Elkaar de hand schudden

Bij het afscheid van ds. Evert Jan de Wijer (De Thomas, Amsterdam) die vertrekt naar de Protestantse Gemeente Wassenaar.


Het Internationaal Lied Festival in Zeist is momenteel weer aan de gang. Gedachten voeren mij terug naar verleden jaar, toen ik er enkele dagen was en tijd had om ook de expositie Masterpieces in Slot Zeist te bezoeken.
Er werden toen schilderijen getoond van Svetlana Tartakovska en modellen van kostuums die Rien Bakkers maakte voor onder meer Shakespearerollen, zoals Lady Macbeth, Macbeth en Hamlet.

 

Een van de schilderijen die er te zien was, is als gezegd van de Oekraïense kunstenaar Tartakovska (1979), die al 20 jaar in Haren (Groningen) woont. Het heet Het gebed (zie afb. hierboven). Een verstilde afbeelding van een biddende vrouw. Een vrouw die ook op andere doeken terugkomt. Ze heeft hier, – en elders -, een lang gewaad aan. Samen met haar lange, donkere haar contrasteert dat met een witte muur, het hoekje in een kerk waar ze staat en waar de verf afbladdert. Het enige, nauwelijks kleurrijke is de huid van haar gezicht en van haar handen.
De gevouwen handen voerden mij verder, naar een ander schilderij. Niet in Zeist, maar waarvan ik via een Nieuwsbrief een afbeelding kreeg toegestuurd: The Sun (2023, hierboven) van Natalya Zaloznaya (1960) uit Belarus, die nu in Genua woont. De Italiaanse zon valt op de stevige handen van iemand. Ook hier overheerst de tint van de huid, tegen een in dit geval donkere achtergrond en lichte ondergrond. Het zijn geen handen in een gebedshouding, maar in de houding van iemand die zich laaft aan het licht van de zon en zich in de handen wrijft om dat extra goed te voelen en vast te houden.

Je zou beide handen kunnen zien als een uitdrukking van respectievelijk het geestelijk en wereldlijk leven; geestelijk en seculier leven kunnen elkaar soms de hand schudden en worden dan één. Iets dat bij uitstek kenmerkend is voor het denken van ds. Evert Jan de Wijer, wiens hart overigens meer bij de literatuur dan de beeldende kunst lag; in een interview zei dat hij eens met zijn ene been in de theologie staat en met de andere in de literatuur. Zijn boek God op het boekenbal (uitg. Skandalon, 2013) is daar een uiting van. Maar ook het interview dat hij eens (in 2016) had met de schrijfster Jenny Erpenbeck die te gast was in wat toen nog de  Thomaskerk heette; zij kreeg zeer recent (voor haar boek Kairos) de International Booker Prize. Via deze blog schut ik De Wijer de hand.

(Foto rechts ontleend aan de website van de Protestantse Kerk Amsterdam)
https://dethomas.nl/op-zondag/

Gebroken, gelijk het ene licht

Tijdens de door PaRDeS georganiseerde studiedag over de joodse denker Abraham Heschel, 22 november 2023 in De Thomas te Amsterdam, spraken onder anderen Marcus van Loopik en Manuela Kalsky. Een terugblik in het kader van de Maand van de Filosofie 2024.

Kalsky had het tegen het eind van haar lezing over Heschel en Martin Luther King (zie foto) en over compassie. Heschel heeft dit omschreven als ‘kleine gaatjes en scheuren in het hart’. Waarop Van Loopik, die behalve judaïcus ook beeldend kunstenaar is, in vreugdevolle herkenning naar voren liep en ons wees op een kunstwerk dat hij eens maakte en voorzag van de (Duitstalige, hier vertaalde) spreuk ‘Er is geen hart zo heel als een gebroken hart’. Een zinsnede die mij deed denken aan een regel uit Lied 731 uit het

… zo zijt Gij gebroken,
 gelijk het ene licht.

Licht gebroken in vele facetten, maar wél ‘het ene licht’.

Ik moest ook aan kunst denken én aan een artikel, van Udo Doedens in In de Waagschaal (18 november 2023, p. 27-30). Doedens heeft het hierin over stillevens van Adriaen Coorte (1665-1707, zie afb.), een Zeeuwse schilder. De voorwerpen die hij afbeeldt liggen op een stenen tafel waarvan het blad is gebarsten.

Volgens Nicolaas Matsier, die Doedens citeert, trekt zich in de loop van de ontwikkeling van het stilleven, ‘het verhaal zich terug uit de kunst’. In de zestiende eeuw, schrijft Doedens, ‘emanciperen die rekwisieten’ [voorwerpen, planten en dieren] zich opeens’. Bijbelse figuren zijn soms nog op de achtergrond te zien, zoals bij Beuckelaer, maar meer dan ook niet. Het stilleven wordt ‘de schilderkunstige meditatie over het geestelijk gehalte van het stoffelijke leven’. Op Coortes ‘stenen tafel liggen wat Peter Sloterdijk “Blasen” zou noemen, “bellen” in het Nederlands, kleine, in een vlies verpakte wereldjes die het licht weerkaatsen’.

Wat nog op duiding wacht, is ‘de barst in de plint op Coortes stillevens’. Doedens beschouwt ‘de barst als een verwijzing naar het “verhaal” zoals dat in de vroegste stillevens nog aanwezig was (…) [en] ook een levensader naar de afgebeelde Blasen die duidelijk maakt dat de macht die het leven begrenst, gebroken is’.

Misschien zijn het ook de ‘kleine gaatjes’, de bellen in een glas, en ‘de scheuren in het hart’ waar Heschel het over heeft. En – om Van Loopik te parafraseren – is er geen plint zo heel als een met een barst of zaagsnede. Is volgens de Kabbala – waaraan Heschels denken is verwant – niet ‘met name de scheur, de gebrokenheid, waar het nieuwe licht kan doorbreken?’[1]

 

[1] Shura Lipovsky in: Hein Stufkens, Vrede dichterbij. Uitg. Edicola/Bres, 2017, p. 17.
Link naar een artikel van Manuela Kalsky over Heschel: https://www.nieuwwij.nl/achtergrond/ik-heb-een-opdracht-dus-ik-ben-een-fragment-uit-tora-uit-de-hemel/
Zie ook het boek Tora uit de hemel. Het rabbijnse denken van A.J. Heschel. Red. Bas van den Berg. Uitgeverij Skandalon, 2923. ISBN 878 94 93220 48 5.

‘Alleen maar een roep, een stem’

Sinds enige tijd zingen wij in mijn kerkelijke wijkgemeente als drempellied:

Wees hier aanwezig, God die leeft,
die ons roept en vrede geeft.
Spreek weer uw woord, God die leeft,
die ons roept en vrede geeft.

Het is een lied waarin veel mee resoneert. De tekst is afkomstig uit de zangbundel van het Rectoraat St. Thomas van Aquino in Zwolle. Er staan geen namen van auteur en componist bij, begreep ik van mijn wijkpredikant die het lied (nr. 184) uitzocht. Zij vermoedt dat de tekst wel eens uit de pen van Henk Jongerius zou kunnen komen; hij heeft namelijk veel bijgedragen aan genoemd liedboek.

In deze blog wil ik ingaan op de lagen die deze tekst in zich bergt, voor zover ik daar als niet-theoloog dan zicht op heb. Lagen die voor mij in ieder geval mee resoneren. Dit t.g.v. het 175-jarig bestaan van de Amsterdamse Nieuwendammerkerk (zie informatie onderaan en tekening hierboven).

John D. Caputo
De tekst brengt mij naar een gedeelte uit een boek van John D. Caputo dat indruk op mij maakte en over wie ik het in deze blog al vaker heb gehad.
Het gaat om het boek Hopeloos hoopvol. Belijdenissen van een postmoderne pelgrim (uitg. Skandalon, 2017).

Caputo schrijft daarin dat ‘de naam van God de naam is van iets onvoorwaardelijks in deze wereld, van een vonkje in deze wereld waar wij antwoord op geven in het vocabulaire van poëzie en religie (…). God is de naam van een gebeurtenis die de wereld overvalt, die haar met stomheid slaat (…). De naam van God is de naam van een genade, hetgeen slechts een voorbijgaand moment is in het leven van de kosmos, een moment van vertrouwen en hoop’ (p. 193), woorden die Caputo liever gebruikt dan het woord ‘geloven’.

Het is een Naam die roept, ons oproept om – zoals Caputo elders in zijn boek schrijft – ‘verder te gaan waar God ophoudt. Hoe? Door het koninkrijk van God waar te maken, door onze werken van barmhartigheid en genade, door onvoorwaardelijk gastvrij te zijn en te vergeven’ (p. 134). Zo is God voor hem, en wellicht ook voor de dichter van het drempellied, ‘geen wezen, geen entiteit, maar alleen maar een roep, een stem in het duister’.

K.H. Miskotte
Het brengt mij tenslotte bij een leerhuis van Leerhuis Amsterdam in samenwerking met de Amsterdamse Muiderkerk over het Bijbels ABC van K.H. Miskotte dat momenteel wordt gehouden. De eerste keer ging het daar ook over de Naam, een van de kern-, sleutel- of grondwoorden in dit boek. Inleider ds. Gerben van Manen stelt dat Miskotte nooit zou zeggen dat God gebeurt, wél dat Hij de Stem in het gebeuren is (Karel Deurloo). Een stem die ons roept en vrede geeft.

De Nieuwendammerkerk bestaat zondag 18 februari 2024 exact 175 jaar. Gemeentelid Wim Gortzak schreef er een artikel over in het Nieuwsblad Amsterdam-Noord (week 7): https://www.rodi.nl/amsterdam-noord/nieuws/381048/nieuwendammerkerk-al-175-jaar-belangrijk-baken-in-dorpsgemeen

Wat een beeld op kan roepen

In deze blog combineer ik een terugblik op het Opera Forward Festival van 2021 met een schilderij van Joh. Vermeer (ca. 1655) uit de National Gallery of Scotland (Edinburgh). Dit n.a.v. het Opera Forward Festival 2023 (3-12 maart) en de tentoonstelling met Vermeers in het Amsterdamse Rijksmuseum (t/m 4 juni).  

Het Opera Forward Festival (OFF 2021) werd geopend met Die sieben Todsünden van Kurt Weill en Bertolt Brecht, wat een recensent van Trouw omschreef als een ‘live film-opera van Ola Mafaalani’, de regisseur ervan. Maar het was méér dan dat. Het was een totaalkunstwerk geworden: er ging een gedicht van Marieke Lucas Rijneveld aan vooraf, en tijdens de opvoering maakte beeldend kunstenaar André Joosten live schilderingen achter de uitvoerenden.

De opera van Weill/Brecht gaat over twee Anna’s, hier opgevoerd door respectievelijk een zangeres (Eva-Maria Westbroek) en een actrice (Anna Drijver). De ene Anna staat voor onze ratio, ons verstand, de andere voor ons gevoel, voor wat ons hart beweegt.
De moraal die in het oorspronkelijke libretto voorop staat, is in de regie van Mafaalani omgebogen richting aandacht voor de ander, de wat Mafaalani in een interview de ‘verstotene’ noemt. Zij wil dat de toeschouwer Anna I (h)erkent als één van ons. Meer dan dat we gaan zitten kijken naar de verschillen met Anna II.

Ik moest ook denken aan twee andere vrouwen, Martha en Maria uit Johannes 12: Martha die Jezus bedient, en Maria, de zuster van Martha en Lazarus, die Jezus’ voeten zalft met nardusbalsem en de voeten vervolgens afdroogt met haar haren. Net als de twee Anna’s vullen Martha en Maria elkaar aan, als de acta activa en de acta contemplativa, al heeft Meester Eckhart betoogt, dat Martha zowel het contemplatieve als het actieve leven leefde.1) Bij Mafaalani zijn de twee Anna’s zelfs afsplitsing van een en hetzelfde personage. Daar valt wat voor te zeggen.

In ieder geval is de tafel het centrale punt in het Johannesverhaal. Dáár gebeurt het. In het delen van brood en wijn, het ontmoeten van de a/Ander, het zitten rond de met een wit kleed bedekte tafel, zoals op het schilderij van Vermeer, het grootste dat we van hem kennen (16 x 142 cm). Wat een beeld allemaal niet kan oproepen!

1) Zie: John D. Caputo: Hopeloos hoopvol. Belijdenissen van een postmoderne pelgrim. Middelburg, 2017, p. 90-92.

Opera Forward Festival 2023: Opera Forward Festival – OFF | Nationale Opera & Ballet (operaballet.nl)
Vermeer tentoonstelling in het Rijksmuseum: https://www.rijksmuseum.nl/nl

Steven Nadler en Spinoza (II)

Opvallend genoeg begon Steven Nadler zijn serie colleges over Spinoza’s Ethica aan de Universiteit van Amsterdam, met een uitvoerige bespreking van de cherem (banvloek) die de joodse gemeente over de filosoof uitsprak. Op die manier leek het een statement dat ergens toe moest leiden. De ontknoping is nog niet daar, want het laatste college is pas aanstaande donderdagavond. Toch begint iets ervan me al duidelijk te worden, mede na lezing van het hoofdstuk ‘Verbeelding’ in het boek Ik bid dus ik ben van de theoloog Bert Hoedemaker (uitg. Skandalon, 2018), dat ik onlangs cadeau kreeg.

Cherem
Maar eerst, als context, nog even de achtergronden van de cherem, zoals Nadler die ook weergeeft in zijn boek over Spinoza (uitg. Olympus, 2001).
Nadler geeft een economische interpretatie, uitgaande van het feit dat Baruch zich wilde vrijwaren van de aansprakelijkheid voor de schulden van zijn overleden vader Michael (p. 155). Vervolgens geeft hij een opvatting weer, waarbij de oorzaak van de banvloek ligt in het gegeven dat Spinoza de Bijbel niet op joods-theologische gronden interpreteerde, maar vanuit de filosofie (p. 168). Tenslotte wijst hij op een politiek aspect, door te stellen dat de parnassiem (het bestuurscollege van de joodse gemeente) wilde laten merken dat ze de zaak onder controle hadden (p. 193).
Door de banvloek werd Spinoza ‘afgesneden van deelname aan de riten van de gemeenschap’ (p. 160). Aan het slot van dit hoofdstuk concludeert Nadler, dat Spinoza van dit alles geen spijt had en met vreugde de weg insloeg die voor hem open lag (p. 198). Op een aspect van die weg, de verschillende soorten van kennis die de filosoof onderscheidde, ga ik nu eerst kort in.

Kennissoorten
Spinoza onderscheidt in zijn hoofdwerk, de Ethica, drie soorten kennis:
1. Imaginatio (verbeelding)
2. Ratio (rede)
3. Scientia intuitiva (intuïtie).
Dat wil niet zeggen, dat het bij het steeds een trede hoger gaan op de ladder, je elk vorig niveau meteen verlaat of verliest, maar wél dat je steeds dichterbij de adequate kennis komt.
De verbeelding – volgens sommigen inbeelding – levert beperkte, inadequate kennis op. De rede onderkent wetmatigheden en de intuïtie tenslotte doorschouwt. Het is de bedoeling, de verbeelding uiteindelijk terug te dringen. Vanuit Spinoza’s ervaring in de twee jaar voor en door zijn ban, snap ik, mede door Hoedemakers boek gelezen te hebben, waarom die ban zo belangrijk is geweest. En dus ook waarom Nadler er zoveel nadruk op legde.

Hoedemaker
Hoedemaker stelt, gelijk Spinoza – die hij overigens niet noemt –, dat de verbeelding aan de rede vooraf gaat. Met Spinoza is hij het eens wat betreft het feit dat er geen kennis bestaat zonder verbeelding. Het is geen fase die je achter je kan laten. In tegenstelling tot Spinoza, ziet Hoedemaker in de ratio echter niet iets dat méér ruimte in moet nemen, wel iets om de verbeelding, die hij een belangrijke plaats gunt, in zijn uitwassen mee te temmen.
Onder religieuze verbeelding verstaat Hoedemaker ‘voorstellingen, symbolen, rituelen, praktijken en verhalen (…) [waarin] vaak sprake is van leven voor de geboorte en na de dood’ (p. 26). En waarmee, als het te ver gaat, je moet oppassen, want dan kan het ontaarden in ‘een dichtgetimmerd verbeeldingssysteem – een soort fundamentalistische afwijzing van de wereld, een zich vastklampen aan het eigene’ (p. 38).
En dat is wat Spinoza nu allemaal net níet wil. Gedurende die twee jaar die Nadler aanhoudt, voltrok zich volgens hem een proces waarin Spinoza onder meer een afkeer ontwikkelde voor rituelen, het leven na de dood ontkende en steeds verder afdreef van het joodse geloof.

De cherem bevestigde die breuk én maakte voor Spinoza de weg ook formeel vrij om de weg te nemen die hij wilde volgen. Zoveel is me duidelijk, c.q. in de context van de drie soorten kennis, duidelijker geworden. In die zin kun je de cherem inderdaad als een statement beschouwen, gelijk Nadler deed.

Drieluik bij de zevende kruiswegstatie

Jezus valt voor de tweede maal

1.
Afgelopen week liep ik op een avond van metrostation Vijzelgracht richting Leidseplein, met als doel onderweg in The Small Museum – twee mededelingenkastjes van de voormalige Vrije Gemeente (thans Paradiso) – pen- en inkttekeningen van Paul van Dongen die deel uitmaken van Troubled Waters, Art Stations of the Cross te bekijken.

De linker verbeeldt het Oordeel (2012), de rechter het Verrijzen (2013, zie afb. links, ontleend aan de website van de kunstenaar). De eerste toont ons volgens de catalogus ‘mensen die vallen, misschien doordat hun een te zware last werd opgelegd’. Het is een choreografie ‘met naakte manfiguren die samen de val, het bestaan zonder vaste grond, de reddeloosheid uitdrukken’. Aan de rechterkant van de deur, in het andere kastje (waarin op het moment dat ik er langs liep het tl-licht overigens kapot was, wat overigens niet deerde), worden mensen getoond die ‘weer opkrabbelen, zoals ook Jezus opstond na zijn val’.

2.
In de loop van de week lees ik in Preludium, het muziekmagazine van Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO, april 2019) een dubbelinterview dat Thea Derks had met dirigent David Robertson en componist Nico Muhly, die allebei meewerken aan een nieuwe theaterproductie van Dood in Venetië naar de novelle van Thomas Mann (4, 5, 7, 8, 10, 11 en 13 april a.s. in Koninklijk Theater Carré). Robertson dirigeert het KCO, Muhly componeerde verbindende muziek.
Muhly heeft het in het interview over Charon (de veerman van de onderwereld), die ‘staat voor de dood en het afdalen naar een steeds diepere duisternis. Het is een cyclus van vierenveertig akkoorden, die steeds in een andere variatie terugkeren (…). Het is alsof je eindeloos naar beneden valt’, net als op het Oordeel van Van Dongen.

3.
Weer enkele dagen later valt mij een recensie-exemplaar toe van de essaybundel Pijnlijk mooi. Lijden en schoonheid in de christelijke kunst (uitg. Skandalon) die ik voor de website 8weekly.nl zal bespreken. Anne-Marie Bos, verbonden aan het Titus Brandsma Instituut, schreef er een bijdrage in over een kruiswegstatie van Titus Brandsma (1942). Bij de zevende statie benadrukt hij volgens haar ‘niet het “weer opstaan”, maar het “weer vallen”.’ De herhaling van de val is, als in de vierenveertig akkoorden van Muhly, de vernedering in de vernedering. Het gaat Brandsma niet, zoals bij Van Dongen, om het Verrijzen, maar over bidden, het ‘ons steeds weer bemoedigen in ogenblikken van zwakte en vlucht van het lijden’.

Toegift
Aan het eind van de week hoor ik een mooie uitleg van het slot van het Bijbelboek Genesis (Gen. 50:22-26). De rouw om de dood van in dit geval Jozef, die blijft staan, terwijl er toch de zekerheid is dat God naar Zijn volk zal omzien en het uit de ballingschap zal voeren. Zoals Van Dongen beide naast elkaar laat staan: het Oordeel en het Verrijzen, de val en de opstanding, terwijl Muhly en Brandsma het bij het vallen houden. In de wetenschap dat er nog meer komt, dat er nog meer staties volgen. Zo vervolg ook ik mijn route langs de staties die deze veertigdagentijd in Amsterdam zijn te zien.

www.thesmallmuseum.nl
http://paulvandongen.com/
www.artstations.org
www.skandalon.nl