Orgelzomer 2019

De meeste ‘Zomerorgelconcerten’ of hoe ze ook maar mogen heten, zijn bijna tot een eind gekomen. Sommige organisatoren hebben er wat op gevonden; zo noemt men bij de Laurenskerk Rotterdam de ‘zomermarkconcerten’ vanaf september gewoon ‘orgelpauzeconcerten’. En in de Oude Kerk in Amsterdam begint de serie ‘Monuments’ pas op 14 september om in de koude winter door te lopen …
Ik pak er, zo op het eind in een terugblik vier uit om te kijken wat me dit jaar opviel.

Willeke Smits
Om te beginnen dat van Willeke Smits, organist van de Leidse Binnenstadsgemeente in de Hooglandse Kerk in Leiden, op 8 augustus in de Grote of St. Bavokerk in Haarlem (zie foto hierboven).
Wat bij haar programma opviel, was dat ze het omlijstte met twee barokwerken, een Toccata en Fuga van Joh. Ludwig Krebs aan het begin en de Toccata in F BWV 540 van diens leermeester Joh. Seb. Bach aan het eind. Het eerste werd gevolgd door een werk van Ad Wammes, en het laatste werd voorafgegaan door nog een werk van deze Nederlandse componist.
Het centrale deel werd ingenomen door Smits’ eigen bewerking van Griegs Holbergsuite op. 40. Ik had er, zo op papier, even een hard hoofd in, nadat ik een week ervoor in de Nieuwe Kerk van Amsterdam twee lange, waardeloze bewerkingen had gehoord. Het origineel van het eerste stuk betrof een werk van Joh. Erhardt Weippert, de bewerking was van Fr. Anton Hugl en concertgever Timo Beek. Ten onrechte bleek, want Smits wist wat ze deed. Als een ware Socrates haalde ze uit het materiaal wat er al in verborgen zat en benadrukte zo op deze manier het karakter van barokke vormen als Prelude, Sarabande, Gavotte, Air en Rigaudon. Zo kan het – en zo moet het ook! Een fijn concert met andere woorden.

Manuel Tomadin
Het tweede orgelconcert dat ik hier wil noemen was ook in de Nieuwe Kerk (foto rechts), op 13 augustus, en werd gegeven door Manuel Tomadin (Italië).
Hij speelde een geheel barokprogramma, vanaf Delphin Strunck, via Jan Pietersz. Sweelinck, Peter Morhard, Dietrich Buxtehude, Vivaldi en Joh. Seb. Bach. Een programma dat bij uitstek bij dit orgel past. En bij de organist, die onder meer studeerde aan de Schola Cantorum Basiliensis (Zwitserland). Hij bleek gepokt en gemazeld in de retorica en agogiek die je af en toe deed opveren.

Hayo Boerema
Met Hayo Boerema’s zomermarktconcert in de Grote of St. Laurenskerk in Rotterdam (foto links), op 27 augustus, betraden we een heel ander terrein. Hij speelde werk van de Engelse componisten William Mathias en Frank Bridge, drie delen uit Mariales van zijn leermeester Naji Hakim, met wie hij 30 oktober a.s. in dezelfde kerk een orgelpauzeconcert zal geven, een eigen improvisatie en tot sluit de vierde sonate van Alexandre Guilmant.
Van hem kan hetzelfde worden gezegd als van Tomadin: dit is muziek waarin hij is gepokt en gemazeld, gespecialiseerd als hij is in het (Frans) symfonische orgelrepertoire. Net als het concert in de Nieuwe Kerk leverde dit een homogeen programma op.

Michael Hedley
Heel anders was de programmasamenstelling van het concert dat Michael Hedley op 28 augustus gaf in de St. Nicolaasbasiliek in Amsterdam (foto rechts), waaraan hij is verbonden als titulair organist en muziekdirecteur.
Een klassieke opbouw, zou je haast kunnen zeggen, zoals we dat jarenlang gewend zijn (geweest): een barokdeel met achtereenvolgens een Toccata van Dieterich Buxtehude (ja: hier wel de Deense voornaam zoals hij sinds kort terecht na onderzoek wordt genoemd), werk van Scheidt, Vivaldi (arr. J.G. Walther) en Louis Marchand met daarna een Phantasie van Rheinberger, een Prélude van Ropartz en Paean (uit de Six Pieces for Organ) van Herbert Howells.
Hoewel Hedley masterclasses volgde bij iemand als Luigi Tagliavini, kun je van de generalist als hij is, niet verwachten dat hij, zoals Tomadin, ten diepste doordrong in de retorica en agogiek van barokmuziek. Daar stonden mooi spel en schitterende registraties tegenover, waardoor elk stijlgemiddelde optimaal tot zijn recht kwam, of het nu ging om de Grand Dialogue van de Fransman Marchand of de Duitse romantiek van Rheinberger.
Een warm applaus viel hem ten deel, net als Willeke Smits (‘een wijfie’, zei een meneer die zonder programma was binnengelopen achter mij verbaasd), Manuel Tomadin en Hayo Boerema.
Een mooie orgelzomer, dat was het. Net als de echte.

Met naald en draad

‘June was altijd dol op naaien geweest.
June had naaien als een metafoor voor haar bestaan gezien.
June was vrouw en moeder.
Ze dichtte de zoom tussen haar man en haar kind.
Zij was de kracht die hen samenbracht.’
Karin Slaughter, Ongezien, p. 26.

‘Als ik het tapijt bekijk’, schrijft Clare Hunter in haar boek Levensdraden over het Tapijt van Bayeux, ‘en mijn oog langs de taferelen van koninklijke triomf en militaire verwoesting laat gaan, voel ik dat ik het verhaal in word gezogen’.

Hetzelfde geldt voor haar, in het Nederlands door Willemien Werkman vertaalde boek; ze trekt je meteen het verhaal in: ‘Natuurlijk is het niet echt een tapijt. Het is een borduurwerk. Deze benaming, hoewel verkeerd, verhief het echter boven elke associatie met het vrouwelijke naaldwerk, dat in de eeuwen na zijn ontstaan ernstig aan waardering had ingeboet als kunstvorm’. Je ziet jezelf als lezer niet alleen langs het tapijt schuifelden (hoeveel lezers zullen dit niet hebben gedaan), je krijgt er ook de culturele, sociale en economische context van mee. En de emoties die het tapijt oproepen. Ook negatieve, over het feit dat nergens in het museum wordt ingegaan op de vrouwen die het tapijt borduurden.

In opstand
De schrijver is een Schotse, vrouw én textielkunstenares en –curator, wat het boek een meerwaarde geeft, omdat ze alle (technische) ins en outs letterlijk aan den lijve heeft ondervonden: ‘Ik ontdekte dat de wollen draden weerspannig waren, voortdurend in opstand tegen mijn ruwe huid of een gescheurde nagel. Ze begonnen te pluizen zodra er iets meer van ze werd gevraagd wat meer was dan een eenvoudige steek. Ze verzwakten en braken op de rand van het oog van mijn naald’.

De schrijfstijl van Hunter is op z’n tijd echter ook heerlijk humoristisch. Van Maria Stuart wordt bijvoorbeeld verteld, wat ze allemaal wel niet kwijt raakte. ‘En’, staat er dan, ‘ze raakte haar hoofd kwijt, toen ze in 1587 werd geëxecuteerd’.
Over haar gaat ook een hoofdstuk, want ze was immers ook borduurster. ‘Haar borduurwerk was (…) meer dan afleiding, het was haar autobiografie’. Kijk, zulke dingen maken dit boek spannend.

Ontroerende verhalen
De hoofdstukken over ‘een wereldgeschiedenis door het oog van de naald’, zoals de ondertitel luidt, worden afgewisseld door ontroerende verhalen over bijvoorbeeld bordurende mannen in Leverndal Hospital Glasgow en vrouwelijke krijgsgevangenen in Singapore.

Soms past de auteur daarbij retorische trucs toe, bijvoorbeeld wanneer ze het heeft over een Palestijnse, die ‘ons niet lastig valt met …’, ‘niet hier is om …’ en en passant één kant van het verhaal zo toch vertelt. Van het Nederland in de Tweede Wereldoorlog schetst ze echter wel weer een genuanceerd beeld. Hunt vertelt over iets dat ik niet kende: de zogenaamde ‘rok van het leven’ of ‘bevrijdingsrok’:

‘een patchwork rok, gemaakt van stukjes die betekenis hadden door een persoonlijke link naar een gebeurtenis of persoon uit het verleden. Langs de zoom van elke rok moesten driehoekjes stof worden vastgezet, waarop belangrijke data uit de familie of de politiek worden genaaid. De eerste drie hoek zou de eerste Bevrijdingsdag markeren: 5 mei 1945. Alle rokken zouden worden geregistreerd en een officieel stempel krijgen, en de vrouwen moesten ze dragen bij openbare gelegenheden, trouwerijen en tijdens de vrouwenoptochten op de jaarlijkse Bevrijdingsdag’.

Hieruit blijkt overigens, dat het boek over naaien in de ruimste zin van het woord gaat. In west en oost, noord en zuid. Van de Verenigde Staten tot China, van de Hebriden tot Australië, dwars door volken, geloven en gebruiken, feesten en herdenkingen, koninginnen en arme mensen, ziektes en oorlogen heen.

Levensdraden
Zo zijn het méér dan verhalen over naaien maar met recht levensdraden die geweven worden. Zoals Hunter zelf mensen uitnodigt om een stuk textiel mee te nemen waaraan ze herinneringen bewaren, zo zie ik opeens allerlei naaldwerk in mijn eigen huis: een vogeltje, geborduurd door een tante, een kruis, als geschenk gekregen van een medepatiënt in een herstellingsoord die alle nieuwkomers hiermee begroette.

Straks pak ik het borduren zelf ook nog op, geënthousiasmeerd door dit fraai uitgegeven boek, met enkele fotokaternen. In ieder geval vallen mij opeens enkele aanstaande tentoonstellingen op, zoals De draad kwijt in Museum Hoeksche Waard (vanaf 18 oktober a.s.) en denk ik terug aan eerdere, zoals van Rob Scholte, of aan de geborduurde Oude Kerk van Amsterdam en ga zo maar door. Gothic Gestures (2017) van de Oude Kerk is een doek van 5,50 x 3,80 meter, met daarop de plattegrond van de kerk. Er werd, in het kader van een tentoonstelling met werk van Marinus Boezem, met eenenvijftig vrijwilligers maanden lang aan gewerkt. Naaldkunst is al met al een onderwerp dat méér leeft, dan je je soms bewust bent.

Daarom is het goed dat dit boek in het Nederlands is vertaald. Een boek dat een waardige tegenhanger is van De witte weg dat Edmund de Waal publiceerde over porselein. Minder obsessief en idolaat. Waar De Waal het zocht in het volmaakte, heeft Hunter ook aandacht voor het onvolmaakte. Dat doet je wat.

Het boek verschijnt op 20 augustus a.s.
Uitgeverij Balans zond mij al een recensie-exemplaar.

Clare Hunter: Levensdraden. Een wereldgeschiedenis door het oog van de naald. Ned. vert. Willemien Werkman. Uitgeverij Balans, 2019. ISBN 978 94 638 2002 8, 376 pagina’s, € 24,99

Interacteren

De tentoonstelling Shelter in het Utrechtse Museum Catharijne Convent (t/m 9 september a.s.) stelt eigenlijk drie vragen:

  1. Wat zijn de overeenkomsten tussen de door Bart Rutten (artistiek directeur Centraal Museum in Utrecht en gastconservator) gekozen internationale hedendaagse kunststukken en de vaste collectie van het Catharijne Convent?
  2. Wat zijn de verschillen tussen de oude en hedendaagse kunst over thema’s als rust, troost, hoop en bescherming?
  3. Wat ervaar je zelf, wat doet het je? Vragen die de tekstbordjes en audiotour soms uitlokken.

1.
In de Catharinazaal in het souterrain valt een klein werk van Daan Golding op: Sleeping Buddha, Singapore. De afbeelding van de boeddha is met steentjes versierd als de band van het Ansfriduscodex (St. Gallen, 11e-13de eeuw) dat in de Schatkamer, links na de Catharinazaal valt te zien. Niet dat die link bewust wordt gelegd, maar het is een van de velen die zelf kunt ontdekken en dat geeft mede een toegevoegde waarde aan deze fraaie ‘pionierstentoonstelling’ zoals het in het fraaie Museummagazine wordt genoemd, aan deze samenwerking tussen beide musea.

2.
In de Utrechtzalen op de begane grond staat in een nis een fraai beeld van Pieter d’Hont: Het gesprek. Beide geestelijken zijn gedurende hun gesprek duidelijk op elkaar betrokken. Heel anders dan de in zichzelf gekeerde, apart afgebeelde Men in the Cities. Gretchen and Eric van Robert Longo. Zijn ze nu in extase of juist gestold in hun beweging? Beide suggesties biedt de audiotour aan, beide zijn mogelijk. Een meerduidig kunstwerk dus.

3.
Hetzelfde, meerduidigheid, geldt ook voor de verschillende kunstwerken van Sarah van Sonsbeeck die op de eerste verdieping worden getoond. In de kloostergang, die uitkijkt op de tuin, is haar Anti drone tent te zien (zie foto). Een serie anti drone tentjes van hetzelfde materiaal (Mylar dekens met een gouden en een zilveren kant) waarvan zij ook haar installatie We all may have come on different ships, but we’re in the same bote now in de Amsterdamse Oude Kerk (2017) optrok. Het staat voor Van Sonsbeeck niet alleen voor de bescherming tegen drones, maar ook symbolisch voor de eigen binnenwereld, zo aan de binnentuin van het voormalige klooster.
In de noordgang staat een eveneens goudkleurige Hear TH FI TO IN PH Around This Chair And it Knocks You Down van James Lee Byars: een goudkleurige stoel (de kleur van het g/Goddelijke) die leeg is. Je kunt er als bezoeker in gedachten je eigen invulling aan geven: God, boeddha of wie dan ook.

Het is de audiotour en het zijn de tekstbordjes die dat soort vragen oproepen: ervaar je Het Scheppingsverhaal van Peter Vos, of de zwarte Christus op de Piëta van Nola Hatterman als schokkend? Nee, eigenlijk niet. Maar wat wel opvalt, is dat de een van de sprekers op de audiotour bij The Jewish girl van Marlene Dumas zich afvraagt waaruit het joodse van het meisje nu blijkt en vervolgens met allerlei sjablonen komt. Dat rijmt niet op elkaar: ‘Waarom verwachten we eigenlijk dat Christus er als een witte man met donkerblond haar uitziet?’ en waarom verwachten we eigenlijk dat het joodse meisje donker haar heeft enz.?
Laten we het maar zo zien: ook die twee opvattingen ‘interacteren met elkaar en geven elkaar nieuwe betekenis’ zoals het Museummagazine zegt. Om te concluderen: ‘En dat is precies de bedoeling’. Daarin is deze mooie tentoonstelling goed in geslaagd.

Foto: Ati de Zeeuw-Kroesbergen

Zie mijn recensie van de installatie van Sarah van Sonsbeeck in de Amsterdamse Oude Kerk: https://8weekly.nl/recensie/gelaagde-mylar-dekens-havenkerk/

 

Met het Liedboek op weg naar Pasen

Ich folge dir gleichfalls mit freudigen Schritten,
und lasse dich nicht, mein Leben, mein Licht.

Dat zijn woorden aan het begin van Bachs Johannes Passion die dit jaar bij mij extra beklijfden. Dat komt in de eerste plaats omdat ik een andere veertigdagentijd heb doorgebracht dan ik vijftien jaar lang deed in de Amsterdamse Oude Kerk. Nu was de Nieuwendammerkerk mijn stekje, en daar werden andere accenten gelegd dan ik gewoon was. Er werd letterlijk een nieuw licht op de zo vertrouwde teksten (wat heet) geworpen. En in de tweede plaats kwam het omdat een schilderij, tempera op doek, van Eugène Brands in het Cobra Museum voor moderne kunst in Amstelveen, Rising Sun (1964) indruk op mij maakte (zie foto)

Eerste zondag van de Vastentijd
Ik had zelfs soms de associatie met een Adventscyclus. Dat kwam door de nadruk op het woordje ‘licht’ dat elke dienst op een of andere manier naar boven kwam; een heb ik niet bijgewoond,  omdat ik op de verjaardag van vrienden elders kerkte, en ik mistte het meteen.

Het drempellied – ja dat is elke zondag hetzelfde, ook in de 40-dagentijd. Op een tekst van Sytze de Vries en een melodie van Willem Vogel wordt gezongen:

Die de morgen ontbood
en het licht hebt geroepen,
zegen ons ook met uw licht!

Maar toen kwam het, op wat de orde van dienst omschreef als de ‘1e zondag in de Vastentijd’: een Kerstlied, 482:1 en 2:

Er is uit ’s werelds duistere wolken
een groot licht stralend opgegaan –
wie wonen in het diepste donker,
zij zullen in het zonlicht staan.

Mijn aandacht was er meteen helemaal bij: wat gebeurt hier, wat mooi!
En toen kwam lied 600, dat volgens de indeling van het Liedboek bij de drie dagen van Pasen past:

Licht, ontloken aan het donker,
licht, gebroken uit de steen,
licht, waarachtig levensteken,
werp uw waarheid om ons heen!

Weer een lied uit de Oude Kerkgemeente, op een tekst van Sytze de Vries en een melodie van Willem Vogel.

En na de lezing uit Tenach zongen we lied 601, een bekend lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomen:

Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, één voor één, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.

We bleven een beetje om die liederen voor de drie dagen van Pasen heen cirkelen, toen na de lezing uit het Nieuwe Testament lied 598 werd gezongen:

Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft,
vuur dat nooit meer dooft.

Na de preek en het orgelspel namen we lied 518 op onze lippen:

Hoe helder staat de morgenster,
en straalt mij tegen van zover,
de luister van mijn leven.

Een lied dat de vorm heeft van een Avondmaalsbeker: een kelk, een smaller stuk en een voet.
En tot slot zongen we weer een Kerstlied:

Komt ons in diepe nacht ter ore:
de morgenster is opgegaan,
een mensenkind voor ons geboren
‘God zal ons redden’ is zijn naam.

Het laat zich raden dat in de preek het woord ‘morgenster’ een grote rol speelde, van Jezus als morgenster tot de in oud vuil scharrelende morgensterren in de straten van Amsterdam.

Tweede zondag van de Vastentijd
De nadruk op ‘licht’ kwam ook in de tweede zondag terug, zodat een mooie cyclus werd gesponnen. We zongen aan het begin lied 221, een morgenlied:

Zo vriendelijk en veilig als het licht,
zo als een mantel om mij heen geslagen,
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht,
ik roep zijn naam, bestorm Hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.

Na het Kyrie zongen wij lied 834, voor op de levensreis:

Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!

En het kinderlied had als tekst:

In het stralend witte licht
zien wij even wie hij is;
Jezus, Gods geliefde Zoon.
Kyrie eleison.

Na de preek en het orgelspel zongen we lied 760, een lied voor de voleindigingstijd, waarvan het laatste couplet ook weer baadt in het licht:

Als in het vorstelijk licht
voor uw gezicht
wij blinkend staan
met witte waarheid aangedaan.

Na de hier altijd wat gedragen sfeer van het Heilig Avondmaal, was het slotlied opmerkelijk vrolijk – met ook weer een herinnering aan Kerstsferen. Een lied van Jaap Zijlstra op de melodie Daar juicht een toon dat de wijkpredikant was toegespeeld tijdens een zangmiddag. Het slotcouplet hiervan luidt:

Dat is geloof, al zien wij niet,
we zingen in de nacht ons lied,
een glans licht over het bestaan,
de dag van onze Heer komt aan!

Vierde zondag in de veertigdagentijd
We sponnen de vastentijd (nu op de orde van dienst veertigdagentijd genoemd) na een onderbreking van een dienst door een oud-wijkpredikant verder. Met na het Kyriegebed lied 834, ook een lied voor op de levensreis volgens de indeling van het Liedboek:

Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.

Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht.

En na de eerste lezing, uit Jozua 4 zongen we ‘rond de schriften’ (Liedboek) lied 313 met zinsneden als:

Gods woord is ons een licht,
en elk die in vertrouwen
daarnaar zijn leven richt,
die zal er in aanschouwen
des Heren aangezicht.

Het licht is er, maar we moeten nog wel – steeds dichter tegen Goede Vrijdag aan – door het donker, stil het kruis dragen, achter de Heiland aan. Want

Leven is lijden
niet te vermijden
onmacht verduren
eindeloos turen
naar komend licht.

Zo luidt een couplet van een levenslied, lied 830 op een tekst van Henk Jongerius en een melodie van Jan Raas. Want

Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
dat is de dood aanvaarden,
de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten,
de honger en de dorst,
de vragen en de angsten,
de kommer en de koorts.
(Willem Barnard, lied 538:3).

Palmpasen
Palmpasen is een feestdag aan het begin van de Goede Week. Donker en licht komen er samen. Je hoeft maar naar de Palmpaasstokken van de kinderen te kijken: de broodhaan bovenop het kruis, als verwijzing naar Petrus die de haan drie maal hoorde kraaien, of naar de versieringen (rozijnen, chips) aan de stok die erop wijzen dat je ook, door alle donker heen, mag genieten. Ook van kunst, als het ware – goede en schone, zoals ons in de preek werd voorgehouden.
Zoals van het schilderij Rising Sun van Eugène Brands, waar ik aan moest denken toen we na het Kyriegebed lied 834: 3 zongen:

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht.

Foto: Ati de Zeeuw.

In memoriam Hans Heiner

Hij was onze overbuurman in de tijd dat we in Amsterdam-Buitenveldert woonden. En in zijn laatste levensjaren zaten we in de Oude Kerk naast elkaar. Op een bankje in de zon op het plein te bomen voor de deuren opengingen, en in de kerk zelf. Hij wachtte op me als ‘onze’ plekjes bezet waren: Waar zullen we nu gaan zitten, hier maar?

Wat hij in de tussentijd deed, heb ik uit de tweede hand. Van oud-collegae die ook in de kerk kwamen, uit de extra Nieuwsbrief van de predikant. Hij werkte bij het Paedologisch Instituut aan de Vossiusstraat, waar hij uiteindelijk directeur werd. Hij woonde later in Nieuwkoop en kwam, na de dood van zijn vrouw, Ineke Brouwer, weer terug naar Amsterdam, waar hij ongeveer in dezelfde tijd als ik de diensten in de Oude Kerk begon te bezoeken.

Waar we het over hadden? Een enkele keer over de liturgie in de kerk, waar we allebei wat moeite mee hadden gekregen. Ik moest het volgens hem niet bij een vragenderwijs gestelde blog op de website laten en dat heb ik geweten. Over de tentoonstellingen in de kerk, waar hij in tegenstelling tot ik vaak niet bij kon. Dat liet ik maar zo. Maar meestal hadden we het over boeken die hij had gelezen, en waarvan hij de titel op een papiertje zette. Over de nieuwste van Jannie Regnerus, Nachtschrijver, waarvan ik tot dan toe alleen Het lam had gelezen. Korte tijd later heette het dan: ‘Heb je ’t nu nóg niet gelezen?’ Niet dat hij haast had, alsof dat er iets op zijn hielen zat, maar hij wilde er gewoon over praten. Want dat deed hij graag, dat snapte ik wel.

Altijd sleepte hij met een bruine rugtas vol boeken, die hij uitleende of geleend had. Ook naar een HOVO-cursus, waarvan hij er tot een week voor zijn dood maar liefst twee tegelijk volgde. Een ging over joodse kunst door een docent die wij allebei hogelijk waardeerden, Diklah Zohar. Na afloop troffen we elkaar een paar keer. In de tram terug, hij naar huis en ik naar het station, had hij het erover dat hij last had van zijn been. En druk had hij het eigenlijk ook. Een keer stelde hij voor dat ik uitstapte om een kopje thee bij hem te drinken. Of eigenlijk, en liever: laten we ’t een andere keer doen. ‘Ik mail je wel.’ En dat deed hij: ‘Ik heb me wat verslikt in al die data en „drukte”! Als je in de buurt komt wanneer dan ook, bel of mail me en we kunnen gezellig op een goed ogenblik onze thee of koffie drinken. Tot ziens.’

Dat laatste is er helaas niet meer van gekomen. Op 81-jarige leeftijd is hij overleden. Maar dat boek van Regnerus: dat ga ik zo gauw mogelijk lezen. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Op zaterdag 16 december wordt afscheid van Hans Heiner genomen in een avondwake in de Oude Kerk m.m.v. de Sweelinckcantorij. De dienst begint om 19.30 uur, de kerk is vanaf 19.00 uur open. Na de dienst is er gelegenheid de familie te condoleren.

De foto bovenaan is afkomstig van de portfolio op de website https://regelneven.com/project/hans-heiner-80-jaar/

Oefening baart kunst. En kerk

Louter om gezondheidsredenen kon ik er helaas niet bij zijn, maar ik kreeg de orde van dienst en preek op Voleindigingszondag in de Amsterdamse Oude Kerk toegespeeld. Tijdens deze dienst werd ingespeeld op de tentoonstelling NA van Christian Boltanski die daar momenteel is te zien.

Mijn primaire reactie was: kan en mag dit wel, het denken van deze humanistisch kunstenaar pur sang zo in een christelijke context plaatsen? Ik moest denken aan de reactie van de componist György Ligeti toen pianist Ronald Brautigam hem op zijn verzoek in 1990 diens Pianoconcert voorspeelde, en hij – al dan niet terecht – verordonneerde: Afblijven, je doet het stuk met je interpretatie geen recht.
Mijn tweede reactie was meer overdacht: natuurlijk mag dat, als een kunstenaar zijn werk heeft vrij gegeven, mag je er – mits je het inderdaad recht doet – over doordenken. Want denken, dát is de kernboodschap bij deze expositie, zoals Boltanski mij desgevraagd vertelde.

Het was niet de eerste keer dat er in de Oude Kerk werd doorgedacht naar aanleiding van een expositie. Ik denk aan de preekstoel die David Bade in 2012 plaatste naast de vaste in de kerk – toen de kerk overigens nog geen museum was. Twee kansels die – schreef ik toen op verzoek in een Zondagsbrief (18 maart) – ‘vooral als elkaars tegenover werden gezien, als vertegenwoordigers van respectievelijk kerk en wereld, kerk en kunst, hemel en aarde.’ Ik vroeg me toen af wat er zou gebeuren als je ze niet als tegenover zou zien, ‘maar als een vorm van verkapte meerstemmigheid als in de solopartita’s voor viool of cello van Bach; Tenach en Evangelie samen in de dooptuin (…) verbonden als in één band die de twee boeken bij elkaar houdt.’

Ik kreeg het antwoord min of meer in de orde van dienst op Voleindigingszondag. Niet alleen omdat de Bijbelteksten erin waren ‘opengebroken’ en ‘niet perse in de vanzelfsprekende volgorde’ klonken, na elkaar als vanaf twee preekstoelen (in sommige kerken staand voor Oude en Nieuwe Testament), maar in dialoog met elkaar, zoals in de Bemoediging (Eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen 5:5, Daniël 12:2).
Het mooie was voorts dat de hele dienst in het verlengde lag van de vorm van de tentoonstelling zelf. Hierin loop je tussen tombes van verschillende hoogte door langs mensachtige figuren op houten benen met een jas aan en een lamp als hoofd (Le Manteau, zie foto Gert Jan van Rooij), die – als je dichtbij komt –, je vragen hoe je je dood hebt ervaren: ‘Zeg eens, ben je weggevlogen?’, ‘Zeg eens, was je bang?’ of: ‘Zeg eens, heb je licht gezien?’

Daarmee ging de dienst qua vorm en inhoud een stap verder dan die bij Bade, en werd – zou je kunnen zeggen – een diepere laag aangeboord. Zo was de preek weliswaar in de vorm van dialoog, vraag en antwoord, stem en tegenstem, maar uiteindelijk inhoudelijk meer dan dat. Lees bijvoorbeeld de volgende drie regels die mij veel deden: achtereenvolgens vraag, antwoord en inter-actie:

Roepen wij die rampen niet over onszelf af?
Dan zijn het geen tekenen van zijn toekomst, maar eerder van zijn vertraging. Van zijn oponthoud!
Redenen om te bidden, te smeken om zijn komst.

Dit mag je misschien tussendenken noemen, zoals de oud Denker des Vaderlands Marli Huijer het noemde, daar waar haar voorgangers Hans Achterhuis een tegendenker was en René Gude een meedenker.
Tussendenken gaat bij kerk en kunst dan om de verschillende rollen, van de kerk enerzijds en van de kunst anderzijds, maar vooral over de ruimte daartussen die een interpretatie openhoudt, niet zozeer in de zin van vraag en antwoord of stem en tegenstem en al helemaal niet van een vastgeroest dogma, maar één met perspectief. Als dat zo is, dan bood deze kunstdienst ook anderszins een perspectief voor een samen op weg van kerk en kunst. Oefening baart kunst. En kerk. Dan waren de diensten met de twee kansels in 2012 een mooie aanloop daartoe. Telkens een stapje verder. Dat belooft wat!

In de dienst op 26 november 2017:
voorgangers: ds. Jessa van der Vaart en ds. Marcel Barnard
co-auteur preek: Roelof Langman
organist: Matthias Havinga
voorzangers: Erik Idema en Christiaan Winter

 

http://8weekly.nl/recensie/a-place-to-think-about-life/

 

Shakespeare en de Reformatie

Op 5-6 oktober a.s. organiseert The Research Group for Cultural Iconology and Semiography in de Universiteit van Szeged (Hongarije) een conferentie over Shakespeare Studies. De titel van de conferentie is Shakespeare and the Reformation – Shakespeare’s Reformations. Tot de sprekers behoren Tibor Fabiny, Géza Kállay, Douglas Lanier, Zenón Luis Martínez, Ádám Nádasdy, Rowland Wymer.

De aankondiging van deze conferentie bracht me terug bij een inleiding die ik in 2009 voor een gemeenteavond van de Oude Kerk in Amsterdam zou houden over Shakespeare en vasten. In het kader van deze conferentie plaats ik hier de niet uitgesproken tekst, omdat de avond niet door ging.

Geest   (1) Ik ben uw vaders geest,
(2) gedoemd een zekere tijd door nacht te waren,
(3) en overdag in vuur te moeten vasten,
(4) totdat de gruwelijkheden in mij leven
(5) verteerd zijn en gelouterd.

Dit is wat de Geest in Shakespeare’s toneelstuk Hamlet in de eerste akte te berde brengt. Hij vertelt Hamlet dat diens vader, koning van Denemarken, niet zomaar is gestorven maar is vermoord. Als moordenaar wijst de Geest Hamlets oom Claudius aan, die heel snel na de dood van zijn vader is getrouwd met zijn moeder.

Wát zegt de Geest nu precies.

  1. Volgens de rooms-katholieke opvatting in de tijd van Shakespeare (ca. 1600), kon de Geest de ziel zijn van een dode. Volgens de protestantse visie in die tijd was de Geest meestal het kwade in de hoedanigheid van een overledene, die mensen waaraan hij verscheen wilde misleiden.
    Beide achtergronden gaan hier op: het is de dode vader van Hamlet die zijn zoon aan wil zetten tot ‘wrekende gerechtigheid.’
  2. De zekere tijd slaat op de tijd tot de (weder)komst van Jezus van Nazareth, wanneer er geen zonde en dood meer zullen zijn.
    Het door de nacht waren doet denken aan een oefening van monniken om waakzaam en wakker te blijven.
  3. Overdag wil zeggen: tot de avond is gevallen (= Regel van Benedictus). In vuur vasten verwijst naar het voorgeborchte waar de vader van Hamlet niet – zoals in het vagevuur – wordt gekweld door hellestraffen, omdat hij in tegenstelling tot zijn broer Claudius geen misdaden heeft bedreven.
  4. Totdat de gruwelen in mijn leven is een typische zinsnede in de context van het Elizabethaanse Engeland waarin Shakespeare leefde en waarin het individualisme opkwam. Vasten is hier dus een individuele aangelegenheid en hangt niet, zoals in de oude kerk, samen met de liturgie (de eucharistie, bidden).
  5. Verteerd zijn en gelouterd levert, zoals zo vaak bij Shakespeare, reminiscenties op aan tal van Bijbelteksten. Bijvoorbeeld aan I Petrus 1:22: Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden.

www.jagonak.com

 

Stromend water

Mijn hart sprong afgelopen week een paar keer op. De eerste keer toen ik las dat beeldend kunstenaar Mark Manders (1968) voor het vernieuwde Rokin in Amsterdam een prachtige fontein had gemaakt (zie afb.). En ook als het water niet stroomt, is het prachtig: twee hoofden die aan elkaar verbonden zijn maar elk een andere kant op kijken. De een richting Centraal Station de ander naar de Munt. Het water stroomt tussen de twee hoofden door. .
De tweede keer was toen ik in de Amsterdamse Oude Kerk, op een steenworp afstand van het beeld van Manders, een preek hoorde die al evenzeer tot mijn verbeelding sprak. Sterker nog: beide sprongetjes verenigden zich op enig moment, als de twee helften van het hart die samen kloppen.
De verbindende schakel tussen beide keren vormt water.

Ik ben al een tijdje een bewonderaar van het werk van Manders, van zijn Etruskisch aandoende koppen in twee helften met een houten plaat ertussen, of van een kop met aan weerszijden een houten plaat. Een bekend werk van hem is natuurlijk Unfired Clay Figure (2005-2006). Ook in het Stedelijk Museum is werk van hem opgenomen, maar dat is van een geheel andere aard.
Zijn fontein staat in de traditie van zijn bekendste werken, maar er is een groot verschil: de houten plaat is vervangen door iets meer fluïde: stromend water. Het geeft de fontein per definitie iets minder statisch, ook als het water niet stroomt. De leegte tussen de twee helften mag je bij wijze van spreken invullen met je eigen gedachtes, dromen en zorgen. De natuurstenen bankjes rond de fontein vragen erom om te gaan zitten en reflecteren of met anderen in gesprek te gaan.

Water speelt ook een grote rol in de lezing uit Jona (1:11-2:2) afgelopen zondag in de Amsterdamse Oude Kerk. Jona zit op een boot op roerige zee. De medevaarders ‘roeiden uit alle macht om weer aan land te komen; dat lukte hun echter niet.’ Jona wordt overboord gegooid, in de hoop dat de zee zal bedaren. Dat gebeurt. Wat dan volgt is natuurlijk bekend: Jona wordt opgeslokt door een grote vis.
Je mag het verhaal natuurlijk niet 1:1 vergelijken met het beroemde (beruchte, mag je ook zeggen) Zielenvisserij van Adriaen Pietersz. van de Venne (1614, zaal 2.5 Rijksmuseum Amsterdam), waarop mensen uit de zee worden gevist naar het woord uit Mattheus 4:19, maar je mag het wel contrapuntisch met elkaar lezen. En met wat de fontein mij vertelt.

Om te beginnen gaat Jona de andere kant op dan waar hij eigenlijk heen moet: Ninevé, zoals het ene hoofd de ene kant op kijkt en het andere de andere kant op. De ene richting de Oude Kerk en de ander naar de stad als levendige ontmoetingsplaats van mensen, het Rokin af naar de Munt.
Zo begreep ik ook de uitleg van Eddy Reefhuis afgelopen zondag. Aan de ene kant: stap uit de (boot van de) kerk, de wereld in en aan de andere kant: stap uit de wereld de kerk in om daar op scherp te worden gesteld. Breng dat wat van de wereld is (andere muziek, andere woorden) de kerk in opdat die levend blijft en mensen aanspreekt. De andere beweging is iets anders dan: stap de wereld in om het Evangelie te verkondigen. De kerk als hoofd dat twee kanten op kijkt, dat is het voor mij.
Ik dacht meteen aan een vioolconcert van Bach, waarvan het begin is gebaseerd op het koraal Wachet auf. Dat zou nog eens wat wezen als Communiemuziek, en zo zijn er veel meer (ook hedendaagse) voorbeelden te bedenken. Een City kerk is immers als het goed is niet alleen een open kerk voor iedereen die op zondag of door de week een kaarsje wil branden, tot rust wil komen om daarna weer verder te kunnen gaan, aan land te komen – maar ook een open kerk voor alles, zoals kunst en cultuur, dat zich daarbuiten de kerkmuren bevindt. Er hangen al drie scheepjes in het koor van de kerk. Moge die daarvoor tot symbool zijn.

https://oudekerk.amsterdam/files/2017/08/20193429/preek-Reefhuis-13-aug-2017.pdf

De bloem van de pijn

 

 


1. Zondag 16 juli

De Evangelielezing voor deze vierde zondag van de zomer is uit Mattheüs 13, over de zaaier die uitgaat om te zaaien. Zaden vallen langs de weg, andere weer op de rotsbodem of op dorens. Maar er zijn er ook die vallen ‘op de góede aarde en hun vrucht afgeven.’
De gastpredikant in de Amsterdamse Oude Kerk is niet altijd goed te verstaan, en ik beluister in zijn uitleg de eerste keer: de zaden vallen in de bloedende aarde en een tweede keer: en de aarde bloeit. Het een sluit het ander niet uit, sterker nog: vult elkaar misschien aan en na afloop blijken meer mensen ‘bloedende aarde’ hebben verstaan. Volgens hen – en mij – is ‘bloedende aarde’ ook mooi, zeker als er zaad op tot bloei komt. We doen geen navraag en laten het mysterie van de bloedende aarde die tot bloei komt zo staan.

2. Maandag 17 juli

Vandaag wordt het Nationaal Monument MH17 onthuld, in Vijfhuizen, onder de rook van de opstijgende vliegtuigen van Schiphol. Er staan 298 bomen in de vorm van een herdenkingslint, voor elk slachtoffer een. En er is een veld met allemaal zonnebloemen, omdat het veld waarop de MH17 in Oost-Oekraïne neerkwam ook vol zonnebloemen stond. Bij het monument plaatsen Koning Willem-Alexander en koningin Máxíma samen met enkele kinderen ook zonnebloemen.
Ester Naomi Perquin, de Dichter des Vaderlands, leest een gedicht waarvan de eerste twee strofes luiden:

Wat je kunt: een boom planten in omgewoelde aarde, zien hoe de takken
naar de hemel reiken. Zon. Maan. De hemel die je zelf ooit hebt
vervloekt. Een zomerdag begraven. Door de tijd heen kijken.

Onder de boom staan als het waait, weten waarvoor te weinig woorden zijn.
Te weinig handen. Denken. Water geven. Zien hoe de stammen
langzaam dikker worden, het leven zich een uitweg bloeit.

Ook hier: goede, omgewoelde aarde en een leven dat zich een uitweg bloeit.

3. Dinsdag 18 juli

Tijdens de eerste van vier cursusmiddagen ‘Filosofie en de moderne kunstenaar 1900-2017’ van de HOVO in Amsterdam behandelt docent Katja Rodenburg het denken van Friedrich Nietzsche in combinatie met het werk van de Noorse kunstenaar Edvard Munch. Ze laat een onbekend werk van hem zien: De bloem van de pijn (1902-1903, zie afb. links). Het beeldt volgens Rodenburg uit hoe Munch de taak van de kunstenaar zag: hij bloedt en uit dat bloed komt een zonnebloem voort. Op zich al een bloem vol symboliek, met een donkere binnenkant en een stralende buitenkant. Hij reikt naar de hemel. Zon. Maan. Allebei, want ze kunnen niet zonder elkaar, zoals je in de voetsporen van Nietzsche mag denken. Het bloed van de pijn. De bloem van de pijn.

Drieluik op zondag

1.
Zoals regelmatig, ging ik vanmorgen via de hoofdvestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam naar de Oude Kerk. Om wat recente nummers van verschillende tijdschriften te lezen. Mijn ogen bleken haken op een artikel van Henk Manschot, emeritus-hoogleraar filosofie van de Utrechtse Universiteit voor Humanistiek in het tijdschrift Ophef (nr. 2/2017), waarin al eerder een recensie had gestaan over zijn boek Blijf de aarde trouw (zie afb.). Het artikel luisterde naar de naam ‘Nietzsches zoektocht naar de aarde en naar een “aardse” levensstijl.’
Hierin had de Franciscaan Manschot het om te beginnen over de wetenschap die een mooi overzicht kan bieden van het denken van deze en gene filosoof en ik moest meteen denken aan een prachtige zondagmorgenlezing die Katja Rodenburg in 2008 voor de Vrije Gemeente in Amsterdam hield onder de titel De geboorte van het kunstwerk. Over Nietzsche, zoals zij tussen twee haakjes binnenkort een HOVO-zomercursus in Amsterdam zal geven over onder meer deze denker (ik heb geen aandelen – maar wel van harte aanbevolen!).
Manschot vervolgt met de door mij gedeelde opvatting dat hij, hoe fraai ook, uiteindelijk toch meer opheeft met het in dialoog gaan met het denken van een filosoof, in dit geval ook Nietzsche. Hij reisde – zoals ik ook wel boeken van Henk Vreekamp heb nagereisd – de Alpen over, wat Nietzsche ook graag deed, met diens belangrijkste boeken (zoals Also sprach Zarathustra, dat hij leest als een mystiek boek) in zijn bagage.

2.
Met dit mooie artikel nog in mijn achterhoofd, stap ik een uurtje later de Oude Kerk binnen waar ds. Paula de Jong voor zal gaan en Matthias Havinga en Christiaan Winter de kerkmuziek zullen verzorgen.
In het intochtslied (uit Liefste lied van Overzee) zingen we over stilte, ruimte en hoop, ogen om te zien en vrede. Stilte die ruimte schept in ons denken, ons moed geeft en het geloven doel en zin. Waarin we open staan voor elkaars verdriet, waarin er ruimte is voor zorgvuldigheid. Ik had het er net over gehad met een weduwe diens man vandaag veertien jaar geleden was gestorven, en begraven door ds. Adriaan Soeting, de predikant die zo zorgvuldig was in het kiezen van zijn woorden en in zijn omgang met mensen.
De Evangelielezing van deze morgen kwam uit Mattheus 11: 25-30. De voorlezer van de morgen had het al gezegd: ik heb mooie teksten te lezen. Hierin is sprake van de dingen die voor wijzen en verstandigen verborgen zijn gehouden, maar aan eenvoudige mensen hebt onthuld. ‘Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden.’
In de uitleg en verkondiging hoorden wij wat ds. Paula de Jong onder dat juk verstaat. Eigenlijk dat waarover wij in het intochtslied hadden gezongen (stilte en ruimte bieden voor de ander, naar hem/haar horen en hem/haar zien, het begin van vrede) en waarover Christiaan Winter zong (Psalm 4 van Maurice Pirenne), met begeleiding van Matthias Havinga op het destijds uit de nalatenschap van Brecht Folstar gefinancierde kistorgel:

Gij die mij ruimte geeft als ik benauwd ben,
wees mij genadig, door mijn gebed.
Geef mij toch antwoord als ik U aanroep, God.
Gij zijt mijn waarheid,
Gij die mij ruimte geeft als ik benauwd ben,
wees mij genadig, hoor mijn gebed.

3.
Na afloop van de dienst wandelde ik in de zomerzon naar het Amsterdam Museum, waar nog net een tentoonstelling met foto’s van Maurice Boyer viel te zien. Een raakte mij in het bijzonder: Malan en Futoun uit Damascus. Een man en een vrouw, gezeten op twee stoelen met een tafeltje met een plant erop tussen ze in. En een zeegezicht boven ze (zie vergelijkbare afb). Over zorgvuldigheid gesproken: hoe kom je erop om uitgerekend bij Syrische vluchtelingen, die waarschijnlijk de overtocht van die zee in een klein bootje hebben overleefd, zo’n zeegezicht op te hangen. Wat raak dat Boyer juist deze scene uitkoos om op de foto te zetten; zo vult het zien datgene wat ik vanmorgen las (in Ophef) en hoorde (in de Oude Kerk) op voorbeeldige wijze aan. Zoiets vermag kunst te doen.
Ik hoop dat het waar is waar Boyer in de begeleidende audiotour over sprak: dat deze vluchtelingen met liefde worden opgevangen en een thuis geboden krijgen waarin ruimte is voor stilte en hoop, waar mensen voor ze open staan zodat ze hun verdriet kunnen delen. In de hoop dat zij werkelijk rust zullen vinden.

http://www.hovo.vu.nl/nl/cursusaanbod/cursusaanbod-zomer/kunstgeschiedenis-en-architectuur/cursus-filosofie-moderne-kunstenaar/index.aspx

https://oudekerk.amsterdam/agenda/kerkdienst-56/

https://www.amsterdammuseum.nl/tentoonstellingen/mauriceboyer