Het hart van denkend Nederland

Mijn denkvakantieweekje bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden dit jaar, over de Filosofie in de Lage Landen, werd omkranst door twee citaten. Eén las ik aan het begin en één aan het eind van de week.

Het begon met een uitlating van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juli 2019, p. 9) van Amnesty International: ‘Een groep heeft misschien een gemeenschappelijke geschiedenis, een cultuur [waaronder filosofie, EvS], maar individuen hebben een verhaal.’ Dat verhaal zal ons oordeel nuanceren. Het klonk alsof Grunberg met het scheermes van William van Ockham al het overbodige had weggesneden en alleen het nodige, het individuele verhaal in dit geval, overbleef.

Individuele verhalen, die kwamen in deze cursus van hoofddocent dr. Erno Eskens en twee gastdocenten (de derde lag helaas in het ziekenhuis) langs. Om te beginnen die van theologen (patristiek, scholastiek, via antiqua, via moderni, mystici) die als filosofen werden behandeld, omdat ze twijfelden en naar nieuwe wegen zochten. De ene groep denkers zette zich af tegen de volgende. Soms met een grote heftigheid; Geert Groote kwam voor mij daardoor in een ander daglicht te staan. Hij had, bleek, niet voor niets de bijnaam ‘Ketterhamer’.

Slechts een enkeling probeerde het denken uit verschillende stromingen (via antiqua, mystiek) met elkaar te verbinden. Ons groepje, slechts zes man-vrouw sterk, was bijvoorbeeld unaniem gecharmeerd van Nicolaas van Cusa (1401-1464, zie afb.). Hij sprak over coincidentia oppositorum (samenvallen van tegendelen) en zag religie als één geloof met verschillende varianten (una religio in rituum varietate). Hierbij zou het natuurlijk best zo kunnen zijn, dat hij daarmee veronderstelde dat iedereen in de moederschoot moet terugkeren …
Mij deden de verschillende stappen van kennis van Van Cusa of Cusanus (zintuigen, ratio, intellect en intuïtie) denken aan de drie soorten kennis die Spinoza onderscheidt (verbeelding, ratio en intuïtie), een denker waar Eskens overigens duidelijk niet veel mee had.
Binnenkort verschijnt bij uitgeverij Sjibbolet Cusanus’ De blik op God (zie afb.) – voor op het verlanglijstje, om te kijken of de liefde op het eerste gezicht stand houdt.

In ieder geval zegt dit getriggerd-zijn door juist deze, voor mij onbekende theoloog/filosoof in tegenstelling tot bijvoorbeeld Coornhert of Spinoza, net zoveel over mijzelf en mijn aandacht voor these-antithese-synthese, als Eskens keuze voor bepaalde denkers en accenten, zoals zijn aandacht voor filosofen die net als hij wat hebben met dieren(rechten).

Dan kom ik bij het tweede citaat dat mij deze denkweek vergezelde, het slot van het artikel ‘Een selfie van Nederland – zonder filter?’ van Tamar de Waal in de Groene Amsterdammer (4 juli 2019, p. 13). Een citaat dat gaat over tegenstellingen (weer die dialectiek!) die ‘vaak de motor van de democratie is’. De Waal constateert dat polarisatie (religieus, vanuit tradities) ‘het hart hadden kunnen vormen van Denkend aan Nederland [rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau, EvS], maar dat in plaats daarvan het SCP de hete aardappel [en de] kritische duiding doorschuift aan anderen’.
De filosofie bijvoorbeeld.

Ik moet daarbij denken aan de gastcolleges van Florian Jacobs en Marthe Kerkwijk op de voorlaatste dag en het slotcollege van Eskens.
Jacobs had het over de aanloop tot de ISVW (1916). Meteen al tijdens de oprichtingsvergadering kwam het tot een controverse tot de volgelingen van Frederik van Eeden en Daniel Reiman. ‘Het is’, aldus Jacobs, ‘aan zulke types als Van Eeden en het verzet daartegen te danken, dat de ISVW bestaat’.
Kerkwijk sprak over Clara Wichmann en haar visie op het feit dat ‘ongehoorzamen iets losmaken waar de ontwikkeling van de maatschappij baat bij heeft. Dat wil zeggen zij die zich niet conformeren aan de heersende wetten, de vastgelegde dominante moraal’. Hier kon opvallend genoeg weer niet iedereen uit ons groepje mee instemmen.

Eskens had het tenslotte over enkele Denkers des Vaderlands: René Gude (vooral eerst een meedenker) en Hans Achterhuis (een tegendenker). Misschien vormde de een de these en de ander de antithese en moeten wij, cursisten van de ISVW en andere in filosofie en cultuur in het algemeen geïnteresseerden (Grunberg) anno 2019 voor de synthese zorgen.
Misschien is dat kenmerkend voor Filosofie in de Lage Landen nu en zelfs voor de huidige stand van de filosofie wereldwijd. Vanaf Cusanus telkens een stapje verder. Op z’n Popperiaans haast.

El Niño in ZaterdagMatinee

Al jaren heb ik de gewoonte om in de passietijd een stuk passiemuziek te beluisteren dat ik nog niet kende. Die gewoonte zou zich wel eens kunnen gaan uitbreiden richting Advent. In ieder geval was vandaag de ‘aftrap’ met El Niño van de Amerikaanse componist John Adams (zie foto). Het werd als oratoriumversie (zonder filmbeelden) uitgevoerd in de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw. Het was er al eens eerder te horen geweest, onder leiding van de componist, maar die uitvoering heb ik gemist. Die schade heb ik nu ingehaald.

De magistrale uitvoering was vandaag in handen van het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor (ingestudeerd door Peter Dijkstra) en het Nationaal Kinderkoor (ingestudeerd door Wilma ten Wolde) onder leiding van Markus Stenz. De zonder uitzondering sterke solistenbezetting bestond uit: Joélle Harvey (sopraan), Jennifer Cano (mezzosopraan), Aubrey Allock (bariton), Daniel Brubeck, Nathan Medley en Brian Cummings (countertenoren).

Adams vertelt het verhaal van het kindje (El Niño), en zijdelings ook de storm die naar die naam luistert, vanuit het perspectief van moeder Maria. Hij gebruikte hiervoor niet alleen de klassieke Bijbelteksten uit het Nieuwe Testament, aangevuld met enkele Oudtestamentische teksten, zoals die in één geval ook door Händel werd getoonzet in diens Messiah (‘For thus saith the Lord’), maar ook teksten uit apocriefe Bijbelverhalen en enkele hedendaagse Spaanstalige gedichten.
Daarmee tilt hij het verhaal van de geboorte van het kind Jezus naar een niveau van de geboorte van ‘een’ kind in het algemeen, dat hij als telkens weer een wonder omschrijft.

In de opbouw van het tweedelige werk, dat in 2000 in Parijs in première is gegaan, vielen mij om te beginnen de orkestrale inleidingen op de verschillende, in totaal veertien onderdelen op. Vaak gaat het om toonschilderingen, zoals wanneer sprake is van aartsengel Gabriel, die wordt aangekondigd door een soort nerveus vleugelgefladder in de strijkers. Of de revolutionaire Lofzang van Maria, die wordt ingeleid met wat wel een serie hamerslagen lijkt.

Maar hoe verder het werk vorderde, hoe meer viel mij op dat er, als een diepere laag, sprake is van een dialectische werking. Niet alleen qua instrumentatie, die ronduit geraffineerd is, en waarin zenuwachtigheid binnen een mum van tijd wordt afgewisseld door een lyrische lijn, maar door de tegenstellingen die ook in de tekst voor komen en worden uitgebuit. Heden en verleden staan zo tegenover elkaar (ook in de remiscenties aan bijvoorbeeld de koebellen bij Mahler), maar worden opgeheven met het oog op de toekomst. Bijvoorbeeld in het door vijfenveertig bloedmooi zingende meisjesstemmen gezongen slotkoor, zoals ik het maar zal noemen: het beroemde gedicht Een palmboom van Rosario Castellanos, de Mexicaanse dichteres en ambassadeur in Israël. Hierin buigt een palmboom door de wind en knielt zo om het kind te aanbidden, als in een gebaar van gebed voor de (komende) Messias. Prachtig!