In de palm van Zijn hand gegrift

Na Haarlem (Ph. Frankplein, 2012) en Heemstede (Vrijheidsdreef, 2016) heeft nu ook Bloemendaal, bij het bevrijdingsmonument (Hartenlustlaan) een door Patrick van der Vegt ontworpen namenmonument ter herinnering aan de 123 joden die uit het midden van Bloemendaal zijn weggevoerd en niet meer terugkwamen.
Ze vormen tezamen, en stuk voor stuk, een indrukwekkende herinnering waarin de hand van de maker valt te herkennen.

In het monument te Bloemendaal kun je naar believen denk ik primair een bima (de verhoogde plaats in de synagoge vanwaar uit de Tenach wordt gelezen) of een katheder herkennen. Bij het vooraanzicht lees je aan drie kanten de namen, aan de achterkant staat in het midden een afbeelding. Het geheel rust op een jodenster waarop de namen van de concentratie- en vernietigingskampen staan gebeiteld.

Het eerste beeld, dat van de bima c.q. katheder, vind ik mooi en raak gekozen. Net als het feit dat aan de achterzijde de zijkanten open zijn gehouden. Het is als een waarschuwing: de jodenvervolgingen kennen geen einde en we moeten ervoor waken en vechten dat ‘het’ niet nog eens gebeurt, én het is als een verbeelding van de toekomst: het móet een einde kennen, er mogen niet nóg meer namen bijkomen. Het is genoeg geweest.

Met de sokkel, de jodenster en de namen van de kampen, heb ik wat meer moeite. Natuurlijk, het is het teken dat de joden op hun kleding moesten naaien. Maar het vormt een deel van de joodse identiteit, waarbij ik denk aan de zogenaamde schijf van vijf van Ido Abram. Hierin heeft de sjoah en het antisemitisme, de vervolging (en voegt hij toe: overleving) natuurlijk een nadrukkelijke plaats, in het midden. Na de joodse religie, cultuur en traditie, na Israël (Zionsverlangen en zionisme) en voor iemands persoonlijke levensgeschiedenis en de Nederlandse cultuur en omgeving.

Je zou haast wensen dat de drie namenmonumenten van Van der Vegt qua beeldvorming in elkaar overvloeien, zoals dia’s dat kunnen doen. In mijn gedachten vervang ik de jodenster dan graag door het opengeslagen boek zoals dat in Heemstede vorm is gegeven. Geen beeld van de dood, maar als het boek des levens (Maleachi 3:16), waarin 123 namen van de weggevoerde inwoners van Bloemendaal zijn bijgeschreven, als in de palm van Zijn hand gegrift (Jesaja 49:16). Voor mijn gevoel doet dit het joodse denken meer recht. Wat nadrukkelijk niets afdoet aan het feit dat we altijd moeten blijven herinneren en gedenken.

Foto’s: Peter Folstar

Hannah Arendt

Elke maand belicht Filosofie Magazine één grote filosoof wiens leven en werk van grote invloed zijn geweest. Deze maand is dat Hannah Arendt. De redactie van Filosofie Magazine selecteerde de belangrijkste boeken. Haar drie in het Nederlands vertaalde werken (Denken, Oordelen en Willen) besprak ik alle drie voor NBD Biblion (zie elders op deze blog). Voor de Open Universiteit Nederland schreef ik in 2013 een werkstuk over haar. De inleiding neem ik hieronder als blog over.

Het belangrijkste boek van Hannah Arendt is The human condition (De menselijke conditie, 1958). Oorspronkelijk had zij het Amor Mundi willen noemen, liefde voor de wereld. In dit boek werkt Arendt haar ideeën uit over een actief leven (vita activa) in de publieke sfeer. Dit leven plaatst zij tegenover de vita contemplativa, het beschouwende leven dat in de westerse filosofie vanaf Plato de boventoon voert. “Haar liefde voor de wereld was bijna een moreel appèl”, zegt de filosofe Susan Neiman in een televisie-interview, “om er op één of andere manier aan bij te dragen dat hij niet ontspoort, anders verraden we de volgende generatie.”[1]

Arendt onderscheidt in The human condition drie menselijke activiteiten: arbeid, werk en handelen. Het eerste behelst het leven an sich, het biologische proces van de wieg tot het graf alsmede de eerste levensbehoeften, en – volgens de uitleg van Heinz Paetzold (Universiteit van Kassel) – uiteindelijk de plaats van de mens in de consumptiemaatschappij.[2] Een maatschappij die onder kritiek wordt gesteld. Werken slaat op de wereld der dingen, producten van kunst en cultuur, en handelen voltrekt zich tussen mensen en is de conditie voor iedere vorm van politiek samenleven – woorden en daden ineen.

Wat hier ontbreekt, is dus het denken, de bron van alle waarheid die men meende te vinden in het Idee of “het transcendente Woord Gods.”[3] Denken maakte Arendt tot onderwerp van wat zij ooit “een soort tweede deel van De menselijke conditie” noemde: Thinking (Denken, 1971).[4] Dit denken “relateert ons aan de wereldse zaken in het heden zoals we daarmee geconfronteerd worden, en produceert via de verbeelding voorstellingen of ‘nabeschouwingen’ waar de andere geestvermogens mee kunnen werken.”[5]

Alle drie de geestesvermogens (denken, willen en oordelen) vallen niet los van elkaar te zien en zijn net als arbeid, werk en handelen op elkaar betrokken. Zonder dat het één ten dienste staat van het ander. Elke vorm van instrumentaliteit is vreemd aan het denken van Arendt. “Zij gaat er namelijk van uit dat het instrumentele handelen alles van zijn intrinsieke waardigheid berooft; het vernietigt elke permanente betekenis en leidt tot een ‘ontwaarding van alle waarden’; het ondermijnt aldus de objectiviteit, de duurzaamheid en de stabiliteit van de woonvorm, die [ze] wereld noemt.”[6]

Bovenstaande gedachtegang en het aansluitende citaat leiden regelrecht naar de uitspraak uit De crisis in de cultuur die mij aanzette tot het onderzoek:

Kathedralen werden gebouwd ad maiorem gloriam Dei (tot meerdere glorie van God); hoewel ze als bouwwerken zeker de noden van een gemeenschap dienden, kunnen deze behoeften hun verfijnde schoonheid nooit verklaren – ze konden evenzeer door een banaal bouwsel gediend worden. Hun schoonheid transcendeerde alle behoeften en maakte deze kathedralen door de eeuwen heen duurzaam. Maar terwijl de schoonheid, zowel de schoonheid van een kathedraal als deze van om het even welk seculier gebouw, noden en functies transcendeert, nooit overschrijdt zij de wereld, al is de inhoud van het werk toevallig religieus.[7]

[1] Susan Neiman in: Ikonhuis. De Nieuwe Wereld. Talkshow met Colet van der Ven (3 mei 2015).
[2] Heinz Paetzold, ‘Arendt en Kant. Politieke filosofie in cultuurfilosofisch kader’ in: Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa. Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) (Budel 2002) 64.
[3] Elisabeth Young-Bruehl, Het belang van Hannah Arendt (Amsterdam 2007) 84.
[4] Idem, 161.
[5] Idem, 185-186.
[6] Antoon Van den Braembussche, ‘De totalitaire verleiding. Hannah Arendt en de stilte van Heidegger’ in: Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa (Budel 2002) 94.
[7] Arendt 1995, 49-50. Interessant is dat Arendt het hier ook over noden heeft. Ook dan gaat het om het overschrijden van dingen die ons overkomen. Daardoor kon transcendentie een sterke kracht ter overleving zijn in de concentratie- en vernietigingskampen, waar kunst voor sommige gevangenen troost bij uitstek was. Zie: Nico Rost, Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945 (De Bilt, 2015).

De vreugde van het inzicht

Op driekwart van het boek Spinoza en de vreugde van het inzicht beschrijft Kees Schuyt de ruwweg twee tegengestelde lezingen van Spinoza in het algemeen en diens Ethica in het bijzonder: ‘Een naturalistische (lees: natuurwetenschappelijke) interpretatie versus een emanciperend-bevrijdende interpretatie, die vanuit een modern-humane mensvisie het zelfbepalende individu centraal stelt.’
Schuyts denken zou je onder de tweede manier van lezen kunnen scharen, wat hij verderop omschrijft als ‘een bevrijdingsfilosofie, die mensen kan leren welgezind en soms zelfs met vreugde van het leven te genieten.’ Hij schrijft over inzicht dat richting geeft ‘aan ons eigen actieve handelen’  en ‘als richtsnoer voor de inrichting van de samenleving en een democratische staatsvorm.’

Tegenover deze heldere, compacte omschrijvingen staan soms woordkeuzes die hiermee in strijd zijn, of op z’n minst een andere achtergrond verraden. Niet zozeer van de auteur, maar in algemene zin, zoals: ‘goede werken’ voor ‘actief handelen’, wat eerder rooms-katholiek overkomt, terwijl de ‘twee gedaanten waarin God/Natuur voorkomt (naturans en naturata) haast de triniteitsleer van de kerk nadert. Dit kan in beide gevallen bij de monist en de met het joodse denken vertrouwde Spinoza niet de bedoeling zijn.

Daar staan gelukkig ook de vele passages tegenover die het als moeilijk te kenschetsen denken van Spinoza verhelderen. Kort en krachtig, als gezegd, zoals: ‘Het wezen van de mens is in redelijkheid streven naar eenwording met God. Het middel daartoe is kennisverwerving’ of: ‘Het hóógste goed, dat bestaat in de vereniging van de ziel met God en van de mens met God. Door kennis de allerhoogste liefde bereiken; dat is de liefde voor God, die eeuwig en onvergankelijk is. Is men tot dit inzicht gekomen, dan ervaart men gelukzaligheid, dan wordt men een fundamentele instemming met het bestaan.’ En: ‘vrijheid (…) wordt gevoed door karaktervorming en uitgedrukt in een bepaalde wijze van leven of in een levenshouding.’

Gelukkig neemt Schuyt mijns inziens afstand van de opvatting dat Spinoza een determinist was in de huidige betekenis van het woord en de vrije wil geheel ontkende. Zelfs dat hij het beter zou hebben geweten dan huidige hersenwetenschappers als Swaab met zijn boek De vrije wil bestaat niet. Of, zoals Schuyt het zelf verwoordt: ‘Mensen [hebben] de mogelijkheid tot een bepáálde mate van vrijheid, vrijheid als zelfbepaling, specifiek verbonden met de richtlijnen van rede en redelijkheid, leren inzien en daarnaar proberen te leven.’ Dit geldt volgens Schuyt alleen voor mensen, want noodzakelijk leven volgens de eigen natuur gaat alleen op voor God/Natuur (brief aan Schuller, oktober 1674).
Schuyt geeft terecht aan dat Spinoza’s idee van het zogenaamde parallellisme tussen stof en geest (liever: de twee gelijktijdig rollende kanten van een muntstuk) in de neurologie en neurofilosofie inmiddels achterhaald zijn beschouwd.

De auteur van dit boek was voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, in welke hoedanigheid ik hem een keer heb ontmoet en gesproken. Op het terrein van Spinoza is hij een liefhebber in de goede zin van het woord; de vreugde van het inzicht spat soms van de pagina’s af, bijvoorbeeld in een omschrijving naar aanleiding van het derde deel van de Ethica: ‘Heerlijk om te lezen’ of van het vierde deel: ‘Een genot om te lezen.’
Elders beschrijft Schuyt hoe bij Spinoza is uitgekomen: een boek van Terrence des Pres over de rol die de conatus (in de vertaling van Spruyt een ‘dynamisch, evenwicht zoekend ontwikkelingsbeginsel’) ‘speelde bij het overleven in de werkkampen van de Sovjet-Unie en in de concentratiekampen van nazi-Duitsland.’ Hiermee nuanceert hij tevens het conatus-begrip, omdat Spinoza de hoop die overlevenden beschreef juist wantrouwde, en daar troost voor in de plaats stelde.

Dit maakt zijn boek tot een sympathieke en geëngageerde studie. Een enkele keer met dermate lange, ingewikkelde zinnen die je een paar keer moet lezen om te begrijpen wat de schrijver bedoelt, zoals: ‘Deze tegenstellingen worden nu met een uitdrukkelijker doel beschreven en geanalyseerd, namelijk om te laten zien, enerzijds ….’ enz. enz. Ook de structuur had mijns inziens wat strakker gekund.
Een voorbeeld van zo’n sympathiek overkomende en geëngageerde passage betreft die waarin de auteur afstand neemt van de hedendaagse, relativistische uitleg van goed en kwaad. Schuyt stelt dat natuurlijk kwaad (een aardbeving) dicht bij moreel kwaad kan liggen (oliewinning die willens en wetens plaatsvindt).

Het boek is geen hagiografie, wat blijkt uit een zinsnede over de Politieke Verhandeling: ‘Onder de uitvoerige en regelmatig saaie bespreking van de aristocratische staatsvorm dreigt eveneens de hoofdboodschap verloren te gaan’, al zou een goede redacteur behalve de ingewikkelde zinnen eenvoudiger maken ook hier goed werk hebben kunnen verrichten door het overbodig overkomende woordje ‘eveneens’ te schrappen. Hoezo: eveneens?
Ook uit Schuyt kritiek op het essentialistische denken van de zeventiende eeuw: ‘Spinoza leidt de essentie van “de” vrouw af uit de natuur, maar in feite volgde hij de heersende sociale gewoonten en gebruiken van zijn tijd’, wat hij niet als een excuus ervaart.
Uit zijn (persoonlijke) conclusies blijkt dat Schuyt kanttekeningen bij zowel Spinoza’s denken als de receptie daarvan niet schuwt, die hij soms als hij ‘te rigide, te stellig of te dogmatisch’ ervaart.

Dit boek is uitermate geschikt voor zowel lezers die willen kennismaken met Spinoza’s denken als voor lezers die daarmee al wat vertrouwd zijn, voor wat Schuyt de ‘conversation of mankind’ noemt. Wat tevens inhoudt dat hij ook heel wat kritiek te verduren zal krijgen …

Kees Schuyt: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Uitgeverij Balans, Amsterdam (2017), ISBN 978 94 600 34060, € 34,95

Commentaar op deze blog is te vinden op: http://bdespinoza.blogspot.nl/2017/07/els-van-swol-besprak-kees-schuyts-boek.html#comment-form

De wilde jaren

van-aken_de-wilde-jarenIn ‘mijn’ bibliotheekfiliaal staat een zogenaamde Weggeefkast. Af en toe neem ik er wel eens een boek uit mee, en een enkele keer zet ik er ook wel eens wat in terug.
Onlangs viel mijn oog op een oude ABC-pocket: De wilde jaren van de Vlaamse schrijver Piet Van Aken. Nu ben ik sinds een verregende vakantie, jaren geleden in Brugge waarin ik wat boeken van Vlaamse auteurs kocht, verslingerd geraakt aan Vlaamse literatuur. Dus ik keek niet verder dan de achterflap en dacht: ‘Pak, ik heb je!’
Een gegeven paard mag je niet in de bek kijken, maar hier ligt het toch een beetje anders: moet ik degene die het boekje hier achterliet nu dankbaar zijn of juist niet? That ’s the question.

De eerste zin van het boek gaf me meteen al een klap in het gezicht: ‘De Jood hoorde de woorden maar scheen ze niet te begrijpen.’ Het gaat om een juwelier (zou het boek in Antwerpen spelen?) die wordt beroofd. Het ene sjabloon buitelt over het andere: de man gebaart druk, is vast gekoppeld aan zijn vrouw (‘zij koppelen als konijnen’, wat me overigens een contaminatie lijkt), joden zijn lijdzaam, ‘het is geen zonde een mozes koud te maken, niet voor een goed gelovige’ en ga zo maar door.

Af en toe schemert er ook een ander wereldbeeld door: bij de ik-figuur hadden twee joodse kinderen, Yudi en Rebecca, ondergedoken gezeten, die echter door de oorlog (!) werden weggehaald. ‘Nadien werd nooit meer over hen gesproken.’ Ook de moeder van de hoofdpersoon, Bennie, ‘was door de Duitsers weggevoerd.’

Ik ga zo twijfelen aan de bedoelingen van Van Akens personages en aan die van de schrijver zelf, die ik alleen van naam kende en van wie ik zover als ik me herinner nooit eerder iets las, al hoort hij volgens de achterflap van deze uit 1963 daterende pocket (zie foto) al dan niet terecht thuis in het rijtje ‘van de werkelijk belangrijke Vlaamse romanschrijvers als Elsschot, Walschap, Gijsen, Boon en Claus.’

Een raadgeving van Arjen Fortuin, één van de docenten tijdens een Masterclass Recenseren afgelopen herfst in Utrecht indachtig, ga ik nog niet op zoek naar informatie over de schrijver en/of deze titel.
Eerst nog maar even verder lezen. Over een ‘enggeestig dorp’, sigaretten van eigen bodem en de vader van Bennie die in zijn leven slechts één boek had gekocht: ‘Over de gruwelen in concentratiekampen.’ Maar dat was volgens zijn zoon loutere een uiting van ‘perverse wellust van de masochist.’

Hier is een schrijver aan het werk geweest die zijn personages aan de ene kant anti-joodse ideeën in de mond legt, en aan de andere kant ze daar ook weer aan laat twijfelen.
Op internet is niet al teveel over Van Aken te vinden. Ik lees dat hij gedurende de Tweede Wereldoorlog publiceerde in Westland, ‘een tijdschrift opgericht door de bezetter, dat ook antisemitische teksten publiceerde naast relazen van het Oostfront.’[1]
In het boek over Nederlandstalige letterkunde dat wij op de middelbare school gebruikten, Schets van de Nederlandse letterkunde van De Vooys en Stuiveling, valt daar niets over te vinden. Wel over het feit dat in Van Akens werk ‘landschap en volksaard belangrijke factoren zijn’ en er sprake is van ‘moeilijkheden van nieuwe aanpassing in het na-oorlogse België.’

Een andere docent bij de Masterclass Recenseren, Jaap Goedegebuure indachtig, sluit ik deze blog af met een essayistisch stukje; volgens hem moet een recensie een klein essay zijn. Daarbij is de context van het moment waarop ik deze pocket las onontbeerlijk. Op hetzelfde moment is namelijk in de pers commotie over het oorlogsverleden van de Duitse filosoof Martin Heidegger. In zijn geval is misschien het ergste dat hij zijn lovende woorden over Hitler en zijn kwade woorden over joden nooit heeft teruggenomen.
Over Van Aken, wiens personages overkomen als twijfelaars die misschien ooit hun wilde jaren achter zich laten, zal ik geen oordeel vellen. Wel ben ik degene die het boekje van hem in de Weggeefkast van mijn bibliotheek zette uiteindelijk, na ook wat getwijfel, dankbaar; het zette aan het denken. En dat is wat literatuur kan doen.

[1] De levensschets van Van Aken zelf die Ed Popelier citeerde (in de reeks literaire monografieën onder de titel Ontmoetingen, 1972) springt van de middelbare school direct over naar de tijd na de Tweede Wereldoorlog. In de beschrijving van de roman gaat Popelier ook geenszins in op de anti-joodse elementen erin. Hij gaat wel in op de al dan niet vermeende fascistische tendensen in Van Akens De verraders.