‘Muziek als mimiek van God’

Ik wist al dat de filosoof Jos Kessels (1948) van muziek hield en die ook praktiseerde; in de tijd dat ik secretaris was van het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB), bezochten de toenmalige voorzitter en ik hem thuis om hem over te halen een deel van een studiedag te verzorgen. Als ik het me goed herinner, deed hij zijn kralenspel met ons. Wat ik niet wist, was dat dit is gebaseerd op de tien sefirot van de Boom des Levens uit de Kabbala. Dat las ik in zijn dit jaar bij Boom verschenen Het welgetemperde gemoed (p. 83).

Jo Van Cauter
Volgens de achterflap vraagt Kessels zich in dit boek af, of je Bachs Das Wohltemperierte Klavier kunt zien ‘als een verzameling essays, zoals die van Montaigne? Als woordloze bespiegelingen over de tempering van het gemoed?’ Die zinnen vind je haast letterlijk terug in het boek (p. 64). Toen ik ze las, moest ik echter eerder aan Spinoza denken met diens ‘kennis van de passies als medicijn voor gemoedsrust’, om de titel van een essay van Jo Van Cauter aan te halen (in: Ethiek & Maatschappij, jrg. 12 nr. 4, p. 17-32). Een essay dat ik hier naast het boek van Kessels leg.

Kennisleer van Spinoza
Om te beginnen moet worden aangetekend, dat Kessels Spinoza nergens noemt en als uitgangspunt dan ook niet diens kennisleer neemt met de drie soorten kennis (verbeelding, ratio, intuïtie), maar een drieslag uit het Griekse denken: het ware, goede en schone (p. 127). In deze volgorde. Toch doet waar hij gaandeweg op uitkomt mij wel degelijk aan Spinoza denken. Niet alleen aan de soorten kennis zoals hij die in zijn Ethica beschrijft, maar ook aan de Ethica als geheel.

Das Wohltemperierte Klavier
Eerst de gang die Kessels door Das Wohltemperierte Klavier maakt. Hij ervaart ‘muziek primair als communicatie, een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’ (p. 63) en de bundel van Bach als ‘de ontwikkeling van een getemperd gemoed’ (p. 64), ‘enerzijds puur zintuiglijk, anderzijds diepzinnig en van een wiskundige schoonheid’ (p. 84) als beschreef hij de Ethica. Raak is een omschrijving als: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van een componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 124-125).

Zo gaat het van prelude en fuga naar prelude en fuga, vierentwintig keer opnieuw, steeds verder en dieper. Of, zoals Kessels het op een gegeven moment benoemt: ‘In eerste instantie overstelpt door sensaties (…). Daarna (…) ontstond er een beeld van de structuur’ en tenslotte werd in de kern ‘het enige volledige leven blootgelegd’ (p. 193). Ik herken er de drie hiervoor genoemde kennissoorten van Spinoza in: verbeelding, ratio en intuïtie.

Zelfkennis
Zowel bij Spinoza als Kessels (en volgens hem ook Bach) draait het om zelfkennis, om een mensbeeld waarin wordt gezocht naar vrijheid en gemoedsrust (p. 20). Wanneer je, zoals Kessels, muziek als een vorm van communicatie ziet, als ‘een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’, dan heb je de scheidslijn tussen passieve affecten of passies en actieve affecten zoals Spinoza die onderscheidt al overschreden.

De ‘actieve affecten – ook wel handelingen van de geest genoemd – spelen bij Spinoza een belangrijke rol in het streven van de mens naar zoveel mogelijk autonomie, vrijheid en geluk’ (Van Cauter, p. 25). Via de adequate ideeën komt Spinoza bij ‘ware voorstellingen van onszelf en de wereld rondom ons’ (p. 26).

Het mysterie van overgave
Op het eind van het boek komt de auteur, die het rooms-katholieke geloof vaarwel zei, niet uit bij ‘de God van de filosofen en geleerden, maar op (…) het mysterie van overgave aan de bron’ (p. 232). Hij vraagt zich af, of dit ‘zoiets onpersoonlijks als de natuur is of eerder de hand van Iemand wiens beeld en gelijkenis ik draag?’ (p. 233). Hij, en wij zien in, dat dit ‘een fundamenteel verschil is’. De God of Natuur van Spinoza is niet een persoon, niet een Iemand. Toch blijkt waar Kessels uitkomt op waar Spinoza in zijn vijfde deel van de Ethica op uitkomt: geestkracht (stelling 1 t/m 13), God (stelling 14 t/m 20), de Geest (stelling 21 t/m 23) en tenslotte De Gelukzaligheid als Deugd zelf (stelling 42).

Conclusie
Ik ben dan ook benieuwd of Kessels hier ook zou zijn uitgekomen als hij de weg van Spinoza was afgelopen in plaats van die van het ware, goede en schone. Misschien bij wat emeritus-hoogleraar Akke van der Kooi in haar essay ‘Uit de nacht’ in een feestbundel voor collega Rinse Reeling Brouwer, die immers ook over Spinoza publiceerde, omschrijft als voorbij het onderscheid tussen Spinoza’s ‘God-substantie en de God van Abraham’ (Messiaanse exegese, uitg. KokBoekencentrum, 2019, p. 34). Wie zal het zeggen.

All is True, is it?

Het eerste beeld dat je van de DVD All is True ziet wanneer je op ‘Play’ hebt gedrukt, is Londen dat in brand staat. We schrijven 1613 en de Globe, het Shakespearetheater, gaat ook in vlammen op. William Shakespeare gaat terug naar zijn geboorteplaats Stratford-upon-Avon. Hoewel aangetekend moet worden, dat de film niet in Stratford is opgenomen, maar in de buurt van Windsor Castle, gehuld in de herfstkleuren van de seizoenen en het leven.
Na dit beeld verschijnt de bard zelf, dat wil zeggen Kenneth Branagh in een ‘uitvoering’ die is gebaseerd op het beroemde Chandos portret van Shakespeare (National Portrait Gallery, zie foto rechts). Ik moest even glimlachen, want wat opvalt zijn Branaghs helblauwe ogen die niet rijmen met de bruine van Shakespeare op genoemd portret. All is True, is it? – al blijkt Branagh ervan op de hoogte, getuige een opmerking hierover in een als Bonus bijgevoegd interview op de DVD.
In Stratford ontmoet Shakespeare een jongetje dat hem vraagt of hij, schrijver zijnde, zijn verhaal wil afmaken. Het is de geest van zijn overleden zoontje Hamnet, zoals Hamlet begint met de geestverschijning van diens overleden vader. Ook dit is een détail – een opvallend détail in een film die vol is van alle mogelijke dwarsverbanden. Later meen je bijvoorbeeld Ophelia te zien.
Ook het kaarslicht is een dwarsverband, in dit geval met het chiaroscuro effect op schilderijen van Utrechtse meesters uit de tijd van Shakespeare die in Italië in de leer zijn geweest.

Van toneelspeelster Judith Dench (Anne Shakespeare) weten we al dat ze grandioos met veelzeggende, vaak woordloze détails werkt. Ook hier weer. Een kort kuchje, een kleine handbeweging doen het hem. Bijvoorbeeld wanneer haar man zegt, dat hij een tuin wil aanleggen en zij daar ongemakkelijk op reageert. Shakespeare legt dan uit dat het net zoiets is als een toneelstuk: ‘Beide hebben een droom nodig’.

Anne, die meent dat William uit rouw voor Hamnet een tuin wil, werpt haar man vervolgens voor de voeten dat hij, toen de jongen, de helft van een tweeling stierf, uitgerekend zijn komedie The merry wives of Windsor schreef; een nog steeds actuele vraag hoe zoiets in algemene zin samen kan gaan.1) Shakespeare antwoordt dat hij daarom is teruggekomen: om uit een imaginaire wereld in de werkelijkheid te kunnen stappen. Liefde voor de flora was hem trouwens niet vreemd; daarnaar verwijst bijvoorbeeld tussen twee haakjes de kruidentuin rond de Southwark Cathedral in Londen.
De imaginaire wereld van enkele toneelfragmenten en sonnetten (zoals nr. 29) en de werkelijkheid van 1613 wisselen elkaar in de film af. De imaginaire wereld fungeert op deze manier als flash backs.

De vraag die opgeworpen wordt is dan: wat ís waarheid? Bedriegt Susanna, één van de dochters van Anne en William, haar man, is het een ‘echt’ kind – vraagt Judith, de andere helft van de tweeling aan haar vader – als hij een kleinzoon van Susanne zou krijgen? Wat is waarheid überhaupt? Wie is de Dark Lady in de sonnetten? De Earl of Southampton, die de Shakespeares bezoekt? Een prachtige rol overigens van Ian McKellen. En: wie schreef die briljante verzen: Hamnet of zijn tweelingzus Judith?

Anne en William komen steeds dichter bij elkaar, onder andere in het beroemde ‘second best bed’ dat hij later expliciet aan haar zal nalaten. Anne gaat zelfs in de tuin aan het werk, terwijl William in een kerkregister de datum van Hamnets dood ziet en tot zich door laat dringen. Hij komt tot het inzicht dat het de geest van Hamnet was die hem nabij was wanneer hij zijn toneelstukken schreef. Stierf Hamnet aan de pest (volgens Anne)? Of verdronk hij (volgens Judith)? Op dat moment zien we het beeld van Ophelia voor ons, zoals we dat van tal van schilderijen kennen. Of heeft de jaloerse Judith hem zelfs vermoord?

Het laatste woord is aan Titania, de vrouw van Oberon uit Shakespeares  A Midsummer Night’s Dream (hier is de droom!). Maar niet nadat Anne en Judith hun man c.q. vader een cadeau hebben gegeven: de analfabete Anne schrijft haar naam onder hun huwelijksakte en Judith belooft een gedicht te schrijven en doet dat ook. Het verhaal is af, zoals Hamnet vroeg, gaat op die manier door.

Niet in de laatste plaats bij degenen die naar de DVD kijken, die ik zo genereus van vrienden cadeau kreeg. En dan rest nog het bonusmateriaal, zoals enkele interviews. Om naar uit te kijken, net als boek No bed for Bacon. The story of Shakespeare and Lady Viola in love van Caryl Brahms en S.J. Simon dat ik ook van ze kreeg. De gedeelde liefde voor Shakespeare is een continuing story, dat blijkt.


  1. Een deel van het antwoord geeft de filosoof Jos Kessels in zijn boek Het welgetemperde gemoed (uitg. Boom), weliswaar over muziek maar toch: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van de componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 125). Op dit boek zal ik later in een blog terugkomen.

 

DVD All is True (Sony Pictures Classics/TKBC, 2019).

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

Beate Rössler – Autonomie

Autonomie : een essay over het vervulde leven / Beate Rössler ; vertaling [uit het Duits]: Willem Visser. – Amsterdam : Boom, [2018]. – 382 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: Autonomie : ein Versuch über das
gelungene Leben. – Berlin : Suhrkamp Verlag, © 2017. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-244-1919-7

De auteur vraagt zich af wat autonomie is, waarom het niet altijd kan worden bereikt en dit toch niets verandert aan de noodzaak ervan. Beate Rössler is vanaf 2009
hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en studeerde behalve filosofie en theologie ook Germanistiek in haar geboorteland, Duitsland. Zij neemt telkens een ander gezichtspunt in: conceptueel, de zin van het leven, het Zelf, kiezen, enzovoort. Zij
bouwt haar essay, zoals het op het omslag heet, indrukwekkend en organisch op. Hierbij gaat Rössler onder meer te rade bij literatuur (Murdoch, McEwan, Austen, Tóibín en anderen), films, dagboeken en blogs als vorm van zelfobservatie. Deze kunnen volgens haar vaak beter bij interpretatiekwesties helpen dan abstracte filosofie. Het boek is toegankelijk voor een in filosofische vragen geïnteresseerd lezerspubliek, dat enigszins met de basisbegrippen daarvan is vertrouwd. Een belangrijke studie over een actueel onderwerp dat ook aanpalende thema’s bespreekt, zoals enerzijds privacy, vriendschap en intimiteit en anderzijds verplichting, gelijkheid en democratie. Met eindnoten en een literatuurlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Ietsje meer

‘Zet twee Spinozisten bij elkaar en je hebt ruzie’ zei Erno Eskens (programmadirecteur en uitgever bij de ISVW in Leusden) tijdens zijn lezing ‘Spinoza op de kaart’ tijdens de bijeenkomst Filosofie op de kaart, 20 oktober jl. in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Of – wat netter -: zet twee Spinozisten bij elkaar en je hebt drie meningen. Waarna Eskens kort en to the point liet zien dat je Spinoza kunt lezen als een materialist of als een meer religieus denker.
Eskens is geen Spinozist en ik ook niet, al volg ik al jaren alles wat met de filosoof te maken heeft zoveel mogelijk op de voet (over op de kaart zetten gesproken …). En op ruzie ben ik al helemáál niet uit. Toch wil ik enkele kanttekeningen bij Eskens’ lezing plaatsen, om een en ander recht te doen en recht te zetten. Ik volg het betoog.

De ban
Eskens begon uiteraard in Amsterdam – waarmee ik deze reactie ook weer zal afsluiten. Relatief uitgebreid kwam de verbanning uit de Sefardische gemeenschap aan de orde (1656). Gesteld werd dat de handel van fruit (lees: zuidvruchten e.d.) door Spinoza’s vader in gevaar kwam. Nu was zijn vader al twee jaar daarvoor overleden, en was zijn handel in handen van zijn zoons, hetgeen overigens soms mede in verband met de ban wordt gebracht, als zou Spinoza door het niet aanvaarden van de erfenis het vijfde Bijbelse gebod (‘Eer je vader en je moeder’) hebben overtreden.
Gesteld werd vervolgens dat wel is geprobeerd de ban ongedaan te maken, maar niet waaróm dit tot nu toe niet is gelukt. Het uitgebreid voorlezen van de banvloek en deze omissie maakte dat voor mijn gevoel de verhouding in dit verband een beetje zoek was.

De Ethica
Uiteraard liet Eskens Spinoza’s hoofdwerk, de Ethica niet onvermeld. Daarbij hield hij ‘de dikke pil’ in de lucht. Dat wil zeggen: de Boom-uitgave, zo dik door het uitgebreide notenapparaat, het nawoord, de vele voetnoten en tekstkritische aantekeningen. Mijn uitgave van de Wereldbibliotheek oogt al heel wat bescheidener…
Zo’n pil schrikt de niet met Spinoza’s werk bekende toehoorder ongetwijfeld af, nog los van de niet genoemde, geometrische opzet van het boek. Belangrijker is mijns inziens dat de Ethica tot op de dag van vandaag veel mensen nog steeds inspireert. Dit bleek onlangs nog uit de dichtbundel Eeuwig leven van Atze van Wieren (uitg. IJzer, 2017).

Den Haag
Vervolgens kwam Eskens uitgebreid te spreken over Den Haag, waar volgens hem het huis waar Spinoza woonde (aan de Paviljoensgracht) nog steeds valt te bezoeken. Een gewaarschuwd pelgrim of liefhebber van lieux de mémoire telt voor twee: op dit moment is dat, onder meer vanwege de herinrichting van het archief en de bibliotheek, niet mogelijk, maar ik hoop met Eskens dat dit spoedig wel weer het geval zal zijn.
En dan kwam de eeuwige verwarring over Spinoza’s graf weer boven water. Er staat weliswaar een steen achter de Nieuwe Kerk op het Spui, maar echt: het eigenlijke huurgraf is in 1738 geruimd. Dezelfde fout maakte de spreker ook in zijn overigens heldere, korte artikel over Spinoza in Filosofie Magazine (4/2011, p. 26-27).

‘Een Spinozawandeling zou leuk zijn’, merkte Eskens op, schrijver van een Filosofische Reisgids waarvoor hij een paar keer reclame maakte. Wel, aan zo’n wandeling kun je al sinds enkele jaren onder leiding van Jossi Efrat deelnemen!
En passant zouden we dan volgens Eskens een blik in de Gevangenpoort kunnen werpen, waar Coornhert (zie afb. rechts) gevangen heeft gezeten. Ervaring leert mij, als Coornhertliefhebber, dat dit vergeefse moeite is; je moet als je een blik wil werpen op de ruimte waarin Coornhert zat, onverbiddelijk de hele excursie volgen…

Rol Koninklijke Bibliotheek
Eskens besloot zijn inleiding met een kreet die mij uit het hart is gegrepen: Spinoza letterlijk op de kaart van, in zijn geval Den Haag zetten, kan niet zonder een actieve inbreng van de Koninklijke Bibliotheek, de gastheer van deze middag. Zoiets geldt überhaupt voor de noodzakelijke transitie en transformatieslag die bibliotheken zouden moeten maken om te overleven, maar dit terzijde.

In dit verband is het belangrijk op te merken dat op 7 juli jl. in de Openbare Bibliotheek Amsterdam werd aangekondigd, dat men daar voornemens is een speciale Spinozabibliotheek onder te brengen. En dat mag van mij, in het verlengde van de voorgaande opmerking, best ietsje meer zijn dan een traditionele bibliotheek, en iets soortgelijks als de Erasmuszaal in de Bibliotheek Rotterdam, waar ik me eens een middag heb ondergedompeld.
‘Leuke anekdotes, die willen we horen’ aldus Eskens. Maar daarbij hoeft het wat mij betreft niet te blijven.

Ik. filosofie van het zelf

Ik. : filosofie van het zelf / Leon de Bruin, Fleur Jongepier en Sem de Maagt. – Amsterdam : Boom [2017]. – 199 pagina’s ; 23 cm ISBN 978-90-895389-6-3

Dit boek gaat in op vragen als: Wat is het zelf, wat is identiteit? De bedoeling ervan is om verschillende filosofen aan het woord te laten die zich door de eeuwen heen met deze vragen hebben beziggehouden en om tevens hun antwoorden te onderzoeken. De studie bestaat uit zes hoofdstukken, die zijn onderverdeeld in primaire teksten en toelichtingen op de ideeën daarin. De onderwerpen die aan bod komen, zijn: continuïteit van het zelf; het zelf; kennen wij ons zelf; authenticiteit; autonomie en zelfverbetering. De auteurs zijn alle drie docent filosofie aan een Nederlandse universiteit. In heldere bewoordingen wordt inzicht geboden in denkbeelden van denkers als John Locke, Daniel Dennett, René Descartes, Jean-Jacques Rousseau, Karl Marx, John Stuart Mill, Axel Hanneth en Pico della Mirandola. Het mooi uitgevoerde boek onderstreept het belang van filosofie in het denken over een actueel onderwerp.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Hartmut Rosa – Leven in tijden van versnelling

Leven in tijden van versnelling : een pleidooi voor resonantie / Hartmut Rosa ; vertaling [uit het Duits]: Huub Stegeman ; bezorging: Marli Huijer. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 156 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: Alienationa and accelleration. – Suhrkamp Verlag, © 2013. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895346-5-1

De belangrijkste vraag die in dit boek wordt gesteld, is die naar het goede leven in een tijd van maatschappelijke versnelling en vervreemding. Een vraag die de sociale filosofie, sociologie en politicologie zouden moeten stellen om het maatschappelijk debat hierover te bevorderen, omdat deze verschijnselen ons verhinderen een goed leven te leiden. Om daar verbetering in aan te brengen pleit de auteur voor resonantie, dat wil zeggen het tegenovergestelde van vervreemding: ervaringen die worden gevonden in de natuur, kunst en religie en de grondslag vormen voor een geslaagde relatie met de wereld. Ten onrechte wordt de Duitse socioloog Hartmut Rosa, hoogleraar aan de Universiteit van Jena, wel ‘onthaastingsgoeroe’ genoemd. Onthaasten is weliswaar ook gericht op het goede leven, maar zonder dat het een maatschappijkritische manier is van in-de-wereld staan. Daarom heeft dit boek de lezer iets anders, en meer, te zeggen dan bijvoorbeeld ‘Stil de tijd’ (2009) van Joke Hermsen. Deze Nederlandstalige editie is bezorgd door Marli Huijer, die zich ook met het onderwerp ‘tijd’ heeft beziggehouden.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Jaap Tanja – Antisemitisme

jaap-tanja_antisemitisme

Antisemitisme : geschiedenis en actualiteit / Anne Frank Stichting, Jaap Tanja ; tekst en beeldredactie: Anne Frank Stichting (Jaap Tanja), redactie: Uitgeverij Boom (May Meurs). -Geheel herziene en geactualiseerde editie. – [Amsterdam] : Boom, [2016]. -147 pagina’s : illustraties ; 23 cm. – Oosrpronkelijke titel: Vijftig vragen over antisemitisme. – 2005.  ISBN 978-90-895388-7-1

Antisemitisme wordt door de auteur beschreven als een bepaald beeld van joden, dat zich kan uiten als haat tegen joden. Het complexe fenomeen en de geschiedenis ervan, meer nog dan de actualiteit, worden in deze relevante studie haast op uitputtende wijze beschreven. Jaap Tanja, werkzaam bij de Anne Frank Stichting, herschreef hiervoor zijn boek Vijftig vragen over antisemitisme (2005). Ook deze versie heeft een educatief doel. Tanja pleit voor een zorgvuldig taalgebruik en roept de lezer op om zelf na te denken. Jammer is wel dat hij bij het herzien enkele visies niet heeft geüpdatet, zoals over de figuur van Shylock uit Shakespeare’s De koopman van Venetië en over het Nieuwe Testament, dat niet langer zozeer in intentie als anti-judaïstisch wordt beschouwd, maar eerder als een primair intern-joodse polemiek. In vergelijking tot Antisemitisme (2015) van Klaas A.D. Smelik legt Tanja andere accenten en leest zijn boek wat meer verbrokkeld. De literatuuropgaven in beide boeken overlappen elkaar deels.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Leren lijden – Martin Appelo

Appelo_Leren lijdenLeren lijden / Martin Appelo. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 160 pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895394-2-7

Helder geschreven systematische bespreking van verschillende vormen van lijden met de trekken van een zelfhulpboek (‘Herken je dit?’). Aan de ene kant wordt besproken hoe in de loop der tijd in westerse en oosterse religies, filosofie en psychologie over lijden is gedacht. Aan de andere kant staat de vraag centraal hoe daarmee om te gaan. Appelo, gezondheidszorgpsycholoog en gedragstherapeut, definieert het begrip als een primair negatief gevoel. Hij doet dit aan de hand van algemene vragen en vijf levensverhalen. Gaandeweg wordt deze definitie aangescherpt en ontstaat al dan niet terecht het beeld van een ‘hippocratische, calvinistische, freudiaanse vechtcultuur’ tegen de oorzaken van het lijden. De auteur wil echter niet zo ver gaan zichzelf te beschouwen als quiëtist (zich afkerend van de wereld), zoals Leon Heuts in het voorwoord suggereert. Daarvoor hangt Appelo teveel aan het leven en wil hij leren het lijden als onderdeel hiervan te accepteren.

Copyright NBD Biblion. – Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.