Top-10 concerten 2017

Hieronder de tien concerten uit het afgelopen jaar die mij het meest zijn bijgebleven.

150 Psalms
Tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht, dat ik praktisch elk jaar voor een of meer concerten ‘aandoe’, werd een tweede, klein festival georganiseerd: de 150 Psalmen uitgevoerd door vier verschillende koren: het Nederlands Kamerkoor (foto: Foppe Schut), het Amerikaanse Choir of Trinity Wall Street, de Tallis Scholars en de publiekslieveling Der Norske Solistkor. Een geweldige ervaring om meegemaakt te hebben.

Fiumarathon
In het kader van November Music in ’s-Hertogenbosch, stond een hele dag de muziek van oud-collega Anthony Fiumara centraal. Ik blogde er op deze site al over. Een belevenis van jewelste!

Mariavespers
Tijdens het Holland Festival werd in de Gashouder van de Amsterdamse Westergasfabriek dit meesterwerk van Monteverdi uitgevoerd in een coproductie met De Nationale Opera. Niet alleen de uitvoering op zich was geweldig, door Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon, maar ook de sculptuur van Berlinde De Bruyckere waaromheen alles zich afspeelde.

Abdel Rahman El Bacha
Deze meesterpianist, die naar mijn idee veel te weinig bekend is, speelde op 1 april in de Serie Piano van het Muziekgebouw aan het IJ 72 preludes van Bach, Chopin en Rachmaninov. Een marathonconcert met twee pauzes, maar voor mij had het nog wel even door mogen gaan!

Chiaroscuro Kwartet
De kennismaking met dit kwartet was er een van de hoogste orde: op oude instrumenten speelden zij werken van Haydn, Fanny Mendelssohn en – met Ronald Brautigam aan de fortepiano – Schumann. Een verrassing, na het tegenvallende eerste concert in de serie Kleine Zaal Melange in het Amsterdamse Concertgebouw.

Budapest Festival Orkest
Wat een orkest, dat speelde in de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van het Concertgebouw in Amsterdam. Ook nog eens onder leiding van Iván Fischer, die ik zeer hoog heb. Zoevende contrabassen – waar hoor je dat nog meer? In werken van Bach, Mozart (met pianist Emanuel Ax) en Tsjaikovski.

Koninklijk Concertgebouworkest
Ik heb in deze column niet onder stoelen of banken gestoken, dat ik blij ben met de nieuwe chef-dirigent van het KCO: Daniele Gatti. Tijdens de Robeco Summer Nights speelde het orkest onder zijn leiding een programma met Wolfgang Rihm (IN-SCHRIFT), een groot hedendaags componist wiens carrière ik zo goed mogelijk probeer te volgen, en Anton Bruckner (Negende symfonie). Grandioos.

Akademie für Alte Musik Berlin
Tijdens de Robeco Summer Nights, in het kader waarvan ik altijd wel enkele concerten bezoek, speelde de door mij zeer geliefde violiste Isabelle Faust met de Akademie für Alte Musik Berlin een heel Bachconcert. Inclusief een Sinfonia van Carl Ph. Emanuel.

De troost van Stabat Mater
In de Serie Oude Muziek van het Muziekgebouw aan het IJ voerden PRJCT Amsterdam met Rosemary Joshua (sopraan) en Maarten Engeltjes (countertenor) onder meer het Stabat Mater van Pergolesi uit, afgewisseld met een voordracht van P.F. Thomése uit diens boek Schaduwkind. Het werk van Pergolesi blijft indrukwekkend.

Glen Dempsey
Tijdens de zomer mag ik altijd graag overal en nergens orgelconcerten bezoeken. Eén sprong er dit jaar voor mij uit: door Glen Dempsey uit Cambridge, op 12 juli in de Basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam. Hij speelde er met veel stijlgevoel werken van Joh. Seb. Bach, Mendelssohn-Bartholdy, Reger, Franck en Brahms.

Het fortissimo van Bach en Luther

Tentoonstelling: Luther, icoon van 500 jaar reformatie

Naar aanleiding van deze tentoonstelling in Utrecht, waarin ook aandacht zal worden geschonken aan de Lutherse kerkmuziek, plaats ik hier gedeelten uit een lezing die ik in 2006 in de Amsterdamse Thomaskerk hield voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie.

In Nico Bakkers vertaling De Koninklijke Mens van Karl Barth komt een passage voor over Bachs Matthäuspassion: 

Op haar zuiver muzikaal gehalte wil ik niets afdingen. De Matthäuspassion wil echter een uitleg zijn van de hoofdstukken 26 en 27 van het Matthëusevangelie. In die hoedanigheid kan ze haar hoorders alleen maar op een dwaalspoor brengen. Zij is één enkele, –  in bijna ononderbroken moll – waarlijk wonderbaar golvende wolkenzee van zuchten, van klachten en aanklachten, van uitroepen van ontzetting, treurnis en medelijden: een treurode, die in een regelrecht grafgezang (“Ruhe sanft”) uitmondt, een ode, die niet door de Paasboodschap is bepaald en er zelfs niet door wordt begrensd en waarin het motief “Jezus de Overwinnaar” volledig stom blijft. Wanneer zal het aan de kerk en aan de vele duizenden en duizenden, die de lijdensgeschiedenis van het evangelie enkel in uitgerekend deze versie kennen, duidelijk worden gemaakt dat het hier om aan abstractie gaat en dat dit beslist niet het lijden van Jezus Christus is? (p. 103).

In het boek De beproeving – over de nieuwe bijbelvertaling, onder redactie van onder anderen Ad van Nieuwpoort, staat een interessante bijdrage van Nico Bakker en een reactie daarop door Alex van Ligten, predikant in Sneek. Naar mijn idee geeft Nico Bakker hierin een nadere uitleg van wat Karl Barth volgens hem wil zeggen. De titel van Bakkers bijdrage is al duidelijk genoeg: ‘Opstanding als vertaalmotief’.

De opstanding vormt het afsluitend grondmotief van heel de bijbelse verkondiging. Het staat in 1 Korinte opgetekend in zijn onophefbare vreemdheid en andersheid. De opstanding van Jezus vormt het fortissimo van de bijbelse theologie. De bijbelse theologie vindt haar oorsprong en einde in de verkondiging van de dood en de opstanding van Jezus Christus, de Messias van Israël (…). Bijbelse theologie heeft als zwaartepunt de absurde boodschap van de opstanding van de doden. Zonder de boodschap van de opstanding is het christendom zinloos (…). Opstanding is de kern van de Christusverkondiging (…).
Aldus Nico Bakker in de voetsporen van Karl Barth (p. 65 e.v.).

Alex van Ligten reageert hier aldus op:
Bakker noemt de opstanding van Jezus het fortissimo van de bijbelse theologie. Mijn vraag is: hoe forte is dit fortissimo precies? Kun je niet met evenveel recht en reden de bevrijding uit de slavernij zo aanduiden? En de tocht naar het beloofde land? En de terugkeer uit de ballingschap? Oftewel: is het complete muziekstuk van de ganse heilige Schrift niet te groot en te lang voor slechts één fortissimo? Kunnen er niet meerdere fortissimi zijn? (p. 73).
Ik wil proberen aan te tonen dat het motief van Bachs Matthäuspassion inderdaad een heel ander fortissimo is dan Barth er graag in had willen horen.

Een kleinood in het midden
In de Matthäuspassion staat een kleinood in het midden. Een kleinood die het middelpunt vormt én ook hier het eigenlijke verhaal vertelt: het fortissimo in bijbels-theologische zin. Elke goede uitvoering van de Matthäuspassion zet de schijnwerpers op dit midden – telkens opnieuw word je zo vermaant dít centrum, deze verkondiging op je in te laten werken alsof het hier en nu opnieuw gebeurt, opnieuw geschiedt.
Om tot de symmetrie te komen, ging Bach in het tweede deel van de passion uit van de enige zin in het evangelie van Matteüs die letterlijk wordt herhaald: ‘Laat Hem gekruisigd worden’ (Math. 27:22 en 23). In de Statenvertaling:

Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden. Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!

Het architectonische middelpunt in de eerste opzet van de Matthäuspassion bevindt zich precies daartussenin:

  • het koraal ‘Wie wunderbarlich ist doch diese Straffe’
  • een recitatief (‘Der Landpfleger sagte’)
  • het arioso voor sopraan ‘Er hat uns allen wohl getan’
  • en de sopraanaria waar alles om draait: ‘Aus Liebe will mein Heiland sterben’.

(Een arioso is een tussenvorm tussen een recitatief, waarin het evangelieverhaal wordt verteld en een aria, een zangstuk met meer zeggingskracht).

Een kathedraal
Opmerkelijk is dat Karl Barth op het eind van zijn Kirchliche Dogmatik ook een architectonische ruimte ten tonele voert. En al noemt hij het woord kerk, laat staan ‘centraalbouw’ niet, toch licht er iets in op wat ook Bach voor ogen moet hebben gestaan. Maarten den Dulk heeft het in zijn boekje Heren van de praxis, over Karl Barth en de praktische theologie als volgt omschreven:

[Barth] roept onweerstaanbaar de herinnering op aan het interieur van een kathedraal, waar slanke zuilen en een netwerk van ribben het gewelf dragen alsof het zweeft. Hij [Barth] gewaagt met lust van een ‘volkommen Bauwerk.’ De pointe van de metafoor ligt daarin dat – om bewust deel te kunnen nemen aan de ontmoeting met God – er werkelijk een ruimte geconstrueerd moet worden (…). Het beeld wordt als volgt uitgewerkt: de dragende elementen zijn de noties ‘rechtvaardiging’ (als zaak van God) en ‘geloof’ (als reactie van de mens); en het zwevende gewelf is de christologie die wel nagestreefd maar nooit echt bereikt wordt. Het beeld wordt ook weer gecorrigeerd: in deze constructie is het Jezus Christus zelf die vanaf de fundamenten werkzaam is (p. 129).

Voor ons is het jammer dat Barth deze metafoor niet toepast op Bachs Matthäuspassion. Maar dat valt hem natuurlijk niet kwalijk te nemen. Wat hem wél valt aan te rekenen, is een zekere ongenuanceerdheid die uit een opmerking als zou de Matthäuspassion ‘één enkele, – in bijna ononderbroken moll – waarlijk wonderbaar golvende wolkenzee van zuchten, van klachten en aanklachten, van uitroepen van ontzetting, treurnis en medelijden’ zijn. Het gaat te ver om dit in zijn totaliteit te ontkrachten – maar enkele voorbeelden wil ik u tot slot niet onthouden.
Het begint al met het openingskoor: ‘Kommt, ihr Töchter helft mir klagen’, die door Bach in e kl.t. is gezet. Maar … daarbovenuit klinkt het hemelse blauw als van een glassculptuur: ‘O Lamm Gottes, unschuldig’, door Bach gezet in G gr.t.

Deze dualiteit tussen grote en kleine terts wordt door de grote Bachkenner Christoph Wolff in het boekje bij de CD-opname o.l.v. Ton Koopman als zeer wezenlijk beschreven. Het slotkoor lost deze dualiteit dan ook slechts gedeeltelijk op, al staat het in C gr.t. (e-G-C is een drieklank – let op de symboliek!). De echte oplossing komt, aldus Wolff, met de fanfares van de trompetten, twee dagen later in de cantate van Paaszondag. En trompetten zult u in de Matthäuspassion niet tegenkomen.

Een ander fortissimo
Nog een voorbeeld. Dat is het koraal ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ van Paul Gerhardt op een melodie van Hans Leo Hassler (in het Liedboek voor de Kerken opgenomen als Lied 183). Het komt vijf keer voor. En van die vijf keer slechts één keer in een moll toonsoort – of, in goed Nederlands: kleine terts. Het is zoals Casper Höweler in zijn boekje over Bach’s Matthäuspassion als belijdend geestelijk drama schrijft: ‘Gerhardt en Bach bedoelden geen klacht of ontroering om de dood van Jezus, maar troost en belijdenis, wat veel dirigenten door uitersten van pianissimo en adagio niet tot zijn recht laten komen’ (p. 67).

Vijf keer een strofe van dit koraal – slechts één keer, deze laatste maal, in mineur (a kl.t.). Het doet mij denken aan een schitterende overweging die Marius van Leeuwen, hoogleraar van het Remonstrants Seminarium schreef in het januarinummer 2006 van het tijdschrift Adrem.
Hij neemt daarin het beeld Stadsplan II uit 1948-’49 van Giacometti in het Museum Berggruen in Berlijn tot uitgangspunt (zie afb. hierboven): ‘Je ziet’, schrijft hij, ‘vier lopende mannen. Hun armen bewegen mee met hun loop. De vijfde figuur is een vrouw. Ze staat roerloos, de armen langs het lijf.’  Deze vrouw doet Van Leeuwen denken aan Jezus, van wie wordt gezegd dat Hij ‘gekomen is (…) en mensen liefhad met een enkel woord en soms ook met zijn blik, zijn zwijgen, de vanzelfsprekendheid doorbrak waarmee de mensen hun eigen gang gingen.’  In bijbels-theologische zin is en blijft dit een fortissimo – al is het een ander dan Karl Barth had gehoopt te horen.

 

Hohe Messe om door een ringetje te halen

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: de Hohe Messe van Joh. Seb. Bach zoals die gisteravond tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht in TivoliVredenburg klonk was om door een ringetje te halen!

Het Adagio waarmee het Kyrie begint, beloofde een ingetogen en milde Hohe Messe te worden. De aanzetten in de blazers van het orkest bevestigden dit, net als die van het koor in het Largo dat erop volgt. Of, laat ik eerlijk zijn: het voorafgaande Preludium in b kl.t. BWV 544, door Bert Jacobs gespeeld op het nieuwe barokorgel van Van Vulpen zette al de toon – heel wat milder van klank dan Lorenzo Ghielmi eruit haalde bij de ingebruikname afgelopen vrijdag, wellicht door een wat kwistig gebruik van de discant. Het orgel legde in het Laudamus in de mis zelf een prachtig fundament, waarbij de organist via de concertmeester (Tuomo Suni) communiceerde, omdat leider Lionel Meunier, die als bas in het koor meezong, helemaal rechts op het podium stond en de speeltafel zich helemaal links bevindt. Vooral in het Agnus Dei kwam het orgelfundament mooi uit de verf, steviger uiteraard dan we van een kistorgel gewend zijn.

De milde aanzetten in het koor en orkest, Vox Luminis zorgden er aan de ene kant voor dat het Miserere nobis uit het Qui tollis peccata mundi extra droevig klonk en aan de andere kant dat felle accenten, zoals in het Domine Deus extra fel klonken.
Het tweede wat duidelijk opviel, was de doorzichtigheid van de klank van zowel koor (inclusief solisten) en orkest. Neem de dialoog tussen hobo’s en trompetten in het Gloria die prachtig naar voren kwam of het pareltje Confiteor unum baptisma. En ook wanneer er geen solopartijen werden geblazen of gestreken, waren de orkestrale bijdragen van hoog niveau, zoals bijvoorbeeld de stuwende fagotten in het Osanna.

En dan hebben we het nog niet gehad over de vocale solisten die wanneer zij duetten zongen qua klank prachtig op elkaar aansloten, zoals het mooie, lichte vibrato van beide sopranen in het Christe Eleison, de sopraan en de tenor in het Domine Deus of de sopraan en alt in het Et in unum na de pauze.

Buitengewoon opvallend was tenslotte de passage in de basaria Et unam sanctum apostolicam ecclesiam zonder de oboi d’amore, waarin de solist ook even terugnam. Hierin leken de uitvoerenden niet alleen hoorbaar maar ook voelbaar te willen maken wat in het lijvige programmaboek werd omschreven als een vraag: ‘Wilde Bach de grenzen van de individuele overtuigingen overschrijden en een universele boodschap muzikaal verklanken?’ Je zou het haast denken. Een uitvoering van grote klasse, dat was het!

Deus Passus van Wolfgang Rihm

De afgelopen jaren heb ik mij in de veertigdagentijd de gewoonte aangewend om een voor mij tot dan toe onbekende Passie te leren kennen. Zo leerde ik, en schreef ik op deze blog over achtereenvolgens de Johannes Passion van Arvo Pärt en Golgotha van Frank Martin.

Dit jaar hoorde ik dank zij AVROTROS op NPO Radio4 op Goede Vrijdag de rechtstreekse uitvoering van het passieoratorium Deus Passus (Lijdende God) van Wolfgang Rihm (zie foto), over wie ik als bewonderaar van zijn werk hier ook al eerder schreef.

Maar laat ik eerst beginnen met te memoreren wat een gedenkwaardige uitvoering solisten, koor en orkest onder leiding van Markus Stenz brachten! Het solistenkwintet was geweldig op elkaar ingespeeld en mengde qua klank ook goed met elkaar. Het waren achtereenvolgens: Anna Palimina (sopraan), Olivia Vermeulen (mezzosopraan), Cécile van de Sant (alt), Mark Omvlee (tenor) en Miljenko Turk (bas).

Hierbij kan voorts meteen worden opgemerkt dat de Christuspartij geen solopartij voor tenor was, zoals we dat uit bijvoorbeeld de Passionen van Joh. Seb. Bach kennen, maar door meerdere stemmen tezamen werd vertolkt, waarvoor het – zoals Thea Derks in de inleiding op de ratio-uitzending vermeldde – ‘universeler en minder persoonlijk’ werd. Niet dat, zoals zij ook zei, Bach niet regelmatig om de hoek komt kijken.
Maar dat geldt eigenlijk voor de hele Duitse (!) muziekgeschiedenis die op z’n tijd langs kwam. Van de tremulerende strijkers in Vater, ich befehle meinen Geist in deine Hände, zoals we die uit het Klaaglied Mit Fried unt Freud ich fahr dahin van Buxtehude kennen, tot het fluisterende, haast marcherend overkomende, adembenemende Kreuzige dat we uit de muziek van Mauricio Kagel kennen.

Met die laatste uitroep was nog meer aan de hand. Het Bar-Abbas uit dit deel (dat ook werd gefluisterd) ging naadloos over in het Kreuzige. Hieraan ligt de theologische opvatting ten grondslag dat Bar-Abbas niet alleen de naam is van degene die vrijgelaten zou moeten worden, maar ook Zoon van God betekent en dat het hier dus om een Godsmoord (deïcide) gaat.
Hieruit blijkt dat Rihm zich goed in zijn onderwerp heeft verdiept, jaren lang en uiteindelijk koos voor het Lucasevangelie, dat volgens hem het minst anti-judaïstisch is van de synoptische evangeliën. Hij gebruikt delen uit het evangelie in de vertaling van Maarten Luther, van wie dit overigens niet gezegd kan worden.

Niet alleen de hele Duitse muziekgeschiedenis komt voorbij, ook de alle vormen van geloof passeren de revue. De Lutherse, met telkens terugkerende citaten uit het koraal O Haupt voll Blut und Wunden (zie afb.). Met elementen uit de rooms-katholieke eredienst voor Goede Vrijdag (een responsorium, een improperium, de Hymne bij de kruisverering en de Klacht van Maria) en, het meest opvallend, het gedicht Tenebrae van Paul Celan, dat het werk van Rihm afsluit. Aan dit deel ontleent de oratoriumpassie zijn titel. De laatste woorden luiden: Bete, Herr / Wir sind nah, als een oproep voor ons luisteraars. In dit deel is ook, net als in de opening (Lucas 22:19-20) en door het haast als refrein terugkerende koraal O Haupt voll Blut und Wunden sprake van bloed.

Ook muzikaal valt Rihm soms terug op sjablonen uit de kerkmuziek. De woorden libera me (bevrijdt mij) uit het responsorium voor Goede Vrijdag worden gezongen als een respons: eerst solo, daarna beantwoord door het koor. Af en toe komen ook toonschilderingen voorbij zoals we die uit de passionen van Bach kennen: een huiveringwekkende vioolsolo loopt vooruit op Und asbald … krähete der Hahn, trombones die Und es ward eine Finsternis begeleiden verwijzen naar het gebruik van deze instrumenten als symbool voor de dood in bijvoorbeeld het Requiem van Mozart, en – tot slot – de herhaalde letter ‘a’  in O quam tristis et afflicta (O, hoe treurig en doorwond) klinkt alsof de speer telkens weer in de zijde van Jezus van Nazareth wordt gestoken.

Ik kan weer een indrukwekkend werk toevoegen aan het rijtje passionen dat ik de afgelopen jaren in de veertigdagentijd beluisterde: ‘donker en ingetogen’, zoals Thea Derks het noemde. Passend in de theologische opvatting van onze tijd.

Nederlandse première om door een ringetje te halen

andrea-marcon handel

Deze weken wordt muziekminnend Nederland maar verwend met Händel.
Bij de Nationale Opera & Ballet in Amsterdam wordt momenteel met veel succes het oratorium Jephta geënsceneerd op de planken gebracht, in het NTR ZaterdagMatinee klonk vanmiddag Händels serenata Parnasso in festa per li sponsali di Teti e Peleo HWV 73 (1734) voor Anne van Hannover en Willem IV van Oranje. Geen opera en geen oratorium dus, maar iets daar tussenin. En nota bene de Nederlandse première. In een vol Concertgebouw, en prachtig doorgegeven door NPO Radio 4; ik hoorde het stuk op de radio. Mooi hoe in deze geluidsregie sommige partijen die in de zaal wellicht wat minder duidelijk te horen zullen zijn geweest, werden uitgelicht. Zoals bijvoorbeeld de blokfluiten in de aria Nel spiegar).

En nu ik toch bezig ben complimentjes uit te delen, mag nog iemand die meestal in de schaduw blijft ook in het zonnetje worden gezet: degene die de solopartijen voor deze uitvoering castte. Neem wat dit betreft als voorbeeld de stem van Orfeo, wiens lamento in het tweede deel één van de hoogtepunten van de middag was: de Zuid-Koreaans-Amerikaanse counter Kangmin Justin Kim. In het programmaboekje stond het er niet bij, maar het was ongetwijfeld zijn debuut in de Matinee.

Oude getrouwen waren dirigent Andrea Marcon (foto links), La Cetra Barockorchester en Vokalensemble Basel die een hoog niveau bereikten. Koor en orkest zongen en speelden met zowel een enorme vaart (de ouverture!) en uitgelatenheid (Sciogla al ballo met tamboerijn) als met een mooie, bezonken rust. Wat het eerste betreft was prachtig – om nog maar weer eens een voorbeeld te noemen – hoe de hobo’s ‘instapten’ in het koor Ecco ne dà stimolo onor in het eerste deel.
En wat het tweede, de rust betreft, kan worden gewezen op de onbegeleide gedeeltes waarin de solisten kans kregen hun partij mooi uit te zingen, zoals Cloride (de Duitse mezzo Silke Gäng; ook voor ’t eerst in het Matinee?) in Tra sentier uit het tweede deel.
En dan hebben we ’t nog niet eens over het koor gehad, dat een toonbeeld was van doorzichtige, krachtige en prachtige zang.

Over het geheel genomen werd niet alleen met een enorme vaart én bezonken rust gezongen en gespeeld, maar ook het feit dat de solisten niet langer meer wars zijn van vibrato viel weer op.
Standaard in dit soort historisch geïnformeerde uitvoeringen (er werd zelfs gespeeld uit een kritische uitgave die nog niet eens in druk is verschenen), is de rijke bezetting van de basso continuo-groep en de prachtige kleuring die oude instrumenten kunnen bereiken met de zangpartijen, zoals Mars, de enige lage stem in dit werk (de Spaanse bas Ismael Arróniz) met de lage strijkers in zijn aria uit het eerste deel.
Ook verhalend zingen viel vanmiddag te beluisteren, zoals bij Apollo (de Australische countertenor David Hansen) en Euterpe (de Italiaanse mezzosopraan Francesca Ascioti). De kernachtige Zweedse sopraan Jenny Högström (Calliope) verdient tenslotte ook vermelding.

Een Nederlandse première om door een ringetje te halen!

De tijd op zijn best – Robert Heppener

robert-heppenered-spanjaard

 

 

 

 

 

 

Het gaat er niet om de beste van de tijd te zijn, maar de tijd op zijn best. Aldus de Duitse filosoof Hegel. Franz Rosenzweig zei het hem ruim een eeuw later veelvuldig na: het is de bedoeling de tijd waarin je leeft optimaal tot uitdrukking te brengen. En te boven te komen, de tijd vooruit te zijn.
Rosenzweig heeft geweten wat dit betekende: door die houding aan te nemen vielen alle deuren voor een loopbaan in de universitaire wereld voor zijn neus dicht. Pas gaandeweg werd het belang van zijn denken, uiting gevend aan de tijd op zijn best en visionair tegelijk, ingezien.

Iets soortgelijks overkwam Robert Heppener (1925-2009, foto links), wiens muziek heel lang niet de (h)erkenning heeft gekregen die haar toekomt. Op 7 oktober a.s. klinkt in de serie AVROTROS Vrijdagconcert in het Utrechtse TivoliVredenburg Heppeners Del iubilo del core che esce in voce in een uitvoering door het Groot Omroepkoor o.l.v. Ed Spanjaard (foto rechts). Ter gelegenheid hiervan herplaats ik hier gedeelten van een artikel dat ik over de Heppener schreef in Mens en melodie (nr. 6/6 2003).

Zelf heeft de componist wel eens het idee gehad niet thuis te horen in de tijd waarin hij leefde, zoals hij in een interview met Paul Janssen in het Parool van 6 juni 1988 zei. Maar dat gevoel is voorbij gegaan: ‘de zijlijn is vanzelf middenveld geworden.’ In die zin voelde Robert Heppener zich verwant aan de tijdloosheid die de muziek van Olivier Messiaen ademt. En ook de vogelgeluiden, en zelfs een heuse ‘vogelcadens’ in Voir Clair voor orkest doen aan Messiaen denken.

Robert Heppener heeft de combinatie van Socratische vervreemding, het zich niet helemaal thuis voelen in de tijd waarin je leeft en het zich distantiëren van wat lang bon ton was (het serialisme), en Platoonse, visionaire hoop die tot het wezen der dingen doordringt, van niemand vreemd. Het kan namelijk ook kenmerkend worden genoemd voor het latere werk van Bertus van Lier, die van 1951 tot 1955 Heppeners mentor was. Een Socratisch leraar die tegen zijn leerling zei: ‘Als je begint aan een compositie, is onderbewust dat stuk al klaar. Dat moet je naar voren halen.’

In de geest van Van Lier is een vroege compositie van Heppener geschreven: Cantico delle creature di S. Francesco d’Assisi voor hoge stem, harp en strijkorkest (1952-1955). De sopraanpartij is in één, vrijwel ononderbroken beweging gedacht, als een vogel die zweeft in de lucht en slechts een enkele keer de vleugels beweegt. Het werk is duidelijk vanuit de tekst geschreven, waarbij de instrumenten de woorden onderstrepen.
Ook in het overwegend lyrische Voir Clair wordt de schepping bezongen door middel van gedichten van de surrealistische dichter Paul Eluard.

Opvallend is dat Eglogues voor orkest (1963) tegenover Cantico en Voir Clair staat, of liever: complementair daaraan is, omdat het de gewelddadige kanten van de schepping onderstreept. Het motto van deze in 1980 gereviseerde compositie is ontleend aan de Franse dichter Saint-John Perse (pseudoniem van Alexis Léger) en roept, aldus de componist, ‘een beeld op van de tijd waarin we leven door middel van metaforen, ontleend aan de natuur, en wel aan die van het hooggebergte, met alle grootsheid, onzekerheid en fataliteit.’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Robert Heppener de wereld van de novelle Eine Seele aus Holz van de Oostenrijkse schrijver Jacov Lind in zijn libretto voor de opera Een ziel van hout (1996) heeft omgebogen: de menselijke wereld van het grote moorden en de relatief paradijselijke wereld van de dieren in het bos staan tegenover elkaar, hoewel Lind zelf beide als één wereld beschreef.

Ook in het koorwerk dat in Utrecht wordt uitgevoerd is ook een complementair stuk: ingetogenheid gaat in deze uit 1974 daterende compositie op tekst van Jacopone da Todi over in extatische jubel. Hierin is Heppener naar de geest verwant met de muziek van Françis Poulenc, die in zijn werk soms na een grote climax tot eenzelfde, plotselinge verstilling kan komen als Heppener in het slot van dit stuk.

Del iubilo del core che esce in voce gaat vanwege de notatie en voorgeschreven zangtechnieken door als één van de meest ‘moderne’ stukken van de componist. Zelf sprak hij van een ‘nogal exuberante muzikale taal.’ Dat is, voor wie bijvoorbeeld Spinsel voor piano (1986) kent, schijn. Het enige verschil is wellicht dat Heppeners ‘moderne’ kant in eerste instantie duidelijk uit de gebruikte tekst voortkomt en, na een ziekteperiode gedurende de jaren 1979-1984, organisch vanuit zijn manier van schrijven voor instrumenten voortvloeit. Ten diepste is er geen verschil.
Het stuk straalt een helder licht uit als van een kaars op een donker schilderij uit de Gouden Eeuw. Er zijn altijd kunstenaars die een donkere tijd te boven komen. Robert Heppener was er één van.

Händels eerste oratorium op NPO Radio4

Emmaneulle HaïmHändel

Gelukkig zijn er enkele radiozenders (Omroep MAX, NTR, AVROTROS) die muziekliefhebbers als tegenwicht tegen de vele sportuitzendingen op de televisie, en ter afwisseling van heerlijke detectiveavondjes, rechtstreeks of een paar dagen later laten (mee)genieten van wat buitenlandse muziekfestivals deze zomer bieden. Vanavond was op NPO Radio4 een afgelopen woensdag gemaakte opname in het Théâtre de l’Archeveché (Aix-en-Provence) van Händels eerste oratorium Il Trionfo del tempo e del disinganno te beluisteren. In een uitvoering door solisten en Le Concert d’Astrée onder leiding van Emmanuele Häim (zie foto rechts), de ideale dirigent voor dit repertoire.

Het stuk ontstond in 1707 en beleefde zijn première onder leiding van concertmeester Arcangelo Corelli in Rome. Hij wist – gaat het verhaal – geen weg met de oorspronkelijk Franse ouverture, maar zal zijn hart zeker hebben opgehaald aan het slot van het eerste deel, een chaconne gelijk die ook in zijn eigen vioolsonates voorkomt. Al werd die in de onderhavige uitvoering in het kader van het Festival d’Aix-en-Provence gevolgd door een filmfragment uit Ghost dance. Een ingreep die we onlangs ook in het Muziekgebouw aan het IJ meemaakten bij een concert door het Nederlands Kamerkoor.

Vier protagonisten spelen de hoofdrol: La Bellezza (de schoonheid), Il Piacere (het plezier), Tempo (tijd) en Disinganno (ontluistering). Bellezza werd vertolkt door de stersopraan Sabine Devieilhe die dan wel haar schoonheid heet te verliezen, maar dit compenseerde door ijzingwekkend en trefzeker gezongen hoge noten. Piacera werd gezongen door de in dit festival debuterende Franco Fagioli, een countertenor met een enorm vibrato dat soms vreemd contrasteerde met het pittig en dan weer ingetogen maar in ieder geval strak spelende orkest. De rol van Tempo was in handen van de een enkele keer als heldentenor opererende Michael Spyres en Disinganno tenslotte stond op naam van de Italiaanse contralto Sara Mingardo, die indruk maakte door haar mooie, donkere stemgeluid.

Hoewel sommige aria’s bekend zijn uit latere oratoria, en in het eerste deel zelfs vooruit wordt gelopen op de latere orgelconcerten die als onderbreking van het verhaal werden gespeeld, had ik dit vroege oratorium van Händel nog niet (volledig) gehoord. Het is fijn daartoe door de omroep in staat te zijn gesteld!

Hemel en aarde

Maria KeohaneEen kniesoor die er vanavond bij het Vrijdagconcert in TivoliVredenburg te Utrecht op lette dat de cantate Jauchzet Gott in allen Landen BWV 51 van Joh. Seb. Bach niet specifiek voor kerst is bedoeld, maar ‘et in ogni tempo’ – een soort reservecantate dus. Een kerstjubel, dat kon je er wel in horen.

Zeker als je zulke solisten tot je beschikking hebt als vanavond: de zeer indrukwekkend zingende Zweedse sopraan Maria Keohane (zie afb.) en de trefzekere trompettist Robert Vanryne van het Orkest van de Nederlandse Bachvereniging dat onder leiding van Jos van Veldhoven vol pit begeleidde.

Het was niet alleen Jauchzet Gott maar ook met nadruk in allen Landen – een prachtige accentwisseling die je aan het denken zette; zo werd de volgende zin (Was der Himmel und die Welt) al aangestipt, zodat een grote tekstuele eenheid ontstond en het hart van de goede verstaander even opsprong.
Hemel en aarde vloeiden vervolgens als het ware ineen op de toon van een orgelpunt dat vanuit het kerstlied In dulci jubilo overging in een deel uit het Concerto grosso in g kl.t. op. 8 nr. 6 van Torelli.

Keohane keerde terug in de cantate Unser Mund sei voll Lachens BWV 110 die het gedeelte voor de pauze afsloot, naast de krachtige tenor Charles Daniels en bas Matthias Winckler en altus Alex Potter, wiens stem in de aria ‘Ach Herr, was ist ein Menschenkind’ mooi kleurde met de open klank van de oboe d’amore.
In deze cantate gebeurde iets soortgelijk fraais als in BWV 51: de tekst van het duet ‘Ehre sei Gott’ werd ook hier door accentueringen nadrukkelijk van twee kanten belicht: Ehre sei Gott in der Höhe und Friede auf Erden und den Menschen ein Wohlgehfallen!

Het gedeelte na de pauze had een soortgelijke opbouw als voor de pauze: begonnen werd weer met een cantate, nu Süsser Trost, mein Jesus kommt BWV 151, gevolgd door Es ist ein Ros entsprungen dat nu overging in de Pastorale uit het Concerto grosso op. 1 nr. 8 van Locatelli.
Het kerstconcert in een tot de nok gevulde grote zaal van TivoliVredenburg werd besloten met het Gloria in excelsis Deo BWV 191 van Bach, een driedelige cantate op Latijnse tekst waarin Bach de opening en het slot uit de Hohe Messe opnieuw gebruikte. Ook hier viel de nadruk op het in terra, de vrede op aarde. Om ons in te prenten dat het dáár om gaat. Toen, in de tijd van Bach, en nu.

Herhalingen: 19 december Haarlem, 20 december Amsterdam en 23 december in Tilburg.
http://www.bachvereniging.nl

Theodora van Händel in NTR ZaterdagMatinee

Theodora_NTR ZaterdagMatineeIn mijn boekenkast staat een boekje over de geschiedenis van het oratorium van E.W. Schallenberg, waarin ook enkele pagina’s worden gewijd aan Händels voorlaatste oratorium (1749): Theodora. Het gaat over de geschiedenis van een christin die slachtoffer is van de christenvervolgingen in het vierde-eeuwse Antiochië onder Diocletianus en uiteindelijk uit de kerker wordt bevrijd door Didymus. Samen met hem sterft zij de marteldood. Volgens de auteur van dit boekje ‘zijn er te weinig tegenstellingen, vooral in tempo; het langzame overheerst te zeer’.

Wie gisteren naar het NTR ZaterdagMatinee ging met dit beeld, kwam bedrogen uit. Het waren niet zozeer de langzame tempi die opvielen, als wel de ingetogenheid van met name van de tweede en derde akte die indruk maakte en beklijfde. En dat komt niet alleen Händel toe, maar ook de Frans-Amerikaanse dirigent William Christie die deze sfeer uit de noten naar boven haalde en benadrukte.

Maar gelukkig had de auteur van mijn boekje ook oog voor de ‘solozangen met bijzonder verzorgd accompagnement, terwijl ook de vaak onderschatte koren aparte schoonheid bezitten’. Dat kun je wel zeggen. En ook hier gold: wat een solisten, waarbij de sporadische uithalen van tenor Kresimir Spicer met de mantel der liefde kunnen worden bedekt. Ze zijn hem vergeven.

Om de koorzang extra naar voren te halen, belangrijk als deze is, haalde Christie de ruim twintig leden van het koor van Les Arts Florissants letterlijk naar voren, tot voor het orkest. Dat gaf, met de actie die de solisten ten toon spreidden, aan de uitvoering iets van een semi-scènische opera. Teruggrijpend op de enscenering van Stephen Langridge in het Parijse Théâtre des Champs-Elysées.
Het orkest verrichtte wonderen van schoonheid. Zoals een fagot extra oplichtte, prachtig kleurde en zo een extra accent aanbracht: magistraal.

Terug naar mijn boekje en de solisten. De auteur noemt onder meer het slotduet van Theodora (Katherine Watson, sopraan) en Didymus (Philippe Jaroussky, countertenor). Dat klonk inderdaad als was het ‘overgoten van bovenaardse glans’. Maar dat gold eigenlijk meteen al vanaf de eerste inzet van Didymus, een solo gezongen passage waarbij de uitverkochte zaal de adem inhield. En vergeet het eerste duet niet! En de andere solisten: mezzosopraan Stéphanie d’Oustrac (Irene, gezellin van Theodora), bas-bariton Callum Thorpe (stadhouder Valens) en tenor Sean Clayton (bode).

Een enorme ovatie kon niet uitblijven. En terecht. We hebben Theodora naar waarde leren schatten. Mede dank zij een grandioze uitvoering.

Tekstvoltrekking én muzikale dynamiek

Arleen AugérIn een mooie recensie van het boek Bachs grote Passie van Ad de Keyzer door Martin Hoondert (http://www.debezieling.nl/bachs-grote-passie/) vraagt de auteur zich af of De Keyzer wel gelijk heeft met ‘zijn centrale these dat de “tekstvoltrekking door Bach betekenis genereert bij de hoorder”.’ Heeft dit ‘niet veel meer te maken met de muzikale dynamiek? Worden de luisteraars niet in de eerste plaats gegrepen door de klanken?’
Mij overkwam het dat het één (de tekstvoltrekking) en het ander, de muzikale dynamiek samenvielen. Ik schreef daarover in Bekirbénoe (april 1993) en een gedeelte uit dat artikel herplaats ik hier, in de veertigdagentijd.

Nooit duidelijker dan door toedoen van de Amerikaanse sopraan Arleen Augér (zie foto) heb ik begrepen dat het kernpunt van de Matthäus Passion van Joh. Seb. Bach ligt in de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben (tweede deel, nr. 58 volgens het klavieruittreksel in de uitgave van Peters). Een schitterende aria met fluitsolo en begeleiding van twee oboi da caccia. Dus zonder de gebruikelijke basso continuo-basis van bijvoorbeeld een orgel. Hierdoor gaat de muziek als het ware zweven gelijk het lichaam van Jezus van Nazareth op Piëta’s of schilderijen van de graflegging uit de renaissance. Of zoals in de sopraanaria Qui tollis peccata mundi (Gij die de zonden der wereld draagt) uit Bachs Mis in G. De laatste overeenkomst kan geen toeval zijn, want zingt de sopraan in ‘de Matthäus’ vervolgens niet:

Von einer Sünde weiss er nichts,
Das ewige Verderben
Und die Strafe des Gerichts
Nicht auf meiner Seele bliebe?

Wat de interpretatie van Arleen Augér, meer dan welke preek ook, mij duidelijk heeft gemaakt, is dat de aria Aus Liebe de kern van het hele lijdensverhaal is.

Sterker nog: het symmetrische midden van de Matthäus Passion wordt gevormd door drie nummers: het koraal Wie wunderbarlich (nr. 55), het arioso Er hat uns allen wohlgetan (nr. 57) en de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben (nr. 58). De vorm ondersteunt zo de inhoud.

Dat is het wat de bezoekers van de uitvoering met Arleen Augér (de laatste waarin ze voor haar overlijden te horen was) ervoeren. Het leek, zoals een vriendin van mij zei, alsof iedereen een paar centimeters boven de stoel zweefde. Inclusief de solofluitist uit het Concertgebouworkest die van emotie uitschoot. De tekst had zich in alle dynamiek voltrokken.