Soort van retraite

Voor de vijfde keer knutselde ik zelf in de Stille Week een soort van retraite in elkaar. Dit keer ging ik naar Leiden.

1.
De eerste stop was Galerie LUMC waar tot en met 31 juni 2024 Caren van Herwaarden exposeert; ik vestigde al eerder aandacht op haar werk.[1] Een van de stukken raakte me in de context van het kerkelijk jaar in het bijzonder: The Mother IV [foto EvS]. Kwetsbare moeders, daar gaat het over. In algemene zin, maar ik moest in het bijzonder ook denken aan Maria, de moeder van Jezus van Nazareth,

[die] zich schaart aan de kant
van dwaze, sterke moeders,
zo kwetsbaar in hun kind,
die toch de hoop behoeden,
dat kostbaar leven wint

zoals we zongen op Goede Vrijdag in de dienst in de De Verbinding (Leiden), mijn ankerpunt in deze Stille Week.[2]

Het werkt vervreemdend, dit grote werk van Van Herwaarden in een ziekenhuisomgeving te zien. En ook weer niet. Vervreemdend en schurend tussen al die mensen die zich spoeden naar een doktersbezoek, een onderzoek, een opname, een geliefde. Of op de terugweg zijn en bijvoorbeeld op een taxi wachten. En jij daar tussenin, als enige kunst bekijkend en die op je laten inwerken. Maar het is níet bevreemdend in de zin dat het kwetsbare, het leed van een v/Vrouw samenvalt met het leed dat je soms in de ogen van de patiënten ziet.

2.
Wat met name aquarellen van Caren van Herwaarden kenmerkt, is de transparantie ervan. De karamelkleurige lichamen van bijvoorbeeld Poortwachters gaan in elkaar op. Ze staan stil, als de stilstand, de introspectie waar ds. Jan Willem Leurgans het tijdens een door mij via livestream gevolgde Passiestonde op 24 maart 2024 in de Oude Kerk van Ermelo over sprak. Het gáát niet om economische vooruitgang [3], het gaat niet om jezelf alleen maar te verwerkelijken. Het gaat erom ‘elkaar [te] ondersteunen en [te] dragen’, zoals het staat omschreven in de flyer bij de expositie. En zoals een van de werken van Herwaarden laat zien en Gezang 740:4 het omschrijft:

De moeder draagt het lichaam
van haar verloren kind,
het kind dat zij het licht gaf
en hier zijn einde vindt.
Zij wiegt hem in haar armen,
ze laat hem niet meer los.
Ze kan hem niet meer warmen,
een koud en bitter lot.

3.
Ik lees ter ondersteuning in de Stille Week het boek Kruis en verzoening als bron van leven van Stephan de Jong (Uitgeverij Kok, Kampen, 2000). Ik was op het spoor van De Jong gezet door een wijkbericht in de inmiddels gestaakte uitgave Kerk in Mokum. De ideeën in het boek ondersteunen wat ik zag, hoorde, zong en ervaarde: de a/Ander die in Jezus aanwezig is. ‘Wat de kerk leerde was dat God op de hoogst bijzondere wijze in Jezus aanwezig was, zich kennen liet, liefhad en leed’ (p. 21).
Ik lees over ‘Christus [die] overal aanwezig is waar de geur van de dood hangt (…). Zijn lijden en sterven zijn een deelhebben aan het lijden en sterven van mensen’ (p. 74). Bijvoorbeeld, naar ik mag hopen, in het LUMC.

Waar bij Van Herwaarden een mens en ander mens draagt, heeft De Jong het erover ‘dat wij gedragen worden door de Eeuwige’ (p. 64). Het één kan denk ik niet zonder het ander, al gaat het laatste misschien een stap verder, een niveau dieper. Dat overdacht ik, daar in de sleutelstad.

4.
Op Stille Zaterdag nam ik, met tegen de 200 andere mensen (meest mannen) deel aan de Orgeltocht door Leiden onder leiding van organist Sietze de Vries.
Wat mij raakte waren vooral de kleurrijke, verstilde geluiden die hij wist te ontlokken aan de registers van het bovenwerk op het orgel in de Marekerk. Dat is voor mij primair de toon van Stille Zaterdag. De uitbundigheid die hij in zijn improvisaties ook ten toon spreidde, vooral om een orgel volledig tot zijn recht te kunnen laten komen, was begrijpelijk gezien de opzet van de excursie, maar sprak mij minder aan. Die klank mag de komende weken, tot Pinksteren, klinken. Hoewel ik me er volledig van bewust ben, dat in een andere traditie, de rooms-katholieke, op Stille Zaterdag de vastentijd om twaalf uur ’s middags eindigt.

Historicus James Kennedy heeft in een mooie column in Trouw (11 april 2020) gezegd dat Stille Zaterdag voor hem ‘de dag is die het meest aansluit bij de periode waarin wij ons nu bevinden’. Dat was toen de tijd van de Covid-19, maar het geldt nu ook als de tijd van zeer grote onzekerheid in de wereld. ‘Een dag tussen dood en leven, tussen wat was en wat gaat komen, een dag waarop wij met onzekerheid moeten leren omgaan’. Zoals patiënten dat ook in het LUMC zullen ervaren.

Kennedy verwijst naar het werk van Samuel Beckett, waaronder diens Wachten op Godot. Een opvoering van dit toneelstuk ga ik komend weekend zien. Het ‘gaat over het nutteloze wachten op de komst van Godot (…) maar je kunt er ook in lezen dat morgen héél misschien anders verloopt.’ We zullen zien welk accent regisseur Erik Whien gaat leggen.[4]

[1] Zie: https://elsvanswol.nl/troostkunst-op-kunstrai/
[2] Lied 740:2 uit het Liedboek (tekst: Andries Govaart). Zie ook: https://www.deverbindingleiden.nl
[3] Of ‘het bestrijden van marktmacht of het verminderen van winstinflatie in de toekomst’ zoals Dirk Bezemer het in zijn economiecolumn in De Groene Amsterdammer van 28 maart 2024 het omschreef.
[4] https://ita.nl/nl/voorstellingen/wachten-op-godot/3320937/

‘Het grijze zwijgen’

 

De HOVO-cursus over  Samuel Beckett, de laatste modernist’ waar ik eerder over blogde, is inmiddels voorbij. Rest nog één blog, over de kleur grijs in het laatste deel van zijn trilogie: The Unnamable. De meeste deelnemers, waaronder ik, beviel dit deel uiteindelijk het meest van alles wat we hebben gelezen. Herlezen, dat is het devies.

Dat ik hier op in ga, komt mede door een prachtige bijdrage aan de rubriek ‘Kijken’ in De Groene Amsterdammer (26 november 2020) van Rudi Fuchs: ‘Kleurrijk grijs’. Niet over Beckett, maar over het grijs in het werk van beeldend kunstenaar Alan Charlton (zie afb., Untitled, ontleend aan genoemd artikel). Ik weet eigenlijk niet of er ooit over het grijs bij Beckett is geschreven. Wel over de ‘Use of Color in Company’, met name blauw, door Lucy Jeffery.

Zij stelt daarin hoe afhankelijk Beckett van de kleur is in het scheppen van een atmosfeer en een setting. Met name in zijn vroege werk. Zij schrijft dat je Company kunt lezen vanuit de polariteit van licht en donker, hoop en neerslachtigheid. Eenzelfde soort dialectiek die ik aantrof in The Unnamable; (Company hebben we tijdens de HOVO-cursus niet gelezen): donker-licht, lichaam-geest, zwijgen-spreken. Wellicht één van de redenen waarom het me mede aanspreekt.

Terug naar het grijs in The Unnamable. ‘Het oog is uitgesproken hardhorend’, schrijft Beckett (Nederlandse vertaling F.C. Kuipers, Uitgeverij De Bezige Bij, p. 397). Grijs, vervolgt hij, is ‘ongetwijfeld deprimerend bedoeld. Toch zit er geel in, roze ook zou men zeggen, het is een mooi grijs, van het soort dat om te zeggen overal bij past, piskleurig en warm. Men ziet daarin, het oog bewijst het, zo goed als niets, juist, geen overbodige bijzonderheden, die later moeten worden tegengesproken.’ Even verderop heet het: ‘Het grijs wil niets zeggen, het grijze zwijgen is niet noodzakelijkerwijze zo maar een tijdelijk zwijgen, dat moet worden doorgebracht, het kan het laatste zijn en het kan dat ook niet zijn’ (p. 403).

Vergelijk Becketts omschrijving van het grijs nu eens met die van Fuchs: ‘Grijs is een brede kleur die eigenlijk alle kleuren omvat en waarin altijd ook een stil licht aanwezig blijft. Zo werden grijze schilderijen strikt en puur van vorm, onbuigzaam, maar vriendelijk om te zien.’
Ook Alan Charlton onttrok zich aan ‘overbodige bijzonderheden, die later moeten worden tegengesproken’, door eenvoudigweg te zeggen: ‘Ik ben schilder en ik maak grijze schilderijen’.

‘Het grijs’, schrijft Fuchs à la Beckett, ‘bleek ook heel kleurrijk. Je moet heel geduldig kijken’, zoals je Beckett ook moet lezen. ‘Eerst dacht ik dat er roze bij het grijs gemengd was’, zegt hij bijna Beckett na (‘roze ook zou men zeggen’). ‘Toch’, vervolgt Fuchs, ‘wat blauw, dacht ik, of zelfs blauw en roze. Maar ook grijs met geel levert een goede glans op: een lichtgouden achtergrond in middeleeuwse altaarstukken’, wat een andere insteek is dan Becketts ‘piskleurig en warm’. Een tijdelijk, grijs zwijgen. Dat is het wat Beckett en Charlton bindt. Hoe mooi is dat.

Grappig en gruwelijk tegelijk

Tijdens een HOVO-cursus over ‘Samuel Beckett – de laatste modernist’ (najaar 2020) kwam docent Ron Hoffman er – zoals hij zelf zei – niet onderuit Becketts beroemdste toneelstuk Waiting for Godot te behandelen. Het is een stuk dat langs veel schurkt: absurditeit, existentie, de Tweede Wereldoorlog. En niet in de laatste plaats humoristisch is.

Relatief lang bleven we stilstaan bij de beroemde monoloog van Lucky. Daar verschilden de meningen over. Een van de cursisten, een psychiater, beschouwde het als een uiting van een taalverwerkingsstoornis. De docent zag het eerst en vooral als een parodie op academische prietpraat, met zijn ‘quaquaquaqua’ en ‘acacademy’.
De monoloog schurkt ook langs de uitzichtloosheid in en direct na de Tweede Wereldoorlog. Nee: het gáát niet óver de oorlog, maar het speelt wel een rol. De monoloog is grappig en gruwelijk tegelijk, aldus Hoffman.

Het zaadje was gezaaid. Op het moment dat ik Waiting for Godot las, las ik de lezing ‘Aan de grenzen van de geest’ van Jean Améry in het door Arnon Grunberg samengestelde en ingeleide boek Bij ons in Auschwitz (Em. Querido’s Uitgeverij, 2020). Améry’s stuk begon ook langs het stuk van Beckett schurken.
Beckett heeft de tekst niet gekend, want deze is na Waiting for Godot geschreven. Het is dan ook alsóf ze door de thematiek met elkaar in gesprek gingen, als ware het dat er een bepaalde geestesgesteldheid in naar voren komt die dezelfde is. Die door de Tweede Wereldoorlog is gevoed.

Améry begint zijn lezing ‘Aan de grenzen van de geest’ met een opmerking die een vriend uitsprak, toen hij vertelde dat hij het over de intellectueel in Auschwitz wilde hebben: heb het zo min mogelijk over Auschwitz en zoveel mogelijk over ‘de intellectuele kwestie’. Maar hij kan niet om ‘de gruwel’ heen.
Om te beginnen geeft Améry een definitie van een intellectueel: ‘Een mens die binnen een zo ruim mogelijk geestelijk referentiekader leeft’. Hij plaatst zo’n intellectueel ‘in een omgeving waar het er voor hem op aankomt de werkelijkheid en de werkingskracht van zijn geest te harden of nietig te verklaren’.

Aan het eind van de monoloog bij Beckett trekt Vladimir, de intellectueel in het stuk, de hoed van het hoofd van Lucky, de werker. Lucky zwijgt en valt. In Auschwitz waren veel intellectuelen volgens Améry niet in staat te werken. Zelfs ‘Mutsen af!’ kregen ze met moeite voor elkaar, omdat ze niet gewend waren onderdanig te zijn zoals Lucky.

Aan zijn intellectuele bagage had de gevangene in Auschwitz in sociale zin niet veel, en zelfs de transcendente ervaring ervan viel weg. Dat ervoer Améry toen hij bij het zien van een vlag, die bij hem een strofe van Hölderlin opriep; ‘het gedicht transcendeerde de werkelijkheid niet meer’. Dat had misschien alleen gekund, als hij een kameraad had gehad, zoals Vladimir Estragon. En dan nog: toen Améry een filosoof van de Sorbonne ontmoette, gaf deze alleen ‘eenlettergrepige, mechanische antwoorden en verstomde tenslotte helemaal (…). Hij geloofde gewoonweg niet meer in de werkelijkheid van de geestelijke wereld en weigerde het intellectuele spel te spelen’.

In Auschwitz ontdeed de intellectueel zich ‘van het traditionele filosofische idealisme’. En Améry citeert in dit verband Karl Kraus: ‘Het woord ontsliep toen die wereld ontwaakte’. Dat is het wat Lucky ons mijns inziens óók laat zien en horen.

 

Link naar de monoloog van Lucky, gespeeld door Billy Crudup: https://www.youtube.com/watch?v=eGQToJ9RR-4

 

 

‘As described in section six’

Ik ga nog even verder met Spinoza. Dit keer in verband met Samuel Beckett, in het bijzonder naar aanleiding van een vraag die Ron Hoffman stelde tijdens een HOVO-cursus over Beckett. Die vraag had betrekking op Becketts Murphy en luidde: ‘Werkt hoofdstuk 6 of niet? Het hoofdstuk werd al in hoofdstuk 1 aangekondigd’.

Murphy
Eerst even kort iets over Murphy (1938). Ik baseer me daarbij op Hoffman, die vindt dat je het voorwoord tot de door hem aanbevolen Faber and Faber-uitgave in de editie van J.C.C. Mays (2009) niet op voorhand moet lezen.
In Becketts eerste roman is sprake van een hoofdpersonage, Murphy, die op zoek is naar een soort verlossing.

In het eerste hoofdstuk is de vraag of Murphy nu vrij is of niet: lichamelijk en/of geestelijk. Het antwoord is, dat hij zichzelf vrij maakt: ‘For it was not until his body was appeased that he could come alive in his mind as described in section six’ (p. 4).

De ontknoping volgens Hoffman is, dat hoofdstuk 6 er zó uit zou kunnen. Waarschijnlijk, omdat hij ervan uitgaat, dat literatuur geen filosofie is, en filosofen die literatuur schrijven – zoals Sartre – volgens hem geen goede schrijvers zijn.

Spinoza
Het antwoord op de vraag over de verhouding tussen hoofdstuk 1 en 6 vond ik echter juist in het filosofische motto van het laatstgenoemde hoofdstuk:

            Amor intellectualis quo murphy se ipsum amat

‘Daar wil ik even niets over zeggen’, antwoordde Hoffman nadat ik de naam van Spinoza in dit verband had laten vallen. Dit geeft mij gelegenheid dat hier wél te doen. En er meteen bij te zeggen, dat hij er een les later wel op terugkwam en concludeerde dat Beckett de draak met Spinoza stak.

Om te beginnen zet dit citaat de lezer die wat van Spinoza weet, op het spoor van stelling 36 uit het vijfde deel van de Ethica over de Amor intellectualis Dei (de verstandelijke liefde tot God):

‘De verstandelijke liefde van de geest jegens God is de liefde voor God, waarmee God zichzelf liefheeft’ (vert. Henri Krop).

Natuurlijk, Beckett neemt er een loopje mee, maar we zijn hoofdstuk 6 in ieder geval met Spinoza binnengekomen, zoals Hoffman ons liet zien dat we elders op bijvoorbeeld Kant en Schopenhauer stuiten.

Beckett
Als Becket het in hoofdstuk 1 dan heeft over lichamelijke en/of geestelijke vrijheid, dan ben je in hoofdstuk 6 niet ver verwijderd van wat Spinoza over die verhouding schrijft, wat wel met een foutief woord ‘parallellisme’ wordt genoemd. Lichaam en geest zijn bij Spinoza – in tegenstelling tot bijvoorbeeld Descartes – één, hoewel ze op hun eigen wijze tot uitdrukking komen.

Spinoza heeft het in die stelling ook over de liefde van God voor zichzelf … Dus Beckett vertaalt dit alleen maar naar de situatie van Murphy, die zichzelf lief heeft!

Zeer Beckettiaans allemaal, maar zonder Spinoza was ik hier nooit op gekomen. En zonder Hoffman ook niet, die de kunst verstaat je zelf aan het denken te zetten.

Drieluik – Pijn

1. Albert Camus

Afgelopen jaar begon voor mij op twitterland met een discussie over een artikel in Trouw dat door een auteur (historicus en recensent) was opgeduikeld en opnieuw onder de aandacht werd gebracht (zie link onderaan deze blog).
Ik struikelde over het verschil dat daarin wordt gemaakt tussen de God van het Oude- en de God van het Nieuwe Testament en tweette: ‘Daar hebben we de zogenaamde Oudtestamentische, jaloerse God weer eens… Jammer, jammer toch altijd weer. Alsof er twee bestaan: een Oud- en een Nieuwtestamentische’. Voor je het weet ben je in het dualistische Manicheïsme beland.

Je kunt er de klok op gelijk zetten en op een reactie wachten. Het ging alleen niet over waar ik mee kwam (zo blijf je zelf buiten schot), maar over een artikel dat ik eens over Albert Camus heb geschreven in Bekirbénoe, een periodiekje van het leerhuis dat in de huidige vorm een beetje van de leg lijkt te zijn geraakt, als ik hun programma voor komend jaar bekijk.[i]
Die reactie eindigde uiteindelijk met de zinsneden: ‘Ik vermoed dat hier wensdenken en toe-eigening uwerzijds in het spel is’. Ook die ben ik al in een eerder verband al in heel wat toonaarden tegengekomen, tot nationalisme aan toe. Het slaat er dan op dat ik joodse elementen in het werk van wie dan ook had aangewezen. Hoe zou ’t gaan als ik als niet-islamiet islamietische elementen zou aanwijzen, gewoon als ook een bron van onze westerse beschaving die vaak wordt veronachtzaamd? De beer zou dan denk ik helemaal los zijn …

2. In het vlees

Enkele dagen later las ik in hetzelfde dagblad Trouw als hiervoor genoemd, een interview van Sander Becker met de dichter, wiskundige en filosoof Roelof ten Napel naar aanleiding van diens nieuwe dichtbundel In het vlees (uitg. Hollands Diep). Aan het begin schrijft Becker: ‘Pijn manifesteert zich in vele gedaanten, met vleselijke en geestelijke elementen in wisselende verhoudingen’. Ik kon het op grond van de hiervoor geschetste ervaring – en niet alleen die – alleen maar beamen. Ten Napel heeft de pijn letterlijk vorm gegeven in honderdveertig essayistische sonnetten, die bijna allemaal verminkt zijn, omdat ze niet de klassieke sonnetvorm bezigen, maar andere, als door pijn verwrongen. Niet dat ze allemaal autobiografisch zijn, dat niet. Want het is volgens de dichter ‘vooral belangrijk dat een goed gedicht bij de lezer iets laat meeresoneren, ook als de lezer een heel andere achtergrond heeft dan ik’.

De overeenkomst tussen de hiervoor beschreven twitterervaring en de pijn van Ten Napel is ‘het systematische leed dat mijn religie produceert’. Bij Ten Napel gaat het om LHTBI-haat, bij mij om anti-judaïsme dat steeds maar weer de kop opsteekt en niet wordt (h)erkend of omzeild. Ten Napel zegt tegen het eind van het interview dat ‘als het erop aankomt, je eerder voor pijnverlichting van je naasten zou moeten kiezen dan voor God, hoe paradoxaal dat ook klinkt’. Het is een zinsnede die geeft te denken; misschien zou het voor christenen hetzelfde moeten zijn: kiezen voor de naaste is kiezen voor God, kiezen voor God is kiezen voor de naaste.

3. Anatomie van pijn

Aan het eind van de tweede week van 2020 woonde ik de voorstelling Anatomie van pijn van regisseur Lies Pauwels bij in het Internationaal Theater Amsterdam (ITA), opgevoerd door NTGent. Eigenlijk kwam hierin alles samen: pijn in verschillende gedaanten, met vleselijke en geestelijke elementen, pijn als metafoor voor de conditie van de westerse beschaving, waarvan maar niet uit te roeien antijudaïsme denk ik een graadmeter is. Eveneens vorm gegeven als evenzovele eenakters als de sonnetten bij Ten Napel, al heb ik de tel niet bijgehouden. En evenzeer het autobiografische overschrijdend.
Niet dat er gedurende de krap twee uur telkens wat bij mij meeresoneerde, maar gefascineerd was ik wel. Door de reminiscenties aan Samuel Beckett, de onmogelijkheid om in taal te vatten of misschien zelfs überhaupt te vatten wat pijn met je doet. Misschien soms nog het beste in schrijnende muziek van Monteverdi, Marcello, Bach en uit veel andere uithoeken, hard afgedraaid. Of soms door één viool, haperend en brokje bij beetje bespeeld. Tegelijkertijd hangt er met enige regelmaat iemand in een trapeze en valt er soms uit. Het is een oproep om alles vanuit een ander perspectief te bekijken en kwetsbaarheid toe te laten. Misschien vanuit het perspectief van een jood, van een islamiet. En dan niet zeggen: ik doe daar niet aan mee, want het is mijn traditie niet, zoals een bekende hoogleraar praktische theologie en Eerste Kamerlid mij eens domweg zei. Ja, domweg – christendommelijk.

https://www.trouw.nl/nieuws/het-ethisch-reveil-van-albert-camus~b8061ae7/ (Let vooral en passant even op de titel: Het ethisch reveil … Over toe-eigening gesproken).
https://www.trouw.nl/cultuur-media/voor-dichter-roelof-26-doet-de-vraag-of-god-bestaat-er-niet-meer-toe~b4afc60b/
https://ita.nl/nl/voorstellingen/anatomie-van-pijn/3347/

[i] Ik ben het eens met de kop boven een artikel van Alex van Heusden in Roodkoper (februari 1997), dat mij werd toegestuurd door Jan Kok: ‘De noodzaak van het “leerhuis” actueler dan ooit’, maar helaas kijkt hij alleen terug en geeft voor heden en toekomst een dystopisch beeld in plaats van een uitwerking hoe het dan wél zou kunnen.

Die Stunde da wir nichts voneinander wussten

Die Stunde da wir nichts ...Een stel mensen, in keurige meest grijze maatpakken en mantelpakjes, zo weggelopen uit de Joris Luyendijks Dit kan niet waar zijn, lopen van links naar rechts en van rechts naar links op het ondiepe, vaalgrijze toneel. Het klakken van hun schoenzolen weerklinkt luid. Eenvormig, en soms ook nét even niet. Als het Engelse bell ringing.

Klokken die ergens toe oproepen, zoals deze opvoering door het Hamburgse Thalia Theater in de regie van het Estse regisseursduo Tiit Ojasoo & Ene-Liis Sempet, bekend om hun politiek engagement, lijkt te doen. Al valt er ook te lachen, maar niet zo hard als een groepje mensen  in de zaal doet. Tot bevreemding en ergernis van een bekende toneelspeler schuin voor mij. Eerder te glimlachen om de vondsten die het duo bedacht naar aanleiding van een mimescript uit 1992 van de Oostenrijkse auteur Peter Handke.

Dan loopt een eenling met een bolhoed over het toneel, al even Engels. Of zou het een personage op Wachten van Godot van Samuel Beckett zijn? De muziek van Lars Wittershagen doet soms sterk denken aan Arvo Pärt, bijvoorbeeld diens Pari Intervallo. En drie achter elkaar gespeelde scènes rond de Klaagmuur in Jeruzalem roepen herinneringen op aan Schaallu Schlom Jeruaschalajim van Oskar Gottlieb Blarr: ‘Bidt Jeruzalem vrede toe’ (Psalm 122:6). We zien biddende joden voor de Klaagmuur, horen de oproep van een muezzin tot het gebed. En direct naast, achter en voor me heffen leden van een koor gregoriaans aan.

Op dat moment is de muur die op het ondiepe toneel stond gedraaid en wordt nogmaals gedraaid tot er een plein ontstaat. Op andere momenten splijt hij en staat er een kolom licht tussen de twee helften. ‘Een kiertje hoop. Een weinigje hoop. Een richteltje inzicht’ zei Henk Vreekamp eens in een preek in de Utrechtse Dom naar aanleiding van de poreuze tufsteen met kieren van deze kerk.

De ene na de andere associatie komt voorbij, op het ritme van de voorstelling. Want de mannen in maatpakken komen terug, nu zonder jasje en met dozen in hun handen (zouden ze zijn ontslagen?) afgewisseld door Aziatische toeristen en brandweermannen. Maar het koor heeft het laatste woord. Eén voor één staan ze op en staan half gedraaid als even tevoren de muur op het podium. ‘Na-na’ zingen ze, want alles voltrok zich woordloos. Zoals taal kan vormen en kan breken. En mensen zelf natuurlijk.

Rachid Ouramdane L’A TORDRE

Annie HanauerOp 6 juli a.s. laten, zoals het programma-overzicht van Juli Dans (International Festival for Contemporary Dance) het zegt, ’twee danseresssen zien hoe je van een zwakte je grootste kracht maakt.’ De één is Lora Juodkaite die sinds haar kindertijd een onbedwingbare aandrang heeft rond haar as te draaien om tot rust te komen. De Raimund Hogheander is Annie Hanauer (zie foto), die een prothese-arm heeft en zich ‘niet laat tegenhouden om toch een leven als danseres te kiezen.’ Zij dansen deze avond samen een duet van Rachid Ouramdane.
Deze aankondiging riep bij bij de herinnering op aan een Culturele column die ik over Raimund Hoghe schreef (Wervel
ingen, winter 2002). Met toestemming herplaats ik deze hier.

In een serie televisiefilms naar de toneelstukken van Samuel Beckett was onlangs uiteraard ook zijn beroemdste stuk te zien: Wachten op Godot. Michael Linsday-Hoggs, de film-regisseur, was in een opvatting van de figuur Lucky, de drager van zijn meester Pozzo, verder gegaan dan Beckett in zijn tekst aangeeft. Daarin buigt Lucky zich telkens voorover om iets voor zijn meester op te rapen, maar niets wijst erop dat hij, zoals in de regie van Lindsay-Hoggs, krom is gegroeid en constant voorover loopt. Lindsay-Hoggs laat Lucky alleen rechtop staan op het moment dat hij van Pozzo mag ‘denken’. Een ander kunstje dat hij voor twee hoofdpersonen, Estragon en Vladimir, moet opvoeren, is dansen. Dat bestaat er in de regie van Lindsay-Hoggs hieruit, dat Lucky probeert rechtop te komen. Maar het lukt hem niet. Volgens Pozzo omdat ‘hij gelooft dat hij in een net gevangen is.’

Volgens sommige kenners van het werk van Beckett is Lucky gebaseerd op de figuur van Jezus van Nazareth. Volgens hardnekkige geruchten zou uit oude Romeinse archieven, die bewaard zijn gebleven in het Historisch Museum te Rome, blijken dat Jezus bijna kaal was, een bochel had en slechts 1,47 meter was. Het archief bestaat overigens niet …

Hoe dan ook: het omgekeerde van wat Lindsay-Hoggs toont, komt ook voor: denkers die krom liepen (Georg Chr. Lichtenberg, Moses Mendelssohn, Kierkegaard). En wat heet: een danser met scoliose! Zijn naam is Raimund Hoghe (zie foto). In 1995 trad hij in Nederland op met zijn solovoorstelling Meinwärts en werd ter gelegenheid daarvan uitgebreid geïnterviewd door Marian Buijs voor de Volkskrant. De kop van dit interview luidde: ‘Ons gevoel voor esthetiek is beperkt’ en de ondertitel: ‘Theatermaker Raimund Hoghe laat publiek moed putten uit zijn eigen gebrek.’

Uit het interview blijkt, dat Hoghe jarenlang als dramaturg heeft gewerkt bij het beroemde danstheater van Pina Bausch en op een gegeven moment dingen in het theater aandurfde die hij daarbuiten nog steeds niet zal doen. ‘Op het strand kleed ik mij niet uit. Maar waarom is het eigenlijk zo’n sensatie als ik mijn lichaam ontbloot? Ons gevoel voor esthetiek is zo beperkt. Ieder mens heeft toch zijn eigen schoonheid? Kijk naar de dansers van Pina, die zijn dikker dan gangbaar is in de danswereld. Langer, ouder, ze dragen een bril en hebben geen geschoren oksels. Daar sprak men in Amerika schande van. Maar de manier waarop ze zich tonen is juist prachtig’, aldus Hoghe in het interview. ‘Ik ga van mezelf uit’, vervolgt hij. ‘Het feit dat ik daar sta, geeft veel mensen moed. Een ander is dik of dun. Het gaat erom zo te zijn als je bent en je lichaam te laten zien. Zo persoonlijk kun je in het theater alleen zijn als de vorm heel sterk is, dat heb ik van Pina geleerd. Ik kots mijn privé-gevoel niet uit. Ik heb een metafoor gevonden, heel simpel, om een beetje tolerantie en sensibiliteit op te roepen.’ En dat is iets dat in deze wereld hard nodig is.

Tussen leven en dood

Bas van PuttenAlles moest anders

 

Bas van Putten (geb. 1965, foto links) is vooral bekend als musicoloog/muziekjournalist. Van zijn hand verscheen onlangs het eerste deel van een biografie over Peter Schat (afb. rechts). Minder bekend is hij als een romancier en dichter die werkt aan wat je zonder meer als Gesamtkunstwerk kunt zien. De opbouw van zijn werk doet denken aan een tragedie in vijf bedrijven. T.g.v. het verschijnen van zijn biografie over Peter Schat, herplaats ik hier een eerder in Mens en melodie (nr. 3., 2009) verschenen stuk.

Prólogos
Tot de indrukwekkendste stukken die Bas van Putten schreef, behoort de ‘Prelude over macht en dood’ tot de roman De evangelist. Het gaat over de niet bij name genoemde dirigent van het Concertgebouworkest, Eduard van Beinum, die zijn eerste hoboïst, ongetwijfeld Haakon Stotijn, een pluim geeft: ‘Als je die solo nog eens zo speelt, dan blijf ik erin’ (p. 7). De ontknoping is bekend: Van Beinum stierf tijdens een orkestrepetitie. Een psycholoog zou zeggen: ‘Zelfmoord in vermomming’, aldus Van Putten (p. 10).
Het is niet vreemd dat het in De evangelist gaat om de hobosolo uit de Eerste symfonie ‘van de bewogen classicist Johannes Brahms’ (p. 7). Daarom houdt de ik-figuur in de uit vijf hoofdstukken (!) bestaande roman Drijfkracht ook van de evenwichtige muziek van Mendelssohn. ‘Zo horen we hem; niet als muziek, maar als een ideaal van leven’ (p. 27). Want om levensmotieven, al dan niet een hoger doel dienend, draait alles hier.

Párados – intochtlied
Leven en dood, emotie en ratio komen ook samen in de cantate Aus der Tiefe rufe ich BWV 131 van Joh. Seb. Bach: ‘Hoor die hobo hier. En het koor daarachter. En een bas die ook alleen zijn eigen spoor trekt. (…). Hoor dat zweven, zeg ik, kriskras door elkaar.’ (De evangelist, p. 249).
Zweven, zoals de snelle noten in de Sonate KV 381 van Mozart voor piano vierhandig, bóven de maat, ‘alsof je bijna opstijgt, zonder echt los te komen van de grond. Ergens tussen aarde en hemel’, aldus Richard Hauch, gemodelleerd naar Robert Schumann, tegen Agnes Rochlitz (naar Clara Wieck) in Nachtlied (p. 167-177). Of zoals Bas van Putten het toelichtte: ‘God op het spoor komen; zijn nabijheid voelen door muziek, die openbaring is. De spelende mens als medium tussen God en aarde. Een toestand van genade die zeldzaam is’ en tot uitdrukking komt in woorden van de psalmist die het heeft over Gods lied dat des nachts bij ons is (Ps. 42:9).

Epeisodion – een bedrijf
Zo is het centrale thema in het werk van Van Putten, als het koor in een tragedie opgekomen: leven en dood, hemel en aarde, dag en nacht, alle tinten van geluk en verdriet omvattend als in de Vierde symfonie van Bruckner die hij beschrijft in De hemelpoort, de tweede roman na het debuut Doorn (2000). Krachten die als in een tragedie tegenover elkaar staan of – aan het slot van de sterk aan Samuel Becketts toneelstuk Wachten op Godot herinnerende derde roman Almacht – in elkaar overlopen.
Dit ondoorgrondelijke boek eindigt met een transcendente ervaring, een bijna dood ervaring. De tijd versnelt, als een stretto, tot deze stil staat als op een surrealistisch schilderij van Dalí.
Almacht is, net als Vestdijks Bericht uit het hiernamaals, een ‘gedachteproef’ of ‘filosofische vertelling’ (H. Brandt Corstius) en in technische zin het eindpunt van een ontdekkingstocht: hoe ver kun je als auteur gaan in het op(t)rekken van een constructie.
Hierna wilde Van Putten weer een mooi verhaal vertellen. Niet uit conservatisme, maar als een logische scheppingsgang: hij was naar eigen zeggen ‘Ausgetaucht’ – ergens eerst doorhéén gegaan om er óverheen te kunnen komen. Dit verhaal werd Nachtlied.

Stasimon – standlied
In de nacht ligt de actie, als in een standlied van een Griekse tragedie, stil. ‘Zoals een levend mens voor dood kan liggen, zo speelt bij Brahms de dood het leven na’ (Drijfjacht, p. 173). Zoals pianist Arturo Benedetti Michelangeli en dirigent Kaiser in Drijfjacht, tijdens een uitvoering van Ravels Concert in G, ‘beiden onbeweeglijk zaten, waardoor de kleinste actie het gemoed trof als een aardschok’ (p. 32). Als het kind in het verhaal Jack (in: Vrij Nederland, 15 september 2007), het verhaal waarin een hoefijzervleermuis (symbool voor zowel het goede als het kwade) ‘zit of ligt en zwijgt en wacht op god mag weten wat’ (p. 64). En uiteindelijk in het vuur wordt gegooid – als een dilemma dat uit de weg wordt geruimd.

Éxodus – laatste bedrijf
Uiteindelijk vertelt van Putten telkens weer het verhaal van ‘een odyssee’ (Drijfjacht, p. 99), van kunst als uittocht uit het leven, als een vluchtheuvel tussen het land van de vleespotten en het land van melk en honing. Daar staan zijn personages, tussen leven en dood. Zoals Amfortas in Wagners Parsifal, die ‘niet [wilde] sterven en niet leven’ (De evangelist, p. 64). Hij kon niet anders.

Achtereenvolgens werd geciteerd uit:
De evangelist. Uitg. Contact, 2003
Drijfkracht. Uitg. De Arbeiderspers, 2006
Nachtlied. Uitg. De Arbeiderspers, 2009
De hemelpoort. Uitg Contact, 2001
Almacht. Uitg. Contact, 2002

Niet normaal, of, anders anders

untitledJe bent dik
niet dikker
je bent anders
dun
gul
goed trouw

‘k hou van jou
‘k hou van jou
‘k hou van jou
anders

zingt Herman van Veen in zijn liedje Anders anders. Wetend dat iemand die te zwaar is volgens een onderzoek onder Amerikaanse psychologiestudenten veruit het minst aantrekkelijk is als sekspartner, kan dit haast als een statement worden opgevat.

Een statement was ook de tentoonstelling ‘Niet Normaal – Difference on Display’ in de Amsterdamse Beurs van Berlage (16 december 2009-7 maart 2010). Voorál een statement, omdat veel kunst die je op zo’n tentoonstelling zou verwachten (zoals bijvoorbeeld de vijf panelen van Rauf Mamedovs Laatste Avondmaal, met discipelen met het Syndroom van Down) ontbraken.
De bezoeker kreeg als het ware een vraag van curator Ine Gevers mee: ‘Hoe brengen we een samenleving tot stand die zich niet afkeert van de meest fundamentele eigenschappen die haar kenmerken: diversiteit, interafhankelijkheid en asymmetrie?’ (geciteerd in: Kunstbeeld, nr. 12/1 2009, p. 27).

Dat is de grote vraag. Gevers heeft een stap gezet; haar tentoonstelling werd bezocht door opvallend veel mensen die je ‘niet normaal’ of ‘anders anders’ zou kunnen noemen. Daaruit kan worden geconcludeerd dat zij zich konden spiegelen – iets wat voor mensen met een zichtbare afwijking vaak een probleem is, aldus Christien Brinkgreve in haar boek De ogen van de ander (uitg. Augustus, 2009, p. 42).

Maar voor diversiteit, interafhankelijkheid en asymmetrie in de kunst moest je ongeveer in dezelfde tijd in een ‘gewone’ galerie, White Cube in Londen zijn. Daar waren recente schilderijen van Damien Hirst te zien – ja, dezelfde van de diamanten schedel. Maar dan anders.
Figuren met afwijkingen, gebaseerd op medische demonstratiepoppen. Gedeeltelijk opengewerkt afgebeeld, zodat je bijvoorbeeld een zijwaartse rugverkromming kon zien. Gevangen in een web van lijnen als was de figuur gevangen in zowel het lichaam als de blik van de ander.
Hirst is op een andere toer gegaan. Mensen, echte mensen doemen op. Kwade tongen beweren dat ze lijken op bijvoorbeeld de verlamde en kreupele figuren op schilderijen van Bacon – of de video van Douglas Gordon in de Beurs van Berlage. Maar dat is niet zo: de felle kleuren van Bacon hebben bij Hirst plaats gemaakt voor gedempte tinten. En de figuren worden niet ten voeten uit getoond. Net zoals de personages in de toneelstukken van Samuel Beckett, waarvan in dezelfde tijd waarin beide tentoonstellingen te zien waren weer één werd hernomen.

Het werk van Hirst is misschien een aanzet tot een antwoord op de vraag van Gevers. Net als het recente boek Een tijd voor empathie van Frans de Waal, waarin de natuur ons lessen leert over een leefbare samenleving. Zoals de natuur Hirst leerde anders te kijken. Anders anders.

Anders kijken leerde ons ook Joost Zwagerman in zijn De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst. In het hoofdstuk ‘Aspecten van vervreemding’ gaat hij onder meer in op het schilderij Christina’s World (1948) van Andrew Wyeth (zie afb.), dat lijkt op de bekende schilderijen van Bacon die ik hierboven noem (oorspronkelijke tekst eerder verschenen als column in Wervelingen, lente 2010) maar dan anders: ‘Iedereen in het plaatsje Cushing kende Christina, vooral doordat zij sinds haar verlamming weigerde zich voort te bewegen in een rolstoel of met behulp van krukken. In plaats daarvan sleepte ze zich over de grond, grote afstanden niet schuwend, en roeiend met haar armen, haar wil- en krachteloze benen achter zich aan trekkend, soms onwillekeurig bevallig, zoals op Christina’s World’ (p. 188).

Muziek als betekeniscode

Moses und Aron_SchönbergOp vrijdag 23 oktober 2015 zendt Arte (Duits) van 21.45-23.40 uur een opvoering van Arnold Schönbergs opera Moses und Aron (zie afb.) uit. En op zaterdag 31 oktober is de opera te horen in Opera live op NPO Radio 4 (19.30 uur), rechtstreeks vanuit Opéra Bastille in Parijs.

Over deze opera schreef ik in
Mens & melodie (1/85) in het kader van een artikel over George Steiner. Het gedeelte over Moses und Aron uit dit artikel herplaats ik hier t.g.v. de opvoering op Arte.

 

Van de 20ste eeuwse muziek heeft Steiner zijn hart verpand aan Schönbergs Moses und Aron, waarin zowel muziek en taal als een allesomvattend drama en filosofisch gegeven onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en waarin, zoals ook in Alban Bergs Wozzeck de muziek het overneemt als de stem verstikt of zich in een wanhopige stilte terugtrekt. Het muziekdrama van Schönberg brengt de relatie tussen jodendom en Europese crisis tot uitdrukking. Moses und Aron is ‘een drama van non-communicatie, van het voornaamste verzet van intuïtief en geopenbaard inzicht in mondelinge- en beeldende incarnatie (de weigering van het woord om vlees te worden)’, aldus Steiner.

Er is in Moses und Aron één gedeelte (I, 2, maat 208-217) waarin Mozes niet zingt maar zich uitdrukt in Sprechgesang, dit in scherp contrast tot de heldentenor Aaron. Mozes’ onvermogen zijn visie vorm (muziek) te geven, zijn omgang met God over te brengen op Israël, is het tragische onderwerp van de opera. Mozes kan niet zonder Aaron: de tong die God in zijn eigen mond plaatste. ‘Maar Aaron kleineert of verraadt Mozes’ gedachten, die hem worden geopenbaard in de manier waarop hij deze op andere mensen overbrengt. Zoals in Wittgensteins visie is Mozes und Aron een fundamentele beschouwing van stilte, een onderzoek naar de laatste tragische breuk tussen wat is te begrijpen en wat gezegd kan worden. Woorden vervormen, welsprekendheid verdraait – absoluut.’

Mozes valt gebroken neer vanwege zijn onvermogen tot spreken. Het orkest houdt bij Schönberg dan op met spelen op de violen na, die unisono als het symbool van het Shema, de eenheid, de kreeftgang van de twaalftoonsreeks weergeven. ‘Een erkenning (zoals wij die ook vinden bij Kafka, Broch, Adamow) van het feit dat woorden falen, dat kunst noch het hoofd kan bieden aan barbarisme, noch uitdrukking kan geven aan ervaringen wanneer die ervaringen onuitspreekbaar zijn.’

Op het ogenblik dat Schönberg niet meer verder kon werken aan zijn opera, hadden de woorden van volk (Israël) en leider (Mozes) een andere inhoud gekregen. ‘Men moet (…) de mogelijkheid van het verstommen onder ogen zien. Wat Beckett uitdrukt in zijn toneelstukken en vooral in zijn romans, die vaak als muziek ruisen, heeft voor de muziek zelf zijn waarheid. Misschien is er nog slechts één soort muziek mogelijk, namelijk een muziek die zich meet aan dit uiterste, aan het eigen verstommen.’ Aldus Adorno (‘Moeilijkheiden bij het componeren’, in: Kritische modellen, Amsterdam 1977, p. 96).

Toch gloort ook bij Steiner iets van dezelfde hoop die Ernst Bloch voelde bij het horen van de trompet achter het podium in Beethovens derde Leonore-ouverture en ook, buiten de kerker, in diens opera Fidelio: ‘Zo klinkt in de onderaardse kerker vrijheid, utopische herinnering, het grote ogenblik dat daar is, de ster van de vervulde hoop in het hier en nu.’ Aldus Ernst Bloch (in: Denken heisst überschreiten, red. K. Bloch en A. Reif, Keulen 1978, p. 73).

Respondeo esti mutabor: ik antwoord op sprake én sprakeloosheid. Met verstilde muziek, met trompetgeschal of met Sprechgesang. Alle drie de antwoorden wortelen in de joodse traditie, waarin niet alleen Adorno en Bloch staan maar ook George Steiner.