhoff komt de dood voor, zoals die het leven van Wharton tekende. Alleen komt er bij Nijhoff een Christelijke connotatie bij: zich sterven laten.

In het gedicht is er een raam, dat open is, net als de deuren van het hart. Dat is bij Elizabeth Warton niet het geval; ze kan haar handen niet meer openen. Omdat ze zo geen zakdoek meer vast kan houden, moet ze worden geholpen bij het afdrogen van haar tranen. Dat wat van buiten komt, wordt door haar nauwelijks meer toegelaten, omdat ze aan dementie lijdt. Ze herkent de buitenwereld nauwelijks meer en verwart Hodges met een ander.

Toch heeft ze af en toe goede momenten en kan een gesprek met hem en haar dochter Janey aangaan; het is dan als de grond, zacht van lente bij Nijhoff. Het licht dat haar haar zilver omkranst, is een al even poëtische uitdrukking als de liefde en woorden waar Nijhoff over spreekt. Het is licht dat straalt in zijn gebrokenheid. Dat wist King er toch maar in te leggen! En ik heb het er, dank zij Nijhoff, uit kunnen halen.