Oefening baart kunst. En kerk

Louter om gezondheidsredenen kon ik er helaas niet bij zijn, maar ik kreeg de orde van dienst en preek op Voleindigingszondag in de Amsterdamse Oude Kerk toegespeeld. Tijdens deze dienst werd ingespeeld op de tentoonstelling NA van Christian Boltanski die daar momenteel is te zien.

Mijn primaire reactie was: kan en mag dit wel, het denken van deze humanistisch kunstenaar pur sang zo in een christelijke context plaatsen? Ik moest denken aan de reactie van de componist György Ligeti toen pianist Ronald Brautigam hem op zijn verzoek in 1990 diens Pianoconcert voorspeelde, en hij – al dan niet terecht – verordonneerde: Afblijven, je doet het stuk met je interpretatie geen recht.
Mijn tweede reactie was meer overdacht: natuurlijk mag dat, als een kunstenaar zijn werk heeft vrij gegeven, mag je er – mits je het inderdaad recht doet – over doordenken. Want denken, dát is de kernboodschap bij deze expositie, zoals Boltanski mij desgevraagd vertelde.

Het was niet de eerste keer dat er in de Oude Kerk werd doorgedacht naar aanleiding van een expositie. Ik denk aan de preekstoel die David Bade in 2012 plaatste naast de vaste in de kerk – toen de kerk overigens nog geen museum was. Twee kansels die – schreef ik toen op verzoek in een Zondagsbrief (18 maart) – ‘vooral als elkaars tegenover werden gezien, als vertegenwoordigers van respectievelijk kerk en wereld, kerk en kunst, hemel en aarde.’ Ik vroeg me toen af wat er zou gebeuren als je ze niet als tegenover zou zien, ‘maar als een vorm van verkapte meerstemmigheid als in de solopartita’s voor viool of cello van Bach; Tenach en Evangelie samen in de dooptuin (…) verbonden als in één band die de twee boeken bij elkaar houdt.’

Ik kreeg het antwoord min of meer in de orde van dienst op Voleindigingszondag. Niet alleen omdat de Bijbelteksten erin waren ‘opengebroken’ en ‘niet perse in de vanzelfsprekende volgorde’ klonken, na elkaar als vanaf twee preekstoelen (in sommige kerken staand voor Oude en Nieuwe Testament), maar in dialoog met elkaar, zoals in de Bemoediging (Eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen 5:5, Daniël 12:2).
Het mooie was voorts dat de hele dienst in het verlengde lag van de vorm van de tentoonstelling zelf. Hierin loop je tussen tombes van verschillende hoogte door langs mensachtige figuren op houten benen met een jas aan en een lamp als hoofd (Le Manteau, zie foto Gert Jan van Rooij), die – als je dichtbij komt –, je vragen hoe je je dood hebt ervaren: ‘Zeg eens, ben je weggevlogen?’, ‘Zeg eens, was je bang?’ of: ‘Zeg eens, heb je licht gezien?’

Daarmee ging de dienst qua vorm en inhoud een stap verder dan die bij Bade, en werd – zou je kunnen zeggen – een diepere laag aangeboord. Zo was de preek weliswaar in de vorm van dialoog, vraag en antwoord, stem en tegenstem, maar uiteindelijk inhoudelijk meer dan dat. Lees bijvoorbeeld de volgende drie regels die mij veel deden: achtereenvolgens vraag, antwoord en inter-actie:

Roepen wij die rampen niet over onszelf af?
Dan zijn het geen tekenen van zijn toekomst, maar eerder van zijn vertraging. Van zijn oponthoud!
Redenen om te bidden, te smeken om zijn komst.

Dit mag je misschien tussendenken noemen, zoals de oud Denker des Vaderlands Marli Huijer het noemde, daar waar haar voorgangers Hans Achterhuis een tegendenker was en René Gude een meedenker.
Tussendenken gaat bij kerk en kunst dan om de verschillende rollen, van de kerk enerzijds en van de kunst anderzijds, maar vooral over de ruimte daartussen die een interpretatie openhoudt, niet zozeer in de zin van vraag en antwoord of stem en tegenstem en al helemaal niet van een vastgeroest dogma, maar één met perspectief. Als dat zo is, dan bood deze kunstdienst ook anderszins een perspectief voor een samen op weg van kerk en kunst. Oefening baart kunst. En kerk. Dan waren de diensten met de twee kansels in 2012 een mooie aanloop daartoe. Telkens een stapje verder. Dat belooft wat!

In de dienst op 26 november 2017:
voorgangers: ds. Jessa van der Vaart en ds. Marcel Barnard
co-auteur preek: Roelof Langman
organist: Matthias Havinga
voorzangers: Erik Idema en Christiaan Winter

 

http://8weekly.nl/recensie/a-place-to-think-about-life/

 

Marli Huijer – Achterblijven

Achterblijven : een nieuwe filosofie voor een grenzeloze wereld / Marli Huijer. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 194
pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895386-8-0

De titel van deze studie slaat in eerste instantie op familie, vrienden en buurtgenoten die achterbleven ten tijde van de emigratiegolven uit Europa (1800-1960). Mensen die nu achterblijven, hebben sneller en veelvuldiger contact met emigranten. Achterblijvers hebben in de visie van Huijer niet alleen een conserverende functie (zorg voor het behoud van omgeving en gemeenschap), maar dienen ook open te staan voor nieuwkomers (vluchtelingen). De auteur, Denker des Vaderlands, is zelf een achterblijver. De opzet van het boek is fenomenologisch, uitgaande van ervaringen. Huijer maakt daarbij veelvuldig gebruik van de Europese literatuur, film, theater en sluit aan bij het denken van onder meer Hannah Arendt. Door deze insteek wordt de aandacht grotendeels beperkt tot de materiële cultuur en wordt dat wat achterblijvers in zich meedragen wat verwaarloosd. Wat de bedoeling is van wat groots een ‘nieuwe filosofie’ wordt genoemd, en voor welke doelgroep het boek is geschreven, wordt helaas niet helemaal duidelijk. Het boek is voorzien van voetnoten en een literatuurlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Meedenken, tegen denken, tussen denken

Germaine Kruip_2Gisteren werd ik tijdens een inleiding van Trinus Hibma over de verleden jaar overleden Denker des Vaderlands René Gude, waarover ik hier eerder schreef, weer bepaald bij hoe hij zichzelf omschreef: Mee-denker. Waarmee hij zich verhield tot de eerste Denker des Vaderlands, Hans Achterhuis, die Tegendenker werd genoemd en zijn opvolgster, Marli Huijer, die zichzelf karakteriseert als Tussendenker.

Tussen denken
Eigenlijk zijn het, bedacht ik me, ook karakteristieken voor de verhouding tussen kunst en kerk. Neem hoe er de afgelopen tijd werd gereageerd op de tentoonstelling A Geometry of the Scattering van Germaine Kruip (geb. 1970) in de Amsterdamse Oude Kerk, die nog tot en met 27 maart te zien is.

Ik ben al vanaf de eerste keer dat ik werk van haar zag, in Almere, een groot bewonderaar van haar kunst. Geen wonder dat ik een Special over haar schreef op de website 8weekly.nl. Ik beschreef onder meer het meest in het ook springende kunstwerk op de expositie: Column untitled (zie foto’s, tegen schemering en overdag), ‘dat in een rechte lijn vanaf de Sebastiaanskapel staat: een oorspronkelijk uit 2011 daterende, minimalistische zuil, die nu is uitgebouwd tot achttien meter hoogte, opgetrokken uit zeven maal zeven gestapelde ronde en vierkante blokjes van wit/grijs carrara-marmer. 750 kilo tussen een stellage op de zolder en de zerkenvloer. Het idee is ontleend aan een zuil in een tempel in Hampi (India). Zeven maal zeven roept associaties op aan een ritueel, en aan een gedicht van Ida Gerhardt, dat eindigt met: “Zeven maal, om met zijn tweeën te staan”. Lopend in licht en donker, dat je zowel profaan als religieus kunt duiden, en in de ruimte, zoals een nagenoeg leeg kerkinterieur van Saenredam, een (… ) schilder die Kruip bewondert.’
Je zou deze omschrijving een vorm van Tussen denken kunnen noemen: een beschrijving van een kunstwerk dat je zowel profaan als religieus kunt duiden, gelijk het gedicht van Gerhardt dat afgelopen zondag ook voorbij kwam in een preek in de Oude Kerk van Klaas Holwerda.

Germaine Kruip_Wim HanenbergMeedenken
Een andere kant op gaat de uitleg die prof. dr. Marcel Barnard eraan gaf tijdens een festival ter gelegenheid van het afscheid van de predikant van de Oude Kerk, Eddy Reefhuis. Zo zei hij onder meer: ‘ De oude dame krijgt ondersteuning van een kaarsrechte zuil. Een zuil die als vanzelf verbinding aangaat met de structuur van het gebouw. En opnieuw wordt in het gebouw de overgang verkend van een religieuze idee naar een materiële vorm. Kijk eens goed wat er gebeurt. Die krakkemikkige dame krijgt een kunstheup met een kaarsrechte pin waardoor ze ineens rechtop lijkt te lopen. De marmerblokjes waaruit de zuil is gebouwd rijzen op uit een graf, ze rijzen en rijzen, en verlaten de kerk door het plafond. Ze worden niet geremd door de bogen die elders in het gebouw op de pilaren rusten. De kolom is eindeloos, hij reikt tot in de hemel, – hij doorbreekt de bouwstructuur van de kerk. En hij spreekt Italiaans. Oh quanto è corto il dire e come fioco/ al mio concetto! – om Dante in de laatste Canto van zijn Divina Commedia te citeren: ‘O hoe schieten mijn woorden te kort en hoe zwak zijn zij om de voorstelling die ik in mijn hoofd heb tot uitdrukking te brengen!’ (Vertaling Frans van Dooren). Ik doe toch een poging. Die Italiaanse zuil reikt naar de oneindigheid, die gaat door het dak, hij is een slanke editie van de Toren van Babel. Die Italiaanse zuil veroorzaakt een spraakverwarring in dit oer-Hollandse bouwwerk waarin de hemel onzichtbaar is gemaakt door de houten kap en de verticale beweging wordt afgeremd door de bogen en die kap. Die zuil klimt en klimt en klimt naar de hemel.’
Zó kun je het ook uitleggen, als een vorm van Meedenken, waarbij de associatie met de Toren van Babel op het randje is.

Tegen denken
Maar er bestaat ook zoiets als Tegendenken: kunst heeft de kerk wat te zeggen, zonder dat de kerk haar annexeert, inpalmt of inpakt. Ik heb zomaar het vermoeden dat dit staat te gebeuren tijdens het aanstaande winterprogramma Come Closer. Rond zonsondergang, op vier verschillende avonden – 6 februari, 20 februari, 12 maart en 26 maart – fungeert de kerk als podium voor gedeelde verhalen, beelden en klanken. Performances, lezingen en muziekuitvoeringen voltrekken zich terwijl het binnen en buiten langzaam donker wordt. Het is moeilijk en misschien ook onwenselijk om de kunstenaars, wetenschappers, musici en bezoekers die komen op voorhand in een hokje te plaatsen. Maar ik hoop er wél een beetje op dat er veel Tegendenkers tussen zitten. Dat zou goed zijn. Voor de kerk. En de kunst.

6 februari 17.05-18.05 uur: geluidsperformance Volle Band en lezing Hans Kuiper.
20 februari 17.32-18.32 uur: performance DKN ensemble en geometrische performance Waèl el Allouche.
12 maart, 18.09-19.09 uur: klankschalen Kees Huges en performatieve lezing door Valery Vermeulen.
26 maart, 18.34-19.34 uur: geluidsperformance Mehraneh Atashi en lezing Patrick Healy.

http://8weekly.nl/special/een-nachtbloeiende-bloem/
http://marcelbarnard.nl/weblog.php
http://www.oudekerk.nl/nl/programma/kalender/come-closer-vier-avonden-in-de-schemering

Van de ISVW naar de OU en terug

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfree

Het denken van de inmiddels overleden oud-Denker des Vaderlands, René Gude (zie foto, Sarah Wong) wordt nog steeds levend gehouden. Op 28 januari a.s. vertelt ds. Trinus Hibma over hem in het Huis van de Levenskunst (Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam). In maart 2013 schreef ik onderstaande, hier iets aangepaste bijdrage aan het Liber Amicorum t.g.v. het afscheid van Gude als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden.

 

Het kan verkeren! We schrijven 2000 rond wanneer ik deelneem aan de zomercursus ‘Leven en werk van Benedictus de Spinoza’. De tweede cursus die ik aan de ISVW volg; over de eerste straks meer. En niet de laatste, dat zal wel duidelijk zijn.
Ik had een cursus Inleiding in de filosofie gedaan bij de Open Universiteit en wist me niet goed raad met die Spinoza. De (eerste?) zomercursus over hem in Leusden kwam dan ook als geroepen; ik wilde proberen te achterhalen waar die haat-liefde voor hem nu vandaan kwam. Totdat de Vereniging Het Spinozahuis uitweek naar Barchem, heb ik (zo’n beetje) alle cursussen over Spinoza in Leusden verstouwd.

Doordat ik die basiscursus aan de OU had gevolgd, voelde ik me inmiddels zekerder van mezelf en dorst me vaker in Leusden te vertonen. Met enige regelmaat kom ik er een weekend of soms een week genieten, want dat is het, met volle teugen. Alleen de boslucht al! En de heerlijke diners – niet te versmaden! En al jaren bekende gezichten in de keuken, wat leidt tot een verheugd weerzien. Toen ik jaren geleden eens een jaar verstek liet gaan, werd ik zelfs gebeld met de attente vraag of er soms wat was. Kom daar maar eens om bij een ander cursusinstituut! Dat zegt óók iets over de manier van directievoeren!

Niet dat ik in die tijd contact had met René Gude. Ik moet zelfs bekennen dat ik bij de ISVW nooit een cursus van hem heb gevolgd… Dat kwam pas bij de OU, toen hij een college over René Descartes gaf (zie: http://elsvanswol.nl/?p=1426). Wat een docent bleek hij te zijn! Toen hebben we ook pas voor ’t eerst elkaar de hand geschud. En ik kreeg een vriendelijke glimlach cadeau. Echt met elkaar van gedachten wisselen, dat hebben we pas in 2012 gedaan toen René (zo noem ik hem in dit verband) als deelnemer (!) aanschoof bij een deel van een cursus van Frans de Haas. De Haas kende ik ook van de OU en zijn naam lokte mede.

Ondanks het feit dat ik niet of nauwelijks contact met René Gude als docent en directeur heb gehad, zijn mijn vervolgstappen op het terrein van de filosofie ondenkbaar zonder hem en de ISVW.
Ik schreef het al: er was een eerste cursus die ik er volgde, nog voor die over Spinoza. Dat was een succescursus, begreep ik: die van Jan Keij over Emmanuel Levinas. Daarna heb ik heel wat cursussen over Levinas gevolgd: van het (Leerhuis) Tenach & Evangelie, VU Podium, de Vrije Gemeente … Eenkennig ben ik niet, maar de ISVW is altijd mijn honk gebleven.

Het heeft er zelfs toe geleid dat ik een bachelor scriptie voor de OU over diezelfde Levinas schreef; dat zou René Gude vast niet hebben vermoed, maar het zou hem ongetwijfeld blij hebben gestemd. En dat doet mij weer goed. Immers: de basis voor dit alles ligt bij de ISVW, ‘zijn’ ISVW.
Elke keer dat ik daar terug hoop te komen, zal ik met een beetje weemoed denken aan de gesprekken die we in de afgelopen jaren hebben gemist, want ‘alles begon met een goed gesprek’ kopt Filosofie Magazine van maart 2013 boven een artikel van zijn hand. Maar ik zal vooral denken aan hetgeen hij me, met de ISVW en persoonlijk, heeft gegeven. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Sjablonen be-grijpen

Ysbrant Van Wijnhaarden_Het licht van waterOp zondag 20 september 2015 interviewde Annemiek Schrijver in het televisie-programma De verwondering de medisch-sociologe Anne-Miek Vroom, die onlangs met ‘Het Beste Patiënteninitiatief’  de Nationale Zorg Jaarprijs won. In een column die ik destijds voor Wervelingen schreef (zomer/herfst 2012), komt zij ook voor. Met toestemming herplaats ik deze hier.

Ik lees een detective: Alarmfase van Sean Black. Mijn ogen blijven hangen op een alinea die begint met: ‘”Je hebt bezoek”, zei hij, met een knikje naar Carries bureau. Het eerste wat Carrie zag was de rolstoel. Daarna zag ze Janice Stokes.’
Zo werkt het vaak: eerst zie je een rolstoel en dan pas degene die erin zit. Of misschien zelfs dat niet; de schrijver en bioloog Tijs Goldschmidt wijdde er een hele tentoonstelling, en op grond daarvan een fotoboek aan onder de titel Wegkijken. De voorbeelden hierin zijn van uiteenlopende aard, en meestal heel wat heftiger dan dat uit de detective van Black.

Na dit gedachtespinsel bekroop me opeens het tegenovergestelde idee. Namelijk dat bij grote denkers informatie met betrekking tot lichamelijke afwijkingen vaak niet eens wordt vermeld.
Dat Georges Steiner een verschrompelde hand heeft, kwam ik pas te weten toen ik hem eens zag bij een lezing. Dat onze (inmiddels oud-) Denker des Vaderlands, Hans Achterhuis, ten gevolge van een erfelijke ziekte moeilijk loopt, werd ik pas gewaar toen ik eens een deel van een cursus die hij mede gaf bijwoonde.
Is het eigenlijk belangrijk om te weten?

Dat een denker (vaak ‘(iet)wat’ heet het dan) gebogen loopt, lees je maar weer al te vaak als karakteristiek gegeven in interviews, waarin de interviewer zijn/haar gesprekspartner ook voor het eerst lijkt te ontmoeten: ‘De dominee was een wat gebogen, nadenkende man met een baard en een bril’ schrijft Geert Mak in zijn Hoe God verdween uit Jorwerd (p. 110). Waarbij gebogen lopen staat voor nadenkendheid en een bril voor intellectualiteit.

Doet het iets af aan het denken van de dominee of wie ook (maakt het een beetje een tegenvallende, sullige indruk op de schrijver die dit niet had verwacht?), of draagt het bij aan de kwaliteit van diens denken omdat het herinnert aan het clichébeeld van een grijze, wijze man – een soort patriarch met inderdaad ook een baard.
Want over gebogen vrouwen, zoals de schrijfster Vonne van der Meer of de letterkundige Marita Mathijsen lees je praktisch nooit. De leeftijd van een vrouw vermeld je immers ook niet …

Grote onzin is het allemaal natuurlijk wel, zoals de Vlaamse schilder Ysbrant [Van Wijngaarden] in een tv-documentaire van Sieuwert Verster (Het uur van de wolf, NTR 29 januari 2012) duidelijk maakte: fysiek gaat het steeds minder met hem, maar in zijn werk zit nog steeds, of juist – oordeel zelf –, vooruitgang (zie afb.: Het licht van water).
Als het principe van communicerende vaten, zoals Anne-Miek Vroom [die het over zonlicht had], medisch socioloog met scoliose en osteogenesis imperfecta in haar afstudeerscriptie Buigen zonder te breken beschrijft. Al moet je daar ook weer mee oppassen, want voor je het weet beland je in romantische ideeën over ziekte, vergelijkbaar met en koukleumende kunstenaar op een zolderkamer.
Hoe komen we hier nu uit?

Misschien is er maar één voorzichtige poging tot het vinden van een antwoord: sjablonen moet je niet willen gebruiken, want dan stel je jezelf, bijvoorbeeld als interviewer, boven een zwakkere partij, en sjablonen moet je ook niet willen begrijpen, want dan benadruk je ten eeuwigen dage één van de vele kenmerken die iemand heeft en blijf je hem/haar daarop vastpinnen.
Niet gebruiken en niet willen be-grijpen dus, opdat elk onderscheid tussen een zwak lichaam en een gezonde geest is opgeheven, alle sjablonen voorbij. En er een mens uit één stuk, maar met vele niet te ontkennen kanten, naar voren komt.

http://anne-miekvroom.nl/

Blauwe reiger: vogel des vaderlands?

Blauwe reigerVogelbescherming start later deze maand een verkiezing naar de ‘Vogel des Vaderlands’ als equivalent van de Dichter des Vaderlands, Denker des Vaderlands, Fotograaf des Vaderlands, Componist des Vaderlands en Theoloog des Vaderlands.
In Engeland hebben ze al een nationale vogel: het roodborstje. In Amerika is de zeearend gekozen, in Frankrijk de haan.
Vogels die aanspraak op deze eretitel zouden kunnen maken, zijn volgens Vogelbescherming: de mus, de merel, het koolmeesje, de grutto, de lepelaar, de bruine kiekendief, de rotgans, de kauw … Maar de reiger (zie afb.) heb ik in dit verband nog niet voorbij zien komen. Daarom maar een prachtig gedicht over deze vogel. Misschien komen nog meer mensen op ’t idee om op hem te stemmen. Het is een gedicht van Maria de Groot, in de bundel De bronnen van Jawneh (Uitgeverij Holland, 1981, p. 35):

Trillende reiger is het zwijgend licht
dat heenstaat over het verbarnsteend water.

Schemeren er nog fossielen vis?
Woest is de grond waaraan de speren raken

van zijn snavel: leegte, keergebied,
algen gevat in bodemzwart moeras.

Beth-Hammidrasj, geteisterde klankbodem,
wie roept de kwade helper naar de stortplaats?

Is hij van steen, hij zal verpulverd worden.
Is hij van ijzer: splijten tot in het ertsmerg

zal hij door de Torah, vuur en steenhamer beide.
Vogel van broosheid, klankgevest dat bidt:

licht wapent zich om met het licht te strijden.

Grote en kleine verhalen

Het BalkonDe bibliothecaris moet makelaar worden, de theoloog volgens Ruard Ganzevoort inmiddels ook. Makelaar in verhalen, in levenswijsheid. Alleen noemen de Godfathers van De Verhalencoach (Bibliotheek Innovatieprijs 2011) het liever niet ‘makelaar’, want dat associeer je eerder met een handelaar of bemiddelaar. Coachen gaat verder.

Contextualiseren is de nieuwste term: “het in context plaatsen van informatie, het inbedden van informatie uit allerlei bronnen in een op de klant afgestemde dienst” (SIOB). Komt de informatiespecialist daar in zijn/haar eentje uit, komt de theoloog daar uit, moeten we zoeken naar een nieuwe professional of naar nog iets anders?

“Het is jammer als één van die trainingsprogramma’s [zo beschouwt onze Denker des Vaderlands, René Gude, religie, kunst, sport en filosofie] wordt verabsoluteerd” (in: Trouw, 27 juni 2013). Laten we het eerder zoeken in samenwerking, een nieuwe mix waarin de gebruiker centraal staat. De bibliotheekgebruiker, de kerkelijke en niet-kerkelijke zoeker naar levenswijsheid.

Amsterdam heeft een Loket voor Levensvragen over liefde, lijden en leven. Dat is mooi en levert maatwerk op. Maar je kunt het gesprek over om het even religie, kunst, sport en filosofie of de samenhang daarvan ook in groepsverband aangaan. Vanuit grote en kleine verhalen, over de mogelijke zwaarte van een christelijke last, over de lichtheid van het bestaan en wat dies meer zij.

De verhalencoach en de theoloog zijn per definitie mensen die goed kunnen luisteren, zich in een ander (zouden moeten) kunnen verplaatsen en hebben geleerd dóór te vragen. Beiden hebben kennis van collecties boeken, en hoe die zijn opgebouwd en ontstaan. Of het nu bibliotheek of Bijbel heet. En hoe die grote en kleine verhalen hun uitweg vinden in bijvoorbeeld film en muziek, want laten we die niet vergeten. Of liever: misschien zelfs centraal stellen.

De bibliotheek kan zo’n gesprek faciliteren. De vorm zou die van een maaltijd in vier gangen kunnen zijn: religie, kunst, sport, filosofie. Bij de ene gang staat een zwaar boek centraal, bij de ander een lichte film, muziekstuk of een (levens)verhaal. Alles vanuit ‘de klant’ gedacht.

Niets hoeft, alles mag. Ter plaatse grijpen we in de kast, de beamer en de computer staan aan. Alle zintuigen worden geprikkeld. In zin en samenhang.