Tussen morgen- en avondrood

Naar aanleiding van het uitkomen van de Verzamelde verzen van H. Marsman, onder de titel Ik die bij de sterren sliep (uitgegeven door Van Oorschot), schreef collega-recensent Reinder Storm van Literair Nederland het volgende: ‘De schrijver J. Bernlef heette in werkelijkheid Henk Marsman. Toen hij in 1959 debuteerde met de gedichtenbundel Kokkels koos hij ervoor om te schrijven onder pseudoniem. Hij deed dit om elke verwarring met de toen overbekende dichter H. Marsman (1899-1940) te voorkomen. De dichteres Lieke Marsman – in januari 2021 benoemd tot Dichter des Vaderlands – schrijft onder eigen naam. Het is blijkbaar voor Lieke geen serieus risico meer om te worden verward met haar ooit zo beroemde naamgenoot. Diens reputatie is verbleekt, zijn naam is uit het collectieve geheugen weggezakt. Ook al is en blijft Marsman de schrijver van “Het gedicht van de eeuw”, waartoe zijn ‘Herinnering aan Holland’ in het jaar 2000 verkozen werd.’

Vasthoudendheid en Afscheid
De grap wil, dat theoloog-Neerlandicus Wessel ten Boom op 24 maart 2018 tijdens een bijeenkomst van het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie (LATE) enkele gedichten uit Lieke Marsmans Wat ik mijzelf graag voorhoud (Van Oorschot, 2010) behandelde. Hij wees bij de bespreking van het gedicht ‘Vasthoudendheid’ op een gegeven moment op een beeld van haar naamgenoot H. Marsman in zijn gedicht ‘Afscheid’ dat bij Lieke Marsman – zoals hij zei – ‘in brokken zijn gevallen’. Ik spin dit idee hier verder uit.

Om te beginnen een paar grote verschillen, los van de tijd waarin beide dichters leefden natuurlijk. In de eerste plaats is het de vorm die in het oog springt: de korte regels, uit één tot vier woorden bestaand, in ‘Afscheid’ en de lange, overigens evenzeer enjambementen bestaande regels bij Lieke Marsman. Ten tweede: H. Marsman spreekt in zijn gedicht ‘Afscheid’ over een ik-figuur die afscheid neemt van het leven, Lieke Marsman heeft het in haar gedicht, waarmee ze in Tirade debuteerde en genoemde bundel opent, over een ‘je’, wat volgens Ten Boom in een inleidende opmerking bevreemdend werk.
Op een gegeven moment verandert er echter iets. H. Marsman betrekt zijn vrouw erbij, ‘o, vrouw / die eenzaam achterblijft / in het verwaaiend / avondrood’. Lieke Marsman heeft het op het eind ook opeens over ‘we’: ‘En wat ik het allermooiste aan het woord stil vind, / is dat je er in het Engels een l aan kunt plakken, / waardoor we elkaar kunnen vragen, / waarom we nog steeds niet gaan slapen’.

De slaap en de nacht is iets dat in beide gedichten voor komt. Bij Lieke Marsman liggen de ‘je’ en een ander samen in bed en kunnen de slaap niet vatten, bij H. Marsman is ‘de nacht […] groot / en sterk de stem / die tusschen slaap / en morgenrood ‘roept uit het / nieuw Jeruzalem’. De stem van de dood is in beide gedichten aanwezig. De dood, de doodsslaap. Een overgang, ook qua woordgebruik zoals bij Lieke Marsman in het woord ‘allermooiste’.

Klanken en muziek
Ook het klankgebruik van beide gedichten kent overeenkomsten. Bij Lieke Marsman benadrukken ze de vasthoudendheid van de titel van het gedicht, in het gebruik van alliteraties en langgerekte klinkers in de hierboven geciteerde regels: waar, kaar, vra-, waar, gaan, sla-. Bij H. Marsman is het meteen in het begin al raak ‘Ik ga op weg / en laat mijn huis / verdronken / in het avondrood’. Lange a-klanken en diepen o-klanken beheersen het begin en worden later hernomen in de zinnen die ik hiervoor citeerde (‘o vrouw’ enz.).

Wessel ten Boom had het over het ‘in brokken gevallen’ beeld van H. Marsman bij zijn naamgenote. In dit verband kun je inderdaad wijzen op bijvoorbeeld de stilte die in haar gedicht overheerst. En toch. Die stilte wordt niet alleen verbonden aan de afwezigheid van geluid, maar ook aan beweging: ‘het bijzondere / aan geluid is dat het bestaat uit beweging’, uit geluidsgolven. Beweging die zowel ingetogen als uitbundig kan zijn.

H. Marsman gaat ook in op geluid: ‘ik hoor een lied / een groote stem’ – de stem van de dood: ‘o dood, o stem’. Hij kan er niet aan ontsnappen, net zomin als Lieke Marsman. De dood is immers vasthoudend. Dat weet zij, nadat in 2017 kraakbeenkanker bij haar werd vastgesteld, als geen ander.

 

Link naar het gedicht van H. Marsman: https://www.dbnl.org/tekst/mars005verz03_01/mars005verz03_01_0066.php

Link naar het gedicht van Lieke Marsman: https://www.neerlandistiek.nl/2016/09/gedicht-lieke-marsman-vasthoudendheid/

 

Overdonderende onderdompeling

Vierde Adventszondag. De Dorpskerk in Bloemendaal. Een Festival of Lessons and Carols. De kerk is afgeladen vol. Er worden stoelen bijgezet, mensen wijken uit naar de galerij. Het Kleinkoor zingt onder leiding van Peter Folstar en met een zelfstandige orgelpartij, gespeeld door Agnes van Bekkum, een kort stuk van de Duitse organist en componist André Heberling (1975):

Das Volk das noch im Finstern wandelt, bald sieht es Licht, ein grosses Licht!
Und über denen die da wohnen im Finstern Lande scheint es hell!

Het is een tekst uit Jesaja 9:1-2. Het begint in de donkere diepte van de stemmen en culmineert met een uitbarsting op ‘Licht!’.
Agnes van Bekkum speelt verderop in de dienst het orgelkoraal Nun komm der Heiden Heiland van Joh. Seb. Bach. Ook nu begint het in de donkere diepten. Niet dat het daarbij bleef, want het koor had even tevoren als laatste bijdrage aan deze dienst het O magnum mysterium van de Zwitserse componist Ivo Antognini (1963) gezongen – bedoeld als een opmaat naar kerst, zoals het laatste, schrijnende akkoord in Bachs Matthäus Passion oplost met de blik richting Pasen.

Ik moet eraan terugdenken, terwijl ik – nog net in de Adventstijd – in de Amsterdamse Oude Kerk loop door de installatie Poems for Earthlings van de Argentijn Adrián Villar Rojas (1980). Niet dat daar op de acht uur durende soundscape iets van Heberling, Bach of Antognini klinkt. Nee, het is de sfeer die de installatie oproept: donker, vooral donker, onder meer door de geblindeerde ramen. Hoe zou je dat als kerkganger ervaren op kerstmorgen? En de rest van het kerkelijk jaar, tot en met 21 april 2020?

Wat je ziet zijn vooral houten schotten en zandzakken. Sommige zakken zijn overigens gevuld met piepschuim om het niet al te zwaar te maken. Zij moeten herinneren aan de zandzakken die in de Tweede Wereldoorlog de schatten in kerken, zoals de kathedraal van Reims, beschermden tegen het oorlogsgeweld. Ds. Marcel Barnard refereerde in zijn preek op derde Adventszondag (na te lezen op de website https://oudekerk.amsterdam) ook aan een andere bedoeling ervan: het buiten sluiten van het ‘economische en toeristische en wellustige geweld van deze buurt’.
De kerk als een naar binnen gekeerde schuilplaats en niet openstaand naar buiten, open voor bijvoorbeeld asielzoekers. Dat laatste is eerder indrukwekkend verbeeld door Sarah van Sonsbeeck (2017, zie: https://8weekly.nl/recensie/gelaagde-mylar-dekens-havenkerk/). Daar ging het om beschermende dekentjes voor bootvluchtelingen.
Een verwijzing naar de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog, had ik in eerste instantie niet, maar na het zien van de film 1917 kan ik dat inmiddels beamen.

Wat je ziet zijn vervolgens kroonluchters die, op staketsels leunend, laag bij de grond hangen. Ze verlichten de donkere kerk spaarzaam. Wat je hoort is geen kerkmuziek, maar – in de tijd dat ik er rond liep – het geschrei van een baby (toch een beetje kerst!) en het gegrom van een aap.
In die zin is het toch niet helemaal een site specifiek werk, zoals de Stichting Oude Kerk aankondigt, maar een conceptueel kunstwerk waartoe je je als bezoeker moet verhouden.

Dat gebeurt alom. Aan de heftige meningsverschillen die dit helaas oplevert, ga ik hier voorbij; het valt allemaal na te lezen op een webpagina waarop de kerkelijke gemeente tal van reacties bij elkaar heeft gezet: https://oudekerk.amsterdam/nieuws/het-kunstwerk-in-de-oude-kerk-discussie/ Waaraan trouwens (nog?) het mooie stuk ‘Collectief’ van Niña Weijers (in: de Groene Amsterdammer, 12 december jl.) ontbreekt; zij heeft het over ‘een kunstervaring die (…) overdonderend was’. Over een ‘onderdompeling’ waarvan ze hoopt dat iedereen hem zo zou kunnen beleven. Over de inhoud van de installatie heeft ze het niet. Sterker nog: wil ze het niet hebben. En dat ligt in het verlengde van de abstractie die Villar Rojas voorop stelt.

Ik moest wat dit laatste betreft tenslotte denken aan wat iemand mij vertelde over een Artist talk waar ik zelf niet bij ben geweest. Volgens haar kwam er niet helemaal uit naar voren wat Adrián Villar Rojas nu precies met het kunstwerk bedoelde. Zij weet dat aan zijn gebrekkige Engels, maar misschien wilde hij, net als Weijers, het gewoon open laten en niet, zoals nu een beetje gebeurt, dicht timmeren met woorden; het kunstwerk vraagt om er stil doorheen te slenteren. Dan kun je niet anders dan Weijers beamen, alle nuanceringen die je er ook bij kunt bedenken ten spijt.

Foto (Jörg Baumann) bovenaan deze blog is ontleend aan een Nieuwsbrief van de Oude Kerkgemeente in Amsterdam.

https://oudekerk.nl 

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d