Maurice Wiche – Nootzaak

Nootzaak : columns over klassieke muziek / Maurice Wiche. – Soesterberg : Uitgeverij Aspekt, 2021. – 168
pagina’s ; 21 cm ISBN 978-94-642-4140-2

Bundeling van columns die Maurice Wiche schreef over tal van klassieke muziekstukken, met de nadruk op de romantische stijlperiode. Hij maakt ook enkele uitstapjes naar de barok (Vivaldi, Bach, Händel, Telemann) en de Weense klassieken (Haydn, Mozart, Beethoven) en aanzienlijk meer naar Russische componisten uit de nationale scholen en twintigste-eeuwse muziek die goed in het gehoor ligt. Wiche
schrijft sinds 2008 over klassieke muziek voor dagblad De Limburger. Hij is tevens spreker over muziek en reisleider. Hij schrijft in een aanstekelijke, toegankelijke en luchtige stijl. Opvallend is het ontbreken van vrouwelijke componisten (Clara Wieck
gaat louter door als een ‘begaafd pianiste’) en Nederlandse meesters. Voor lezers die
(nog) niet zo thuis zijn in de klassieke muziek en die zich niet storen aan het veelvuldig
gebruik van sjablonen als ‘bebaarde Rus’, ‘bebrilde Est’ en ‘notenschrijver’.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Drieluik – wonderen

1.
Dinsdag 12 oktober was ik sinds lange tijd weer in (de kleine zaal van) het Amsterdamse Concertgebouw. Bij een concert door bariton George Nigl en Olga Pashchenko (piano/fortepiano). ‘Een oubollig programma’, zei iemand. Wat heet: Schubert – Beethoven – Rihm (!) – Schubert. Als zij een kenner is, jarenlang vaste bezoeker van de Vocale Serie, dan ben ik een liefhebber, minder thuis in het vocale repertoire voor zangstem en piano(forte). Eentje die haar adem inhield toen Nigl en Pashchenko zelf even inhielden op een komma in het lied ‘Auf dem Hügel sitz ich spährd’ van Beethoven:

Und die Seufzer, sie verwehen
In dem Raume, der uns teilt.

Een kiertje licht kwam er doorheen, gedragen door een fluisterzachte begeleiding op fortepiano met demper. ‘Een nieuwe standaard’ zei een recensent naar aanleiding van de CD met dit programma en door deze uitvoerenden, Vanitas (Alpha).

2.
Zondag 17 oktober. Ik lees in de Bijbelse Dagkalender 2021, die ik cadeau kreeg. Bij deze dag staat een citaat van Etty Hillesum: ‘Dat er dus iets van “God” in je komt, zoals er in de Negende van Beethoven iets van “God” is.’ En, voeg ik toe, ook in dit eerste lied uit de cyclus An die ferne Geliebte. In deze uitvoering.

Ik lees meer die dag. In De Groene Amsterdammer (14 oktober 2021) een artikel van Bas van Putten naar aanleiding van het Sweelinckjaar ter ere van diens vierhonderdste sterfdag. Opeens snap ik waarom ik met veel van diens werk weinig of niets heb. 1) ‘Wat je nu ook nog in Sweelinck hoort – geen wonderen. Zijn meesterschap houdt op hoog peil altijd maat. Nergens een ontwrichtende chromatische ontsporing, en nimmer breekt een lijdend, woedend ego door het fraaie stuc- en metselwerk.’ Zoals bij Rihm tijdens voornoemd recital. ‘Kwarten en septiemen’ zei dezelfde bezoeker die ik aanhaalde. Het zij zo. Van mij mag het schuren. Zeker als het gaat over ziekte en dood, over vanitas.

Bij Sweelinck ‘zweeft de heilige geest er een beetje boven, nog niet in. Hij kan de sweelinckse techniek niet tot mysterie transcenderen’ aldus Van Putten. Al is dat voor iedereen natuurlijk anders; dirigent Patrick van der Linden bijvoorbeeld zegt in het programma ‘Allegro’ ’s middags op NPO2 dat Sweelincks Psalm 38 hem altijd diep raakt door de ruimte die hij erin ervaart.

3.
’s Ochtends had ik, zoals te doen gebruikelijk op zondag, gekeken naar het interview van Annemiek Schrijver met op die dag de ‘poëtisch socioloog’ Shervih Nekuee. Hij kwam ook dicht bij het mysterie in zijn verwoording van wat ik in het recital hoorde en bij Sweelinck (tot nu toe?) niet heb ervaren: ‘In het wonderbaarlijke huist ons hart’. Bij Beethoven zat het met andere woorden, bij Sweelinck niet. Nekuee zei het in het programma ‘De verwondering’.
En hij zei meer. Over poëzie die ruimte maakt, over een reis naar de Himalaya met z’n stilte en ruimte, over de ‘dansende dichter’ Rūmi, die volgens Schrijver gaandeweg zijn leven ‘naar zijn hart zakte’, over het wonderbaarlijke dat zich uit in de taal van dat hart. Waardoor ‘binnen en buiten licht ontstaat (…), uitzonderlijk licht dat met gemis te maken heeft en troost brengt’. Ik hoor er Rūmi in:

Luister naar de fluisteringen van het riet,
luister hoe het weeklaagt over de scheiding.

Maar ook

Und die Seufzer, sie verwehen
In dem Raume, der uns teilt.

 

1) Een uitzondering vormt onder meer Mein junges leben hat ein End. Hier uitgevoerd door Matthias Havinga op het orgel van de Amsterdamse Westerkerk:
ttps://www.youtube.com/watch?v=mSxoD_aDQpE

In memoriam Gundl Benes-Puschnig

Het waren altijd genoeglijke uurtjes in het fraaie huis van Gundl en Pim Benes aan het Europaplein in Leeuwarden. Oene Nijdam, aan het begin nog een enkele keer Theo Lambooij en ik kwamen er samen wanneer de concertbrochures voor het nieuwe seizoen waren verschenen, en we de ‘buit’ gingen verdelen: wie ging welk klassieke muziekconcert recenseren? Niet dat we tussendoor niet nog konden worden gebeld door onze chef, Pieter de Groot, als er – meestal in de provincie – een concert tussendoor bij kwam.

Viermanschap
Hoe verdrietig: op 14 februari jl. overleed Rautgund Benes-Puschnig op 81-jarige leeftijd, nadat Theo Lambooij (geb. 1901) haar al in 1995 was voorgegaan en Oene Nijdam (geb. 1944) verleden jaar mei. Ze overleed op dezelfde dag als de geboortedag van haar vader, die als koordirigent, recensent en historicus werkzaam was in het verwoeste Graz, waar ze als oorlogskind opgroeide en op 9-jarige leeftijd naar Nederland werd gestuurd.
Alle vier waren we oud-muziekrecensent van de Leeuwarder Courant. Ik vulde het driemanschap Lambooij-Benes-Nijdam in 1981 aan, ‘omdat Theo Lambooij een stapje terug deed’, zoals dat heette. En al snel verving ik hem helemaal. Ik ben uiteindelijk van 1981-1988 als muziekredacteur, zoals het officieel werd genoemd, aan de krant verbonden geweest. En heb daarna spaarzaam contact met Gundl Benes gehouden; zij was van 1968-2000 aan de krant verbonden en schreef maar liefst 743 recensies.

Opera’s
Het waren niet alleen genoeglijke uurtjes, maar ik heb ook veel van haar geleerd. Niet in de zin zoals ik J. Reichenfeld (Algemeen Handelsblad) min of meer als mijn leermeester beschouw, en op wiens reservebankje ik mocht zitten (en overigens nooit heb hoeven op te staan), maar op een andere manier. Al de eerste keer meldde ik bijvoorbeeld meteen weinig of niets van opera’s te weten. Hindert niet, zei Gundl – dan leer je het maar. Je moet het gewoon dóen. We doen alles samen, niets uitgezonderd. Het was een typerende opmerking van haar.
Ik ben er haar dankbaar voor en nadat ik me als een razende begon in te lezen en lp’s leende uit de Openbare Bibliotheek (waar ik overigens als afdelingshoofd werkte, en zij gedurende een periode bestuurslid was) om er in thuis te raken, begon ik schoorvoetend opera’s te recenseren. Om gaandeweg inderdaad gewoon ook in dat genre mee te draaien. Meestal waren het opvoeringen van Opera Forum (1955-1993). De meeste ben ik op één of andere manier vergeten, maar enkele zijn me bijgebleven: Fidelio van Beethoven en Pelléas et Méllisande van Debussy. Gundl heeft iets in me gezaaid dat, weer terug in Amsterdam, uiteindelijk heeft geleid tot een opera-abonnement …

Orgelconcerten
Ik trad destijds in dienst aan de vooravond van de zomerse orgelconcerten, een genre dat me (in eerste instantie) meer lag dan opera’s. Het tegenovergestelde gold voor Pim Benes, die wel met zijn vrouw meeging de provincie in, maar er niet zoveel van moest hebben. Ook ik moest er meteen op uit, naar Bolsward, Sneek, Jorwerd, Damswoude en Dokkum en leerde zo de provincie kennen.
Op een avond ging ik, dichter bij huis, naar de Grote Kerk in Leeuwarden, waar Volumina (1962) van György Ligeti (1923-2006) zou worden uitgevoerd. Spectaculair, want het begint met het lucht door de pijpen laten gaan, dan alle registers opentrekken en met het gewicht van beide armen op de toetsen gaan liggen. Als ik me goed herinner, was de brandweer zelfs aanwezig, want dit kon wel eens verkeerd uitpakken. Gewapend met de partituur van enorme afmetingen, trof ik na binnenkomst van de kerk Gundl aan. Hé, jij ook hier zullen we wel tegen elkaar hebben gezegd. We besloten allebei de helft van het concert te recenseren en ik mocht als liefhebber van moderne muziek het genoemde stuk voor mijn rekening nemen. In de recensie schreef zij later: ‘Ik geef nu het stokje aan….’.
We gingen naast elkaar zitten, de partituur over ons beider schoten geopend. Ze moet me volledig hebben vertrouwd, want halverwege het stuk dommelde ze weg en gleed de partituur aan haar kant langzaam naar de grond.

Flauwvallende pianist
Niet dat we het nu altijd met elkaar eens waren. Ik kan me nog herinneren dat ik een keer een pianorecital moest verslaan (ik kies hier expres voor dit woord) van een student aan de Muziek Pedagogische Academie in Leeuwarden (1973-1999). Halverwege het concert viel de pianist flauw, waarvan ik in mijn recensie sec melding maakte. Niet meer en niet minder. Gundl was het hier niet mee eens, maar ik verweerde me door te zeggen dat ik me ook journalist voelde binnen de context van een krant. Later trof ik de docente van deze pianist in de trein, mevrouw Espinosa. Ze was het met me eens.

Humor
Ik weet niet hoe er op de recensies van Gundl is gereageerd. Op die van mij kwamen spaarzaam – overigens meestal geen negatieve – ingezonden stukken, een enkele brief van een musicus (waarvan ik die van Klaas Hoek uit 1984 mij zeer raakte) en hoorde ik dat in de kantine van het toenmalig Frysk Orkest recensies (die van mij, die van ons?) op het prikbord werden gehangen, en musici er met dartpijltjes op schoten. Ach ja, je moet toch wat om je af te reageren. Ik heb er Gundl nooit over gehoord. Over zulke dingen sprak je ook eigenlijk niet. Bovendien was Gundel zowel open als gesloten tegelijk; haar laatste woorden richting mij, op haar kerstkaart, gaven dit aan: ‘Later dan anders maar niet minder welgemeend …’. Haar kennende, zou ze, als ze zich er wel over had geuit, dit vast met humor hebben gedaan.

Want zo was ze, lees ik ook op de rouwkaart: ‘Wij zullen haar humor en haar oprechte belangstelling in de mensen en wereld om haar heen gaan missen’. Waarvan akte. Haar nagedachtenis zij tot zegen.

‘Het mysterie stelt zich voor’

En weer is er een bijdrage die ik voor de website 8weekly.nl schreef, die met een boekje dat ik onlangs las aan de haal gaat. En met een eerdere blog, van 17 september jl. over Calder.
En met een toegift: een kunstwerk van Joana Vasconcelos.

De Zesde van Beethoven
De bijdrage ging over de aanrollende donder in de Zesde symfonie van Ludwig van Beethoven. Ik was er bang voor, écht bang. ‘Heel raar eigenlijk’, schreef ik, ‘want in het echte leven was ik als kind niet bang voor onweer. Ja, ik werd ’s nachts wakker gemaakt als het onweerde en we bleven in de huiskamer zitten tot de bui was weggetrokken. De spanning werd al minder als de tussenpozen tussen lichtflits en donderslag langer werden, maar ik wachtte rustig af tot ik weer naar bed mocht. Het onweer in de Zesde symfonie kon echter niet gauw genoeg overgewaaid zijn. Ik had er de pest in als de langspeelplaat weer (…) op de speeltafel werd gelegd. Het was wéér griezelen geblazen.’
En ik vroeg me verderop in deze Special af, of ik ook echt onweer hoorde, ‘of toch iets anders, iets dat misschien dieper gaat?’

Maarten Luther
Het antwoord had ik niet. Nog niet, want nu valt het me zomaar toe in het boekje Meditaties van de ziel van de theoloog Marcel Barnard. Hij heeft het in de tweede meditatie, ‘Het mysterie stelt zich voor’, over de hervormer Maarten Luther, die ‘een overdonderende presentie ervaart in een daverend onweer, als hij schuilt onder een boom in het veld. Hij interpreteert het als de stem van een verschrikkelijk en genadeloze godheid’ (p. 22).
Dát moet het ten diepste zijn geweest, als ik op zondagmiddag (!) naar de Zesde, de Pastorale van Beethoven luisterde en griezelde. Het past helemaal bij de angst die ik als kind had voor God, voor het eindoordeel dat naar mijn idee nabij was in het bijzonder. Hoe zou het dan komen, met mijn vader, mijn moeder, met mij, met de hele wereld uiteindelijk?

Een mobile van Calder
Maar gelukkig stond daar ook iets tegenover. Ook daarover schreef ik een Special, en daarover ging het in de blog van 17 september jl., de overlijdensdatum van mijn moeder. Ook Marcel Barnard kent het: een ervaring in een museum. Hij met zijn vader, ik met mijn moeder. Hij in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, ik in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Voor hem was het (waarschijnlijk, schrijft hij) werk van Peter Struyken, voor mij een mobile van Calder, maar de ervaring was vergelijkbaar. Op een gegeven moment stelde God ‘zich present in de ruimte van de kunsten’ (p. 23). Wat Barnard daarna schrijft, herken ik dan weer niet, want het komt mij toch een beetje te dicht in de buurt van het tegenover elkaar plaatsen van de God in het Oude- en de God in het Nieuwe Testament, de God ‘die het donderen al had verleerd en al een menselijke maat had aangenomen’.

Joana Vasconcelos
Ik zag wel voor me hoe de kleine Marcel in die museumzaal ‘op de grote eerste verdieping van het museum’ staat en er ‘zich een cocon van stilte’ om zich heen spint: ‘Ik word in een zuil van licht gewikkeld, het geroezemoes verdwijnt, de mensen om mij heen worden vage schimmen, ze lossen op in het niets’ (p. 21). Ik moet bij deze beschrijving denken aan een kunstwerk dat ik verleden jaar in de Kunsthal in Rotterdam zag: van de Portugese kunstenares Joana Vasconcelos (1971). Een rode cocon als de gedaante van een mens, die op de muziek van een Spaanse dans rond draaide. Een dans, – daar heeft Barnard het ook over, waarbinnen hij wordt getrokken, ‘de dans van die vreemde en paradoxale God’ (p. 18). Zo is het.

Link naar de Special over Beethovens Zesde symfonie: https://8weekly.nl/special/griezelmaand-de-aanrollende-donder/

Link naar het kunstwerk van Vasconcelos: https://www.youtube.com/watch?v=CoED3_K8YA8 (vanaf 3’05”)

Marcel Barnard: Meditaties van de ziel
Uitgeverij Vesuvius, 2019
ISBN 978-90-8659-805-2
Prijs: € 14,50

Een breuk die een brug is geworden?

Tijdens een muziekmiddag in een verzorgingshuis besprak en draaide ik delen uit Schuberts Winterreise. Uit een opmerking dat het romantische aan de uitvoering hiervan door bariton Dietrich Fischer Dieskau typerend was voor de tijd na de Tweede Wereldoorlog, om de ellende te vergeten, ontstond een gesprek, waarin werd geconcludeerd dat dit één van de twee visies is die de achtergrond vormen voor de tijdgeest en ook de gecomponeerde muziek van na de oorlog; de andere is degene die volkomen wilde breken met die tijdgeest en een nieuw élan voorstond.
Door de coronacrisis én het feit dat ik het onderwerp toch te dicht op de huid van de ouder(re) bewoners vond zitten, heb ik het thema uiteindelijk niet voor een muziekmiddag maar hierbij als blog uitgewerkt.

Continuïteit
Ik wil eerst op die eerste lijn, die van de continuïteit ingaan, waarbij niet alleen in de stijl van componeren de draad van voor de oorlog weer wordt opgepakt, maar waarin ook wordt uitgegaan van het feit dat de ellende die de Tweede Wereldoorlog bracht, zoals het antisemitisme, nog steeds kan gebeuren.
Dat kon je eens op 4 mei horen, toen in het Concertgebouw een nieuwe passie werd uitgevoerd die dirigent-componist Iván Fischer had samengesteld, en die aansloot bij Bachs Matthäus Passion. Of, zoals hij in een aankondiging zei: ‘Wij willen het leed van Christus vertalen naar algemeen leed. Er was onvoorstelbaar veel leed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar wij willen ook stilstaan bij het leed van de mensen in Syrië en het grove onrecht dat sommige landen of etnische groepen tot op de dag van vandaag ondervinden.’
En dat zou je op of rond 5 mei kunnen horen, althans als het aan Marius Flothuis, een inmiddels overleden artistiek leider van het (inmiddels Koninklijk) Concertgebouworkest zou hebben gelegen, die in een artikel in De Gids van 1954 schreef dat het ‘logisch zou zijn geweest als men Beethovens Fidelio – een werk waarin op verheven en aangrijpende wijze alles is samengevat, dat wij zelf in de jaren 1940-1945 doorstonden – telkenjare in de Meidagen op het repertoire had genomen!’
Het is goed te weten, dat de trompet in de Fidelio een grote rol speelt, de trompet die voor de gevangen als een signaal geldt, als die van het Laatste Oordeel, maar ook – voor de filosoof Ernst Bloch – doorgaat als het teken van hoop.
Deze dubbele symboliek is tijdloos. Ik zal twee Nederlandse voorbeelden noemen.

Twee Nederlandse componisten
Het eerste voorbeeld is het beroemde Musique pour l’esprit en deuil (Muziek voor de rouwende geest) van Rudolf Escher uit 1943. Hierin klinkt net als in het tweede stuk een mars én een Spaans flamenco-thema in de trompet, te midden van de mars. Aan het eind van dit stuk klinkt de trompet wéér, als teken van ongebroken kracht gelijk bij Beethoven.

Het tweede voorbeeld is een werk van een andere Nederlandse componist, Tera de Marez Oyens: Litany of the Victims of War uit 1985, een anti-oorlogs manifest waarin je zowel de processie van gevangen hoort, zoals je die in Fidelio van Beethoven op het toneel ziet, en waarin op het eind ook hoop wordt verklankt gelijk bij Escher.

Marius Flothuis
Ik noemde al de naam van Marius Flothuis, die ook als componist werkzaam was. In zijn werk treffen we dezelfde continuïteit aan als waarover hij zich in het artikel in De Gids uitte. Als voorbeeld noem ik zijn Sonata da camera opus 42 voor fluit en harp uit 1951. Flothuis heeft hier zelf de volgende toelichting bij geschreven: ‘De Sonata bestaat uit vier delen, waarvan de tempo-opeenvolging doet denken aan die van de 18e eeuwse kerksonate: langzaam, snel, langzaam, snel. Tussen het eerste en het tweede deel is geen onderbreking. Ik koos de benaming Sonata da camera omdat de delen voornamelijk op dans-metra gebaseerd zijn: sarabande in I, afwisselend polka en wals in II, habanera in III. Het vierde deel is een licht rondo, waarvan het ritme aan de contradans van het einde der achttiende eeuw doet denken. Dit zijn slechts enkele uiterlijke kenmerken; melodiek en harmoniek van het stuk hebben uiteraard niets met de achttiende eeuw te maken.’

Nieuw élan
Tegenover die continuïteit in de muziek, tegenover de speelmuziek van bijvoorbeeld Flothuis’ Sonata da camera, staat de jonge garde die met deze stijl niets te maken wilde hebben. Die jonge garde bestond uit de compositieleerlingen van Kees van Baaren aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, zoals Peter Schat, Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw. Op maandagochtend analyseerden ze daar onder leiding van Van Baaren composities van modernisten als Pierre Boulez en Karlheinz Stockhausen. Niet omdat het bon ton was, maar omdat ze wilden breken met de vooroorlogse stijl.

Het heet dat Louis Andriessen niet voor orkest maar voor ‘groot ensemble’ componeert, maar vergeet ondanks die Notenkrakersactie (1969, zie foto) niet, dat in 1964 door het Concertgebouworkest een werk van hem werd uitgevoerd onder leiding van Bernard Haitink en met de sopraan Liesbeth Lugt: Nocturnen, een stuk dat ik een keer tijdens een bijeenkomst van het muziekclubje draaide toen we de hele familie Andriessen langs gingen. Wie het archief van het KCO raadpleegt, zal zien dat dit zo door is gegaan, met als een van de laatste stukken Louis Andriessens Mysteriën, dat na de première in 2013 al vijf keer op de lessenaars stond, een uitzondering voor veel hedendaagse muziek. Het kan verkeren …. Flothuis zal het goed hebben gedaan, dat is een ding dat zeker is. De breuken zijn misschien een brug geworden.

Rebels en dwars

In de rubriek ‘Mijn favoriet’ (NRC Handelsblad) las ik over iemand die een kunstwerk van Hugo Tieleman kocht. Hij let, schrijft hij, bij zijn aankopen er altijd op of het werk harmonie heeft, ‘zoals muziek geen dissonanten mag hebben.’ Oké, dat is zijn opvatting. Maar net zomin als het leven altijd harmonieus verloopt, net zo goed mag – of moet misschien wel – muziek op z’n tijd dissonanten hebben om dit uit te kunnen drukken. Rebels en dwars, als het thema van de Boekenweek dit jaar, waarin terecht een schrijver als Gerrit Komrij (weer) aandacht krijgt.

De rubriek speelde een dag later nog door m’n hoofd. Eerst bij een grote boekwinkel in de stad, waar tussen de ramsj een piano staat (of liever: stond, want hij is weg), met een zitje ernaast – om wat te lezen, te mijmeren of naar de pianomuziek te luisteren. Een sjofel uitziende, oudere heer in regenjas, model Carmiggelt, nam achter de piano plaats en probeerde wat toetsen in allerlei registers uit. Over de hele omvang van het klavier: ping, ping, ping. Als een atonale melodie.

Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon,
en daar is wel wat voor te zeggen.
(Christiaan Weijts)

Beethoven – een rebelse en dwarse man, zo gaat hij door. Toen, opeens, op het moment dat ik de hoop al een beetje had opgegeven, speelde hij vloeiend achter elkaar wat jazznummers. Bijna was hij uit het dagelijks leven gevallen, maar hij hernam zich, zonder acht te slaan om de mensen om hem heen.

Ik ben niet mooi meer,
ik heb in het gesticht gezeten,
mijn vingers staan stijf van de medicijnen,
en toch ga ik een blues spelen op de piano
(Rogi Wieg)

Ik verliet de boekwinkel en liep naar het theater waar studenten van de Theater-vooropleiding Amsterdam een stuk van Shakespeare zouden spelen: Troilus en Cressida. Een van de studenten zat in een ochtendjas met tijgerprint achter een piano en speelde erop, tussen de bedrijven en zijn rol als Hector door; zoals we van oorlogsmisdadigers weten dat ze graag piano speelden. Tegen het eind van het toneelstuk zegt hij dat zijn dagtaak is gedaan, en de avond goed doet:

Zwaard, rust, je bent verzaad van dood en bloed.

Met een klappertjespistool wordt Hector gedood. Hij valt van de pianokruk, random wat toetsen aanrakend. Wanneer hij uit de tijd valt, de eeuwigheid in, klinkt weer een atonale melodie. Ping, ping, ping.

de rest zijn
afgevallen noten
die aan het

behang zijn
blijven plakken
(Henk Knibbeler)

Dissonanten. Zoals het leven op z’n tijd zelf, maar het bestaat wel

een geluidloos, teder akkoord
dat alle dissonanten samenvoegt
(Peter Handke)

En dat zegt een van de meest rebelse en dwarse denkers uit de vorige eeuw. ‘Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren’ luidt de kop boven een recente recensie van zijn experimentele werk op Literair Nederland: https://www.literairnederland.nl/recensie-peter-handke-de-angst-van-de-doelman-voor-de-strafschop/

 

Deze blog verscheen eerder in een iets andere vorm op de website Literair Nederland (21 juni 2017) en wordt hier in het kader van de Boekenweek 2020 hernomen.

Wanneer de sjofar klinkt

Naar aanleiding van het overlijden van de cultuurfilosoof en schrijver George Steiner,
3 februari jl., plaats ik hier een oorspronkelijk voor
Quadraatschrift (maart 2004) geschreven column in een iets verkorte en aangepaste vorm. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

De laatste zin van Ludwig Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus luidt: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen’. George Steiner heeft de filosoof na het verschijnen van zijn boek geantwoord, dat er altijd een joods alternatief is geweest: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zingen’. Waarmee hij stond in de traditie van het chassidisme, de joodse mystiek die aan muziek (mét maar ook zonder woorden, zoals de nigun) altijd een grote rol toekent.

Of, en hoe, Wittgenstein op Steiners antwoord heeft gereageerd, weet ik niet. Maar een vondst door Michael Nedo, directeur van het Wittgenstein Instituut, vormt wellicht ‘het’ antwoord, neergekrabbeld op een notitieblok: vier maten muziek van Wittgenstein zelf. De componist Anthony Powers heeft die onderhavige maten met als aanduiding Leidenschaftlich beschreven als: ‘Het is de voortzetting van een onvolledige zin, alsof hij was begonnen iets te zeggen, maar niet de woorden vond om het te beëindigen en zich tot muziek wendde’. Inderdaad – waarover men niet kan spreken, moet men zingen of van spelen.

Ook in de opera Moses und Aaron van Arnold Schönberg (zie afb. rechts) neemt de muziek het over als de stem verstikt.[1] Het orkest houdt dan op met spelen, op de violen na die unisono (eenstemmig), als symbool van het Sjema Israël (Deut. 6:4), de eenheid weergeven: ‘Een erkenning (zoals wij die ook vinden bij Kafka, Broch, Adamov) van het feit dat woorden falen’, aldus Steiner.

Volgens sommigen is in den beginne (in principe) het Woord (Joh. 1:1). Daarin meldt zich Eén die ons beweegt en in beweging zet. Woord – gesproken of gezongen, of alleen in het hart wanneer het instrumentaal wordt gespeeld – en daad vormen vanaf dat moment een eenheid (dabar), net als ethiek en esthetiek, gevoel en ratio, lichaam en geest. Want wat deze polen bij uitstek op een heilzame manier bij elkaar brengt, is fiducie in de toekomst.

Als de trompet, de sjofar, in Beethovens derde Leonore-ouverture, die van achter het toneel een glimp van Gods Koninkrijk laat horen en zegt/zingt/speelt dat waar het – om Spinoza te citeren – werkelijk om gaat vrijheid is.

 

[1] Zie ook mijn blog Muziek als betekeniscode (13 oktober 2015): https://elsvanswol.nl/muziek-als-betekeniscode/

Lees verder over George Steiner: https://www.filosofie.nl/nl/artikel/30041/george-steiner-ook-ik-kan-niet-zonder-hoop.html?utm_source=redactioneel&utm_medium=email&utm_campaign=redactioneel-05-02-2020

Alicja Gescinska – Thuis in muziek (II)


Op 20 maart a.s. presenteert Brainwash tijdens een OFF Night van het Opera Forward Festival 20 de Vlaamse filosofe Alicja Gescinska. In de programma-aankondiging staat:

‘Maakt muziek mens en maatschappij beter? Al sinds eeuwen roept die vraag bij veel filosofen grote scepsis op. Van Plato tot Kant, van Tolstoj tot Steiner: vele grote geesten hebben beweerd dat muziek géén of een negatieve invloed heeft op onze morele ontwikkeling. Filosoof Alicja Gescinska gaat tegen deze scepsis in, en betoogt dat muziek maken en naar muziek luisteren onze intellectuele en intermenselijke competenties juist verfijnt.’

Tijdens een middag van ‘mijn’ muziekclubje in Evean De Kimme heb ik een keer haar boekje Thuis in muziek centraal gesteld. De tekst daarvan, inclusief linkjes naar uitvoeringen van de genoemde muziek, publiceer ik hier als blog. Minus uiteraard de gesprekken die n.a.v. deze muziek zijn gevoerd. En minus de uitspraak van Beethovenbiograaf Jan Caeyers in een interview met Peter van der Lint in Trouw (29 januari 2020) n.a.v. het Beethovenjaar 2020: ‘Wat bij dit alles uit het zicht raakt, is dat de componist Ludwig van Beethoven inspireert om beter te gaan leven. Daarop zou de nadruk moeten liggen’.

  1. Inleiding

Een van de mooiste boekjes over muziek die ik de afgelopen tijd heb gelezen, is Thuis in muziek van de Vlaamse filosofe van Poolse afkomst Alicja Gescinska. Volgens de achterflap ‘toont Gescinska in dit heldere essay op overtuigende wijze aan, dat muziek eerder een fundament dan een ornament van ons bestaan is. Muziek laat ons thuiskomen in onszelf, en vormt ons thuis in de wereld’.

Zo’n beetje op ¾ van het boek gaat ze nader in op de vraag ‘hoe een muziekstuk uitdrukt wat het betekent en betekent wat het uitdrukt’. Ze geeft aan dat hier in de loop van de tijd verschillend over is gedacht. Grofweg onderscheidt zij twee stromingen:

  1. Het zogenaamde formalisme waarin de betekenis van een muziekstuk volledig besloten ligt in zichzelf. Het is autonoom. Aanhangers hiervan kijken neer op zogeheten programmamuziek, de tweede stroming
  2. De programmamuziek, zoals de Vier jaargetijden van Vivaldi, het eerste stuk dat ik ooit in dit muziekclubje draaide en besprak.

Gescinska komt met een derde optie: ‘Muziek is een expressievorm, en zoals bij alle vormen van expressie ontstaat betekenis in de interactie tussen de zender en de ontvanger van de boodschap. De betekenis van een muziekstuk ontstaat in de relatie tussen componist, uitvoerder en toehoorder. In de complexe dialoog van uitdrukking, interpretatie en betekenis, kan het geen kwaad voor de luisteraar om kennis te nemen van de bedoeling van de componist.’

Hiervan geeft ze vervolgens enkele voorbeelden die ik niet alleen zal noemen, maar ook zal laten horen.

  1. Strijkkwintet in C gr.t. van Franz Schubert

Ik citeer om te beginnen weer Gescinska: ‘Wanneer je weet dat Schubert [zie foto rechtsboven] zijn Strijkkwintet in C gr.t. in de laatste maanden van zijn leven componeerde, opent zich een nieuwe betekenislaag; de biografische feiten verdiepen de beleving van het luisteren. Wanneer het Scherzo inzet, besef je: dit is hoe stervende genialiteit klinkt, het geluid van een maestro wiens geestelijke, creatieve kunnen piekt op het moment dat zijn lichaam het begeeft’.

https://www.youtube.com/watch?v=0jiwAjI4Obs

  1. Cantate Dieterich Buxtehude

Gescinska vervolgt: ‘Wanneer je weet dat Dietrich Buxtehude zijn klaaglied Muss der Tod denn auch entbinden componeerde na de dood van zijn vader, dan verkrijgen die verklankte tranen voor ons de diepgang van elk groot kunstwerk dat ons troost in tristesse doet vinden’.
Dit is niet helemaal waar; Buxtehude schreef het in 1671 na de dood van dominee Menno Hanneken in Lübeck, en voerde het in 1674 nogmaals uit na de dood van zijn eigen vader, die organist was in het Deense Helsingør; Buxtehude was van origine Deen en heette niet Dietrich maar Dieterich. Het stuk dat is gebaseerd op het koraal Muss der Tod denn auch entbinden van Maarten Luther met een toegevoegd klaaglied boven tremulerende strijkers op een tekst die waarschijnlijk van Buxtehude zelf is. De cantate heet officieel Mit Fried und Freud ich fahr dahin. De koraalmelodie komt telkens terug, zonder voor of tussenspelen. Een geniaal werk, dat van grote invloed is geweest op de muziek van Joh. Seb. Bach.

https://www.bing.com/videos/search?q=Mit+Fried+und+Freud+ich+fahr+dahin+youtube+Buxtehude&view=detail&mid=1275EA553B0CA84E1E861275EA553B0CA84E1E86&FORM=VIRE

  1. Stabat Mater van Pergolesi

We vervolgen de weg die Alicja Gescinska schetst. ‘De context waarin een kunstwerk tot stand komt is wel degelijk een drager van betekenis, voegt een laag van betekenis toe, en specificeert het algemene. Net als Schuberts kwintet is Pergolesi’s Stabat Mater daar een mooi voorbeeld van. De grootsheid van de muziek is objectief van aard, maar als kunstwerk een verkenning van de menselijke conditie is, is het wel degelijk een betekenisvol gegeven dat Pergolesi de Stabat Mater op zijn eigen sterfbed voltooide en niet ouder dan zevenentwintig is geworden. Met of zonder biografische kennis blijft die van Pergolesi een van de meest beklijvende, mooiste Stabat Maters.’

Het stuk werd geschreven in 1749 en ook Bach heeft het gekend en bewerkt onder de titel Tilge, Höchster, meine Sünden. Het is geschreven op de tekst van de sequens voor een van de Mariafeesten.

            https://www.youtube.com/watch?v=y1QSbc-yMzM

Waar stuurt Gescinska nu op aan? ‘Context, historische feiten en andere achtergrondinformatie hebben (…) hun plaats in het spel van uitdrukking, interpretatie en betekenis. Dat zou ons eigenlijk niet hoeven te verwonderen, want dat geldt zowel voor de interpersoonlijke dialoog die muziek is als voor onze interpersoonlijke relaties in de buiten-muzikale werkelijkheid.’

Zie ook: https://elsvanswol.nl/alicja-gescinska-thuis-in-muziek/
En:
www.operaforward.nl

Een jaar met de Grieken

De tijd van eindejaarlijstjes is weer aangebroken. Zoals het me in 2012 uitstekend beviel, me een jaar lang in Beethovens muziek onder te dompelen, zo stond afgelopen jaar in het teken van de Griekse kunst, op welke manier dan ook. Een alternatief lijstje dus – net geen Top10.

1. Synesios van Kyrene
Het begon allemaal aan de vooravond van 2018, toen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een nieuw deeltje in de serie ‘Monobiblos’ van uitgeverij Damon werd gepresenteerd. In de slipstream hiervan werden enkele gedichten gelezen uit de negen hymnen van de Ene, Dans die het heelal omkranst, van Synesios van Kyrene in een vertaling van Piet Gerbrandy. Ik was verkocht, of, zoals Gebrandy zelf eens (in: De Gids, 2018/5) schreef naar aanleiding van Gorters Mei: ‘Ik was na herlezing enigszins van slag’ van in mijn geval ‘diepste gedachten over god en mens, geest en ziel, energie en materie’ zoals de achterflap schrijft.
Ik hou het eventueel verschijnen van nieuwe deeltjes in deze serie ook in 2019 nauwlettend in de gaten. En ga meer van de hand van Gerbrandy lezen. Bijvoorbeeld de bundel Steencirkels en/of Grondwater.

2. Oedipus
Op z’n tijd ga ik naar een openbare repetitie in de Stadsschouwburg Amsterdam (nu: Internationaal Theater Amsterdam, ITA). Begin mei was het weer zo ver: Toneelgroep Amsterdam repeteerde er Sophocles’ tragedie Oedipus in een regie van Robert Icke. Ook hier gold: ik was verkocht en kocht een kaartje voor de volledige, ‘echte’ opvoering.
Het is, zoals een Boomerang-kaart schrijft, ‘het verhaal van een man die de top bereikt, om tot de ontdekking te komen dat hij de meest fundamentele grenzen heeft overschreden. Maar is hij schuldig?’ Zo’n vraag zegt denk ik meer over onze tijd dan die van Sophocles.

3. Elektra van Diepenbrock
Eens in de maand leid ik een muziekclubje in een verzorgingshuis. Zowel de bewoners als ik ontlenen er energie aan en ik ga altijd weer vrolijk naar huis. Een keer had in gekozen voor de toneelmuziek bij Elektra van – daar heb je hem weer – Sophocles door Alphons Diepenbrock.
Er kwam een gesprek op gang over de vraag of men zelf wraak in het leven had gekend. Een leermoment voor mij om in ’t vervolg muziek te kiezen die waarlijk het leven zelf raakt. Nog een voornemen voor 2019.

4. Daniel Mendelsohn: Een Odyssee
In het najaar volgde ik een HOVO-cursus over Homerus’ Odyssee door Hein van Dolen. Ter voorbereiding koos ik ervoor niet het origineel te herlezen (de eerste keer dat ik het las staat me nog helder voor de geest: op vakantie in Bologna), maar de roman Een Odyssee van Daniel Mendelsohn. Elke cursusochtend raakte ik méér geïmponeerd door de manier waarop de schrijver, tot in de détails, tot Homerus is weten door te dringen.

5. Shakespeare: Troilus and Cressida
Van Dolen noemde aan het eind van de cursus niet zozeer het boek van Mendelssohn als wel enkele andere werken die door de Odyssee zijn beïnvloed. Daaronder was tot mijn verbazing het toneelstuk Troilus and Cressida van Shakespeare, dat speelt tijdens de Trojaanse oorlog. Ik heb er een dvd van (BBC, 2005) in een regie van Jonathan Miller die ik eindelijk eens heb bekeken.

6. Mythos van Stephen Fry
Om in de sfeer te blijven, vroeg ik het boek Mythos van Stephen Fry voor mijn verjaardag en werd getroffen door overeenkomsten (en verschillen) met de Bijbel. Zo kwam ik onder meer te weten, dat de Griekse mythologie, net als Genesis, twee scheppingsverhalen kent. Ze werden door Fry – die ik overigens eens in een Shakespearevoorstelling in Londen zag – beschreven onder de titel ‘De speeltjes van Zeus’: Prometheus en Zeus kleien kleine figuurtjes, maar dat kon je nog geen mensen noemen. Die kwamen tijdens het zogenaamde Zilveren Tijdperk, ‘een mix van vooruitziende blik en impulsiviteit, van alle goddelijke giften, en van de aarde’.

7. Classic Beauties
In dezelfde tijd dat ik Mythos las, toog ik naar de tentoonstelling met neoclassicistische beelden en schilderijen uit de Hermitage te Sint Petersburg in de gelijknamige Amsterdamse dépendance aan de Amstel. Een kunstenaar als Antonio Canova (b)lijkt eigenlijk niets anders te doen dan Mendelsohn: Griekse kunst naar zijn eigen tijd halen net als Fry nieuw leven inblazen. ‘Edele eenvoud en stille grootsheid’ zei Winckelmann.
Onder het kijken beluister ik op de audiotour het Adagio uit de veertiende pianosonate van Beethoven (bij een doek van Lagrenée) waarop dit helemaal van toepassing is. Het kan verkeren …

8. Aspasia Nasopoulou
Toen ik dit overzichtje aan het afronden was, viel mij, als wist zij dat ik ermee bezig was, een cadeautje toe: Aspasia Nasopoulou stuurde mij een linkje naar haar ‘latest music poetry production Ikaros with dance and video’ die in première was gegaan tijdens November Music (foto hierboven: Melanja Palitta).
Mede door de videoprojectie brengt Nasopoulou het verhaal van Ikaros tot leven. Ronduit schitterend gedaan, met tekst van Henk van der Waal: ‘Zwijgen en stijgen vanwege je vleugelwerk’ en muziek waarin herinnering en verlangen samenvallen. Prachtig.

https://www.youtube.com/watch?v=ZXQrluTeFtc&t=17s

9. Garmt Stuiveling
Haast gelijktijdig viel mij tenslotte een gedicht toe van Garmt Stuiveling, via de email die dagelijks een gedicht stuurt (www.ljcoster.nl). Het is een gedicht uit Eeuwig gaat voor ogenblik dat ik hier tot slot in zijn geheel citeer:

XIV

Nu de grote dingen verdwijnen
worden de kleine dingen groot:
wat zonlicht op de gordijnen,
een appel, een snee vers brood.


Met hoeveel overbodigs
maken we ons leven stuk:
er is zo weinig nodig
voor wat eenvoudig geluk.

Zó zou ik oud willen wezen,
klein bij de grote dood:
Homerus om in te lezen,
een appel, een snee vers brood.

Het thema van volgend jaar weet ik al, maar dat hou ik nog even voor me. Het jaar is tenslotte (ook) nog niet om.

Om stil van te worden

De tentoonstelling is bijna afgelopen, VUUR van Maria Roosen (in Kunsthal KAdE te Amersfoort), maar als liefhebber van haar werk heb ik haar op de valreep nog gezien. Voor mensen die de weg naar KAdE niet weten te vinden, zijn er in de straatstenen wegwijzers richting ‘Centrum’ aangebracht (zie foto rechtsboven). Zouden die Maria Roosen hebben geïnspireerd tot haar ‘Richtingaanwijzers’ bij de expositie? Niet dat die naam op zaalteksten terug te vinden is, maar een van de vrijwilligers die ik ernaar vroeg hielp mij verder. Hij verwees ook naar de hangende exemplaren, los (zie foto links) of aan een rek. En – vertelde hij – er waren in de winkel dertig te koop geweest, maar die waren in een mum van tijd uitverkocht.

Ja, wie wil er geen echte Roosen in huis hebben! Zij noemt haar eigen werk Tools for feelings. Ze wil gevoelens oproepen, geen intellectuele exercities uitlokken. Maar daarmee doet ze haar werk misschien toch ook wel een beetje tekort. Althans in mijn beleving.
Neem nu alleen al die Richtingaanwijzers zoals ze er staan. Donker gekleurd glas op een driepoot van metaal à la een muzieklessenaar. De eerste indruk doet denken aan Ceci n’est pas une pipe (dit is geen pijp, foto rechtsonder) van René Magritte, dat oorspronkelijk ‘Het verraad van de voorstelling’ heette. Toen ik wat verder keek, deed de Richtingaanwijzer me ook denken aan een ramshoorn of de hoorn die de dove Beethoven aan zijn oor zette.

Ik denk dat je het er allemaal in mag leggen, naast de primaire functie van het object. Waarvan er inderdaad ook hangende exemplaren te zien zijn. In een rek doen ze denken aan vallende druppels, als tranen die worden geplengd. Zo’n soort emotie roept ook een takkenbos op dat door Roosen in brand wordt gestoken en waarvan een video valt te zien. Vuurvlammen schieten omhoog, van de takken blijft alleen een hoopje over. Een rituele verbranding van emotionele gevoelens na het overlijden van haar man, dat moet het voorstellen.

Die takken geven al aan dat Roosen niet alléén met glas werkt. Ook beelden waren er in KAdE te zien: Widow I en Widow II. Deels zwartgeblakerd hout, manshoog. Een ervan is zwart, de kleur van rouw en de dood. Net als de Wegwijzers. Een tentoonstelling om stil van te worden.