Badend in het zonlicht

Adriaen van de Velde_DoornenkroningGisteren toog ik naar het Amsterdamse Museum Ons’ Lieve Heer op Solder. Ik wilde de vijf schilderijen van Adriaen van de Velde wel eens zien, die sinds 24 juni jl. in deze kerk zijn samengebracht. In plaats van, of als aanloop tot de grote tentoonstelling in het Rijksmuseum. Dat viel nog te bezien.

Ze werden, las ik, in 1664 speciaal voor deze kerk gemaakt maar verhuisden in 1670 naar een andere huiskerk. Uiteindelijk belandden ze in de Augustinuskerk, pal bij mij. Een kerk die ondertussen is gesloten. Maar nu zijn ze weer terug op hun oorspronkelijke plek. Naast die ene, Doornenkroning, die er al hing (zie afb.)

Bij de ingang wist iemand me al te vertellen dat ze alle vijf naast elkaar hangen op de tweede galerij van de kerk. Dat scheelde zoeken. Na de klim daarnaar toe, werd ik vriendelijk welkom geheten door een jonge man wiens eerste werkdag het bleek te zijn. Daarom, zei hij, kon hij me, hoewel hij van het bestaan van de schilderijen wist, er verder weinig over vertellen.
Dat is natuurlijk geen enkel punt, maar van de audiotour die me beneden al in handen was gedrukt, werd ik ook niet wijzer. En ook dat kan eigenlijk nog niet – een al aangepaste en aangevulde tekst, zo kort na de definitieve tentoonstelling van de vijf schilderijen. Was ik misschien te vroeg of was er meer aan de hand?

Jammerlijker was namelijk dat je eigenlijk geen goed idee van de schilderijen kan krijgen. Het leken me prachtige voorstellingen van de hand van een schilder die – vond ik in de Rijksstudio de databank op de website van het Rijksmuseum -, ook een mooie Verkondiging van Maria (1667) voor een schuilkerk schilderde, en doek dat nu in een particuliere collectie zit. Ik kon de vijf niet goed zien, omdat het zonlicht er op deze zomerse middag stralend op viel. Hoewel er voor de raampjes gordijnen hangen, die vast ook dicht kunnen.

Ik begreep dat de schilderijen het lijden van Christus verbeelden en tezamen een passieserie vormen. Maar als niet-katholiek had ik moeite, voor zover ik er een glimp van kon opvangen, één en ander te duiden. Daarom zou een A4tje met een korte toelichting welkom zijn. Met een tekst in de trant die de Rijksstudio biedt, en waarin ook de symboliek in slechts enkele zinnen wordt uitgelegd: ‘Links verschijnt de engel met een lelietak uit de wolken, rechts zit Maria voor een opengeslagen boek dat op een tafel ligt.’ Een verdere invulling kun je aan de bezoeker overlaten; die moet uiteindelijk ook wat te doen hebben.

Een beetje teleurgesteld daalde ik de trappen weer af. Misschien moet ik nog een keertje terugkomen. En/of ondertussen toch naar de tentoonstelling in het Rijksmuseum, waar tot en met 25 september profane werken van Van de Velde in al hun glorie te zien zijn. Zonder dat er zonlicht op valt, en daardoor des te beter.

 

http://www.opsolder.nl/adriaen-van-de-velde-terug-het-museum

https://www.rijksmuseum.nl/nl/adriaen-van-de-velde

 

Kunst die zin wil hebben

Marjo TalIn het kader van de tentoonstelling Componisten in Oorlogstijd (5 juni-23 augustus 2015) in de hal van het Stadsarchief van de Gemeente Amsterdam, vindt ook een serie zondagochtendconcerten plaats.Op 19 juli a.s. staan enkele vrouwelijke componisten centraal, waaronder Marjo Tal (zie afb.).

Ter gelegenheid daarvan herplaats ik daarom hier een gedeelte uit een artikel dat ik over haar schreef in Mens en melodie (nr. 7/8, 2002).

Men heeft zich erover verwonderd dat de kunstliederen en de chansons die Marjo Tal (1915-2006) componeerde uit de pen van één en dezelfde persoon konden vloeien – een eufemisme overigens voor een componiste van wie bekend is, dat haar werk moeizaam tot stand kwam. De vraag is dan gerechtvaardigd of deze verwondering meer zegt over het beeld dat anderen van haar werk hebben gevormd, of over de identiteit van de pianiste/componiste: verscheidenheid of éénheid, of éénheid in verscheidenheid?

Liederen
De toonzetting van respectievelijk de Nederlandse en de Russische liederen is bijvoorbeeld al verschillend. De Acht Engelman-liederen ademen weer, ondanks een totaal eigen idioom, een wat impressionistische sfeer: gebroken akkoorden met fijnzinnige modulaties en daarboven hier en daar een klankschildering of een blue note die het grijs-grauwe onderwerp van een lied als Wolken accentueert. De begeleiding van de liederen op Russische tekst is voller van klank, zoals de taal dat is en een Russisch orkest er in vergelijking tot een Nederlands klankideaal een warmere toon op na houdt.
Wat wél overeenkomt, is de keuze voor gedichten die enerzijds allemaal aandacht hebben voor het onspectaculaire, het alledaagse, de kleine rimpelingen in het bestaan en anderzijds juist, ín en achter dat schijnbaar alledaagse een visioen van een andere wereld doen vermoeden die onbereikbaar en onzichtbaar is (‘een kleur die ik niet zie’).

In de voorliefde voor gedichten van bijvoorbeeld Jan Engelman komt echter tegelijk een andere kant van de medaille naar voren die in de Franse chansons, die zo’n twintig jaar eerder werden geschreven, al aanwezig was. Net zoals Marjo Tal, had Jan Engelman – die zij persoonlijk kende en haar verzocht zijn gedichten van muziek te voorzien – zowel een spirituele aanleg als een duidelijk gevoel ‘in’ de wereld te staan; mystiek en engagement gaan vaak, zoals bij hen, hand in hand.

Chansons
Hoewel één van de liederen als gezegd de wolken bezingt, met donkere klanken in de linkerhand van de pianopartij, die méér is dan louter begeleiding, en één van de chansons de zon (Couplet de la rue de Bagnolet, op tekst van Robert Desnos), is het niet zo dat de chansons over het algemeen zonniger zijn. Zeker, ook hier wordt het grote weer in het kleine, het alledaagse gevonden (Paris est tout petit, op tekst van Jacques Prévert), maar dat is kenmerkend voor veel Franse literatuur.
In A Paris (ook op tekst van Prévert) worden we bijvoorbeeld door de donkere begeleiding, ostinato-figuren en modulaties mee de diepte van het leven in een grote stad ingezogen. Ruth Wolf had het mijns inziens dan ook bij het rechte eind toen zij in een artikel over Marjo Tal (in Vrij Nederland, 28 juli 1956) schreef: ‘Een Parijs dat men niet kent (ook al herkent men het onmiddellijk en niet zonder huivering), een ruwe en bittere stad vol eenzame mensen.’ Het zijn chansons, schrijft Wolf, die ‘van de toehoorder veel veronderstelt, kennis en aanvoelingsvermogen, maar ook veel eist. Men kan hier niet maar zo eventjes vriendelijk belangstellend naar gaan luisteren. Als deze kunst zin wil hebben, dan moet men zich erbij laten betrekken.’

Conclusie
Het is opvallend dat op de compact disc met muziek van Marjo Tal op het label BVHaast zowel een keuze uit haar liederen als haar chansons bevat. De tijd is er rijp voor. Het is zoals prof. dr. Rudi Laermans zijn studenten theoretische sociologie en sociologie van de cultuur aan de Katholieke Universiteit van Leuven in de voetsporen van Pierre Bourdieu leert: het is het postmodernisme dat de acceptatie van het wegvallen van de grens tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur, tussen in dit geval kunstliederen en kleinkunst, mogelijk heeft gemaakt.

http://www.patricia.dds.nl/cdsmt.html