Mythe, mysterie, mystiek in de poëzie van Anton Ent

Tekst uitgesproken bij de presentatie van mijn boek over Henk Vreekamp,
14 juni 2019 in het Thomastheater (Thomaskerk) te Amsterdam

Toen emeritus-hoogleraar Martien Brinkman verleden jaar winter op deze plaats een inleiding verzorgde over het werk van de dichter Rutger Kopland, – waarover hij in een van zijn essaybundels, Dicht bij het onuitsprekelijke, had gepubliceerd -, begon hij met te zeggen dat het moeilijk was – een inleiding houden waarover je je ook al in boekvorm had geuit. Je moet niet te dícht bij die gepubliceerde tekst blijven, zei hij, want dan denkt iedereen: Dát had ik thuis ook wel kunnen lezen. Maar je moet er ook niet tevéél van afdwalen, want dan vraagt iedereen zich af wat hij/zij hier eigenlijk doet.
Iets soortgelijks voelde ik ook, en daarom heb ik gekozen voor een korte inleiding die weliswaar uitgaat van de centrale thematiek in het boek over Henk Vreekamp (mythe, mysterie, mystiek), maar dan bekeken vanuit de gedichten van zijn vriend en geestverwant Anton Ent (pseudoniem van Henk van der Ent). Specifieker: met name aan de hand van twee poëziebundels, Binnen de wildroosters (uit 2011) en De gele zweep (2019). Beide bundels verschenen bij Uitgeverij kleine Uil in Groningen. Laatstgenoemde ter gelegenheid van zijn vijftigjarig dichterschap.
In de eerste bundel staat ook een mooi gedicht over Vreekamp, Google earth, in het tweede een In memoriam, ‘Open velden’.

  1. Mythe, mysterie, mystiek in Binnen de wildrooster
    Om te beginnen kom ik er niet onderuit, te definiëren wat ik onder mythe, mysterie en mystiek versta. Daarbij blijf ik bij de tekst die op de achterflap van het boekje over Vreekamp staat; een beetje smokkelen dus ten aanzien van mijn uitgangspunt (‘Dat had ik thuis ook wel kunnen lezen’):

‘de mythe [is datgene] waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, [datgene] waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek [datgene] waarin God en mens elkaar ontmoeten.’

Ook in het werk van Anton Ent vormt deze drieslag vanaf het begin van zijn dichterschap (hij publiceerde in 1969 zijn eerste bundel, Hagel en sneeuw) een constante. Ik werd dit gewaar, toen ik ter voorbereiding van deze inleiding het archief van de website literairnederland.nl raadpleegde; een website waarvoor ik overigens ook recenseer.

Ik zet de drie thema’s (mythe, mysterie, mystiek) eerst als gedachtebepaling achter elkaar, maar niet nadat ik er nog even op heb gewezen dat in de fuga van de Preludium en fuga in C gr.t. uit het eerste boek van Bachs Wohltemperierte Clavier dat Joanna Rotberg zojuist speelde, de componist ook een fraai staaltje hiervan liet horen; het thema van de fuga is namelijk gebaseerd op het bekende soldatenliedje L’homme armé, waarvan bekend is dat het ook tot basis van veel missen heeft gediend. Daarom wordt wel aangenomen dat Bach door het gebruik hiervan een saluut aan de oude Franco-Vlaamse scholen heeft gebracht. Maar omdat zo’n parodie ook elders bij Bach terugkomt, is het mijns inziens ook op te vatten als een ontmoeting tussen geestelijke en wereldlijke muziek, hemel en aarde. Waarvan akte. Terug naar ons eigenlijke thema, om te beginnen de mythe.

1.1 Mythe
In het werk van Anton Ent is grote aandacht voor mythische natuurbeelden. Hij heeft er een beeld, een symbool voor gevonden, – het beeld van het hert. De verleiding ligt op de loer, daarbij meteen aan het Bijbelse hert te denken. En dat klopt deels ook wel, als je het slot leest van het gedicht ‘Vrees’ uit de bundel Binnen de wildroosters, waarop ik mij nu eerst concentreer:

Water hijg ik. Ben ik dat hert?
Waar stroomt de beek? Waar
kan ik op mijn knieën slurpen?

Ook het gedicht dat luistert naar de titel ‘Hert’ heeft een christelijke connotatie. ‘Het is’, mailde Henk van der Ent mij, ‘het laatste van een viertal dat ieder op zich een paasgedicht is, een vers met een bevrijdend slot’. Het slot van ‘Hert’ stelt het burlen van een hert naast eten van het jonge groen en besluit met:

Dat was schreeuwen en dit is genot
Ik ontken de onrust niet, iemand huilde
van vreugde en een ander schreef totdat

Waarbij het open slot, met de mooie afwisseling tussen de klinkers ‘a’, ‘e’, ‘i’, ‘o’ en ‘u’, verwijst naar Pascal en Augustinus: ‘Totdat het rust vindt in U’.
Maar bij een zinsnede als

Was hij een hert, hij zou niet vluchten
bij het zien van de dode houthakker
aan de voet van de eik

in het gedicht ‘Wandelaar’ moet ik eerder denken aan Karel Eykman én aan het verhaal van de heiden Hubertus die op Goede Vrijdag ging jagen. Dit gedicht zou je kunnen beschouwen als een tegenzang bij deze legende, – dit mythische verhaal. Hubertus kwam het mooiste hert op het spoor dat hij ooit had gezien, maar het ontsnapte hem steeds weer, wat hem niet belette door te gaan. Op een gegeven moment draaide het hert zich om en in diens gewei verscheen een afbeelding van Jezus aan het kruis. Het hert zei: ‘Hubertus waarom vervolg je mij?’ Hubertus viel ter aarde neer en vanaf dat moment volgde hij Christus na, in tegenstelling tot de Noordse Freyja bij Henk Vreekamp, over wie vele mythen bestaan; háár doop bleef een visioen. De heiden is zo bij Vreekamp geen overwonnen positie. En die eik – ja, dat is misschien een van de veertig bronzen boomstronken van Marinus Boezems land art ‘Kathedraal 1999’ die tezamen de plattegrond van de kathedraal van Reims vormen en waarover Anton Ent in het slotgedicht van de bundel, ‘Boomstronkkathedraal’, dichtte:

en eiken bespotten de veertig eenvormige
stronken van brons, geen hert zal er knielen

1.2 Mysterie
Binnen het mysterie worden als gezegd mens en natuur, hemel en aarde, dood en leven van elkaar onderscheiden. In het gedicht ‘Zomer’ – nog steeds in de bundel Binnen de wildroosters – wordt het mythische natuurbeeld van het bos een mysterie, of – zoals Anton Ent waarschijnlijk liever zou zeggen: vindt het mythische zijn tegenpool in het mysterie:

Deze vijver noem ik moeders oog
omdat iemand van omhoog
zwijgend in de spiegel kijkt

Het bos is dé plek waar het mysterie zich voltrekt:

Niet iedere seconde maar wel elke minuut
dringt hij zich aan mij op in varens
en vallende eikels, de volkomen stilte

scheurt mijn trommelvliezen in stukken
Dan zie ik een kleurrijk duivenpaartje
uitgeroeid door de kroon der schepping

Waarbij aangetekend, dat de terugkerende a-klank (aan mij op dringende varens en vallende eikels) iets melancholieks uitdrukt, en de o-klank (volkomen stilte, scheurt mijn trommelvliezen) iets zwaars. In de slotregels (een kleurrijk duivenpaartje uitgeroeid door de kroon der schepping) komen de klanken samen.
Er is zelfs een gedicht in de bundel dat ‘Mysterie’ heet:

Het geheimenis blijft een geheim
een blauwe waas boven het korenveld
de stilte voor het vallen van een speld

Het overstijgt het horen en het zien
het overtreft het weten en geloven
en overschrijdt de grenzen van misschien

Het gloedt in diepten van het kennen
en bloeit in tuinen van de ziel
die elke onzekerheid ontkennen

 1.3 Mystiek
Dit gedicht staat naast het gedicht ‘Eenwording’, wat uiteraard duidt op mystiek als datgene waarin God en mens elkaar ontmoeten:

Ik slaap met het licht, sta ermee op
en baad me daarin, eet veelkleurig
gekleed een zonnestraal als ontbijt

Het ragfijne licht daagt mij uit
Ik streel en betast het, ik voel
hoe gretig het zich aan mij opdringt

Het ademt in mij, honger en eet
dorst en drinkt, spuwt, watert en zweet

Ik laat het geworden, dat onbreekbare licht
zodat ik één word, eenvoudig en heel

  1. De gele zweep
    De vraag is nu tenslotte, of en hoe we de drieslag mythe, mysterie, mystiek terugvinden in de laatst verschenen bundel van Anton Ent: De gele zweep.

2.1 Mythe
Onbenoemd, maar o zo aanwezig, komt het mythische naar voren in het eiland Kythira. Namelijk in de twee gedichten ‘De f van lief in Amersfoort’, op de gulden snede van de bundel. In het eerste heet het:

Uw oog sprak: je bent er, je mag zijn
wie je bent, ik ben open water voor jou
scheep je in en vaar naar het eiland

Kythira is sinds de oudheid het eiland waarop een tempel stond die gewijd was aan Aphrodite, de godin van de liefde die werd geboren uit het schuim (aphros) van de zee dat later in het gedicht voor komt. In de Franse poëzie duikt het eiland op als symbool voor de amoureuze liefde. Hier is het, blijkt, méér dan dat.

2.2 Mysterie
In het tweede gedicht ‘De f van lief in Amersfoort’ valt de symboliek van de amoureuze liefde samen met het mysterie en uiteindelijk ook de mystiek.
De ik-figuur is ook op een eiland en zijn geliefde, of is het God zelf, verbergt zich als in de Psalmen:

Op dit eiland weet ik niet waar u bent
Misschien verbergt u zich in mijn verlangen
naar uw stem. Door de koude die mij bijt
hoor ik uw warmte en geborgenheid

Het water dat het eiland omringt heeft veel reminiscenties. Hoor maar:

Grijs is de zee, ze komt me keer op keer
te na, binnen de golven van de loutering
speelt ze het spel van de vereniging
en wat ik mis biedt zij genadig aan

De meeuwen die boven de pier vliegen staan symbool voor de dood en geven geen antwoord als de ik-figuur vraagt ‘Waarom?’:

De pier is wit bespat met meeuwen, traag
opvliegend als ik nader, papieren in de lucht
geen antwoord schreeuwend als ik vraag:
waarom haar naam verscheuren op de vlucht?

De vierregelige verzen gaan over in een drie- en tweeregelig vers, waarin de grens die we eerder tegenkwamen terugkeert; hier doet het ook denken aan Aphrodite die uit het schuim werd geboren:

De zee is woester aan mijn rechterhand
en draagt nu koppen schuim tot aan de horizon

De ik-figuur is bang dat God heult met Orpheus, en komt niet verder dan de grens die in veel beelden in dit gedicht aanwezig is; behalve horizon ook schemering en branding.
Er is weliswaar sprake van ‘genadig’ aanbieden, maar de genade zélf, het mysterie, blijft uit.
Het geloof blijkt een aanvechting, zoals Henk Vreekamp het soms ook kende. En toch: uiteindelijk klinkt Gods stem, boven waar de golven breken (de branding) uit, als vanuit het brandende braambos; één van de onderdelen uit de bundel De gele zweep heet niet voor niets ‘De struik die niet verteert’. Maar

nu uw stem boven de branding klinkt
sla ik verwaten uit: genade past
mij niet, dwang bent u en overlast

Verwaten is volgens Van Dale een oud-Nederlands woord voor aanmatigend, met ijdele hoogmoed.

2.3 Mystiek

Mystiek is tenslotte met name het laatste gedicht van de bundel, waarin sprake is van

Zandkorrels in het enkelvoud

Hierin resoneert heel veel mee: het middeleeuwse idee van de macrokosmos die wordt weerspiegeld in de microkosmos (de zandkorrel vertegenwoordigt het strand, – het strand is geheel in de kleine zandkorrel aanwezig) of het spinozistische besef dat een enkelvoudige modus deel uitmaakt van het oneindige en eeuwige subject dat Spinoza ‘God of Natuur’ noemt.

Waarbij moet worden aangetekend, dat je dit volgens sommige denkers overigens niet mystiek moet opvatten maar rationeel.
Je kunt je concluderend afvragen, of dit niet een keerzijde van dezelfde médaille is die je ook bij Vreekamp aantreft die zich uitte in een met Anton Ent gedeelde aandacht voor mythe, mysterie, mystiek. Of, zoals Anton Ent in zijn ‘Open velden, In memoriam Henk Vreekamp’ dichtte:

Elk woord zocht bij ons zijn tegenpool
water zand, vroeg en laat, vuur en ijs
jood en heiden, mythe en mystiek

Met ziel en zaligheid

Vandaag verschijnt een nieuw boek van Kick Bras, over de spiritualiteit van de theoloog Dietrich Bonhoeffer over wie ik hier al eerder blogde.
Minder bekend is dat Bonhoeffer ook veel van muziek hield én er veel over wist. T.g.v. het verschijnen van Bras’ boek, blog ik nu over het laatste: Bonhoeffer en muziek.

Dietrich Bonhoeffer schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog uit zijn cel in Berlijn-Tegel aan zijn vriend Eberhard Bethge en diens vrouw Renate over de muziek ‘zoals je ouders ze beleven en beoefenen.’ En die, schrijft hij, ‘bij droefheid de grondtoon van vreugde in je levend houden.’

Ik moet hierbij niet alleen denken aan een kenner van Bonhoeffer die het maar dwaas vindt dat ik me hierdoor laat leiden, tenslotte is Bonhoeffer geen musicoloog maar theoloog (het zal wat, denk ik dan), maar vooral aan een verhaal van Thomas Mann, van wiens werk ook Bonhoeffer hield: Der bajazzo. Over een ik-figuur die in het schemerlicht naar zijn moeder kijkt, die een Nocturne van Chopin inzet, langzaam, om de melancholie van elk akkoord ten volle te kunnen genieten. De piano was oud, en had geen volle klank meer, maar door het indrukken van het pedaal werden de hoge tonen versluierd, zodat ze een mat zilveren klank kregen. Zoals een barokviool kan klinken. En daar hield ook Bonhoeffer van, – van oude instrumenten en hun klank.

De ik-persoon bij Mann deed hetzelfde als ik toen ik klein was: graag van alles op de piano uitproberen. Samenklank zus, samenklank zo. Mooi, niet mooi. Alleen vond onze benedenbuurman, die tevens de huisbaas was, dat minder aangenaam. De piano werd ingeruild voor een mooi audiomeubel dat ik nog zo voor me zie en kan ruiken.hoop
Tot de grammofoonplaten die mijn ouders aanschaften, behoorde een opname van de Nocturnes van Chopin die me toen, als kind, niet zoveel zeiden. Tot ik tijdens de periode van Solidarność en Lech Wałęsa, voor 1989, op een zaterdagmorgen een stuk van Chopin op de radio hoorde, gespeeld door een Poolse pianiste. Het liet een onuitwisbare indruk na. Niet omdat het nationalistisch zou zijn, maar omdat zij de droefheid vermengde met vreugde en lardeerde met hoop op een betere toekomst. Chopins muziek was voor mij niet langer veredelde salonmuziek, maar een vorm van verzet geworden.

Voor de pianiste, wier naam ik jammer genoeg ben vergeten, was de Nocturne hetzelfde als voor mevrouw Aal, de pianodocente van dichter Karel Kramer, Chopins Fantasie in f:

het is niet moeilijk, zei ze, luister even
ik was gekomen in mijn puberteit
ik wilde alle disposities geven
mijn stuk, zei ze, mijn ziel en zaligheid.

(In: Invocatie. Sonnetten. Uitg. de Brouwerij Maassluis, 2009).

Concerto delle Donne

Concerto delle Donne heet het in 2015 opgerichte ensemble. De wortels liggen in het eerste vrouwenensemble aan het hof van Alfonso II in Ferrara. Het huidige ensemble bestaat uit vier vrouwen: Annemiek van Zeben (alt), Brigit de Klerk (mezzosopraan en blokfluiten), Sarah Haynes (violone) en Paula Quint (luit en arciliuto). Het repertoire bestaat uit muziek van vrouwelijke componisten, die in de 16e-18e eeuw ofwel zelfstandig waren ofwel verbonden aan een klooster. Die hun muziek publiceerden in eigen bundels, of in een verzamelbundel tussen bekende(re) mannelijke componisten.

Conderto delle Donne kwam onlangs met een promotie-cd, waaraan ik bovenstaande informatie ontleen. In het inlegvel worden concerten beloofd die ‘gepaard gaan met een beeldend verhaal waarmee het leven van deze bijzondere’ vrouwelijke componisten wordt geschetst. De eerstvolgende kans is op 19 februari a.s., met het programma L’amante segreto (in Theater De Coenen, Coenenstraat 4, Amsterdam, 15.00 uur).

Op genoemde, mooi opgebouwde promotie-cd staan werken van onder anderen de bekende componist Barbara Strozzi (1619-1677), waaronder twee strofen uit het beroemde Che si può fare? en minder bekende componisten als Maddalena Casulana (ca. 1544-1590), Isabella Leonarda (1620-1704) en Chiara Margarita Cozzolani (1602-ca. 1676). Voor achtergrondinformatie over laatstgenoemde vrouwen kunnen we op de website van het ensemble terecht; over Strozzi is wellicht inmiddels al zoveel bekend, dat een foto lijkt te volstaan.

Meteen al bij het eerste stuk van Casulana, dat een zekere rust ademt, valt een melancholieke grondtoon op. Dat heeft mede te maken met de keuze van de lage vrouwenstemmen en het begeleidende instrumentarium op deze cd: een flauto di voce (grote altblokfluit die een terts lager staat dan de gebruikelijke altblokfluit) en de G violone, die niet alleen erg laag kan maar ook relatief hoog en daardoor bij uitstek geschikt is als continuo instrument voor een ensemble qua samenstelling als dit. Overigens is de violone wat zacht opgenomen, zodat je oortjes op steeltjes moet hebben om het instrument goed te kunnen horen.

De uitvoeringen zijn over het algemeen aan de ingetogen, wat voorzichtige kant, met uitzondering van bijvoorbeeld het wat dramatischer gezongen duet O dolcis Jesu van Chiara Margarita Cozzolani, waarbij beide zangeressen elkaar lijken te stimuleren. Wat meer lef en ook omspelingen, zoals bijvoorbeeld in blokfluitsonate van Isabella Leonarda, is misschien nog iets dat in het verschiet ligt als het ensemble langer bestaat. Zo blijft er altijd wat te wensen – én een reden om de verrichtingen van dit ensemble te blijven volgen!

http://concerto-delle-donne.nl

 

 

Troubles of Man

George BenjaminBejun Mehta

 

 

 

 

De filosoof David Hume zocht het antwoord op de vragen over oorlog en onderdrukking, ziekte en dood, woede en wanhoop in de richting van melancholie. In die sfeer valt ook de Theologie van de droefheid die Wessel ten Boom uitdacht.[1] Ten Boom definieert droefheid als ‘de natuurlijke stemming die het mens-zijn vanwege zijn tekorten en gebreken oproept en waarmee we moeten en ook kunnen leven, mits hij niet al te overheersend wordt.’[2] De ‘gave der tranen’ (Miskotte) zorgt er volgens Ten Boom voor ‘dat ons hart zich niet verhardt of dat wij in wanhoop ontaarden’.[3] Mijns inziens ligt hierin – als je droefheid als een vorm van verzet beschouwt – een opdracht om wanhoop ten goede te keren, of zoals Shakespeare een oude man laat zeggen: God’s benison go with you and with those / that would make good of bad and friends of foes (Macbeth, 2e akte 4e scène).

Ik moest aan Hume, Ten Boom én Shakespeare denken, toen ik het eerste werk op de recente zevende CD in de serie Horizon van het Koninklijk Concertgebouworkest opzette: Dream of the Song van George Benjamin (zie linker foto). Met name het tweede deel, The multiple troubles of Man:

The multiple troubles of man,
my brother, like slander and pain,
amaze you? Consider the heart
which holds them all
in strangeness, and doesn’t break.

Het is een tekst van Samuel HaNagid, een joodse dichter uit het Granada van de elfde eeuw. De orkestbegeleiding begint en eindigt met een fraaie hobosolo. ‘De muziek beweegt zich tussen kalm en geagiteerd’, schrijft Floris Don in het begeleidende boekje. Joep Stapel gebruikte in zijn recensie voor NRC Handelsblad het woord ‘weemoed’.
De in totaal zes liederen worden geweldig uitgevoerd door countertenor Bejun Mehta (zie rechter foto), het Nederlands Kamerkoor en het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van de componist.

Op deze CD staan voorts: Era van Magnus Lindberg, een werk met de allure van Sibelius, fuoco e fumo van de Nederlandse componist Richard Rijnvos, dat de brand van La Fenice in Venetië (1996) verklankt, en het aansprekende The Wolf, een contrabasconcert van Tan Dun met Dominic Seldis als solist.
Een prachtige CD, mooi opgenomen en vergezeld van een informatief boekje in het Nederlands, Frans, Duits en Engels. Als u abonnee wordt van de mooie Horizon-serie voor het seizoen 2016-’17 krijgt u de CD. Van harte aanbevolen!

[1] Wessel ten Boom, ‘Een pleidooi voor droefheid’, Ophef (nr. 4 2015) 45-53.
[2] Id., 45. Nadrukkelijker moet worden benadrukt dat melancholie ook een psychopathologische ziekte is.
[3] Id., 47.

Verhaal in het verhaal

Redon_Prince of Dreams

Odilon Redon: Prince of Dreams | Escape into Life

‘Je hebt twee soorten boeken’, schrijft Heere Heeresma in zijn verhaal Schrijver: ‘boeken en goede boeken. Boeken bevatten een verhaal en goede boeken tevens het verhaal in het verhaal’. Hij bedoelt dat van de taal. Maar er is wellicht nog een derde verhaal: dat van de intertekstualiteit, de verwijzing naar een ander verhaal, een extra laag. En soms ook naar een beeld dat eenzelfde verhaal vertelt.

Het verhaal van Heeresma is opgenomen in A.L. Snijders’ keuze Korte verhalen (Stichting CPNB, 2015). Het goede verhaal dat ik bedoel ook: Waterlelies en sterren van Gied Jaspars (1939-1996).

 

De ik-figuur vaart in zijn roeibootje op het Gein. Het bootje heet Nescio (= ik weet niet). Hij roeit richting een oude kastanjeboom, langs de knotwilgen, witte waterlelies en een pikzwart kuikentje van een waterhoentje.
Hij denkt terug aan de tijd toen hij een jongetje van negen was. Stiekem stapt hij uit bed en pakt een boek uit de kast op de overloop: een dichtbundel, waarin De waterlelie van Frederik van Eeden staat. Hij barst in huilen uit.

Terwijl hij onder een kastanjeboom in zijn bootje zit, doet het wateroppervlak met de geelgouden harten van de waterlelies hem denken aan stralende sterren. Boven hem is het donker, en beneden hem ook. De witte waterlelie wijst de weg naar het einde van de rivier, als was het een donkere tunnel. En hij weet dat, als hij aan het eind is aangekomen, hij daar rust zal vinden en niets meer te wensen heeft.

Het zijn de beelden, het is de taal die doet denken aan de ‘Sehnsucht, melancholie en doodsverlangen’ (om de ondertitel van een culturele manifestatie uit 2009 aan te halen) van Shakespeares Ophelia, de tragische geliefde van Hamlet. Het ultieme canonische aan haar is, dat je zelf invulling aan haar levensverhaal kunt geven, net als aan het verhaal van Jaspars.
Volgens dichteres Maria Barnas is het in het water vallen van Ophelia een geboorte (gedicht De baadster). Een wilg (Willows, willows …) komt er, zoals bij Jaspars of op het schilderij van Redon (zie afb.), niet in voor. Volgens Eve Hopkins, ook tijdens de manifestatie in 2009 in Arnhem, is Ophelia niet hysterisch, maar intelligent. Haar gezang komt niet uit waanzin voort, maar is als het ware als ‘zingen tegen het donker’ (Sytze de Vries). Het donker van de tunnel.

Youth – La giovinezza

Youth_SorrentinoRegisseur Paolo Sorrentino vertelde in een interview over zijn succesvolle film La grande bellazza dat deze eigenlijk over alles en over niets gaat. Dat geldt min of meer ook voor zijn nieuwste film, die 29 oktober a.s. in roulatie gaat, maar die leden van de Rialto Filmclub vandaag al kregen te zien; een prachtige start van het vijfde seizoen. Dat geef ik op voorhand maar meteen weg.

Het verhaal op zich is eenvoudig: in een ressort in Zwitserland brengen componist/dirigent Fred Ballinger (Michael Caine) en diens vriend filmmaker Mick Boyle (Harvey Keitel), zo weggelopen uit De Toverberg van Thomas Mann, hun vakantie door.

Fred weigert om een bepaalde reden, die gaandeweg de film duidelijk wordt, voor de Britse koningin op te treden met eigen werk. Zelfs niet wanneer de Koreaanse coloratuursopraan Sumi Jo de solopartij zingt. Mick werkt gestaag door aan zijn nieuwste film, die de kroon op zijn werk moet worden. Al baart het slot ervan hem moeite; zijn medewerkers verzinnen telkens een andere plot, maar die kunnen de goedkeuring van de meester niet wegdragen. Het uiteindelijke slot blijft open en krijgt in het ware leven een andere wending, die net als de verwijzing naar Mann ook in dit geval herinneringen oproept aan een film – ik hou de titel wijsheidshalve voor me – die eerder in de filmclub werd vertoond. Samen bomen de vrienden over hun leven, hun werk en de kunst in het algemeen.

De diepere laag die in de film wordt aangeboord, gaat over de rol van kunst in leven en sterven. En impliciet over de vraag welke kunstvorm dan de hoogste ogen gooit: is dat woordloze muziek, zoals een eenvoudig liedje als oefening, gespeeld door een jonge violist in het ressort die nog een aanwijzing van Ballinger krijgt, of een Lied ohne Worte gespeeld door niemand minder dan violiste Viktoria Mullova, of is dat bijvoorbeeld dans?
Niet voor niets doen de twee vrienden een weddenschap over de reden van de zwijgzaamheid van een echtpaar in het restaurant van het ressort: zijn ze nu stom of hebben ze elkaar, behalve in bed, niets meer te zeggen en te bieden?
Uiteindelijk lijkt de liefde het laatste woord te hebben, en wordt het met bloemen gezegd. Liefde overwint de dood, die op verschillende manieren het script binnensluipt. En ervoor zorgt dat de kunst blijft voorleven, over de dood heen zelfs weer opbloeit.

Dit script, dit diepere verhaal is op een voor Sorrentino kenmerkende manier vormgegeven, zoals Veerle Snijders ter inleiding van de Rialto Filmclub toonde: in een haast glijdende cameravoering, met een melancholie die in de gezichtsuitdrukkingen tot uiting komt. Dat geldt met name voor beide hoofdrolspelers, waarbij Michael Caine (voor een keer?) de plaats heeft ingenomen van Toni Servillo die we uit eerdere films van Sorrentino kennen. Deze film is een prachtige, sterke opvolger van La grande bellazza.

Woensdag 28 oktober wordt om 20.00 uur in [email protected] plaats ingeruimd voor deze film: http://www.rialtofilm.nl/podium/[email protected]:%20youth%20-%20la%20giovinezza/