Transcendentie, transformatie

Elk jaar wordt een Kerkmeester gevraagd een tentoonstelling te maken voor het middenschip van de Grote Kerk in Veere (zie foto links). Dit jaar is dat de in Middelburg wonende Marinus Boezem (1934). Hij benadrukte al eerder, onder meer in de Amsterdamse Oude Kerk (Labyrinth, 2016), de verticaliteit van zo’n gotische kerk. Beide tentoonstellingen kun je dan ook in het verlengde van elkaar zien. Het zijn gordijnen en wind die samen een installatie vormden en vormen. Zelfs het borduren van in het geval van Amsterdam de plattegrond van de kerk (Gothic Gestures) komt terug en in Veere, waar het gaat om de nooit voltooide toren van de kerk.

Renaissanceschilderijen en Newman
Je kunt bij het conceptuele werk van Boezem aan twee voorbeelden denken, hoewel de uitwerking een andere is. In de eerste plaats aan renaissanceschilderijen waarop gordijnen een fictieve ruimte in tweeën verdelen. In de tweede plaats aan Right Here (1954) van Barnett Newman: een verticale lijn van olieverf op doek (Stedelijk Museum Amsterdam, zie afb. rechts).
De achterliggende vraag die de oude schilderijen opwierp (waar bevindt de beschouwer zich: binnen of buiten?) wordt in de eerste opzet vervangen door: waar bevindt de bezoeker zich: voor of achter het gordijn? Zoals Boezem in 1969 in het Stedelijk Museum in Amsterdam uit de ramen van de eerste verdieping beddengoed naar beneden liet hangen; wat is binnen, wat is buiten, wat is museum, wat openbare ruimte? Bij Newman is de vraag: wat doet deze lijn met je als toeschouwer?

Hang naar het transcendentie
De gotiek is in de visie van Boezem, volgens curator Lorenzo Benedetti in de tentoonstellingskrant van de expositie in de Oude Kerk destijds (zie foto links), ‘met de kathedraal als letterlijk hoogtepunt, een metafoor voor de hang van de mens naar het transcendente: het verlangen om op de stijgen en al het aardse achter zich te laten.’
Dat de kunstenaar altijd al wat heeft gehad met gotische bouwkunst, weten we. Met als bekendste werk, – dat in de volksmond ‘de Groene Kathedraal’ (1987) is gaan heten -: de 178 Italiaanse populieren in de Noordoostpolder bij Almere, die samen de vorm van een kathedraal hebben.

Zo transformeert Boezem telkens eenzelfde grondidee tot iets anders. In de Oude Kerk van Amsterdam, de Grote Kerk in Veere, het Amsterdamse Stedelijk Museum en in de Noordoostpolder. En telkens is het de moeite van een reis(je) waard. Letterlijk of in je hoofd. Want je er een voorstelling van maken is niet zo moeilijk.

De expo Kerkmeester Marinus Boezem – installatie, is te zien t/m 29 oktober 2023.
Info en tickets: https://grotekerkveere.nl
De foto bovenaan deze blog is aan deze website ontleend.

De tweede helft

Onlangs verscheen mijn boek Tweespraak. Muziek in de gedichten van Anna Enquist (zie afb. rechts en link onderaan deze blog).
Hieronder treft u, om er een idee van te krijgen, een kort hoofdstuk aan. Over de bundel
De tweede helft (2000) van Anna Enquist.

1 De bundel
De omslag van deze bundel wordt gesierd door het bekende schilderij Snijden aan gras (1966) van Co Westerik[1]. Eerder koos Enquist al een doek van hem voor het omslag van haar debuutbundel, Soldatenliederen. Nu betreft het een grasspriet die in een vinger snijdt. De grasmat van een voetbalveld, Enquists geliefde sport waarover ze ook schreef, maar het is ook de snee die het leven in een eerste en tweede helft verdeelt.

Deze bundel is verdeeld in vijf afdelingen: ‘De plaatsen’, ‘Achteruit’, ‘De wegen’, ‘Vooruit’ (waarin het titelgedicht ‘De tweede helft’) en ‘Stilstand’.
In deze bundel staat slechts één gedicht over muziek: ‘Mozarts uitzicht’ [2]. Het is een gedicht in twee strofes van elk zeven regels (een septet), samen veertien regels.

Van Mozarts composities worden twee werken genoemd: het ‘Lacrimosa’ uit het Requiem en de opera Le Nozze di Figaro, maar ze staan niet onderaan het gedicht vermeld, als ‘bronvermelding’, zoals in Soldatenliederen, of als titel bovenaan, zoals ‘Erbarme dich’ (de aria uit Bachs Matthäus Passion), een klassiek sonnet in Jachtscènes, en zoals bij ‘Ik speel de Serenade van Suk’ in Een nieuw afscheid.

2 Mozarts uitzicht
Eerst het gedicht zelf. Het is een verhalend gedicht dat in twee strofen van elk zeven regels uiteenvalt en dat gaat over een gezin dat drie dagen de koortsige muzikant Mozart achterna loopt. Dit koortsige wordt uitgedrukt in de ritmische afwisseling van lange en korte klinkers: “Door Wenen” (r. 1, lang) en “muzikant achterna” (r. 2, kort), “traptreden” (kort) en “kroop” (r. 3, lang), “blote handen” (r. 4, kort) en “schoorsteen” (r. 6, lang), “Japanse vrouwen” en “Lacrimosa” (r. 9, kort), “koptelefoons” en “Spanjaarden” (r. 9), “floten de Figaro” (kort) en “schoolkinderen renden” (r. 10, lang en kort) “rond” en “muren” (r. 11, kort), “wangen” en “raam” (r. 13, kort en lang), “zagen wat gezien was: de Bloedsteeg” (r. 14, allemaal kort op Bloedsteeg na).

Als lieux de mémoires worden de traptreden beklommen, waar eens Mozart overheen rende. Om hen heen horen ze flarden muziek uit koptelefoons en in het gefluit van Spanjaarden. Ze zien kinderen die rond vitrines in hoogstwaarschijnlijk het Mozarthaus rennen, en ze zien wat Mozart eens zag: de Blutgasse, de Bloedsteeg bij het Mozarthaus.
Wat opvalt, is dat de ik-figuur dit allemaal niet alleen waarneemt, maar als onderdeel van een familie met de verwanten deelt, als gezamenlijke ervaring van leven (Le Nozze di Figaro) en dood (Requiem en Blutgasse). Al is het verhaal dat over de Blutgasse de ronde doet, namelijk de moord op Tempeliers (1312) die op deze plaats zou zijn voltrokken – overigens niet vermeld in het gedicht – een legende.

Dit brengt mij naar het door Enquist zeer bewonderde werk van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernard (1931-1989), over wie in haar Tegenwind een uitgebreid essay is opgenomen, gebaseerd op een ongepubliceerde en verloren gegane lezing[3]. Op een gegeven moment heeft Enquist het over Bernards “ontroerende roman Alte Meister”. Ze schrijft dat hij “troost kan zoeken en vinden bij de mensen tegen wie hij zich vroeger moest afzetten”[4]. “Het is”, schrijft ze, “alsof Thomas Bernard (…) zich een (…) bestaan heeft kunnen gunnen met zijn familie”[5].

In 2000 schreef ik een kort artikel over de “prachtige, korte roman Alte Meister, zijn meest humane boek”[6]. Een boek waarin de verhouding tussen beeldende kunst en muziek centraal staat, zoals literatuur en muziek in de onderhavige gedichten van Enquist. De hoofdpersonen, zaalwacht Insigler in het Kunsthistorisch Museum in Wenen en muziekfilosoof Reger spiegelen elkaar. Die spiegelingen zitten ook in de overpeinzingen over Francisco Goya (1746-1828) en Beethoven, natuur en kunst. Uiteindelijk blijkt dat Reger in de kunst vlucht om aan het leven te ontkomen. Hij gaat naar de oude meesters kijken (met name Tintoretto’s Portret van een man met witte baard) om verder te kunnen leven na de dood van zijn vrouw. Totdat hij op een gegeven moment ontdekt dat het allemaal leuk en aardig is om dat alleen te doen, maar dat het veel mooier is om dat met anderen samen te ondernemen. Het gaat hem niet om ‘een’ man met een witte baard op een schilderij, maar om een mens in levenden lijve.

Het is niet moeilijk deze conclusie specifiek te verbinden met het gedicht ‘Mozarts uitzicht’ van Enquist: het is mooi te kijken met de ogen van Mozart, maar veel mooier om dat samen met anderen, in dit geval het gezin van het lyrisch ik, te doen. Het doet pijn wanneer een deel daarvan – een echtgenote, een kind – is afgesneden.

[1] Zie: https://www.stedelijk.nl/nl/collectie/306-co-westerik-snijden-aan-gras
[2] Enquist, A. (2000). Gedichten 1991-2012, p. 271. Amsterdam: De Arbeiderspers.
[3] Anna Enquist, ‘De paardendeken’, in: Tegenwind, p. 115-125.
[4] Id., p. 123.
[5] Id., p. 125.
[6] Swol, E. van (2000). ‘Thomas Bernard: Alte Meister, in: De Rode Leeuw, nr. 120, 20 juni 2000, p. 8-9.

https://gopher.nl/shop/title.asp?id=14230
https://www.bol.com/nl/nl/p/tweespraak/9300000153232262/?bltgh=lpq0Rk1qttUDdizDVvFDDw.2_6.7.ProductPage

 

Zwenkingen door de tijd

Derk Sauer schrijft in Het Parool (8 juli 2023) over de Hermitage in Amsterdam. Volgens hem haalt directrice Annabelle Birnie de begrippen ‘Rusland’ en ‘Russische kunst’ door elkaar. Hij verwijst o.a. naar de tentoonstelling Russische avant-garde | Revolutie in de kunst, ‘samengesteld door de onvolprezen Sjeng Scheijen’ die werd gesloten kort nadat Rusland Oekraïne was binnengevallen.
Ik had de tentoonstelling nog net daarvoor gezien en er een recensie over geschreven voor 8WEEKLY, die door de sluiting van de tentoonstelling en het museum niet werd geplaatst. Omdat het een tijdsbeeld geeft, herplaats ik de bespreking met toestemming hier.

Vijfhonderd werken, drie periodes: voorlopers tijdens de tsaren, avant-gardisten gedurende de revolutie (1917) en navolgers tijdens het bewind van Stalin. Grofweg de tijd van 1913-1930.

Toch kun je de tentoonstelling Russische avant-garde niet bekijken zonder de huidige constellatie in Oekraïne met je mee te dragen. De hele tentoonstelling in de Hermitage Amsterdam door. Vijfhonderd werken lang: op canvas, op papier, in textiel en als porselein. Véél porselein. Heel veel porselein.

Vazen met traditionele landschappen die wel erg vloeken met Kandinsky’s Landschap (1913), maar ook zogeheten ‘agitatieporselein’, dat wilde aanzetten tot revolutionaire acties. Met hamer, sikkel en tandwiel.
Zaal na zaal kom je zulk porselein tegen: rechts in vitrines, links foto’s uit dezelfde tijd met menshoge vazen in een vitrine ervoor. Alleen al de geschiedenis van de Staatsporseleinfabriek in St. Petersburg, zwenkend met alle politieke voorkeuren mee, is een studie apart waard.

Doorwerking en hervorming
In de eerste zaal, met die blauwe vazen met landschappen en de Kandinsky – die overigens opgroeide in Odessa (Oekraïne) – , kun je nog denken dat het een breuk was: voorlopers, avant-garde en revolutie, maar je komt er al snel achter, dat de oude beeldtaal doorwerkt of wordt hervormd. Neem de beeldengroepjes van bijvoorbeeld Natalia Danko. Zó weggelopen uit eerder tijden. En toch: de onderwerpen zijn anders. In de jaren dertig komen we haar nog steeds tegen.
Hoe de oude beeldtaal wordt hervormd, zien we in het olieverfschilderij Aan de oever (1924) van Koezma Petrov-Vodkin. Gastconservator Sjeng Scheijen wijst in de audiotour op de blauwe en rode rokken, die vooruitwijzen naar de vlakken op abstracte schilderijen.

Opeens zijn de vlakken niet meer blauw of rood, maar wit: we zijn bij Malevitsj en diens suprematisme aangekomen. Dat wil zeggen: de zuivere ervaring van beeldende kunst en architectuur. Wit staat voor puurheid. Malevitsj was van origine een Pool die werd geboren in Kiev (West- Oekraïne), dat ooit deel uitmaakte van Polen. Van hem hangt op de tentoonstelling een derde kopie die hij rond 1932 maakte van zijn beroemde Zwarte vierkant (zie afb. bovenaan). Hier aan een kleine muur, op ooghoogte, hoewel het kunstwerk, zoals bekend, in een huiskamer op dezelfde plaats werd opgehangen als een icoon: in een hoek, tegen het plafond aan. Er zit een kreukeltje in, net zo goed als je aan het witte, suprematistische porselein soms kunt afzien dat rechte hoeken heel moeilijk waren te maken.

Navolgers en sociaal realisme
Onder de noemer ‘navolgers’ van de revolutionairen komen we in een kabinet de Nederlandse Stijlkunst tegen, maar dan gaat het meteen al weer verder naar de zwenking die in dit geval (de School van) Soejetin maakte richting sociaal realisme. Nikolai Soejetin was een leerling van Malevitsj. Hij werkte van 1923-1924 in de Staatsporseleinfabriek, waar hij suprematistische vormen en schilderingen ontwierp. Zijn navolgers lieten zich meer gelegen liggen aan de opdracht om in de stijl van het sociaal realisme te werk te gaan. Scheijen legt in de audiotour uit waarom: de leugens die werden verteld over de mislukte landbouwhervormingen moesten worden verbloemd.

Toch vallen er op de tentoonstelling ondanks de zwaarte die je tegenkomt, en/of er zelf in legt, sterker nog: moet leggen, gezien de oorlog die gaande is, ook luchtiger elementen te bespeuren. Neem de stijlvolle bankjes waarvan de helft is uitgespaard door een gedeelte waarop je met magnetische strips je eigen suprematistische afbeelding à la bijvoorbeeld een Olga Rozanova kunt maken; zij was In 1916 nauw betrokken bij de oprichting van het tijdschrift Supremus, samen met onder meer Malevitsj. Of neem de aparte ruimte voor kinderen: ‘Avant-garden’.

De context en het nu
In tegenstelling tot de tentoonstelling De grote utopie in het Amsterdamse Stedelijk Museum (1992), richt deze tentoonstelling zich meer op de doorgaande lijn. Dit wordt in de recente kunsttheorie denken vanuit de zogeheten ‘UFO-these’ genoemd: moderne kunst komt niet zomaar uit de lucht vallen en gaat daar na verloop van tijd ook niet zomaar weer in op. Dat maakt deze tentoonstelling in optima forma duidelijk. Met alle ongemak van dien.

Tweeluik (IX)

Gezichtsmasker Bafovolk                          Masker (1911) – Emil Nolde

(Foto’s EvS, genomen tijdens de tentoonstelling Kirchner en Nolde: expressionisme en kolonialisme in het Stedelijk Museum, Amsterdam, 2021).

Op Kirchner-Nolde, zoals het werd genoemd en de kritiek daarop in de pers, werd ingegaan in de aflevering White balls on walls van het NTR-televisieprogramma ‘Het uur van de wolf’ (30 mei 2023): https://www.npo3.nl/het-uur-van-de-wolf/30-05-2023/VPWON_1325951

 

Mediteren, nadenken én zingen over het kwaad

Geruime tijd geleden heb ik een keer per week in een ruimte samen met enkele anderen aan Zenmeditatie gedaan. Het was een sessie in de vroege ochtend die was gericht op het zoeken van vrede in jezelf die uitstraalt naar de wereld. Die combinatie sprak mij aan, maar na verloop van tijd ben ik om verschillende redenen met deze geleide meditatie opgehouden.

1.
Omdat ik dat toch ook wel weer jammer vond, daar het mij bij tijd en wijle veel heeft gebracht, was ik blij dat ik stuitte op een week meditatie rond de Psalmen. Elke ochtend mediteren rond een (deel van een) psalmtekst, een paar avonden via ZOOM met elkaar praten over wat het je bracht en een creatieve opdracht.
Toen de week voorbij was, wilde ik het ritme proberen vast te houden en begon met meditaties rond de 150 Psalmen, ook via ZOOM. Per psalm werden enkele verzen gekozen die tweemaal werden voorgelezen. Daarna werd je gevraagd enkele woorden in gedachten vast te houden, gevolgd door de eigenlijke meditatie, het in gesprek gaan met die woorden, – een gebed en stil worden en je openstellen voor de Sjechinah, Gods aanwezigheid; de klassieke lectio divina.

Al bij de derde psalm stuitte ik op een keuze van verzen die mij tegen de borst stuitte; vers 8 was weggelaten:

Sta op HEER, en red mij, God,
sla mijn vijanden in het gezicht,
breek de tanden van de wettelozen.

Waarom zou ik niet over dit vers mogen mediteren? Ik zou zelfs zeggen: juíst over dit vers? Want hier wordt nogal wat gezegd. Dan wordt de eerste oproep die ik zowel tijdens de Zenmeditatie als in de week mediteren over enkele Psalmen ter voorbereiding hoorde, namelijk je voeten goed op de grond te zetten, te aarden. Het doet me denken aan Exercises spirituels (Geestelijke oefeningen, maart 1959, zie foto EvS) van Sedje Hémon (1923-2011) die nog t/m 16 oktober a.s. op een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum is te zien.
Vervolgens luister je naar wat buiten gebeurt, wat dan niet wordt beperkt tot: wat buiten je eigen huis, buiten op straat gebeurt, maar wat er in de (buiten)wereld gebeurt. Dan nader je de tekst volledig, van alle kanten op een manier die wellicht in verschillende vormen van joodse psalmmeditaties wel gebeurt.

2.
In dezelfde tijd dat ik weer aan het mediteren sloeg en er van schrik ook weer (even) mee ophield, stuitte ik op een tekst van Neerlandica Yra van Dijk (op: De Lage Landen, 18 mei 2022) over Arnon Grunberg: De engel die pijn komt brengen: het confronterende oeuvre van Arnon Grunberg. Al even confronterend als de Psalmen.
Zij gaat daarin in op een editie van het boekenprogramma Brommer op zee. Hierin was de auteur op 1 mei 2022 te gast. De presentatoren, schrijft Van Dijk, spraken snel over zijn uitlatingen als ‘Doorleefde wanhoop’, Auschwitz-auteur Tadeus Borowski, concentratiekampen en zijn moeder heen. ‘Het moest wel gezellig blijven’ en gaan over zaken als ‘seks en ‘seksuele grensoverschrijding’. Ik moest onwillekeurig denken aan de psalmmeditatie: dat moeilijke vers laten we maar weg. Van Dijk eindigt haar artikel met een citaat van Grunberg (in Humo, 3 juni 2001): ‘Mensen hebben recht op pijn. Ik zie mezelf als een engel die de mensen dat moet geven waar ze recht op hebben’.

3.
Vervolgens kwam Israëlzondag, de eerste zondag van oktober. In mijn wijkgemeente is het dan traditie dat de twee koren van dezelfde kerk hun opwachting maken. Het een zingt kerkmuziek, het ander ook, maar dan in een lichter genre.
Het eerste koor zong onder meer twee piyutim (hymnen) op muziek van Dov Carmel (geb. 1932). Uit hun kelen kwam de volgende regel op tekst van Israël ben Moses Najara (ca. 1555-ca. 1625):

Vertrap mijn vijanden als stro en verhef mij boven hen.

Zo, die zit. Al zoekend naar betekenissen van Psalm 3 kwam ik terecht op een website waarop ook een verkondiging en uitleg stond van predikant Aart C. Veldhuizen (in de Oosterkerk van Sneek, 24 juli 2011). Hij betoogde daarin, dat je de psalm zou kunnen lezen met je verstand, maar dat je zingen nu eenmaal niet met je verstand doet. Al zingend – leerde ik ook al van ds. Sytze de Vries – kun je woorden in de mond nemen die je nooit zou zeggen. Zoals hier in mijn wijkkerk.
Waar ik naar snakte, was een uitleg en verkondiging in de vorm van een liedpreek, waarin de tekst van Israël ben Moses Najara werd uitgelegd. Dat zou niet alleen de liederen beter in de dienst hebben geïntegreerd, maar ongetwijfeld meer kerkgangers hebben geholpen.

In ieder geval ben ik het – als conclusie – roerend eens met een ingezonden brief van ds. Veldhuizen (in Trouw, 5 december 2006). Hierin schreef hij over het heilige dat wordt ‘versinterklaasd’. Dat is iets dat niet mag gebeuren. Daarom ga ik denk ik de verzen uit Psalm 3 en die van Israël ben Moses Najara maar én mediteren, én ze beargumenteren én tenslotte zingen. Alle goede dingen bestaan immers in drieën. Je moet immers het ene doen en het andere niet nalaten (Matth. 23:23).

 

Link naar de preek over Psalm 3: https://www.aartveldhuizen.nl/psalm-3/
Link naar een mooie podcast over Sedje Hémon: https://podcastluisteren.nl/ep/Nooit-van-gehoord-52-Sedje-Hemon-Nooit-van-gehoord

Ademende kunst, adembenemende kunst

…. De stilte stil laten.
Niets dan zwijgen.

Zo eindigt het gedicht ‘Zwijgen’ van Pierre H. Dubois. Ik moet er altijd aan denken als ik door die heerlijke beeldentuin van het Kröller-Müllermuseum in Otterlo loop en de Two vertical, three horizontal lines (1965-1966, zie foto) zie van George Rickey (1907-2002). Statig staan ze daar, de aluminium en roestvrij stalen staken die door de luchtcirculatie geluidloos bewegen. De stilte laten ze stil, en van ons wordt verwacht dat we niets anders doen dan er zwijgend naar kijken. In bewondering voor zoveel schoons.

Axel Vervoordt Gallery
Het is niet het enige werk van Rickey dat in de beeldentuin staat. Er is ook een later werk op een sokkel, uit 1981: L’s One up one down excentric II. Nederland is gezegend met de mogelijkheid al dan niet kinetische (bewegende) kunst van Rickey te zien. Ook in de openbare ruimte. In België is dat minder. Tot nu toe dan, want de Axel Vervoordt Gallery in Wijnegem (provincie Antwerpen) biedt t/m 16 juli een expositie van zijn werk.
Ik werd op het spoor daarvan gezet door kunsthistoricus Sander Bortier, die een recensie van mij over Alexander Calder op 8WEEKLY had gelezen.
Rickey gaat namelijk enerzijds verder waar Calder ophield, en laat anderzijds elementen van diens werk, zoals kleur, meestal helemaal los. Wat ze gemeen hebben is de rol van lucht die in beider werk een rol speelt. Maar er is meer.

Henk Peeters
In 1966 nodigde galeriehouder Henk Peeters verschillende kunstenaars uit om deel te nemen aan het project ZERO on Sea. Samen met Yves Klein, Lucio Fontana en Günther Uecker. Het project is echter nooit van de grond gekomen. Peeters en Rickey hielden contact en zo realiseerde Peeters onder meer een werk Zonder titel (1965) van Rickey dat berust in de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam.[1]
Terwijl ik hierover lees in het tentoonstellingsessay dat de expositie in Wijnegem vergezelt, doemt geen gedicht op maar een ongeschreven, mogelijke bijdrage van Rudi Fuchs aan De Groene Amsterdammer. Ik stel me voor dat hij hierin werk van Lucio Fontana vergelijkt met dat van George Rickey, op een manier zoals hij dat vaak doet.

Germaine Kruip – Column untitled
Laat ik een poging wagen om hierbij in de buurt te komen. Alleen doe ik het dan niet tussen het werk van Rickey en Fontana, maar tussen dat van Rickey en Germaine Kruip (1970), die afwisselend in Amsterdam en Brussel woont. Ik werd daartoe zowel op het idee gebracht door een afbeelding in genoemd tentoonstellingsessay (Column of Eight Triangles with Spirals) als het feit dat de Axel Vervoordt Gallery óók de Belgische vertegenwoordiger is van haar werk.

Vierkanten en cirkels vormen eveneens de basis van haar kunst. Een mooi voorbeeld is een oorspronkelijk uit 2011 daterende, minimalistische zuil, Column untitled die ze voor een tentoonstelling in de Amsterdamse Oude Kerk uitgebouwde tot achttien meter hoogte, opgetrokken uit zeven maal zeven gestapelde ronde en vierkante blokjes van wit/grijs carrara-marmer (zie foto hierboven rechts, van Wim Hanenberg). 750 kilo tussen een stellage op de zolder en de zerkenvloer. Het idee is ontleend aan een zuil in een tempel in Hampi (India). Zeven maal zeven roept herinneringen op aan een ritueel, en aan – daar hebben we het weer – een gedicht. Ditmaal van Ida Gerhardt, dat eindigt met: ‘Zeven maal, om met zijn tweeën te staan’. In licht en donker, dat je zowel profaan als religieus kunt duiden, en in de ruimte, van bijvoorbeeld een nagenoeg leeg kerkinterieur à la Saenredam, een schilder die Kruip bewondert.

Licht en een cirkel vormen het wezen van een ouder, uit 2010 daterend ‘mentaal kinetisch werk’ zoals Kruip het tijdens de perspresentatie  in november 2015 omschreef. Dát is wat zij weer toevoegt aan het kinetische, bewegende van Calder en Rickey. Het viel te zien in de collegekamer van de Oude Kerk en bestond uit een gaslampvormige daglichtlamp die in één etmaal een cirkel draait. Denk aan Rickey, die beïnvloed was door het werk van zijn grootvader, een klokkenmaker.

Mentaal wil in dit verband zeggen: je ziet de lamp niet bewegen, maar je voelt wel aan dat dit gebeurt. En als je wegkijkt, en na een poosje weer kijkt, zíe je ook dat het is gebeurd. Het licht schijnt in de kamer, en reflecteert door de ramen op straat. Dit doet denken aan de zeven draaiende spiegels die in hetzelfde jaar als het ontstaan van dit werk waren te zien in Museum De Paviljoens te Almere. Spiegels voor een raam, met een matzwarte en een reflecterende kant. Het werd licht en donker. Adembenemend mooi. Dat is het, het werk van zowel Calder, Rickey als Kruip.

 

www.axel-vervoordt.com

Link naar mijn recensie over Alexander Calder op 8WEEKLY: https://8weekly.nl/recensie/kunst/horen-zien-en-ruiken/
Link naar column over Calder op dezelfde cultuurwebsite: https://8weekly.nl/special/zo-fragiel-en-breekbaar-als-een-reiger/
Gedeelte over Germaine Kruip is gebaseerd op een recensie voor 8WEEKLY van de genoemde tentoonstelling in de Amsterdamse Oude Kerk.

[1] Zie: https://www.stedelijk.nl/nl/collectie/74849-george-rickey-zonder-titel

Gelijk Salemstenen

Ik zag voor het eerst werk van hem in het Stedelijk Museum in Amsterdam: Concetto spaziale, Attese (Ruimtelijk concept, verwachting 1966). Ik was er zó ondersteboven van, dat ik na afloop van mijn museumbezoek de straat ben overgestoken om bij de boekwinkel een boek over hem te kopen. Dáár wilde ik meer van weten! Lucio Fontana (1899-1968) is zijn naam.

Ik moest afgelopen tijd een paar keer aan zijn werk denken. Neem om te beginnen de bekende regel uit een songtekst van Leonard Cohen die wel op zijn kunst wordt los gelaten: ‘In alles zit een barst, en daar komt het licht doorheen’. Al is het bij Fontana geen barst, maar een snede, van boven naar beneden, die de natuurlijke beweging van de snijdende arm volgt en, – lees ik op de website van het Van Abbemuseum in Eindhoven – daardoor licht is gebogen.

Of neem die keer toen ik in een kerkdienst het verhaal uit I Koningen 6 hoorde, over de bouw van de tempel van Salomo: ‘Salomo maakte voor het huis vensters met kijkgaten en luiken’ (vert. Jan van Opbergen). Je kunt erdoor naar binnen én naar buiten kijken, de wereld, de natuur in. Het zijn net spleetogen, als de kier licht die ruimte biedt bij Fontana, de snee in het canvas.
Even verderop in dit bouwverhaal uit I Koningen 6, wordt verteld dat de bouwers bij het optrekken van de tempel gebruik maakten van stenen. Salemstenen staat er, van Salomo én van sjalom, vrede.

Ik blijf in gedachten bij Fontana en de stenen, en loop in mijn fantasie door de beeldentuin van het Kröller-Müllermuseum in Otterlo. Daar staat werk van hem: Concetto spaziale, Natura (1959-1960). Geen Salemstenen, maar bronzen.

Op de site 8WEEKLY.nl stond enige tijd een rubriek onder de titel ‘Ik sta te trappelen’ waarin redacteuren konden delen waar ze reikhalzend naar uit zien. Ik dacht toen de rubriek ter ziele was, aan het Design Museum in Den Bosch, waar een tentoonstelling met werk van Fontana was (inmiddels verleden tijd) te zien. Ik had een toegangskaartje, maar door de maar voortdurende sluiting van musea ging het mijn neus voorbij. De tentoonstelling is niet verlengd. Ik had mij verheugd op bijvoorbeeld Ambiente spaziale (Ruimtelijke omgeving, 1968/2017, zie foto). Ik doe er nu zo maar gewag van. Op naar een nieuwe kans, hoop ik.

Deels gebaseerd op een stukje in Drieluik (Protestantse Wijkgemeente Amsterdam-Noord), oktober 2020, p. 13.

https://designmuseum.nl/tentoonstelling/lucio-fontana-de-verovering-van-de-ruimte/

Afbeelding: Lucio Fontana, Ambiente spaziale, 1968/2017, installatie in de Pirelli HangarBicocca, Milaan, 2017. Oorspronkelijk gerealiseerd voor Documenta 4, Kassel, 1968. Foto: Agostino Osio © Fondazione Lucio Fontana, Milano.

Kijken, lezen en luisteren (II)

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept.
Vandaag deel twee van het jaarthema 2021: Indonesië.

6.
Tijdens het Holland Festival zag ik via een internetverbinding een opvoering van Ine Aya. Over vijanden aan de rand van de wereld, die komen om het volk en de bossen van Kalimantan te vernietigen. Het zijn de ‘krijgers van de horizon’.
Van een wijdvertakte boom, de hoge boom die tot aan de hemel reikte, is ook niets meer over. Hij is naar de rand van de wereld geworpen. De wereld heeft haar wijsheid verloren. Het dansen gebeurt aan de rand van het toneel, maar dan licht de hemel weer op. Een nieuwe dag. Er groeit een boom naast een oude bron. Dieren schuilen er en mensen vinden er rust.

7.
In 2020 overleed Winnie Willigen, de moeder van theatermaker Eric de Vroedt. Voor Het Nationaal Theater schreef en regisseerde hij een voorstelling over haar, De eeuw van mijn moeder. Deze voorstelling werd in drie delen op de televisie uitgezonden en maakte veel indruk.
In dezelfde tijd zond de NTR op 11 augustus in ‘Het uur van de wolf’ een documentaire over De Vroedt uit. Over een schrijver en regisseur die – zoals Lotte Goos, kostuummaakster zegt – ‘zijn moeder wilde reanimeren’, wat zo herkenbaar is. Pas als het doek is gevallen, moet hij echt afscheid van haar nemen.

8.
In dagblad Trouw stond op 2 november 2021 op één pagina het laatste gedeelte van een artikel ov er het depot van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, en een artikel over het Slavernijmuseum dat er moet komen.
De directie van Boijmans heeft het over de ‘achterkant’ van het museum tegenover de ‘esthetische kant’ van het museum zelf, dat zeker tot 2028 is gesloten. Het woord ‘achterkant’ tegenover ‘esthetische kant’ resoneren mee in het artikel over het Slavernijmuseum. Daarin zal het ook niet primair gaan over esthetiek, over schoonheid, maar over de achterkant van het getoonde, dat we lang niet hebben gezien of willen zien (zie in de vorige blog nummer 5, over het beeld van Lotta Blokker voor de kerk in Barneveld): ‘een onderbelicht deel van onze geschiedenis dat naar het nu moet worden gebracht om de bewustwording te vergroten’.

9.
En dan de tentoonstelling over Kirchner en Nolde in relatie tot nationalisme en kolonialisme in het Amsterdamse Stedelijk Museum.
Tegen het eind van deze expositie ging het over de portretten die Nolde maakte van mensen uit Papoea-Nieuw Guinea. Hij maakte er een expeditie naartoe in het kielzog van artsen die de rasseneigenschappen van de bevolking onderzochten. Terwijl zij dat deden en daarbij op verschillen in huidskleuren en haartypes letten, tekende Nolde. Op een tekstbordje in de tentoonstelling wordt gevraagd ‘hoe dit voor de geportretteerden was en hoe zij de kunstenaar zagen’. Dat is niet meer te achterhalen. Wat Nolde zocht, was de mens in harmonie met de natuur, zoals hij dat later als nationaalsocialist voort zou zetten. In een recensie van de tentoonstelling vraagt de recensent zich af: wat zou je op een ansichtkaart van zo’n afbeelding zetten? Weet ik het, na negen stukjes bewustwording?

10.
Nummer 10: een tentoonstelling in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum (11 februari-6 juni 2022) over – zoals de website zegt – ‘het vurig najagen van een vrij Indonesië na een lange tijd van koloniale overheersing’. Hierin zal worden ingezoomd ‘op persoonlijke verhalen van mensen die het meemaakten in de jaren 1945-1949’ waardoor ‘duidelijk wordt dat deze geschiedenis vele gezichten en stemmen heeft’.
Onder de namen van mensen die meewerkten, treffen we onder meer die van Sadiah Boonstra aan, die we ook in de eerste van de twee blogs tegenkwamen. Hij is ook een van de auteurs van het boek Revolusi! Indonesië onafhankelijk dat het Rijksmuseum samen met Uitgeverij Atlas Contact uit zal brengen. Zo werkt dit thema volgend jaar door, al hoop ik (daarnaast) een ander jaarthema bij de kop te pakken.

Toegift
Ik ben nu, op de valreep van ’21 bezig in het boek Wissel op de toekomst, brieven die Soetan Sjahrir schreef aan zijn Hollandse geliefde Maria Duchâteau (Uitgeverij Van Oorschot), dat ik ter recensie aangeboden kreeg voor Literair Nederland. Toeval bestaat niet.

Kijken, lezen en luisteren (I)

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept. In 2018 waren dat de oude Grieken, in 2019 de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur, vorig jaar de middeleeuwen en dit jaar is het Indonesië. Samengevoegd tot een ‘Top-10’ in twee delen. Vandaag deel 1.

Mijn grootvader van vaderskant was een groot fantast. Zo zou hij tijdens de Watersnoodramp (1916) in Waterland burgemeester van Nieuwendam zijn geweest; maar al bij een klein archiefonderzoek bleek mij, dat dit H.J. Calkoen was. Ook zou Christoffel van Swol (1663-1718), gouverneur generaal van de VOC in Nederlands Indië, een voorvader van ons zijn geweest. Het zou kunnen, maar wat belangrijker is: ik vond bij dat onderzoekje wél een foto van mijn grootvader, – hellebaardier bij het Entrepotdok in Amsterdam -, die in een bootje mensen in veiligheid bracht. Heel wat meer om trots op te zijn!

 

Om het thema Indonesië heb ik altijd een beetje heen gedraaid. Dat kan na het verschijnen van Revolusi van nota bene een Vlaamse auteur niet meer. Daarom besloot ik als jaarthema voor 2021 Indonesië te kiezen, waarbij ik meteen aanteken dat ik – net als iedereen – niet helemáál een onbeschreven blad ben wat dit betreft. Ik had op de middelbare school een geschiedenisdocent, J. de Rek (1911-1976) die de geschiedenis van Indonesië uitgebreid behandelde aan de hand van de bekende boekjes van H. van Galen Last.
En begin jaren tachtig van de vorige eeuw maakte ik een reis naar Engeland, waarbij ’s avonds een mevrouw uit het gezelschap haar herinneringen aan een Jappenkamp met ons deelde, avond aan avond, wat – hoewel niet iedereen het daar mee eens was – op mij een overweldigende indruk maakte. Tot op de dag van vandaag.

1.
Ik kreeg het boek Revolusi van David Van Reybrouck van vrienden voor kerst 2020 – het startsein voor mijn jaarthema. Twee weken voor kerst organiseerden Framer Framed, Read My World en Beyond Walls een online programma rond dit boek, dat de moderator een ‘verrijking van kennis’ noemde. Er werd op een uitgave als dit gewacht. Soms is de tijd er rijp voor, waarbij niet mag worden vergeten dat het hier om wereldgeschiedenis (dekolonisatie) ging.
Er waren verschillende sprekers, naast Van Reybrouck zelf. Zoals Goenawan Mohamad, een van de grote wetenschappers uit Indonesië, tevens dichter en letterkundige, Sadiah Boonstra, een historicus uit Leiden die nu in Jakarta woont, en Amanda Pinatih, curator van onder meer het Amsterdamse Stedelijk Museum, waar ik in de volgende blog over dit jaarthema op terug kom.

2.
Dan, na dit online programma, het boek zelf.  De auteur luisterde, net als ik in het Engelse hotel, naar de mensen zelf, wiens/wier verhalen hem mateloos interesseerden. ‘Ze vertelden een universeel verhaal van hoop, angst en hunkering’, schrijft hij.

In het eerste deel van de documentaireserie naar dit boek, Revolutie in Indonesië (januari-februari 2021) legt één van de ondervraagden, Purbo S. Suwando uit, dat Europeanen Japanners als een minder-waardig volk zag, met korte en kromme benen. Het was niet nodig om bang voor ze te zijn. Of, zoals Felix Jans in het boek zegt: ‘Wij weten alles beter, wij doen alles beter. (…) Onze fout is onze suprematie. En onze vergeetachtigheid; wat de Indonesische verzetsstrijders deden, is ‘uit het nationale geheugen geschrapt’.
Het boek werd in recensies ruimschoots geprezen, maar er zijn uitzonderingen. Zo heeft Alfred Birney het in een longread over ‘Kuifje op Java’ (www.de-lage-landen.com, 16 februari 2021).

3.
Birney dus op drie. Het zijn soms tot nadenken stemmende opmerkingen die schrijnen. Neem de brandweerman in het verhaal ‘Drie benen’ van Birney (in de bundel De fenomenale meerval), die de jongen ‘zijn littekens liet zien. Uit de oorlog in Nederlands-Indië’, zegt hij. ‘Het maakt niet uit of hij een Indische Nederlander of een Nederlander is; in beide gevallen is het een uiting van trots. Ongepaste trots. Neem alleen al het woordje “oorlog” – geen “politionele acties” of andere verbloemende taal, nee: oorlog. Zoals Pa in Judith Koelemeijers Het zwijgen van Maria Zachea het ‘een beetje helpen van de politie’ noemt …

Misschien zou Birney zich met Simon Ririhena, die rector was van het Moluks Seminarie, een ‘grensbewaker’ noemen: ‘Als de grens fluïde is, heb je geen grens. En ook geen houvast, dan weet je niet waar het begin en het einde is’. Dit is een uitspraak van hem die werd geciteerd op de website Nieuw Wij (11 januari 2021).
Ik heb me altijd meer verwant gevoeld met juist die fluïditeit, en eerder met grensgangers dan met grensbewakers. Misschien heel goed verwoord door Stephen Enter in zijn roman Pastorale, dat speelt in twee naast elkaar gelegen wijken in Breverdal (Barneveld): een gereformeerde en een Molukse. De spanning zit in dit boek wellicht niet zozeer in zo’n zinnetje als bij Birney, maar in ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen. Allebei schudden ze je wakker. Barneveld komt even verderop in deze blog overigens ook nog terug.

4.
De zondag begint bij mij meestal met het kijken naar het interviewprogramma De verwondering van Annemiek Schrijver op NPO2. Op 31 januari 2021 was dichteres Ellen Deckwitz te gast. In 2019 had ik al haar bundel Hogere natuurkunde gekocht, gebaseerd op het levensverhaal van haar Indische grootmoeder.
Ze vertelt dat ze heel verdrietig was toen deze overleed, maar dat het niets was vergeleken met de depressies waar ze zelf doorheen ging, want toen waren alle vonkjes weg. Totale lethargie. ‘Is depressie ook trouw  aan je grootmoeder? Mag je gelukkig zijn?’ vraagt Schrijver. Het is een wrede vraag, omdat er een verband is, zegt Deckwitz. Het zet je in een bankschroef.

5.
Het moet toch niet gekker worden: ik heb het monument van drie mannen, dat staat voor de kerk in Barneveld, altijd versleten als een beeld van drie verzetshelden. Heb ik dan nooit de tekst erop gelezen? Natuurlijk, Lotta Blokker – Kunstenaar van het jaar 2022 – sloot met haar ‘Oh Molukkers’ aan bij de stijl van de beelden die we zo goed kennen, maar toch … Het is een manier van kijken, die senior conservator Eveline Sint Nicolaas van het Rijksmuseum benoemt, terwijl ze voor de ‘Schutters van Wijk VIII’ van Van der Helst staat (in de documentaire Nieuw licht van Ida Does, 18 mei 2021 op 2Doc van de NTR): ‘Een heel raar iets, dat je iets niet kunt zien, en je nu eigenlijk niet meer kan stellen dat dat zo is’: de Zwarte jongen die op genoemd schilderij wegvalt in plaats van opvalt voor met name witte kijkers. Zoiets moet het zijn, terwijl ik langs dat beeld liep.

Zeventig jaar nadat de eerste Molukkers onder valse voorwendselen in 1951 voet aan Nederlandse wal zetten, is het tijd om hier ook wat meer van aan de weet te komen dan de anekdotes die ik op kan dissen. Over een achterneef en -nicht die de pers over de vloer hadden, omdat ze een goed uitzicht hadden op de school die de Molukkers in 1977 in Amsterdam hadden gegijzeld. Over de straaljager die ik vanaf vliegbasis Leeuwarden, waar ik pal bij woonde, hoorde vertrekken richting De Punt. Over de gekaapte trein waarin een oud-docent aan de Frederik Muller Academie zat, en een collega niet, omdat ze de trein had gemist.

In die week waarop het zeventig jaar geleden was dat de Molukkers aankwamen, waren er op televisie enkele documentaires te zien. Op zondag 21 maart 2021 een van de NOS, waarin de film De Oost werd aangekondigd, waarin verschillende perspectieven zullen worden getoond zodat wellicht een completer beeld ontstaat.
Er was ook een monument te zien. In Westerbork: een installatie met fragmenten van een barak in Schattenberg. Een keukenraam, een kist waaruit lang werd geleefd met het idee: ‘We gaan toch snel weer terug naar een vrij Molukken’. Heb ik me gerealiseerd, toen ik in Westerbork was, dat dit na de oorlog wéér een kamp werd, een opvangkamp dit keer (Schattenberg) voor Molukkers (1951-1971)? Zoals er ook een kamp was in Friesland: Wyldemerk, voor een moslimminderheid onder de Molukkers. Anne van Slageren maakte er voor Fryslân dok een documentaire over, die op 4 december 2021 werd uitgezonden op NPO2. Maar eerst gaan we in de tweede blog rond dit jaarthema nog terug in 2021.

documenta 14 revisited

Geert Mak begint zijn televisie-uitzendingen over Europa altijd met het statement dat het moeilijk is om de geschiedenis te duiden als je er midden in zit.
Iets soortgelijks overkwam mij tijdens de documenta 14 in Kassel (2017) bij het zien van een klein, rood kunstwerkje van Alexandra Bircken. Het was een geborduurde weergave van de handen van Angela Merkel, in de karakteristieke pose met de vingers tegen elkaar; in het feminisme van de jaren zeventig van de vorige eeuw een gebaar dat stond voor de vagina en het vrouw-zijn benadrukte. Ik vond het geestig, zo te midden van alle moderne westerse en niet-westerse kunst. Er werd smalend op gereageerd, door een paar Nederlanders achter mij. Pas toen ik een bijdrage van Raimar Stange (Monopol-Magazin.de) over de documenta las, viel mij de volledige draagwijdte van dit borduurwerkje toe.

documenta 14
Stange begint met te stellen dat de documenta in de kritiek er slecht op stond, maar dat de kunstwereld sindsdien constructief is veranderd. Hoogste tijd dus voor een rehabilitatie en een debat, aldus Stange.
Hij citeert enkele trefwoorden uit de kritiek die de documenta ten deel viel: ‘folklore’, ‘propagandistisch’, ‘derde klasse’. Je kunt het ook positief bekijken: Adam Szymczyk, de curator van deze documenta, stelde de autonome kunst als pure esthetica, als eurocentrische kunst aan de orde. En – voeg ik eraan toe, op grond van het borduurwerkje – politiek geladen kunst.

Vervolgens noemt Stange enkele voorbeelden van tentoonstellingen in Duitsland waarop niet-westerse kunst prominent aanwezig is en die postkoloniale kunst ter discussie stellen.
Ook in Nederland zijn er gelukkig inmiddels genoeg voorbeelden te vinden. Overigens: Adam Szymczyks is sinds juni dit jaar benoemd als curator-at-large binnen het Stedelijk Museum in Amsterdam, met – volgens de website – ‘als doel andere perspectieven toe te voegen aan het programma, de collectie, het onderzoek en het public program’.

Framer Framed
Een ander voorbeeld is Framer Framed in Amsterdam, het platform voor kunst en cultuur, de presentatie-instelling, galerie zonder winstoogmerk of hoe je het ook wilt noemen. Aan het hoofd daarvan staan Cas Bool, cultureel-visueel antropoloog en Josien Pieterse, die politicologie en genderstudies studeerde.

Framer Framed (de naam is ontleend aan de gelijknamige roman van Fouad Laroui) betekent in wezen: een frame van in- en uitsluiting, als het kader om een foto. Een foto die uit zijn lijst wordt gehaald, van alle kanten wordt bekeken en daarna door gastcuratoren, samen met cultuurmakers en –beleidsmakers, studenten, journalisten en anderen op een nieuwe manier weer in elkaar wordt gezet.

Framer Framed begon ruim tien jaar geleden vanuit Utrecht als een reizend lezingen- en debatpodium dat de Eurocentrische canon ter discussie wilde stellen. Er werden debatten georganiseerd in erfgoedinstellingen, volkenkundige musea en ruimtes voor hedendaagse kunst.
Dit was wat je een nieuw museale aanpak kunt noemen: het museum als verhalenverteller. In 2014 was er een vaste stek gevonden, in de Tolhuistuin aan de IJoever van Amsterdam. Toen konden ook exposities worden ingericht, door wisselende gastcuratoren. Sinds september 2019 is Framer Framed gehuisvest in de ruime en lichte zuiveringshal van de voormalige Oostergasfabriek aan de Oranje-Vrijstaatkade in de Transvaalbuurt van Amsterdam; de ironie speelt Framer Framed hier parten, want de naam van deze buurt alleen al roept tal van, op z’n zachtst gezegd minder fraaie beelden op.

Een mooi beeld dat daar tegenover staat, is ook dat van handen. Niet die van Angela Merkel, maar van zwarte kunst in een witte wereld. Beide handen, een zwarte en een witte, schudden elkaar. Niet voor even, maar voor altijd. Dat moge duidelijk zijn. Mede dank zij de documenta 14.