Een negatieve spiegel

Met een variant op ‘Geen dag zonder Bach’ kan ik zeggen: geen jaar zonder ISVW. Elk jaar wil ik op z’n minst een cursusdag of -weekend, of liever nog een hele week doorbrengen op de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Dit jaar lukt(e) dat niet, maar de keus voor volgend jaar is groot.

In 2008 was dat in mijn geheugen anders. Er was weinig dat me interesseerde en de keus viel uiteindelijk op een cursus over de wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend (1924-1994). Je zou hem tot de ‘foute denkers’ kunnen reken waarover historicus Anton Heumakers onlangs een boek schreef: Langs de afgrond. Het nut van foute denkers (Uitgeverij Boom). Of Feyerabend daarin voor komt weet ik overigens niet 1), maar het gaat me meer om de houding die Heumakers aanneemt en die hij zelf ‘kritische empathie’ noemt. Hij vindt het een groot goed als je open kunt staan voor wat foute denkers te zeggen hebben. Volgens hem kunnen foute denkers een kijkje gunnen op onze blinde vlekken. ‘Je kunt’, zegt hij in een interview met Alexandra van Ditmars (in: Trouw, 7 november 2020) ‘ze gebruiken als negatieve spiegel, om het tekort in onze zelfkritiek te corrigeren’.

Ik heb mijn aantekeningen van die ISVW-cursus in 2008 erbij gepakt om de proef op de som te nemen, want in Feyerabends autobiografie Tijdverspilling (uitg. Lemniscaat) vind ik weinig tot geen potloodstreepjes van mijn kant in de kantlijn. Met uitzondering van deze, over zijn oorlogsverleden (hij vocht aan het Oostfront):

Waarom deed ik die dingen? (…). Ik neem aan dat het mijn neiging was (die ik nog steeds heb) om een nare kwestie tegen het licht te houden en dat vervolgens tot in het extreme door te drukken (p. 62).

Bij een van de colleges – ik vermoed van Rein Gerritsen, de vertaler van genoemd boek – tekende ik aan, dat ‘Feyerabend aan het begin van zijn biografie nazisme en antisemitisme als kwaad om het kwaad in het midden laat. Later’, noteerde ik, ‘neemt hij een duidelijk standpunt in en verschoont zichzelf niet, zoals Heidegger’. Waarna ik de titel van een mooi boek van de theologe Dorothee Sölle noteerde: Het recht om een ander te worden (uitg. Ten Have).

Een van de blinde vlekken die Feyerabend benoemde, is die van de zogenaamde waardenvrije wetenschap. In zijn boek Against Method (1975, Ned. vert. Tegen de methode) liet hij zien ‘dat wetenschap verdacht veel lijkt op ideologie’, zoals een andere docent tijdens de ISVW-cursus, Herman de Regt, het noemde in een interview met Tim Houwen over Feyerabend (in: Trouw, 25 juni 2008). Ik citeer uit mijn dictaat: ‘Feyerabend trekt ten strijde tegen het idee dat de kennis die serieus wordt genomen, alleen uit de wetenschap moet komen. Er is ook poëzie en kunst die een blik op de wereld geven. Dat is geen objectief wereldbeeld’, zei De Regt, ‘maar ze moeten wel serieus worden genomen. Er zijn nu eenmaal dingen in de werkelijkheid die je niet rationeel kunt verklaren via “een” wetenschappelijke methode (inductie, deductie, experimenten) en die je aan alles en iedereen mag opleggen’.

Nog zo’n zin van Feyerabend zelf dit keer: ‘Mijn voornaamste motief voor het schrijven van dit boek was van humanitaire en niet van intellectuele aard’ (p. 48). Dit doet mij denken aan wat De Regt vertelde over Feyerabends stellingname ten aanzien van het Appello per la filosofia, een Italiaans pamflet uit 1992. In Conquest of Abundance schrijft de filosoof, dat in dit pamflet wel over filosofie wordt gesproken, maar niet over de échte problemen in de wereld: oorlog, geweld, honger, ziekte, ecologie. Wie kan het niet met hem eens zijn?

Natuurlijk: Feyerabend ging over de schreef, en niet zo zuinig ook, maar ik denk dat hij het extreme van zijn denken en doen inzag en uiteindelijk probeerde te beteugelen door in poëzie, kunst en ook religie te zoeken naar waarheid. Naar wat het extreme, het extremisme uitbant. Naar wat ons kan behoeden voor heersen, overheersen, voor macht en destructie.
Feyerabend is het die de negatieve spiegel uiteindelijk ten goede omkeerde. Dat is wat ik tijdens de cursus over hem meen te hebben geleerd: het kwade ten goede keren.

1) De hoofddenkers die Heumakers behandelt, zijn de contraverlichtingsdenkers Maurice Barrès, Edouard Drumont, Georges Sorel, Ernst Jünger, Carl Schmitt, Maurice Blanchot, E.M. Cioran, Renaud Camus en Jean Raspail.

Pieter Hoexum – Thuis

Thuis : filosofische verkenningen van het alledaagse / Pieter Hoexum. – Amsterdam : Uitgeverij Augustus, [2019]. – 223 pagina’s ; 20 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-450-3928-2

De auteur, van origine filosoof en bekend geworden door zijn Kleine filosofie van het rijtjeshuis (2014), verbleef vier keer gedurende een maand in het Roland Holsthuis in Bergen. Hij onderzocht daar wat ‘ergens thuis geraken’ betekent: van logé tot bewoner. Hij deed dit at random aan de hand van zowel concrete zaken in het voormalige woonhuis van de dichter (sleutel, deur, trap) als dingen uit de omgeving (uitzicht, onderweg-zijn). Het huis wordt beschreven als een tent die de bewoners niet alleen
beschermt, maar ook een oer-behoefte is. Hoexum ondersteunt zijn bewering met veel
verwijzingen naar literatuur, waaronder werk van Montaigne, Heidegger en Wittgenstein. Ondanks de vele referenties houdt Hoexum het bij het alledaagse en daardoor klein. Dat is goed, want anders liggen al gauw collectieve sentimenten op de loer en krijgt het begrip ‘thuis’ voor je het weet zomaar nationalistische trekken. Een origineel boek dat alledaagse zaken verkent en dus voor iedere lezer herkenbaar is. Met een bronnenoverzicht.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Mooi, mooier, mooist

In de Smidskapel van de Amsterdamse Oude Kerk zitten twee oude schalkbeeldjes onder de kap die nog helemaal intact zijn. Het zijn twee vrouwen met een hoge rug, de handen op schoot, schijnbaar om niet helemaal in elkaar te zakken. Boven de beeldjes zit een overhuiving, waar de rug niet tegenaan komt, zoals we van Italiaanse preekstoelen kennen, waar de hyper-kyfose van soortgelijke mansfiguren dragend is voor de kuip.

Er zijn wel symbolische verklaringen voor zulke beeldjes gegeven – bijvoorbeeld in het verlengde van een liedtekst van Tom Naastepad:

            …

            en Hij zal zijn schouders bukken

            onder wet en tijd.

Of als symbool van de overwinning van het kwade, van ziekte en gebrek. Toch scharen veel kunsthistorici dergelijke beeldjes nu onder de vrijheden die middeleeuwse kunstenaars zich veroorloofden en laten de symboliek voor wat het is.

Toch zou het kind hiermee wel eens met het badwater kunnen zijn weggegooid. In zijn boek Kritik der zynischen Vernunft (1983) rehabiliteert de filosoof Peter Sloterdijk een denkwijze die hij ‘kynisme’ noemt. Dat is een vrijmoedige, volkse en groteske vorm van kritiek in de voetsporen van Diogenes. Met name in de middeleeuwen op de rand van de renaissance leefde deze manier van denken op. De bolle fratskoppen van de beeldjes in Amsterdam en Italië staan in deze traditie. Maar misschien meer dan alleen die koppen.

Misschien ook het schilderij Minerva (ca. 1630) uit de omgeving van van Rembrandt, dat momenteel is te zien op de tentoonstelling Rembrandt en het Mauritshuis (31 januari – 15 september 2019, zie afb.). Het is achtereenvolgens toegeschreven aan Willem de Poorter, Gerard Dou en Hendrik Gerritsz. Pot. Die vreemd gevormde schouder roept hoofdbrekens op: een onhandigheid van de schilder, een misvormde schouder van Minerva, die ik in de literatuur echter niet ben tegengekomen. Maar wie weet wat voor symboliek erachter zit … In ieder geval zou Aart van der Leeuw het ‘misschien contrefait noemen’ (in: De kleine Rudolf).

Aandacht daarvoor past in ieder geval, wat het ook oplevert, in onze tijd waarin sprake is van wat wel ‘body history’ wordt genoemd, waarbij er interesse is voor die perioden in de geschiedenis (bijvoorbeeld de middeleeuwen van de schalkbeeldjes en de barok van Rembrandt en omgeving) waarin het lichaam even belangrijk was als het verstand.

Sloterdijk stelt het activisme van de moderniteit onder kritiek: snel-sneller-snelst. In zijn lijn doorgeredeneerd, kan degene en datgene dat níet zo snel gaat zijn plaats opeisen, al dan niet gesteund door een sterke patiëntenvereniging. Sloterdijk beroept zich op het begrip ‘Gelassenheit’ van Heidegger. Van de ‘Kehre’ bij Heidegger en de ‘juiste beweeglijkheid’ bij Sloterdijk gaat een rust uit – een zich naar eigen vermogen kunnen én zonder kritiek mogen voortbewegen in een overbeweeglijke tijd.

Het is een attitude die ik ook bij het kijken naar de beeldjes en naar het aan Rembrandt toegeschreven schilderij voel. Wat zich onder kritiek laat stellen, is de houding die mismaakte mensen uitsluit. Snel, -sneller, snelst, mooi, mooier, mooist. Wat heet; zelfs een godin als Minerva is althans op dit schilderij niet moeders mooiste! Dat geeft te denken.

Deels gebaseerd op een in de lente van 2005 verschenen column in Wervelingen.

https://www.mauritshuis.nl/nl-nl/ontdek/tentoonstellingen/rembrandt-en-het-mauritshuis/

Excellent!

Al eerder heb ik me hierover uitgelaten: ik ben een bewonderaar van dirigent Daniele Gatti. Afgelopen week bleek maar weer eens waarom. Het was tijdens het lunchpauzeconcert op woensdag, in het Amsterdamse Concertgebouw. Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde er onder zijn leiding enkele delen uit Mahlers Eerste Symfonie. Deze was gisteren op de vroege avond op NPO Cultura ook te horen, gespeeld door hetzelfde orkest maar onder een andere dirigent: Daniel Harding.
Woensdag ging het eigenlijk om een openbare repetitie, maar alles werd zonder onderbreking achter elkaar doorgespeeld. Met slechts één woord van Gatti als commentaar: ‘Excellent!’ En terecht, want dat was het ook.

De vergelijking met Harding is interessant. Onder diens leiding klonk de symfonie als uit één doorgaande beweging met vloeiende overgangen. Engels sophisticated zou ik bijna willen zeggen. Gatti pakte het – op één overeenkomst: het Vader Jacob-thema werd niet door solo-contrabas maar door de hele bassectie gespeeld – heel anders aan: de verschillende stemmingen gingen niet in elkaar over, maar bleven dialectisch naast elkaar staan. Met mooie, veelzeggende rusten ertussen en prachtig verstilde pianissimo-passages waarin het geheim van de symfonie als het ware voelbaar werd maar waarin de dialectiek niet werd opgelost.
Ik ben benieuwd of dit ook geld voor Bruckners Negende symfonie, die morgenmiddag in het Zondagmiddagconcert op NPO Radio4 valt te beluisteren. Een opname van 7 januari jl. De Eerste van Mahler komt in mei op de lessenaars terug: op 11 mei a.s..

In ieder geval deed Gatti’s opvatting van Mahler mij denken aan de filosofie van Albert Camus.[1] Maurice Weyembergh schrijft in zijn boek Camus. De filosoof en de romancier dat Camus de werkelijkheid ziet, waar Plato en Sartre ‘uiteindelijk maar de helft van de dingen, de een de schoonheid, de ander het walgelijke’ zien. Camus is, schrijft hij, ‘niet blind voor het dubbele karakter.’ Hij kan niet om de ‘spanning’ van de twee tegenovergestelde polen heen. Hij wilde, schrijft Weyembergh, ‘nooit ontrouw zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’ Hij vond het ‘zinloos de spanningen te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Dialectiek zonder synthese inderdaad, als bij Gatti.
En toch is er sprake van wat Levinas het ‘heilige dat doorfiltert in de wereld’. Dat heeft hij van Heidegger, ‘die de dingen in hun wezen wilde laten en open wil blijven staan voor het mysterie’, gelijk Mahler. Gatti heeft dit hoorbaar gemaakt. En hoe.

 

[1] Op 1 februari a.s. begint bij de Volksuniversiteit Amsterdam een cursus o.d.t. Amor fati: liefde voor het lot die gegeven wordt door Dries Boele. In deze cursus in de vorm van een workshop zal Camus ook aan de orde komen: http://www.volksuniversiteitamsterdam.nl/cursussen.php?parent_id=4267&child_id=4384&course_id=10035

Het groene mos, het groene glas

N.a.v. een bezoek aan landgoed Voorlinden in Wassenaar en het lezen van de roman Het groene glas van Torgny Lindgren.

Als we de Zweedse schrijver Torgny Lindgren mogen geloven, lag in een bast als op de foto links, in het mos, en in een groen glas dat op een boomstronk was achtergelaten de basis voor zijn hoofdpersonage, de kunstenaar Klingsor in wording.
Ik kan het me helemaal voorstellen: ‘het pad naar de nuchtere roes van de kunst.’ De kleur doet denken aan wat voor Klingsor de kleur der kleuren was: caput mortuum, bruin-achtig grauw. Een kleur van een schoonheid die buiten ons bereik ligt.

Klingsor zoekt naar het innerlijk leven dat in alledaagse voorwerpen verborgen zit, zoals in een Morandi die in de vaste collectie van Museum Voorlinden zit. Of van een Jan Mankes. Zelf denkt Klingsor aan Cézannes Stilleven met appels en fruitschalen dat hij eens in een museum in Stockholm zag. In ieder geval gaat het om kunst die ‘overal doorheen kijkt, een kunst zonder buitenkant.’

De wereld is volgens Klingsor louter kunst. En wanneer hij een kapotte soepterrine schildert – wat mij weer aan Dick Ket doet denken -, die in de oorlog door een bominslag aan diggelen was geslagen, dan schildert hij haar heel. Hij heelde haar met andere woorden door zijn kunst, en reikte net als de filosoof Heidegger naar het zijn, sterker nog: naar het wezen van het zijn, de binnenkant.

Het lijkt of in zijn stillevens het stoffelijke en het eeuwige met elkaar zijn verenigd, verzoend. Lindgren heeft het op magistrale, haast magisch realistische wijze verwoord. En in die verwoording komt het werk van Klingsor tot leven.

Torgny Lindgren – Het groene glas. Uit het Zweeds vert. door Lia van Strien. Uitg. De Geus, 2016.

Foto boom op landgoed Voorlinden: Ati de Zeeuw.

De wilde jaren

van-aken_de-wilde-jarenIn ‘mijn’ bibliotheekfiliaal staat een zogenaamde Weggeefkast. Af en toe neem ik er wel eens een boek uit mee, en een enkele keer zet ik er ook wel eens wat in terug.
Onlangs viel mijn oog op een oude ABC-pocket: De wilde jaren van de Vlaamse schrijver Piet Van Aken. Nu ben ik sinds een verregende vakantie, jaren geleden in Brugge waarin ik wat boeken van Vlaamse auteurs kocht, verslingerd geraakt aan Vlaamse literatuur. Dus ik keek niet verder dan de achterflap en dacht: ‘Pak, ik heb je!’
Een gegeven paard mag je niet in de bek kijken, maar hier ligt het toch een beetje anders: moet ik degene die het boekje hier achterliet nu dankbaar zijn of juist niet? That ’s the question.

De eerste zin van het boek gaf me meteen al een klap in het gezicht: ‘De Jood hoorde de woorden maar scheen ze niet te begrijpen.’ Het gaat om een juwelier (zou het boek in Antwerpen spelen?) die wordt beroofd. Het ene sjabloon buitelt over het andere: de man gebaart druk, is vast gekoppeld aan zijn vrouw (‘zij koppelen als konijnen’, wat me overigens een contaminatie lijkt), joden zijn lijdzaam, ‘het is geen zonde een mozes koud te maken, niet voor een goed gelovige’ en ga zo maar door.

Af en toe schemert er ook een ander wereldbeeld door: bij de ik-figuur hadden twee joodse kinderen, Yudi en Rebecca, ondergedoken gezeten, die echter door de oorlog (!) werden weggehaald. ‘Nadien werd nooit meer over hen gesproken.’ Ook de moeder van de hoofdpersoon, Bennie, ‘was door de Duitsers weggevoerd.’

Ik ga zo twijfelen aan de bedoelingen van Van Akens personages en aan die van de schrijver zelf, die ik alleen van naam kende en van wie ik zover als ik me herinner nooit eerder iets las, al hoort hij volgens de achterflap van deze uit 1963 daterende pocket (zie foto) al dan niet terecht thuis in het rijtje ‘van de werkelijk belangrijke Vlaamse romanschrijvers als Elsschot, Walschap, Gijsen, Boon en Claus.’

Een raadgeving van Arjen Fortuin, één van de docenten tijdens een Masterclass Recenseren afgelopen herfst in Utrecht indachtig, ga ik nog niet op zoek naar informatie over de schrijver en/of deze titel.
Eerst nog maar even verder lezen. Over een ‘enggeestig dorp’, sigaretten van eigen bodem en de vader van Bennie die in zijn leven slechts één boek had gekocht: ‘Over de gruwelen in concentratiekampen.’ Maar dat was volgens zijn zoon loutere een uiting van ‘perverse wellust van de masochist.’

Hier is een schrijver aan het werk geweest die zijn personages aan de ene kant anti-joodse ideeën in de mond legt, en aan de andere kant ze daar ook weer aan laat twijfelen.
Op internet is niet al teveel over Van Aken te vinden. Ik lees dat hij gedurende de Tweede Wereldoorlog publiceerde in Westland, ‘een tijdschrift opgericht door de bezetter, dat ook antisemitische teksten publiceerde naast relazen van het Oostfront.’[1]
In het boek over Nederlandstalige letterkunde dat wij op de middelbare school gebruikten, Schets van de Nederlandse letterkunde van De Vooys en Stuiveling, valt daar niets over te vinden. Wel over het feit dat in Van Akens werk ‘landschap en volksaard belangrijke factoren zijn’ en er sprake is van ‘moeilijkheden van nieuwe aanpassing in het na-oorlogse België.’

Een andere docent bij de Masterclass Recenseren, Jaap Goedegebuure indachtig, sluit ik deze blog af met een essayistisch stukje; volgens hem moet een recensie een klein essay zijn. Daarbij is de context van het moment waarop ik deze pocket las onontbeerlijk. Op hetzelfde moment is namelijk in de pers commotie over het oorlogsverleden van de Duitse filosoof Martin Heidegger. In zijn geval is misschien het ergste dat hij zijn lovende woorden over Hitler en zijn kwade woorden over joden nooit heeft teruggenomen.
Over Van Aken, wiens personages overkomen als twijfelaars die misschien ooit hun wilde jaren achter zich laten, zal ik geen oordeel vellen. Wel ben ik degene die het boekje van hem in de Weggeefkast van mijn bibliotheek zette uiteindelijk, na ook wat getwijfel, dankbaar; het zette aan het denken. En dat is wat literatuur kan doen.

[1] De levensschets van Van Aken zelf die Ed Popelier citeerde (in de reeks literaire monografieën onder de titel Ontmoetingen, 1972) springt van de middelbare school direct over naar de tijd na de Tweede Wereldoorlog. In de beschrijving van de roman gaat Popelier ook geenszins in op de anti-joodse elementen erin. Hij gaat wel in op de al dan niet vermeende fascistische tendensen in Van Akens De verraders.

Roaring nineties

Loontjens_Roaring twentiesRoaring nineties ; of hoe de filosofie mijn leven heeft veranderd / Jannah Loontjens. – Amsterdam : Ambo Anthos, 2016. – 192 pagina’s ; 17 cm ISBN 9789026327872

Schrijfster en filosofe Jannah Loontjens (1974) neemt een jaar aan de New School for Social Research in New York tot uitgangspunt om zichzelf en de tijd voor 9/11 aan een onderzoek te onderwerpen. Ze volgt onder meer colleges bij Jacques Derrida en het valt haar op dat hij daarin niets tot recente gebeurtenissen herleidt en tegelijk een open blik heeft voor andere inzichten dan de zijne. De auteur probeert een nieuwe identiteit uit, zoals ze dat al eerder als kind in een krakerspand in Den Haag deed. Ze is vertrouwd met Heideggers beeldspraak over bos en bron, omdat ze in de bossen van Zweden heeft gewoond, en studeert op hem af. Na het verschijnen van diens ‘Schwarze Hefte’ kan ze zijn werk echter niet meer onbevangen lezen. Deze en andere filosofen komen in verschillende hoofdstukken voor, wat het boek enerzijds iets caleidoscopisch geeft en anderzijds de verschillende invloed van deze filosofen benadrukt. Zonder dat helemaal duidelijk wordt hoe de filosofen uiteindelijk haar leven en kijk daarop veranderden. Een boek dat als autobiografie meer te zeggen heeft dan door de filosofische inzichten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Avontuur

Agamben_AvontuurAvontuur / Giorgio Agamben ; vertaling [uit het Italiaans] Willy Hemelrijk. – Amsterdam : Sjibbolet, 2016. – 63 pagina’s ; 19 cm. – Vertaling van: L’avventura. – Roma : Nottetempo srl, © 2015. – Op omslag: Sjibbolet Filosofie. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-911102-7-6

De filosoof Agamben beschrijft vier godheden die de laat-Romeinse filosoof Macrobius al onderscheidde: de demon, het lot, de liefde en de noodzaak. Agamben voegt daar, gelijk Goethe, als een ethisch en religieus commentaar er één aan toe: de hoop. De titel van het boekje duidt op indrukwekkende ervaringen die ontmoetingen met de godheden oproepen en ons bestaan vormgeven. Agamben gaat terug tot etymologische achtergronden van het woord en voert de lezer van middeleeuwse poëzie en Dante onder meer naar de socioloog Georg Simmel. Deze weg is kenmerkend voor de in 1942 geboren Agamben, die studeerde bij Heidegger, afstudeerde op het werk van Simone Weil, belangstelling heeft voor literatuur en film en een sterk historisch bewustzijn heeft. Zijn doel is het leggen van verbanden tussen de vier genoemde begrippen. De manier waarop hij dit doet, vraagt van de lezer enige inspanning en voorkennis. De lezer zoekt echter tevergeefs verbindingen met de actualiteit, zoals we die wel in ander werk van de auteur vinden.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

David, Saul en Orpheus

Zang der vocalenHet beeld Zang der vocalen van de in Litouwen geboren Chaim Jacob Lipchitz (1891-1973, beeldentuin Kröller-Müller Museum, Otterlo, zie afb.) staat voor mij symbool voor leven en werk van Emmanuel Levinas (1906-1995), die zoekt naar “de symfonie waarin alle zinnen beginnen te zingen, het hoogste lied van alle liederen”.
Lipchitz beeldt een Hebreeuwse letter uit in de vorm van een harp. Een harp die een eenheid vormt met het lichaam van de bespeler; de muziek die uit de snaren komt resoneert, nee – om een term van Levinas te gebruiken – incarneert in dat lichaam. Het is muziek als uit een Ur der Chaldeeën die (weer)klinkt. Als een oer-zang, die je als archeoloog – ook weer zo’n woord dat Levinas bezigt – zou willen bovenhalen. Het is een (ver)beeld(ing) die teruggaat naar zowel Tenach als de Griekse mythen. Naar David en Saul en naar Orpheus. Lipchitz drukt, gelijk Levinas, zijn verwantschap met beide uit. De beeldhouwer maakte het bronzen beeld aan de vooravond van de donkere jaren die ook een schaduw werpen op het leven van Levinas. Toch slagen beiden erin geschiedenis te zien als een geschieden van het Woord, een tot leven gekomen letter van de Torah. Bij Levinas was het w/Woord er vanaf het begin, in den beginne: zijn vader was boekhandelaar. Muziek kwam daarna; zijn vrouw Raissa Levi (ook wel gespeld als Raïssa Lévi) was pianiste, hun zoon Michael componist en pianist. Levinas’ denken toont echter ook, gelijk het latere werk van Lipchitz, een worsteling met de betekenis van kunst en cultuur. Laten we bekijken hoe zijn leven verloopt.

Eerste indrukken: Litouwen en Oekraïne
Emmanuel Levinas wordt op 12 januari 1906 geboren in Kovno (Kaunas) in Litouwen, het meest Russisch aandoende land van de drie Baltische staten. Hij groeit op in een gezin van mitnagdiem. Levinas leert Hebreeuws (zonder Talmoed), leest Tenach en de grote Russische negentiende eeuwse literatuur, met name Poesjkin en Dostojewsky. Daarbij was in het tweede geval “zijn inzet”, aldus zijn biografe, “speculatief, ontologisch en antropologisch”. Dit blijkt later uit de manier waarop hij zijn motto’s boven de hoofdstukken van Humanisme de l’autre homme kiest en kneedt.
In 1915 wordt Kovno door de Duitsers bezet. Het gezin vlucht naar Charkov (Oekraïne). In Charkov maakt de familie de Russische revolutie (1917) mee. Levinas is erdoor gefascineerd en betreurt de terugkeer naar Kovno (1920).

Studiejaren en Tweede Wereldoorlog
In 1923 gaat Emmanuel naar Frankrijk om in Straatsburg filosofie te studeren. Hier maakt hij kennis met de fenomenologie van Edmund Husserl (1859-1938).
In 1928 trekt hij naar Freiburg am Breisgau om aan de voeten van Husserl zelf te zitten. Hij volgt er ook colleges bij diens oud-student en opvolger Martin Heidegger (1889-1976), de auteur van Sein und Zeit. Wezenlijke begrippen die hij eruit oppikt zijn: ‘zijn’, ‘geschieden’ en ‘tijd’, die hij beschouwt in relatie tot de a/Ander.
In 1930 promoveert Levinas bij Jean Wahl (1888-1974) aan de Sorbonne op La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl.
In 1939 kwam de inmiddels tot Fransman genaturaliseerde Levinas gedurende vier jaar als krijgsgevangen Fransman niet in een concentratiekamp maar in Duits gevangenschap terecht (Stalag IIB, Fallingbostel). Zijn Litouwse ouders, twee jongere broers en schoonouders worden vermoord. Deze ervaring legt de basis voor zijn kritische vragen met betrekking tot het westerse denken.

Jaren als hoogleraar
Vanaf 1961, het jaar waarin zijn eerste grote boek verschijnt (Totalité et Infini. Essai sur l’extériorité), tot 1976 is Levinas werkzaam als hoogleraar. In Poitiers en Parijs (Nanterre en vanaf 1973 aan de Sorbonne). Pal voor zijn emeritaat komt zijn tweede grote publicatie uit: Autrement qu’être ou au-delà de l’essence. Hierin neemt hij afscheid van het denken van zijn leermeester Heidegger.
In 1954 (volgens Lescourret) of 1948 (volgens Duyndam en Poorthuis) wordt Levinas directeur van de École Normale Israélite. Vanaf dit moment verdiept hij zich in de Talmoed.
Levinas overlijdt op eerste kerstdag, 25 december 1995 in Parijs. Jacques Derrida (1930-2004) spreekt tijdens de begrafenis de rede Adieu uit waarin “wij de ander voorbij het zijn begroeten”. Derrida is gaandeweg steeds meer tot de ontdekking gekomen, dat zijn denken door Levinas is beïnvloed; het essay De l’hospitalité (1977, in het Nederlands vertaald onder de titel Over gastvrijheid, 1998) getuigt daarvan.

Gedeelte uit mijn BA-scriptie over Emmanuel Levinas, dat ik hier plaats t.g.v. het feit dat Kovno (Kaunas, Lithouwen) een park krijgt dat naar hem wordt genoemd. In Kovno is al een straat naar hem genoemd, en aan zijn geboortehuis is een gedenksteen aangebracht.

Over het beeld zelf schreef ik in het kader van de verhalenestafette van het Kröller-Müller Museum: https://www.facebook.com/KrollerMuller/photos/pb.113989875348657.-2207520000.1542014047./1978319852248974/?type=3&theater

Willen

Arendt_WillenWillen : het leven van de geest / Hannah Arendt ; vertaald [uit het Engels] door Dirk De Schutter en Remi Peeters. – Zoetermeer : Klement, [2014]. – 299 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: Willing. – New York : Harcourt Brace Jovanovich, 1978. – (The life of the mind ; volume 2). – Met literatuuropgave, register. ISBN 978-90-868714-2-1

Tweede deel van Arendts trilogie Het leven van de geest: ‘Denken’, ‘Willen’ en ‘Oordelen’. In dit los te lezen deel valt de aandacht op de (vrije) wil, één van de grote thema’s uit de filosofie en politicologie tot op de dag van vandaag. De Duitse filosofe Hannah Arendt (1906-1975) volgt het denken hierover vanaf Epictetus en Paulus’ Brief aan de Romeinen, tot en met Heidegger en Nietzsche. Zelf spreekt zij een voorkeur uit voor de positie van Augustinus: niet ‘ik-wil’ maar: ‘ik-kan-en-ik-doe’, een actieve stellingname met andere woorden. Bovendien verbonden Paulus en Augustinus de vraag naar de vrije wil net als Arendt met het probleem van het kwaad, een ander groot thema. Helder geschreven, inventieve vertaling, ontsierd door enkele germanismen. Door de vertalers van een – helaas nogal hermetische – inleiding voorzien. Met uitgebreide eindnoten en een register op persoonsnamen. Fraai omslagontwerp.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen. Geplaatst in week 34 (2014).