Internationale Vrouwendag – Dorothee Sölle

Bijna veertig jaar geleden maakte ik een groepsrondreis door Zuid-Frankrijk. Bij een diner zat ik naast een meneer, die de reis speciaal maakte omdat we het St. Rémy de Provence van Van Gogh aandeden. Ik zei dat ik iets soortgelijks in mijn achterhoofd had, maar dan meer vanwege het landschap van Paul Cézanne. Hij antwoordde daar niets mee te hebben, en kreeg voor die opmerking een beetje op z’n kop van zijn vrouw. Hoe was inderdaad leuk geweest, als we hadden kunnen doorpraten en bijvoorbeeld waren uitgekomen waar Rudi Fuchs in zijn rubriek ‘Kijken’ in De Groene Amsterdammer (5 december 2019) was uitgekomen in zijn vergelijking tussen Cézanne en Van Gogh: ‘Waar Cézanne een overzicht van het landschap geeft, de ordening in beeld brengt, plaatst Van Gogh de kijker er middenin’. En zo verder.

Dorothee Sölle
Een jaar of tien later overkwam me iets soortgelijks. Ik vertelde mijn wijkpredikant een bewonderaar te zijn van het werk van Dorothee Sölle (1929-2003), die ik op dat moment een keer live heb gehoord; in 1990 sprak ze in het gymnasium van St. Gallen tussenteksten bij een uitvoering van de Missa Criolla. Inclusief toegift (‘Waarom niet? Is het hele leven geen toegift?’) De predikant antwoordde niets met haar denken te hebben. Het waarschijnlijke waarom daarvan heb ik gaandeweg dat ik bij haar kerkte en leerhuizen volgde wel ontrafeld; ik ben het dan ook niet eens met Eginhard Meijering die in een interview in In de Waagschaal (januari 2021) meent dat kerkgangers niet kunnen beoordelen uit welk theologisch vaatje wordt getapt en het ze ook een zorg zal zijn. Daar gaat het nu niet primair om – al zou Meijering eens bij de koffie na een dienst in mijn wijkgemeente moeten aansluiten; zijn oren zouden klapperen -, want ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag wil ik Dorothee Sölles theologie namelijk weer eens onder de aandacht brengen en voor mezelf proberen na te gaan wat me nu zo in haar werk aanspreekt.

Leerhuis
In 2008 volgde ik een cursus van twee avonden over Dorothee Sölle, door Willemien Roobol in de Amsterdamse Thomaskerk. Ik put om te beginnen uit mijn aantekeningen.
Je moet haar, stelde Roobol, in haar tijd zien; gaandeweg kwam er wel meer openheid om aandacht te hebben voor het jodendom; het speerpunt van het denken van mijn voormalige wijkpredikant, die onder meer aan de voeten van een rabbijn had gezeten en van de theologie van de Amsterdamse School had gedronken. Sölles keus lag besloten in Deuteronomium 30.[1] Torah doen, aldus Roobol. Voorts is mystiek een constante in haar denken; De heenreis dateert al uit 1975. In haar mystieke, poëtische boeken zitten ook kritische, analytische stukken. Het gaat om Mystiek en verzet, gelijk bij Bonhoeffer. En dat is een eenheid die ik (h)erken, als twee kanten van dezelfde medaille. Je kunt haar mystiek plaatsen binnen de ethiek.

Het begin
Mijn interesse in leven en werk van Sölle begon met een serie artikelen over haar in 1971, die in diverse bladen en kranten, zoals in Hervormd Nederland en Trouw verschenen. Wat later ben ik zelfs nog op een kleine bedevaart naar de Antoniterkirche in Keulen gegaan, waar zij sinds 1968 Politische Nachtgebete hield. Wéér die intrigerende dubbelslag, die zo mooi tot uiting komt in het omslag van De heenreis.
Bij het eerste artikel, door ds. H.A. Visser, staat een foto waarop Sölle naast dr. J.J. Buskes zit. En dat klopt in mijn beleving helemaal: twee geestverwanten, waarvan de eerste – het kan geen toeval zijn – ook nog eens die van mijn moeder. Rode dominees. Visser schrijft, dat het zijn bedoeling is het gesprek met Sölle, dat in de Amsterdamse Westerkerk begon, voort te zetten.[2]
Het is mooi zoals Sölle op enkele vragen van Visser – die ik hier verder buiten beschouwing laat – ingaat. Ze zegt niet te geloven in dogmatische formuleringen, en laat enkele vragen gewoon open. Niets wordt dichtgetimmerd, en dat is fijn.

Sterke en zwakke kanten
Een eerlijke reactie op haar preek geeft dr. Th. C. Frederikse, die nota bene de wijkpredikant van mijn ouders in Ermelo was: ‘We kennen in Nederland Dorothee Sölle, mét haar sterke én haar zwakke kanten. Maar of we het echt verwerkt en beantwoord hebben wat zij te zeggen heeft?’ En dan betrekt hij, zoals hij het noemt, de lezers in zijn overpeinzingen, die erop uitdraaien, dat Sölle ‘zo vreselijk zwart wit denkt’.

Omgekeerd riep ze zelf ook bij mensen op: of je kunt in haar denken meegaan of blijkbaar helemaal niet. Of zelfs: je vond haar aardig of helemaal niet, zoals iemand die ik ken vindt; bij haar logeerde ze toen ze in Nederland was. Ik blijf echter bij de vraag van Frederikse: of we Sölles denken wel echt hebben verwerkt? Misschien is het bij mij uiteindelijk zo gegaan: ik beaam wat Frederikse schrijft, en toch doe ik de deur niet dicht. Soms steek ik mijn hoofd om die deur en zeg hardop: En toch, en toch heeft ze ons nog steeds wat te zeggen. Luister maar.

[1] Zie: https://herzienestatenvertaling.nl/teksten/deuteronomium/30
[2] De preek die zij in de Westerkerk hield, is opgenomen in een bundel onder de schitterende titel Het recht om een ander te worden (Uitgeverij Ten Have, 1972).

Een negatieve spiegel

Met een variant op ‘Geen dag zonder Bach’ kan ik zeggen: geen jaar zonder ISVW. Elk jaar wil ik op z’n minst een cursusdag of -weekend, of liever nog een hele week doorbrengen op de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Dit jaar lukt(e) dat niet, maar de keus voor volgend jaar is groot.

In 2008 was dat in mijn geheugen anders. Er was weinig dat me interesseerde en de keus viel uiteindelijk op een cursus over de wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend (1924-1994). Je zou hem tot de ‘foute denkers’ kunnen reken waarover historicus Anton Heumakers onlangs een boek schreef: Langs de afgrond. Het nut van foute denkers (Uitgeverij Boom). Of Feyerabend daarin voor komt weet ik overigens niet 1), maar het gaat me meer om de houding die Heumakers aanneemt en die hij zelf ‘kritische empathie’ noemt. Hij vindt het een groot goed als je open kunt staan voor wat foute denkers te zeggen hebben. Volgens hem kunnen foute denkers een kijkje gunnen op onze blinde vlekken. ‘Je kunt’, zegt hij in een interview met Alexandra van Ditmars (in: Trouw, 7 november 2020) ‘ze gebruiken als negatieve spiegel, om het tekort in onze zelfkritiek te corrigeren’.

Ik heb mijn aantekeningen van die ISVW-cursus in 2008 erbij gepakt om de proef op de som te nemen, want in Feyerabends autobiografie Tijdverspilling (uitg. Lemniscaat) vind ik weinig tot geen potloodstreepjes van mijn kant in de kantlijn. Met uitzondering van deze, over zijn oorlogsverleden (hij vocht aan het Oostfront):

Waarom deed ik die dingen? (…). Ik neem aan dat het mijn neiging was (die ik nog steeds heb) om een nare kwestie tegen het licht te houden en dat vervolgens tot in het extreme door te drukken (p. 62).

Bij een van de colleges – ik vermoed van Rein Gerritsen, de vertaler van genoemd boek – tekende ik aan, dat ‘Feyerabend aan het begin van zijn biografie nazisme en antisemitisme als kwaad om het kwaad in het midden laat. Later’, noteerde ik, ‘neemt hij een duidelijk standpunt in en verschoont zichzelf niet, zoals Heidegger’. Waarna ik de titel van een mooi boek van de theologe Dorothee Sölle noteerde: Het recht om een ander te worden (uitg. Ten Have).

Een van de blinde vlekken die Feyerabend benoemde, is die van de zogenaamde waardenvrije wetenschap. In zijn boek Against Method (1975, Ned. vert. Tegen de methode) liet hij zien ‘dat wetenschap verdacht veel lijkt op ideologie’, zoals een andere docent tijdens de ISVW-cursus, Herman de Regt, het noemde in een interview met Tim Houwen over Feyerabend (in: Trouw, 25 juni 2008). Ik citeer uit mijn dictaat: ‘Feyerabend trekt ten strijde tegen het idee dat de kennis die serieus wordt genomen, alleen uit de wetenschap moet komen. Er is ook poëzie en kunst die een blik op de wereld geven. Dat is geen objectief wereldbeeld’, zei De Regt, ‘maar ze moeten wel serieus worden genomen. Er zijn nu eenmaal dingen in de werkelijkheid die je niet rationeel kunt verklaren via “een” wetenschappelijke methode (inductie, deductie, experimenten) en die je aan alles en iedereen mag opleggen’.

Nog zo’n zin van Feyerabend zelf dit keer: ‘Mijn voornaamste motief voor het schrijven van dit boek was van humanitaire en niet van intellectuele aard’ (p. 48). Dit doet mij denken aan wat De Regt vertelde over Feyerabends stellingname ten aanzien van het Appello per la filosofia, een Italiaans pamflet uit 1992. In Conquest of Abundance schrijft de filosoof, dat in dit pamflet wel over filosofie wordt gesproken, maar niet over de échte problemen in de wereld: oorlog, geweld, honger, ziekte, ecologie. Wie kan het niet met hem eens zijn?

Natuurlijk: Feyerabend ging over de schreef, en niet zo zuinig ook, maar ik denk dat hij het extreme van zijn denken en doen inzag en uiteindelijk probeerde te beteugelen door in poëzie, kunst en ook religie te zoeken naar waarheid. Naar wat het extreme, het extremisme uitbant. Naar wat ons kan behoeden voor heersen, overheersen, voor macht en destructie.
Feyerabend is het die de negatieve spiegel uiteindelijk ten goede omkeerde. Dat is wat ik tijdens de cursus over hem meen te hebben geleerd: het kwade ten goede keren.

1) De hoofddenkers die Heumakers behandelt, zijn de contraverlichtingsdenkers Maurice Barrès, Edouard Drumont, Georges Sorel, Ernst Jünger, Carl Schmitt, Maurice Blanchot, E.M. Cioran, Renaud Camus en Jean Raspail.

Drieluik – Klimaatcrisis


Het viel me in één week toe: eerst een nummer van het tijdschrift
Der Spiegel over klimaatbescherming (zie afb.) dat ik op terugreis (met de trein) uit Venetië kocht in München.
In de tweede plaats de eerste middag van het nieuwe seizoen van het
Huis van de Levenskunst in de Amsterdamse Bethelkerk met ds. Trinus Hibma en tenslotte, als derde, een aankondiging van het boek Waarom zou ik? van Petra van der Kooij (uitg. ISVW, Leusden). Tezamen vormen ze een drieluik.

 

Der Spiegel
De recente Duitse politiek leert, dat ideeën die voorheen als twijfelachtig konden worden bestempeld (natuurbeleving en vegetarisme in de jaren dertig van de vorige eeuw), ten goede kunnen worden gekeerd. Denk aan het huidige klimaatbeleid van de Duitse regering van Angela Merkel (zie afb.: naaldkunstwerk van Alexandra Bircken op de Biënnale in Venetië, foto EvS). Dit werd uitgebreid besproken in het hiervoor genoemde nummer van Der Spiegel.
De Duitse regering maakte een grootschalig, nieuw klimaatplan bekend, waarover slechts negentien uur was vergaderd. Er wordt een CO₂-heffing op benzine, stookolie en aardgas ingevoerd, duurzame alternatieven in het verkeer en voor de verwarming worden gestimuleerd, de prijs voor ecostroom gaat omlaag, de prijs voor treinkaartjes daalt ook en die voor vliegen gaat omhoog en er komt een extra subsidie voor elektrische auto’s. Dorothee Sölle noemde een van haar boeken eens ‘Het recht om een ander te worden’. Dat geldt dus ook voor een volk, als je dat zo in alle collectiviteit mag omschrijven.

Huis van de levenskunst
De eerste middag in het najaar in de Bethelkerk (zie foto EvS) werd aangekondigd als ‘een gesprek over duurzaamheid (…). De denkbeelden van René Gude, de in 2015 overleden filosoof (…), worden hierbij betrokken’.
Trinus Hibma herhaalde de stromingen die Gude onderscheidde nog eens:
1) ervaring, empirisme – Aristoteles, politiek vaak iets rechts van het midden
2) rede – Plato (idealisme), politiek progressief
3) pragmatisch – Sofisten, politiek liberalisme, vaak wat guur.

Iemand kwam met de opmerking of het niet wat zou zijn, om die schotjes hiertussen meer af te breken. Ik moest daardoor even denken aan Jesse Klaver, die af wil van de ‘scorebordpolitiek’. Inhoud en problemen oplossen, dat is iets waar deze tijd om vraagt, politiek links, rechts en het midden voorbij.
Hierna kwam Hibma uit bij de optie om het vraagstuk van duurzaamheid in vieren te breken, volgens de sferen die René Gude benoemde:
1) privé
2) privaat
3) publiek
4) politiek
Het was de bedoeling om de zaak voor ons als enkeling behapbaar te maken en zo het idee te geven, en te hebben, dat je werkelijk iets kunt bijdragen om de klimaatcrisis het hoofd te bieden en niet in machteloosheid te blijven hangen.

Waarom zou ik?
Terwijl ik me thuis zat af te vragen, of op die manier de grote vervuilers niet een beetje teveel buiten zicht waren gebleven, rolde een boekaankondiging vanuit de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in mijn e-mailbox. Ik citeer:

We willen wel duurzamer leven, maar weten niet hoe of waar te beginnen. En waarom zouden we eigenlijk? Hoe je het ook went of keert, onze individuele CO2-uitstoot is slechts een druppel op de gloeiende plaat. Die ene vliegreis annuleren of een stuk vlees per week minder eten: maakt dat het verschil?
Ja, het individu speelt een belangrijke rol in de klimaattransitie. De inzet van het individu is zelfs noodzakelijk. Petra van der Kooij ging in gesprek met politiek-filosofen, ondernemers, actievoerders en ecologen, en leerde gaandeweg dat je individuele keuze bepaald niet in strijd is met het aanpakken van de samenleving. Sterker nog, door deze keuzes worden sociale normen veranderd en ontstaat er politieke ruimte voor ambitieuzer klimaatbeleid.

Waarom zou ik? stelt iedere lezer in staat om zich te beraden op haar eigen levenshouding, en geeft iedereen die niet weet wat te doen helder advies.

Ik was weer helemaal tevreden met de fijne middag in de Bethelkerk en denk dat dit een urgent boek is voor op mijn wensenlijstje. Mooi, parafraseer ik een oud-collega, al die boekenkennis, maar er nu ook nog wat (meer) mee doen. Zo is het. Met vallen en opstaan.

 

https://d101cp5e62dfyu.cloudfront.net/wp-content/uploads/2019/09/INTRO.WAAROMZOUIK.pdf