Mythe, mysterie, mystiek

Onlangs verscheen mijn boekje over Henk Vreekamp, Mythe mysterie mystiek (uitg. KokBoekencentrum). Tijdens de presentatie daarvan, op 14 juni in de Amsterdamse Thomaskerk (Thomastheater), sprak ds. Thijs van Meijeren (Hoevelaken) enkele mooie woorden. Onder meer over de drieslag die in de titel tot uitdrukking komt:

‘De mythe. Overleven op de rand van angst en duisternis, de dood. De mystiek. Vlucht uit de werkelijkheid. De ziel met God alleen. Versmelten. De liefde, minstens zo sterk als de dood. Het mysterie. Het heilige midden. Als een kiertje licht, een weinigje hoop, stem en tegenstem van Israëls God, de teksten van de heilige Schrift, waardoor de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek vallen.’

Alles wat ik na 14 juni las, las ik door de ogen van Vreekamp, met de bril van Van Meijeren. Met name twee artikelen: ‘Verlangen naar mythes’ van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juni 2019, p. 9) en ‘De weg van de Stilte’ van Margreet Hogeterp over het gelijknamige boek van Jan de Jongh (uitg. Narratio) in Vredesspiraal (juni 2019, p. 14).

Mythe
Ik begin met het linker paneel: de mythe. Grunberg citeert uit een 4mei-lezing van Caroline de Gruyter, correspondent en columnist met aandacht voor Europese zaken: ‘De prijs die we voor dit systeem betalen, is dat Europa geen helden heeft, geen mythes, winnaars of verliezers’. Terecht, stelt Grunberg, benadrukt zij ‘het verlies van mythes, en dat is een groter verlies dan velen van ons lang hebben aangenomen (…). Het gaat niet om zelfonderzoek of onderzoek naar hoe het verleden echt was [invention of tradition noem ik dat in mijn boekje over Vreekamp, EvS], maar om het vinden van betekenis, en betekenis heeft de eigenaardige onhebbelijkheid de gedaante aan te nemen van een verhaal.’ Grunberg concludeert dat ‘wij met zijn allen de mythes hebben verwaarloosd, hebben gedacht dat vrede zonder mythes kan, en in dat gat is (…) extreemrechts gesprongen met heel specifieke en mijns inziens schadelijke mythes (…). Nu komt het erop aan ons verlangen naar mythes, oftewel betekenis, serieus te nemen.’
Vreekamp heeft ons voorgedaan hoe je dat kunt doen, en daarin is hij niet altijd begrepen. De mens is van den beginne verbonden met de aarde onder zijn voeten. Om dat te voelen liep hij blootsvoets over de heide, een woord waarin niet voor niets het woord ‘heiden’ mee resoneert: ‘de heiden in de oorspronkelijke zin: mens van de heide, het platteland, levend op het ritme van de seizoenen en vergroeid met de natuur’.
Vreekamp herontdekte de mythen van de aarde in Noord-Europa. ‘Midden in de nieuwe wereld begon ik de oude wereld wakker te lezen’, die van de Edda en de Heliand, die ‘Christus als de machtige Held, sterker schildert dan Wodan of Thor’.

Mystiek
Het rechter paneel bestaat uit de mystiek. Hogeterp beschrijft de volgorde van de thema’s in het boek van Jan de Jongh, ‘de weg van verlangen naar de veelal verloren Stilte, die kan uitkomen bij de levensbron van mystieke ervaring’. Het is een andere weg dan die Vreekamp volgde. Voor hem kwam de weg ergens anders uit, waarover straks. Hogeterp citeert het slot van De Jonghs boek:

‘Laten we dat verschrikkelijke en onverklaarbare WAAROM van Jezus en al die andere gemartelden in onze dagen laten staan – en niet vluchten in een theorie over verzoening of iets dergelijks. Het antwoord op de vraag blijft in de mystieke stilte. Want nooit kom ik los van jou, mijn God’.

Vreekamp vond zo’n antwoord niet in de mystiek. Het bleef voor hem een geheim, een mysterie. Een woord dat ook in de bespreking van Hogeterp valt, wanneer ze Kick Bras, theoloog en oud-docent spiritualiteit aan de Protestantse Theologische Universiteit (Kampen) uit het voorwoord citeert: ‘Liturgie is voor De Jongh stil en aandachtig, ritueel en poëtisch omgaan met de levensraadsels en het daarin zich manifesterende goddelijke Mysterie’. De mystiek was voor Vreekamp geen antwoord, zoals bij De Jongh, maar een vermoeden. Een mysterie.

Mysterie
Het mysterie vormde voor Vreekamp het middelpunt, het hart van het drieluik, het wat ik in mijn boekje met H. Berkhof ‘het perspectivisch middelpunt’ noem. Het gegeven midden was voor hem Jeruzalem, het geloof der Vaderen. De liturgie waar De Jongh het over heeft, was voor hem iets ‘tussen mythe en mystiek [in]’, de preek ‘de verkondiging van het mysterie van de Messias’. Zoals God ‘in een tent wil wonen te midden onder zijn volk. Dichtbij de mensen, letterlijk in het midden’. Zó vallen, zoals Van Meijeren zei, ‘de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek’.

Lees hier de tekst van Thijs van Meijerens reactie op mijn boek, in twee delen:

Deel 1: https://www.theoblogie.nl/hernieuwde-ontmoeting-met-henk-vreekamp/
Deel 2: https://www.theoblogie.nl/de-drieslag-van-henk-vreekamp/

Mythe, mysterie, mystiek in de poëzie van Anton Ent

Tekst uitgesproken bij de presentatie van mijn boek over Henk Vreekamp,
14 juni 2019 in het Thomastheater (Thomaskerk) te Amsterdam

Toen emeritus-hoogleraar Martien Brinkman verleden jaar winter op deze plaats een inleiding verzorgde over het werk van de dichter Rutger Kopland, – waarover hij in een van zijn essaybundels, Dicht bij het onuitsprekelijke, had gepubliceerd -, begon hij met te zeggen dat het moeilijk was – een inleiding houden waarover je je ook al in boekvorm had geuit. Je moet niet te dícht bij die gepubliceerde tekst blijven, zei hij, want dan denkt iedereen: Dát had ik thuis ook wel kunnen lezen. Maar je moet er ook niet tevéél van afdwalen, want dan vraagt iedereen zich af wat hij/zij hier eigenlijk doet.
Iets soortgelijks voelde ik ook, en daarom heb ik gekozen voor een korte inleiding die weliswaar uitgaat van de centrale thematiek in het boek over Henk Vreekamp (mythe, mysterie, mystiek), maar dan bekeken vanuit de gedichten van zijn vriend en geestverwant Anton Ent (pseudoniem van Henk van der Ent). Specifieker: met name aan de hand van twee poëziebundels, Binnen de wildroosters (uit 2011) en De gele zweep (2019). Beide bundels verschenen bij Uitgeverij kleine Uil in Groningen. Laatstgenoemde ter gelegenheid van zijn vijftigjarig dichterschap.
In de eerste bundel staat ook een mooi gedicht over Vreekamp, Google earth, in het tweede een In memoriam, ‘Open velden’.

  1. Mythe, mysterie, mystiek in Binnen de wildrooster
    Om te beginnen kom ik er niet onderuit, te definiëren wat ik onder mythe, mysterie en mystiek versta. Daarbij blijf ik bij de tekst die op de achterflap van het boekje over Vreekamp staat; een beetje smokkelen dus ten aanzien van mijn uitgangspunt (‘Dat had ik thuis ook wel kunnen lezen’):

‘de mythe [is datgene] waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, [datgene] waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek [datgene] waarin God en mens elkaar ontmoeten.’

Ook in het werk van Anton Ent vormt deze drieslag vanaf het begin van zijn dichterschap (hij publiceerde in 1969 zijn eerste bundel, Hagel en sneeuw) een constante. Ik werd dit gewaar, toen ik ter voorbereiding van deze inleiding het archief van de website literairnederland.nl raadpleegde; een website waarvoor ik overigens ook recenseer.

Ik zet de drie thema’s (mythe, mysterie, mystiek) eerst als gedachtebepaling achter elkaar, maar niet nadat ik er nog even op heb gewezen dat in de fuga van de Preludium en fuga in C gr.t. uit het eerste boek van Bachs Wohltemperierte Clavier dat Joanna Rotberg zojuist speelde, de componist ook een fraai staaltje hiervan liet horen; het thema van de fuga is namelijk gebaseerd op het bekende soldatenliedje L’homme armé, waarvan bekend is dat het ook tot basis van veel missen heeft gediend. Daarom wordt wel aangenomen dat Bach door het gebruik hiervan een saluut aan de oude Franco-Vlaamse scholen heeft gebracht. Maar omdat zo’n parodie ook elders bij Bach terugkomt, is het mijns inziens ook op te vatten als een ontmoeting tussen geestelijke en wereldlijke muziek, hemel en aarde. Waarvan akte. Terug naar ons eigenlijke thema, om te beginnen de mythe.

1.1 Mythe
In het werk van Anton Ent is grote aandacht voor mythische natuurbeelden. Hij heeft er een beeld, een symbool voor gevonden, – het beeld van het hert. De verleiding ligt op de loer, daarbij meteen aan het Bijbelse hert te denken. En dat klopt deels ook wel, als je het slot leest van het gedicht ‘Vrees’ uit de bundel Binnen de wildroosters, waarop ik mij nu eerst concentreer:

Water hijg ik. Ben ik dat hert?
Waar stroomt de beek? Waar
kan ik op mijn knieën slurpen?

Ook het gedicht dat luistert naar de titel ‘Hert’ heeft een christelijke connotatie. ‘Het is’, mailde Henk van der Ent mij, ‘het laatste van een viertal dat ieder op zich een paasgedicht is, een vers met een bevrijdend slot’. Het slot van ‘Hert’ stelt het burlen van een hert naast eten van het jonge groen en besluit met:

Dat was schreeuwen en dit is genot
Ik ontken de onrust niet, iemand huilde
van vreugde en een ander schreef totdat

Waarbij het open slot, met de mooie afwisseling tussen de klinkers ‘a’, ‘e’, ‘i’, ‘o’ en ‘u’, verwijst naar Pascal en Augustinus: ‘Totdat het rust vindt in U’.
Maar bij een zinsnede als

Was hij een hert, hij zou niet vluchten
bij het zien van de dode houthakker
aan de voet van de eik

in het gedicht ‘Wandelaar’ moet ik eerder denken aan Karel Eykman én aan het verhaal van de heiden Hubertus die op Goede Vrijdag ging jagen. Dit gedicht zou je kunnen beschouwen als een tegenzang bij deze legende, – dit mythische verhaal. Hubertus kwam het mooiste hert op het spoor dat hij ooit had gezien, maar het ontsnapte hem steeds weer, wat hem niet belette door te gaan. Op een gegeven moment draaide het hert zich om en in diens gewei verscheen een afbeelding van Jezus aan het kruis. Het hert zei: ‘Hubertus waarom vervolg je mij?’ Hubertus viel ter aarde neer en vanaf dat moment volgde hij Christus na, in tegenstelling tot de Noordse Freyja bij Henk Vreekamp, over wie vele mythen bestaan; háár doop bleef een visioen. De heiden is zo bij Vreekamp geen overwonnen positie. En die eik – ja, dat is misschien een van de veertig bronzen boomstronken van Marinus Boezems land art ‘Kathedraal 1999’ die tezamen de plattegrond van de kathedraal van Reims vormen en waarover Anton Ent in het slotgedicht van de bundel, ‘Boomstronkkathedraal’, dichtte:

en eiken bespotten de veertig eenvormige
stronken van brons, geen hert zal er knielen

1.2 Mysterie
Binnen het mysterie worden als gezegd mens en natuur, hemel en aarde, dood en leven van elkaar onderscheiden. In het gedicht ‘Zomer’ – nog steeds in de bundel Binnen de wildroosters – wordt het mythische natuurbeeld van het bos een mysterie, of – zoals Anton Ent waarschijnlijk liever zou zeggen: vindt het mythische zijn tegenpool in het mysterie:

Deze vijver noem ik moeders oog
omdat iemand van omhoog
zwijgend in de spiegel kijkt

Het bos is dé plek waar het mysterie zich voltrekt:

Niet iedere seconde maar wel elke minuut
dringt hij zich aan mij op in varens
en vallende eikels, de volkomen stilte

scheurt mijn trommelvliezen in stukken
Dan zie ik een kleurrijk duivenpaartje
uitgeroeid door de kroon der schepping

Waarbij aangetekend, dat de terugkerende a-klank (aan mij op dringende varens en vallende eikels) iets melancholieks uitdrukt, en de o-klank (volkomen stilte, scheurt mijn trommelvliezen) iets zwaars. In de slotregels (een kleurrijk duivenpaartje uitgeroeid door de kroon der schepping) komen de klanken samen.
Er is zelfs een gedicht in de bundel dat ‘Mysterie’ heet:

Het geheimenis blijft een geheim
een blauwe waas boven het korenveld
de stilte voor het vallen van een speld

Het overstijgt het horen en het zien
het overtreft het weten en geloven
en overschrijdt de grenzen van misschien

Het gloedt in diepten van het kennen
en bloeit in tuinen van de ziel
die elke onzekerheid ontkennen

 1.3 Mystiek
Dit gedicht staat naast het gedicht ‘Eenwording’, wat uiteraard duidt op mystiek als datgene waarin God en mens elkaar ontmoeten:

Ik slaap met het licht, sta ermee op
en baad me daarin, eet veelkleurig
gekleed een zonnestraal als ontbijt

Het ragfijne licht daagt mij uit
Ik streel en betast het, ik voel
hoe gretig het zich aan mij opdringt

Het ademt in mij, honger en eet
dorst en drinkt, spuwt, watert en zweet

Ik laat het geworden, dat onbreekbare licht
zodat ik één word, eenvoudig en heel

  1. De gele zweep
    De vraag is nu tenslotte, of en hoe we de drieslag mythe, mysterie, mystiek terugvinden in de laatst verschenen bundel van Anton Ent: De gele zweep.

2.1 Mythe
Onbenoemd, maar o zo aanwezig, komt het mythische naar voren in het eiland Kythira. Namelijk in de twee gedichten ‘De f van lief in Amersfoort’, op de gulden snede van de bundel. In het eerste heet het:

Uw oog sprak: je bent er, je mag zijn
wie je bent, ik ben open water voor jou
scheep je in en vaar naar het eiland

Kythira is sinds de oudheid het eiland waarop een tempel stond die gewijd was aan Aphrodite, de godin van de liefde die werd geboren uit het schuim (aphros) van de zee dat later in het gedicht voor komt. In de Franse poëzie duikt het eiland op als symbool voor de amoureuze liefde. Hier is het, blijkt, méér dan dat.

2.2 Mysterie
In het tweede gedicht ‘De f van lief in Amersfoort’ valt de symboliek van de amoureuze liefde samen met het mysterie en uiteindelijk ook de mystiek.
De ik-figuur is ook op een eiland en zijn geliefde, of is het God zelf, verbergt zich als in de Psalmen:

Op dit eiland weet ik niet waar u bent
Misschien verbergt u zich in mijn verlangen
naar uw stem. Door de koude die mij bijt
hoor ik uw warmte en geborgenheid

Het water dat het eiland omringt heeft veel reminiscenties. Hoor maar:

Grijs is de zee, ze komt me keer op keer
te na, binnen de golven van de loutering
speelt ze het spel van de vereniging
en wat ik mis biedt zij genadig aan

De meeuwen die boven de pier vliegen staan symbool voor de dood en geven geen antwoord als de ik-figuur vraagt ‘Waarom?’:

De pier is wit bespat met meeuwen, traag
opvliegend als ik nader, papieren in de lucht
geen antwoord schreeuwend als ik vraag:
waarom haar naam verscheuren op de vlucht?

De vierregelige verzen gaan over in een drie- en tweeregelig vers, waarin de grens die we eerder tegenkwamen terugkeert; hier doet het ook denken aan Aphrodite die uit het schuim werd geboren:

De zee is woester aan mijn rechterhand
en draagt nu koppen schuim tot aan de horizon

De ik-figuur is bang dat God heult met Orpheus, en komt niet verder dan de grens die in veel beelden in dit gedicht aanwezig is; behalve horizon ook schemering en branding.
Er is weliswaar sprake van ‘genadig’ aanbieden, maar de genade zélf, het mysterie, blijft uit.
Het geloof blijkt een aanvechting, zoals Henk Vreekamp het soms ook kende. En toch: uiteindelijk klinkt Gods stem, boven waar de golven breken (de branding) uit, als vanuit het brandende braambos; één van de onderdelen uit de bundel De gele zweep heet niet voor niets ‘De struik die niet verteert’. Maar

nu uw stem boven de branding klinkt
sla ik verwaten uit: genade past
mij niet, dwang bent u en overlast

Verwaten is volgens Van Dale een oud-Nederlands woord voor aanmatigend, met ijdele hoogmoed.

2.3 Mystiek

Mystiek is tenslotte met name het laatste gedicht van de bundel, waarin sprake is van

Zandkorrels in het enkelvoud

Hierin resoneert heel veel mee: het middeleeuwse idee van de macrokosmos die wordt weerspiegeld in de microkosmos (de zandkorrel vertegenwoordigt het strand, – het strand is geheel in de kleine zandkorrel aanwezig) of het spinozistische besef dat een enkelvoudige modus deel uitmaakt van het oneindige en eeuwige subject dat Spinoza ‘God of Natuur’ noemt.

Waarbij moet worden aangetekend, dat je dit volgens sommige denkers overigens niet mystiek moet opvatten maar rationeel.
Je kunt je concluderend afvragen, of dit niet een keerzijde van dezelfde médaille is die je ook bij Vreekamp aantreft die zich uitte in een met Anton Ent gedeelde aandacht voor mythe, mysterie, mystiek. Of, zoals Anton Ent in zijn ‘Open velden, In memoriam Henk Vreekamp’ dichtte:

Elk woord zocht bij ons zijn tegenpool
water zand, vroeg en laat, vuur en ijs
jood en heiden, mythe en mystiek

Idealen – Jozef en zijn broers (IV)

Ter voorbereiding op – en inmiddels: tijdens – de cursus Thomas Mann: Jozef en zijn broers ben ik begonnen deze vierdelige romancyclus te lezen. Gelukkig bestaat er van dit magnum opus van 1328 pagina’s, geschreven tussen 1933-1943, inmiddels een Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann. ‘Het is een project’ om dit te lezen, zoals degene zei die mij in 2006 op het spoor van de Duitse grootmeester zette; het jaar waarin ik maar meteen Manns woning in Lübeck bezocht. Telkens wanneer ik een deel uit de cyclus uit heb, zal ik in een blog één element eruit weergeven dat mij in het bijzonder heeft geraakt. Hierbij de vierde en laatste, naar aanleiding van Jozef de voorziener.

Ik lees: ‘Wat zit je nu in zak en as – als ik me mag bedienen van jullie aan het armzalige Syrisch ontleende manier van spreken, die wij zonder nadenken van je hebben overgenomen – bij Chonsu, we zullen voortaan niets meer van je overnemen, geen hond zal van jou nog een stuk brood aanpakken, zoals je daar ligt! En waarom? Allemaal lichtzinnigheid en ontucht. De grote meneer spelen, hè, in zo’n huis! (…) Nou, nu heb je behoorlijk over je eigen voeten gemorst, zodat ze stijf staan en plakkerig zullen worden – lieve help! Ik wist toch dat je op den duur het dienblad niet meer kon houden. En waarom kon je dat niet? Omdat je een barbaar bent! Omdat je niet meer dan een zandhaas bent met je bandeloosheid van het ellendige Zahi, zonder enig gevoel voor verhoudingen, zonder de levenswijsheid van het land van de mensen.’ (p. 952).

Dit vierde deel van de romancyclus werd in 1943 gedrukt, midden in de Tweede Wereldoorlog. Het is duidelijk dat de auteur ernaar verwijst: de verwijzing naar Marcus 7, waarin sprake is van honden die onder de tafel de kruimels opeten die de kinderen hebben laten vallen. Ik heb het wel eens horen uitleggen als: de honden zijn de heidenen, de kinderen staan voor Israël en de kruimels brood zijn inclusief voor Israël en de wereld. De Syro-Fenicische had begrepen, wat de discipelen in dit verhaal niet door hadden.
En dat wordt dan middel in de Tweede Wereldoorlog, met zijn vreemdelingen- en jodenhaat geschreven. Als een aanklacht.

Ook nu heeft het gedeelte van deze vierde blog ons nog steeds veel te zeggen. Niet alleen vanuit de huidige politiek, waarin het populisme (weer) haast Salonfähig lijkt te zijn geworden met Thierry Baudet die zich het had over ‘homeopatische verdunning’ toen hij het over vermenging met andere volken had. Maar ook uitlatingen over ‘drank en vrouwen’ door Jeroen Dijsselbloem doen denken aan de ‘lichtzinnigheid en ontucht’ waar Thomas Mann het over heeft.

Maar er zijn ook mensen die hier in daad en woord dwars tegenin durven te gaan. Ik denk aan Johan Simons (zie foto rechts), die aanstaande zondag aan het woord komt in de laatste uitzending van de serie Made in Europe (NPO 2 en Canvas, 20.15-21.05 uur). Door – zoals in een interview met hem door Ilse van der Velden in de VPRO Gids van komende week – ‘acteurs zoals Pierre Bokma mee te nemen naar het buitenland’, waardoor hij ‘voor een kruisbestuiving tussen het Nederlandse, Vlaamse en Duitse toneelwezen’ zorgt.

Volgens Simons kom je ‘samen tot een hoger niveau. Maar het is pas echt helemaal goed als Hamlet wordt gespeeld door een Chinees, zijn moeder door een Duitse en zijn vader door een Canadees.’ Op het slot van het interview komt ook – hoe kan het haast anders – Thomas Mann ter sprake. Gerard Mortier wilde destijds De Toverberg ‘als een soort basismateriaal gebruiken, omdat het ten grondslag ligt aan de Europese gedachte. Die wordt daarin op een heel heldere manier geformuleerd. Dat Thomas Mann in zo’n vroeg stadium al het Europese denken heeft weten te verwoorden, ongelooflijk.’
Ik weet wel waarom ik op die prachtige HOVO-cursus intekende! Als tegenwicht tegen alle Jeroen Dijsselbloemen en Thierry Baudets. In de geest van alle Johan Simonsen en Pierre Bokma’s. Made in Europe. Jawel. En zelfs meer dan dat.

In tweeën

GroteKerkEpeEen bloemiste in de Hoofdstraat van Epe kijkt wat bevreemd als ik haar de weg vraag. Voorzichtig informeert ze wat ik daar dan denk te vinden. Ik vertel dat ik het boek Als Freyja zich laat zien van Henk Vreekamp nareis en dat op het kruispunt tussen Woesterweg en Laarstraat een grafheuvel zou moeten liggen. ‘Een grafheuvel’ zegt ze nadenkend en wat verbaasd.

‘Ik wil u niet teleurstellen, maar het is een asfaltweg zonder voetpad waar u langs loopt‘. Haar gezicht klaart echter op als ze zegt dat als ik tóch zo’n eind buiten het dorp wil gaan, ik beter op de fiets kan stappen naar Het Verscholen Dorp. Ik zeg dat ik dat ken en dat het erg indrukwekkend was. Ze zwijgt.

De grafheuvels heb ik die dag niet gezien, maar wel een andere verhoging in het land: een bunker. De oorlog lijkt soms meer voelbaar dichterbij dan het mysterie van Heuvel 137. Of deze nu echt nog te zien is, of in de verbeelding levend wordt gehouden, maakt me op dat moment met een blik op de straatmeubilair bij de bushaltes van Syntus eigenlijk niet eens zo veel uit: drie stenen als verwijzing naar de vele stenen (en grafheuvels) die je hier in het landschap aantreft. Volgens archeoloog Cor van Baarle – geciteerd in het boek van Vreekamp – hoef je daarvoor niet eens naar Stonehenge, en kun je in het Veluwse dorp blijven. Letterlijk in het dorp, zelfs bij een bushalte denk ik dan. Op die manier wordt in Epe het erfgoed van de streek levend gehouden. Misschien verbeeld ik het me, maar dat maakt het wat mij betreft wellicht nog mooier: leven met het verleden in het hier en nu, op een hedendaagse wijze. Zoals Freyja in Schaveren (plaats van schapen) geen schapen zag. Maar misschien wel vermoedde. Als bijbels beeld wellicht. Zoiets.

Ik probeer er de volgende dag langs een andere weg, via Emst, nog net voor een optocht met praalwagens uit, te komen, wat lukt. Net zoals Freyja niet in één keer de kerk in Epe kon betreden, omdat ze eerst moest lernen was het mij niet gelukt in één keer de heilige grond van onze voorouders te betreden. Je moet er moeite voor doen. En wat mij betreft gaat het Freyja wel eens wat te gemakkelijk af. Zeker, ze stelt vragen. Maar worstelen met wat haar wordt aangezegd, lijkt ze niet te doen. Dat is te danken aan de op mij wat missionair overkomende insteek als grondhouding van wat Vreekamps boek ten diepste wil zeggen: het eeuwige leven beërven. Kijken, opkijken en doorzien, zoals hij het in zijn uitleg op de laatste zondag van mijn vakantie in de Grote Kerk op haast Spinozistisch wijze en in een ander verband verwoordde.

Heuvel 137 staat voor regel 12 van de Apostolische geloofsbelijdenis, ‘de code van het Christendom’ zoals de ondertitel van het boek luidt en tot leidraad ervan dient: ‘Hij [Jezus van Nazareth, EvS] was dood en begraven’. Freyja krijgt de tekst van de geloofsbelijdenis artikel voor artikel door één van de twaalf apostelen uitgelegd. Apostelen die niet van zwijgen lijken te weten op momenten dat het past, zoals de bloemiste in het dorp dat wel kon. Regel 12 zit op de helft van het boek, en op de helft van de vakantie waarin ik het boek zo goed en zo kwaad als het ging nareisde. Fysiek en geestelijk.
Op het moment ook dat ik struikel over sommige omschrijvingen. Zoals die van de zonde van joden en heidenen, vanouds de gesprekspartners van de theoloog Vreekamp. Die zonde verschilt, schrijft hij, maar ‘uit beide wijzen van zondigen bevrijdt Jezus’ (p. 171). Bij zulke passages snap ik de huiver die rabbijn Tamarah Benima beving bij het lezen van dit derde deel uit de Veluwetrilogie, waarvan ik het eerste al eerder nareisde en over schreef (https://elsvanswol.nl/?p=340). Benima sprak erover tijdens de presentatie van dit derde deel, op 31 oktober 2013 in de Grote Kerk van Epe, waar ik ook was.

Het boek begint in de Grote of Sint Maartenskerk van Epe (zie afb.), waar je vroeger meteen tegen het doopvont aanliep. Op een woensdagmiddag las ik er de eerste hoofdstukken van het boek, dat eindigt in de openlucht, in Oene waar Freyja ‘zich laat zien’ (lees: een visioen van de doop ontvangt) aan de IJssel. Voor mij eindigde het nareizen weer in de Grote Kerk, waar Henk Vreekamp als gezegd voorganger was. Op het leesrooster stond Marcus 8: 22-26, over de genezing van een blinde, een genezing in tweeën omdat het Jezus de eerste keer niet lukte. Een accent dat mij aansprak. Zo gemakkelijk moet het allemaal niet gaan. Nadenken, beschouwen, je te weer stellen.

Volgend jaar verschijnt er een zo’n honderd pagina’s tellend gidsje waarin de Veluwetrilogie wordt samengevat en waarin wandelingen aan de hand van de drie delen zijn opgenomen. Van harte aanbevolen!
Maar eerst verschijnt er nog een nieuw boek van Henk Vreekamp, naar aanleiding van De vier jaargetijden van priester en componist Antonio Vivaldi: Het jaar van Vivaldi. Hemel en aarde in onze seizoenen. Daarin laat hij de vier seizoenen in gesprek gaan met het kerkelijk jaar, zoals in Als Freyja zich laat zien heden, verleden en toekomst, gelijk in de roman Papegaai vloog over de IJssel, de andere kant van de IJssel, van Kader Abdolah, dat ik als contrapunt bij het boek van Vreekamp las. Ik zie uit naar Het jaar van Vivaldi.

http://www.vreekamp.nl/www.vreekamp.nl.php