Laat de levenden opstaan

Het is altijd leerzaam om twee personages met elkaar te vergelijken. Harold Bloom bijvoorbeeld vergelijkt Falstaff en Hamlet van Shakespeare met elkaar. De Russische schrijver Toergenjev deed hetzelfde met Hamlet en Don Quichotte. Het desbetreffende boek van de eerstgenoemde auteur (Falstaff. Give me life, uitg. Scribner, 2017) lag in de uitverkoop en kon ik niet aan me voorbij laten gaan, het boekje van de tweede schrijver, een Nestor Mini-pocket (Hamlet en Don Quichot. Egoïsme en idealisme, uitg. Scriptio, 2008) werd me aanbevolen. Wat leveren die vergelijkingen, die antitheses op?

Harold Bloom
Eerst Bloom: ‘Falstaff is even intelligent als Hamlet, maar Hamlet is de afgevaardigde van de dood terwijl Falstaff de gezant is van het leven’ (p. 2). Dat constateert de in 2019 overleden grote Shakespearekenner al in de Prelude van zijn boek. De essentie, schrijft Bloom in de voetsporen van zijn vriend Anthony Burgess is dat Falstaff niet moraliseert. Bloom schrijft het niet met zoveel woorden, maar je zou kunnen zeggen, dat Hamlet dat dus wél doet. Het ene leidt ten leven, de andere instelling naar de dood. Is dat het? Het ligt in ieder geval in het verlengde van een zinsnede uit Balzacs novelle Louis Lambert die Bloom aanhaalt (p. 29): ‘Opstanding is het gevolg van een hemelse wind die over de wereld strijkt. De engel die door de wind wordt gedragen, zegt niet: Sta op gij doden! Hij zegt: Laat de levenden opstaan!’

Je kunt stellen – en ik parafraseer Bloom – dat Falstaff Shakespeares tweede carrière in het theater schiep, toen hij opstond als toneelschrijver na eerst acteur te zijn geweest. Je zou zelfs kunnen beweren, dat Falstaff na Henry IV zijn opstanding beleefde in The merry wives of Windsor, maar Bloom beschouwt dit als een onacceptabele travestie van Falstaff (p. 53). Dat past Falstaff niet, want hij staat volgens de auteur weliswaar voor het leven, maar dan voor de donkere kanten ervan, wat op deze manier een nadere invulling van ‘leven’ is zoals hij dat eerder als kenmerkend voor Falstaff omschreef. Leven dat met andere woorden weet heeft van de dood.

Na Falstaff komt Hamlet en dan – schrijft Bloom – Jago, Lear, Macbeth en Cleopatra (p. 74). Falstaff dwingt ons om na te denken; hoe traag en oud van beweging hij ook is, zijn geest is vlug.[1] Falstaffs neergang is volgens Bloom opdat Hamlet [Lear en Othello] opstaan, leven in de vreugde er te zijn (p. 137):

give me life: which if I can save, so (5.3.60-61).

Ivan Toergenjev
Over naar Toergenjev en Hamlet. Staat bij Bloom Hamlet voor de dood, bij de Russische schrijver en dichter Ivan Toergenjev (1818-1883) is hij een egoïst, een kille analyticus en – zoals vaker te doen gebruikelijk – een twijfelaar. Kenmerken die je overigens zo op Toergenjev, de analyticus en de scepticus zelf zou kunnen plakken … Of op andere personages in zijn werk, die hij antithetisch tegenover anderen plaatst, maar dit terzijde (zie: https://elsvanswol.nl/telkens-een-trapje-hoger/).

Don Quichot daarentegen is volgens Toergenjev een idealist, wereldverbeteraar en doener. De denker en de doener staan met andere woorden tegenover elkaar. Toergenjev gaat nog een stapje verder: ook respectievelijk, en mijns inziens nogal sjabloonmatig, voor de Noordeling (zwaar, somber) en de Zuiderling (vrolijk, niet al te diep gravend). Uiteindelijk komt de Rus uit bij het idee dat de basis en het doel van het bestaan ‘ofwel buiten hemzelf bestaat ofwel in hemzelf leeft’ (p. 15 vert. Emmanuel Wagemans), transcendentie of immanentie. Tot een synthese als bij Bloom komt Toergenjev niet.

Antithese en synthese
Je zou wel Don Quichot, zoals Toergenjev hem neerzet, kunnen vergelijken met Falstaff als komische figuur. Zijn lach is verzoenend en verlossend. Met Hamlet lach je niet, met Falstaff en Don Quichot kun je dat wel doen. Daarin ligt hun verlossing, zou je Toergenjevs opmerking over Hamlet (‘precies daarin ligt zijn veroordeling’, p. 24) kunnen omdraaien. Hamlet heeft niets te bieden, omdat hij passief is en geen richting heeft. Anders dan, zoals Bloom al zei de dood. Hij verzinkt in de afgrond, heeft geen grond om op te staan, zoals Falstaff. Hij laat bij Toergenjev geen sporen achter. Hamlet leeft in de visie van Toergenjev niet voort. Hij doet er het zwijgen toe: ‘The rest is silence’ (5.2.17).

Conclusie
Je mag concluderend hopen, dat mensen in het algemeen net als Falstaff leren vreugde te ervaren in het leven, weet hebbend van de dood, niet in antitheses blijven hangen maar actief doener én denker ineen zijn en grond vinden om op te staan. Letterlijk en figuurlijk.

 

[1] ‘I know thee not, old man’ (Henry V, 5.5.47). Schitterend verfilmd met Orson Welles (Chimes at midnight, 1965).

Na na na na

Op 10 juni jl. publiceerde Het Parool een artikel van Erik Voermans, een oud-collega bibliothecaris en muziekredacteur, over de terugkeer naar de concertzaal, waarin hij zegt er zo naar uit te kijken om zich weer aan medeconcertgangers te kunnen ergeren. Aan de man naast hem die door steeds zachter wordende noten van Mahler begint heen te hoesten, aan de zangeres pal achter hem die door de openingsakkoorden van een opera heen blijft praten, aan het oplichtende venstertje van een mobieltje en ga zo maar door. Niet dat hij zelf ook niet onbewust geluiden maakt, of liever: zijn tikkende horloge, of met zijn geschrijf op de blocnote op zijn schoot. In coronatijd begon hij opeens al die mensen in de zaal te missen. ‘De gedeelde ervaring, al dan niet met neuspiepen en ritselende potterdoosjes. Het contact. De collectieve ontroering, verbazing en ergernis. Het delen van schoonheid, gemaakt door mensen, gehoord en gevoeld door mensen’.
Het is een artikel dat mij deed denken aan een column die ik schreef voor
Literair Nederland (2 februari 2017), die ik als feest der herkenning hier in iets aangepaste vorm herneem.[i]

Na na na na
Vriendelijk vroeg ik de oudere heer een paar stoelen op te schuiven, omdat hij op ‘mijn’ plaats zat. Morrend deed hij dit: ‘Dat zei die mevrouw daarachter net ook al’, antwoordde hij.
Het voorprogramma begon inmiddels en terwijl hij de Filmladder nauwkeurig bestudeerde, stampte hij met één voet het aanstekende ritme van Ne na na na van Christel Samson mee. Ik hoorde twee dames achter me overleggen wat ze met hem aan moesten, als hij dit onder de voorstelling ook bleef doen. Ze slaakten een zucht van verlichting toen hij pal voor de film begon, aankondigde dat hij verkeerd zat en weg beende. Maar zo vroeg op de ochtend draait er nog geen andere film, zodat hij binnen een mum van tijd, nog steeds even kwiek, weer terugkeerde.

Frantz
De film begon. Frantz was het. Ik hield mijn hart vast, want de film opent met een muziekkorps dat door de straten marcheert. Gelukkig, zullen ook de twee dames achter me hebben gedacht, stampte hij de maat niet met zijn voet mee. Sterker nog: kort daarna hoorde ik gesnurk rechts van me. Dat was opgelost. Tot hij op een gegeven moment wakker schrok en moest lachen om een bepaalde scène. En klikte met de tong om uiting te geven aan zijn empathie. De dames achter me hielden zich gelukkig stil.
Want het is eigenlijk best wel leuk zo’n meelevende bioscoopbezoeker. Voer voor sociologen. En dan niet als in een film een hondje of zo doodgaat, want dat brengt een hele zaal altijd in beroering, maar gewoon – bij andere dingen die niemand koud kunnen laten.

Queen Lear
Ik moest denken aan een openbare repetitie twee jaar geleden van de adaptie van Shakespeares King Lear door Tom Lanoye tot Queen Lear voor Toneelgroep Amsterdam. Het was interessant om een stuk vorm te zien krijgen, en een ster als Gijs Scholten van Aschat in een setting als deze te zien zoeken hoe het nóg beter zou kunnen.
Twee mensen voor ons voorzagen het gebeuren op het toneel, waar we met ons neus opzaten, van commentaar. Degene met wie ik de repetitie bezocht, vroeg op een gegeven moment expres nogal hard: ‘Stoor jij je aan dat gepraat?’ [Lees: in plaats van ‘Ik stoor me aan dat gepraat’]. Waarop ik – recalcitrant als ik soms ben – al even hard én gemeend antwoordde: ‘Nee, ik vind het juist leuk om te horen wat mensen ervan vinden.’ Ze hield prompt haar mond, en de bezoekers voor ons gingen gelukkig onverstoorbaar verder.

Glaasje op een tafeltje
Waarschijnlijk had ik het niet meer leuk gevonden als ze dat commentaar onder een ‘echte’ voorstelling hadden gegeven. Al schijnt dat authentiek te zijn; ik hoorde regisseur Nina de la Parra – onder meer assistent bij Toneelgroep Amsterdam – eens zeggen dat dit in de tijd van Shakespeare heel gewoon was. En bij concerten was dat natuurlijk ook lang zo; er stonden in het Amsterdamse Concertgebouw zelfs tafeltjes, zoals nu, met de weinige bezoekers die door de coronamaatregelen vooralsnog in de zaal mogen. Tafeltjes met ons eigen glaasje of kopje erop. Een met zijn voet stampende, met zijn tong klikkende en op z’n tijd hardop lachende meneer tijdens een film, en commentaar leverende mensen tijdens een openbare toneelrepetitie zijn op z’n tijd leuk, maar ik verlang in dit verband wel weer een beetje naar het oude ‘normaal’, waarin iedereen probeert zo stil mogelijk te zijn. Een beetje, want iemand die tijdens een concert bijna in een hoestbui blijft en mij verontschuldigend aankijkt, zal ik alleen maar inlevend toeknikken. Maar dat heb ik altijd al gedaan.

 

Link naar het artikel van Erik Voermans: https://www.parool.nl/kunst-media/terug-naar-de-concertzaal-recensent-erik-voermans-kijkt-er-zo-naar-uit-om-zich-weer-aan-u-te-ergeren~bc8d3ddae/

[i] Het is niet toevallig, dat juist nu er wéér een column op de website van Literair Nederland verschijnt met herinneringen aan een voorstelling. In dit geval een van Eric de Rooij over die van dezelfde Tom Lanoye, in dit geval in ‘t Spant (zoals het toen nog heette) in Bussum: ‘Die lege plek naast me bleek een zegen. De voorstelling zoog me op, tilde me op, niemand leidde me af. Na het applaus, het doek dat sloot, de lichten die aansprongen, huppelde ik langs de rijen met grijze koppen het theater uit, de koude avond in en ik bleef huppelen tot aan station Bussum–Zuid. Dat doet theater, dat doet literatuur. Zo voelt het dus, dacht ik: vrijheid.’ Zie: https://www.literairnederland.nl/vrijheidsdans/

 

 

Loek Zonneveld en William Shakespeare

De afgelopen week overleden theaterrecensent, auteur, docent en dramaturg Loek Zonneveld schreef veel over Shakespeare. Als het een toneelopvoering betrof, die ik zelf ook heb gezien, omdat ik al een kaartje had of er naar aanleiding van zijn recensie alsnog kocht, heb ik de voorbeschouwingen en/of recensies bewaard.

Het eerste is een achtergrondartikel over Driekoningenavond (de Groene Amsterdammer, 5 augustus 2005). Een mooie, klassiek opgebouwde bespreking. Eerst gaat het over de ‘scheur in het werk van William Shakespeare’ en de rol die de nar daarbinnen speelt: grappig en, na 1600, droevig. Dan over Twelfth Night zelf, ‘een donkere komedie over de liefde’, en tenslotte over de opvoeringsgeschiedenis van de laatste tijd in Nederland.
Leve de Groene die Zonneveld naast dit twee pagina’s omvattende stuk ook apart nog ruimte bood voor zijn recensie van één van de opvoeringen: die in Diever. (Ik zag die van de Theatercompagnie, april 2006 en had toen waarschijnlijk nog geen abonnement op de Groene, want het is een kopie van het artikel dat ik heb bewaard).

We springen zomaar vier jaar verder; ik heb waarschijnlijk inmiddels een abonnement. Naar Romeo en Julia. In zijn recensie in de Groene van 13 februari 2009 vergelijkt Zonneveld twee producties: door Rik Engelkes en van Het Nationaal Toneel, die ik zag. In deze recensie toont hij zich tegendraads, afwijkend van doorsnee opvattingen: ‘Geen dichtgemetselde visie op het stuk (zoals hier en daar wel is gesuggereerd) maar het resultaat van een intelligente en frisse herlezing van de tekst door Zandwijk en haar spelers’ van het RO Theater. Om te concluderen dat zij Shakespeares ‘toneelpoëzie dichter bij een breed publiek brengt’. En ook daar is volgens Zonneveld niets mis mee.

De opvoering van Rosencrantz and Guildenstern are dead in mei 2010 kreeg zelfs in de Groene een recensie in twee delen: 29 april en 6 mei. In het eerste deel schetst Zonneveld, net als bij Diekoningenavond, eerst de achtergrond, in het tweede gaat hij dieper in op het stuk van Tom Stoppard over de twee nevenfiguren uit Hamlet en de opvoering door zijn (en mijn) geliefde ’t Barre Land.

Heerlijk is weer zo’n overzichtsartikel over verschillende opvoeringen van Hamlet in het seizoen 2010-2011 (de Groene, 14 oktober 2010). Hierin constateert Zonneveld dat ‘Hamlet als twijfelaar – een klassieke, goethiaans-romantische visie op de tekst – al geruime tijd geleden bij het grof vuil is gezet’, al haalde een oud-collega van mij hem nog in 1995 van stal in haar scriptie over de receptie van Sjostakovitsj, wat aanleiding gat tot een duelletje tussen ons.
Zonneveld kent zijn klassieken en citeert Jan Kott, terwijl hij er tevens – en wel vaker – op wijst dat Shakespeare Montaigne las. Hij weet deze kennis echter zó in zijn artikelen te verweven, dat het past als een handschoen en niet overkomt als een omgevallen boekenkast.
‘Dé ultieme Hamlet’, schrijft Zonneveld in zijn recensie van de opvoering door Toneelgroep Oostpool (2 december 2010) bestaat niet. Daarom kun je hem telkens en telkens weer zien.

Dat geldt overigens voor de meeste Shakespearestukken. De volgende in het rijtje was de onvergetelijke opvoering van De storm door de Toneelmakerij. Een voorstelling die je ‘vooral en absoluut’ niet mag missen, zoals hij aanstekelijk schrijft. Klopte helemaal!
Het was, memoreerde Zonneveld in de Groene van 23 juni 2011, ‘het seizoen van vóór de Grote Afbraak, dat begon met de reprise van Shakespeares De storm, in de versie van Liesbeth Colthof en Rieks Swarte’. Om dan uit te roepen: ‘Allemaal verdwenen, allemaal weg!’ Achter deze noodkreet stak ik een brief van de directeur van de Koninklijke Schouwburg, dat de internationale productie van Hamlet door Schauspiel Graz in de regie van Theu Boermans, waarvoor ik een kaartje had gekocht, is geannuleerd ‘wegens financiële redenen’…

Een enkele keer besprak Zonneveld ook een boek. Op 22 september 2011 was dat Het Boek 1996-2008. De Paardenkathedraal, en 23 september stond ik in de boekwinkel om het te kopen, mede omdat er een registratie bij was gevoegd van Dirk Tanghe’s onvergetelijke opvoering van de Midsummernightsdream die ik in Utrecht zag en nooit zal vergeten.

Dan komen er enkele seizoenen (2012-2016) waarin ik veel Shakespeare-voorstellingen zag, die Zonneveld niet recenseerde. En dan is er opeens een kritische bespreking van Het verzameld werk van William Shakespeare (ingekort) door Het Nationaal Theater (de Groene, 12 oktober 2017): je krijgt er niets in mee van de veranderende, verrijkte, spitsere, intelligentere, vindingrijker en geestiger omvang met het werk van de Bard, noch met hoe rappers, collectieven (’t Barre Land!) en mensen als Tom Lanoye ‘onze verhouding tot Shakespeare in de voorbije dertig jaar beslissend hebben verbouwd en verspijkerd’.

Dat geldt ook voor de manier waarop tal van niet-westerse en oost-Europese  gezelschappen tegen Shakespeare aankijken; ik zag er heel wat van, Zonneveld (recenseerde) er wat minder van – maar had opeens wel een uitgebreid artikel (de Groene 24 augustus 2017) over de regie van Daria Bukvic van Othello.

Hierna houdt mijn verzameling knipsels over Shakespeare door Zonneveld in de Groene Amsterdammer op, maar gaat verder in William, het magazine voor Shakespeareliefhebbers van het Shakespeare Theater Diever dat ik telkens los koop (een abonnement is onmogelijk): een artikel van zes pagina’s over De getemde feeks (zomer 2017/nr. 10, p. 4-9) onder de kop ‘Ruig’ en een bijna even lang stuk met ‘gedachten bij twee scènes uit King Lear’ (voorjaar 2018/nr. 11, p. 4-7).  Met als afsluiting: ‘Wordt vervolgd’.

Dat laatste zal niet meer gebeuren. Het eerste stuk van Shakespeare dat ik komend seizoen zal zien, is uitgerekend King Lear door Toneelgroep Maastricht (buiten Amsterdam overigens, vreemd genoeg). Het zal ook het eerste zijn waarbij ik niet meer hoef uit te kijken naar een voorbeschouwing of recensie van Loek Zonneveld. Verdrietig maar waar. Daarom zal ik tegen die tijd zijn stuk in William herlezen en proberen met zijn ogen naar deze opvoering te kijken. Wordt vervolgd.

Philippe Claudel en William Shakespeare

ShakespeareIn mijn MA-scriptie over het kwaad in de filosofische studie Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel, had ik twee paragrafen opgenomen waarin ik de verwantschap aantoonde met respectievelijk de roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren en met de techniek van het drama-in-het-drama van Shakespeare. In het kader van information overload heb ik deze twee paragrafen er in de herziene versie uitgehaald. Ik presenteer beide hier achtereenvolgens als blog. Dit is de tweede: over Claudel en Shakespeare.

Ik bespreek hier kort de compositorische overeenkomst tussen Claudel en de techniek van het drama-in-het-drama in drie late toneelstukken van William Shakespeare.[1] Met het oogmerk om het kwaad op het spoor te komen. De techniek wordt in verband met Claudel door Caryn James “a shadow version” van het eigenlijke verslag, van het eigenlijke drama genoemd.[2] En door Robert Egan een poging om de werkelijkheid te veranderen door middel van een dramatische illusie, tussen het stuk en de belevingswereld van de toeschouwers. De bedoeling is de thematiek te actualiseren.

Een fraai voorbeeld van illusie, een stijlmiddel waar Claudel ook mee speelt, is het zesde toneel in de vierde akte van King Lear. Het speelt in de buurt van Dover, en Edgar maakt zijn geblinddoekte vader wijs dat hij een heuvel op klimt en de zee hoort. Als hij niet oppast, zal hij zo de zee in storten. Tegen het publiek zegt hij: “Why I do trifle thus with his despair / Is done to cure it” (“Ik speel met de vertwijfeling van zijn hart / Om het te helen”).[3] King Lear zelf staat op dat moment niet op het toneel; zoals Brodeck op het beslissende moment ook niet aanwezig was.
Edgar omschrijft de natuur die Gloucester, zijn vader, niet kan zien, zoals Brodeck en Bertil de natuur beschrijven en Maser (Bormann) zich na de Tweede Wereldoorlog voordeed als landbouwexpert. De natuur wordt op die manier het product van de verbeelding.

Egan beschrijft Gloucester “as an Everyman or Mankind figure”, zoals tot op zekere hoogte ook de Anderer in Claudels roman kan worden gekarakteriseerd.[4] Ook Egan gaat verder op het spoor waarop ik me begeef, wanneer hij stelt dat het Edgar erom gaat “moral and methaphysical means” op het publiek over te brengen.[5]
Bij Shakespeare is dat het idee van een kosmische orde en Egan verwijst daarbij naar Hobbes.[6] Bij Claudel speelt deze orde ook een grote, metafysische rol, gelijk bij Shakespeare: “When the rain came to wet me once and the wind make me chatter, when the thunder would not peace in my bidding” (“Toen de regen mij doornat maakte en de wind mij deed klappertanden, toen de donder niet wilde zwijgen op mijn bevel”).[7] Het impliceert geen structuur of rede, want King Lear, die deze woorden sprak, wordt (of is in sommige opvoeringen al vanaf het begin) gek. “Nature is above art” (“In dat opzicht gaat de natuur boven kunst”), waarbij natuur eerder slaat op nature tegenover nurture dan op de natuur bij Claudel en Lindgren.

Met deze conclusie komen we automatisch bij het laatste stuk van Shakespeare dat Egan bespreekt, The tempest, en met name bij het personage Caliban.[8] Een figuur die sterke overeenkomst vertoont met Orschwir uit Het verslag van Brodeck; beide verbranden aan het eind respectievelijk boeken en het verslag. Caliban verbrandt de boeken van Prospero, de held en protagonist van het stuk die – volgens Caliban – zonder zijn boeken een idioot is (III.ii.91). Caliban “is the amoral, appetitive, suffering self in all of us, ever in search of freedom to satisfy all its hungers – visual, sexual, and emotional – and ever ready to follow any ‘god’ who promises such freedom”.[9]

Prospero is verwant aan de Anderer. Door zijn boeken, en zijn kracht omdat hij – gelijk de oude man in Macbeth – zou kunnen zeggen dat “God’s benison go with you, and with those that would make good of bad and friends of foes!” Prospero is in staat tot een moreel oordeel, geworteld in zijn boeken en – minder – in de werkelijkheid. Hij zou ook Bertil als een mens bejegenen, zoals hij Caliban doet. Zijn behandeling van Caliban doet naar voren komen dat er volgens Egan “a Caliban is in the best of men”. Hij wil “restore a harmony and order to this world in which, presumably (…), Caliban will have [his] place”.[10] Die wereld kan ten goede keren door categorieën als kunst, moraal, reflectie, vergeving, acceptatie, actie en liefde in plaats van ten kwade door wraak. Alleen een wonder kan voor elkaar krijgen dat dit lukt.[11]


[1] Gegevens in deze paragraaf zijn ontleend aan: Robert Egan, Drama within drama. Shakespeare’s sense of his art in King Lear, The winter’s tale and The tempest (New York 1972).
[2] Caryn James, ‘Ethic cleansers’, Sunday Book Review (8 september 2009).
[3] William Shakespeare, King Lear (Antwerpen en Amsterdam 2007) 259-260.
[4] Egan, Drama within drama 23.
[5] Ibid. en 25.
[6] Id., 27.
[7] Shakespeare, King Lear 261.
[8] Egan beschouwt de drie toneelstukken die hij behandelt als een vorm van dialectiek (p. 92): “disorder”, “order” en harmonie (p. 100). Omdat ik hier niet Shakespeare als zodanig behandel, laat ik het tweede stuk (The winter’s tale) buiten beschouwing.
[9] Egan, Drama within drama 95.
[10] Id., 99.
[11] Id., 113-115.

Hamlet

Hamlet_NNTWe schrijven woensdag 25 augustus 1993. Er is naar mijn smaak die avond niets op de televisie dat de moeite waard is, dus zap ik uit armoede weg naar een opvoering van Hamlet van Shakespeare. Opgenomen in het Raadhuis van architect Dudok in Hilversum. In een regie van de Vlaming Dirk Tanghe.
Alweer 20 jaar geleden, maar deze opvoering staat in mijn geheugen gegrift als zag ik haar gisteren; ik zat ademloos aan de buis gekluisterd, overweldigd door zoveel moois. Op die avond werd een grenzeloze liefde voor Shakespeare geboren die tot op de dag van vandaag levend is. Volgens een plagerige vriendin ga ik nog eens op Shakespeare afstuderen …
Er wordt me vaak gevraagd: wat heb je toch met Shakespeare? En dan mompel ik wat over mooi taalgebruik, verbeeldingskracht, diepe ideeën, reminiscenties aan de Bijbel. Shakespeare is geen psycholoog, maar legt wel diepe zielenroerselen bloot. Shakespeare is geen filosoof, maar af en toe hoor je wel Montaigne doorklinken. En ga zo maar door.

Natuurlijk, ik werd meteen gegrepen door het schitterende taalgebruik en de mooie metaforen. Het is zoals de nar in A Midsummernightsdream zegt: ‘And we strive to please you every day.’ Het zijn vooral de grote monologen met hun poëtisch taalgebruik die je bij tijd en wijle de adem benemen; de beelden rollen over elkaar zodat je nauwelijks tijd krijgt ze tot je door te laten dringen en wat wordt gezegd bij te benen.
En dan hebben we ’t nog niet eens over de manier waarop Shakespeare bestaande verhalen naar zijn hand zet, wikt en weegt en tegen alle verwachtingen in omdraait; uitgerekend bijvoorbeeld Caliban, zoon van een heks en dienaar van een magiër, spreekt in The Tempest de mooiste regels.
Allemaal redenen om zoveel mogelijk opvoeringen van zijn werk te willen zien; telkens valt een ander accent te ontdekken, valt een ander licht op een detail, wordt een ander verband gelegd dat je hart sneller doet kloppen.
Neem één van de laatste opvoeringen van Hamlet die ik zag, door het Noord Nederlands Toneel (NNT) in een regie van Ola Mafalaani. Daarin sloegen de beroemde woorden ‘To be or not to be’ niet alleen op leven en dood, maar vormden in de ingedikte versie het motto van het er hier direct op volgende toneelstuk in het toneelstuk. Het motto werd daarmee een waarheid als een koe die in het toneelstuk in het toneelstuk werkelijkheid werd.

Ook als ik terug denk, is en blijft het vooral dat toneelstuk in het toneelstuk in dit Stuk der Stukken dat mij in ’93 al op deed veren; kunst die van de werkelijkheid waarheid maakt, het leven weerspiegelt als een wilg in het water.
Die spiegelingen vormen samen met stereotypen die worden omgekeerd de rode draad die ik uit elke opvoering trek. Zoals in The Winter’s Tale Hermione (de vrouw) zichzelf rationeel en vermanend toespreekt en koning Leontes (de man) emotioneel reageert. Met een mooi woord metanoia: ‘God’s benison go with you, and with those that would make good of bad, and friends of foes’ zegt de oude man aan het eind van de tweede acte in Macbeth. Een adagium met Bijbelse proporties, van vloek tot zegen als in het verhaal over de ezel van Bileam in Numeri.
De waarheid is werkelijkheid geworden, zoals Pyramus en Thisbe in A Midsummernightsdream een harmonische toestand bereiken, elkaar tot hun recht laten komen. Dat is het iconische van Shakespeare: doorkijkjes geven die tragedie en komedie te boven gaan.
Kunst kan de wereld weliswaar niet verbeteren, maar wel tot inzicht leiden.

Soms vang je in het werk van Shakespeare een glimp van een harmonische wereld op. Wanneer een spiegeling de empathie bereikt zoals een Rogier van der Weyden die in lichaamstaal uitdrukt op zijn Kruisafname (Prado, Madrid), zoals Gloucester en Lear tegelijk op de grond vallen King Lear in de recente opvoering van het Barre Land.
Een catharsis, een bevrijding zoals in het laatste toneelbeeld van Hamlet in de opvoering door het NNT: een tiental lampen die uit het plafond naar beneden komen en heen en weer wiegen. Of, zoals György Lukács (in een essay over Thomas Mann) schreef: ‘In Shakespeare’s grootste tragedies, in Hamlet, in Lear, schijnt aan het slot het licht van een uit de tragische duisternis opstijgende nieuwe wereld (…). Is het niet voldoende dat het visioen van deze nieuwe wereld in staat is om aan het licht en de schaduw in het tragische zelf de juiste maatschappelijk-geestelijke, artistieke proporties en accenten te geven?’

Bij de nieuwe vertaling van Shakespeares Hamlet door Peter Verstegen en de opvoering van de bewerking van Tom Lanoye komend theaterseizoen.