Karl Jaspers bij HOVO Amsterdam

‘Wat is transcendentie? Waarom moeten we wat we niet kunnen uitleggen – liefde, hoop – toch koesteren? Jaspers kan inzichten bieden om er een eigen oordeel over te ontwikkelen.’

Zo staat het in de cursusaankondiging van HOVO Amsterdam: een cursus die binnenkort start over de psychiater Karl Jaspers, die vooral bekend werd als filosoof. Er is een cursusboek: Sporen van transcendentie van Jozef Waanders. De samenvatting daarvan luidt: ‘De Duitse filosoof Karl Jaspers (1883-1969) heeft als weinig anderen de crises van het moderne denken en bestaan verwoord en geduid. Daarbij stelt hij heel nadrukkelijk de vraag wat de filosofie – in het bijzonder de metafysica – in de moderniteit nog kan betekenen. Hij staat sceptisch tegenover de mogelijkheid van iedere (systematische) kennis en wijst voortdurend op de onoplosbare gespletenheid van het moderne leven. Maar tegelijkertijd laat hij zien hoe zich juist in die begrenzing en gebrokenheid óók de mogelijkheid van authentiek mens-zijn en transcendentie openbaart.’
Alles bij elkaar genoeg om me direct voor deze cursus via Zoom aan te melden. En ter voorbereiding vast een ander boek dan dat van Waanders te gaan lezen. Met als opgave om na afloop van de cursus te bekijken of ik op grond van het boek dat ik las, de cursus door Petra Bolhuis én het boek van Waanders in staat ben om een eigen oordeel te ontwikkelen.

Ik begon met het boek Filosofie van de onbekende God. Een kritische schets van het denken van Karl Jaspers van de hand van J.M. Spier. Hieronder geef ik weer, wat ik daaruit heb opgestoken. Voor lezers van deze blog die misschien, net als ik, nog niet zoveel van Jaspers weten wellicht ook interessant.

Ouverture
Een zin die mij aansprak, is: ‘Aan de ene kant wil filosofie bij hem geen wetenschap en geen gesloten systeem zijn. Want de waarheid is niet, doch zij wordt (…). Anderzijds wil zijn existentie-filosofie geen irrationalisme zijn, geen tegen-redelijke beweging’ (p. 8). Mooi, zorgvuldig geformuleerd, want wat ik nu al door heb, is dat Jaspers geen existentialist was, maar een existentie-filosoof, en dat is wat anders.
Het rijtje van filosofen waarvoor Jaspers een voorkeur heeft, en het rijtje van filosofen in wiens voetsporen hij wilde denken, zijn ook al veelbelovend. Enerzijds zijn dat Plotinus, Boëthius, Cusanus en Kant, en anderzijds Plato, Plotinus, Spinoza en Kant.
En dan heb ik het nog niet eens over de dialectische beweging die Spier in zijn werk herkent. Ik meen daar een zekere verwantschap met Karl Barth in te herkennen, hoewel die volgens Spier kritisch tegenover Jaspers denken stond. Niet alleen in de dialectiek, maar ook door een omschrijving als het ‘terugkeren tot de “grond”, nl. de transcendente, onbekende God’ (p. 14), ‘de grond van het Zijn’ (p. 16).
Met name het woordje ‘grond’ doet mij denken aan diens Tambacher Rede, maar ook aan Spinoza zoals Herman De Dijn hem in een recent boek (De andere Spinoza) beschrijft: de grond ‘als Natura Naturans, “onder” alle dingen’ (p. 200), hoewel De Dijn dat met Jean Wahl ‘trans-des-cendentie noemt. De Dijn schrijft in in zijn recente boek niet dat ‘aan zijn God wellicht toch een vreemde soort transcendentie toegekend moet worden’ (p. 11), hoezeer ook altijd de nadruk valt op diens immanente denken? Jaspers heeft het over de transcendentie die verschijnt in de immanentie (p. 33 Spier). We zullen het zien; het is complex, zoals De Dijn terecht concludeert.

Immanentie en transcendentie
Spier gaat in het vijfde hoofdstuk van zijn boek dieper in op de verhouding tussen wat hij noemt ‘de wijzen van het omvattende’, immanentie (bewustzijn, geest) en transcendentie (existentie en rede) bij Jaspers. Spier heeft het in dit verband over ‘het dualisme van Jaspers’ conceptie (…), die niet op een diepere eenheid teruggaat’ (p. 27), Dit is dan in tegenspraak met eerdere uitingen over de dialectiek van Jaspers, die hij denk ik eerder bedoelt en die wel degelijk een diepere eenheid, een grond kent zoals wij zagen. En het is ook in tegenspraak met latere uitlatingen, waarin hij stelt dat beide niet tegenover elkaar staan, alsof er tweeërlei zijnde is (p. 43) en dat de dialectiek ‘geen tegenstellingen overbrugt, noch gevaarlijke spanningen opheft, doch die laat voor wat ze zijn’ (p. 73). Het is alsof ik mijn oud-wijkpredikant ds. Eddy Reefhuis hoor, die mij wees op Barths Tambacher Rede en die vond dat ik maar mooi bij het dialectische denken moest blijven.

Chiffre
Het omvattende staat voor ‘het zijn zelf, god en wereld’ (p. 32). De wereld is het ‘radikaal-andere tegenover de Transcendentie’ (p. 35), de ‘verborgen God (…) [die] boven en buiten de wereld staat’ (p. 39). In de wereld zou niets anders van Hem zijn dan het chiffre, het codeschrift of symbool ‘waarin god spreekt of verschijnt’  (p. 95). Jaspers ontkent, dat je g/God kunt kennen. Niet door het chiffre, dat ‘wordt vernomen, niet begrepen of gekend’ (p. 96) en ook niet door Zijn Woord, dat hij hier helemaal niet noemt, of ombuigt in ‘de ervaring van deze wereld als spraak van god’ (p. 47) waarnaar men eenvoudig moet luisteren.
Overigens is niet alleen het zinnelijk-waarnemen in de wereld, maar ook de gedachte zelf die een chiffre kan worden. Bijvoorbeeld in ‘ontvouwingen bij dichters en filosofen’ (p. 97). ‘Chiffre wordt alles, als ik erbij vertoef, getroffen door een lichtstraal uit de grond van het Zijn’ (p. 98). Daar hebben we de grond weer! Maar dat kan wel zo zijn, Spier benadrukt telkens weer, dat ‘alles hoogstens gelijkenis en heenwijzing is. Nooit bereik ik god zelf’ (p. 98). Het chiffre benadrukt ‘de tegenwoordigheid én afwezigheid van de Godheid’ (id.). Het gaat niet om het kennen van g/God, ‘maar om de zelfverwerkelijking van de mens’ (p. 99).

Wijsgerig geloof
Wat ook hand in hand gaan, zijn ‘het geloof en de rede als uitingen van de existentie’ (p. 45). Het filosofisch geloof, wel te verstaan, dat ‘nooit kan stollen tot dogma of confessie’ (id.). Daarin kun je de dialectiek van these en antithese niet loslaten, want dan verval je in ‘eenlijnige gedachtengangen’ (p. 51) in plaats van het rusteloos zoeken naar de waarheid. ‘Waarheid voor de geest is overtuiging in ideeën, terwijl waarheid voor de existentie geloof is’, schrijft Spier elders (p. 66). Waarheid en liefde zijn de bron van vrijheid. Die vrijheid doet ons onvoorwaardelijk handelen bij iets nieuws uitkomen.

Je kunt niet ontkennen dat Jaspers daarin een kernboodschap van het Christendom heeft gegrepen. Hij schreef zelf, dat hij zich ervan bewust is ‘te leven in samenhang met het Bijbelse denken, daarin geboren te zijn en te ademen’. Hij houdt zich ‘voor een protestant (…) en heeft de gelukkige protestantse vrijheid zelf – zonder middelaar – in onmiddellijke relatie tot de Transcendentie, volgens de leidraad van de Bijbel en met Kant’ (p. 104). Al ziet Spier dit anders: ‘Zonneklaar blijkt dat juist datgene, wat het christendom tot christelijke religie maakt, bij hem niet alleen afwezig is, maar dat hij daarentegen een verbeten strijd voert’ (p. 107). Jaspers treft de drie-eenheid volgens Spier ‘in het hart’ (p. 107), daarmee omzeilend dat er veel gelovige niet-trinitariërs bestaan.
Sterker is misschien het feit, dat Jaspers de goddelijke openbaring verwerpt. Dit is volgens hem ‘een mythisch begrip, dat is beeldspraak met een bovenzinnelijke betekenis. Wie – volgens hem – aan de openbaringsidee haar mythisch karakter ontneemt en de openbaring opvat in de zin van empirische realiteit, die vervalt tot materialisme’ (p. 111). Hiermee ontzielt volgens Spier ‘deze denker de christelijke religie’ (id.). Sterker nog, volgens hem komt hij ‘plotseling aandragen met een platvloerse rationalistische kritiek op de mysteriën van het christendom’ (p. 112).

Beoordeling
Spier stelt, dat ‘de betekenis van het wijsgerig-bezig-zijn zó hoog is gespannen, dat het schijnt, alsof de functie, die de filosofie in het bestaan van de eigenlijke mens vervult, een religieus karakter draagt’ (p. 135). Ten aanzien van de verhouding tussen beide, filosofie en religie, schrijft Spier dat ‘ons leven gedragen moet worden door een diepere ordening, anders gaat het in versplintering verloren. Doch mét een ordening heeft het een zin’ (p. 137), een zinsnede die mij doet denken aan het bekende lied van Willem Barnard waarin sprake is van ‘zin en samenhang’ (Lied 225 uit het Liedboek voor de Kerken). ‘Filosoferen is tegelijk leren leven en kunnen sterven. Dan is het bestaan zinvol’ (p. 138). Onder dit gezichtspunt is filosofie geseculariseerde religie. Oftewel: ‘De filosofie kan niet geven wat de religie aan de mensen geeft. Daarom laat ze ruimte voor de religie’ (p. 139). ‘Twee wegen naar het ware geluk’, om de ondertitel van het hiervoor genoemde boek van Herman De Dijn over Spinoza aan te halen.

Spier besluit zijn boek met ‘Wat anderen zeggen’ (Barth, Van Riessen, Zuidema, Severijn, Jonker, Van Peursen en Beerling). Dat laat ik hier voor wat het is; het gaat me er straks om, wat Waanders in zijn boek en Bolhuis in haar HOVO-cursus over Jaspers te zeggen hebben en uiteindelijk hoe ik Jaspers’ werk weeg. Dan heb ik pas wat geleerd.

De Passacaglia van Pico della Mirandola

Ik blogde er al eerder (14 juli jl.) over – het groepje mensen dat zich aan de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden bij dr. Erno Eskens een weekje onderdompelde in de Filosofie in de Lage Landen en unaniem gecharmeerd was door de filosofie van Nicolaas van Cusa oftewel Cusanus (1401-1464, afb. links).

Weer thuis vroeg ik bij mijn bibliotheekfiliaal een boek over hem uit de Centrale aan: De leek over de geest (uitg. DAMON, 2001). Hieruit bleek dat al mijn liefdes een beetje in elkaar haken: Cusanus had invloed op Pico della Mirandola, kan al dan niet worden gezien als een voorloper van Kant, zocht toenadering tot de Hussieten en werd beïnvloed door Boethius. Wat wil een mens nog meer!

Pico della Mirandola
In mijn gedachten ging ik terug naar die keren dat ik in Italië was, vergezeld door een boek waarin Pico della Mirandola (1463-1494, afb. rechts) een hoofdrol speelde. De eerste keer was De herinnering aan Abraham van Marek Halter (uitg. De Prom, 1985), de tweede keer De Phoenix – een bijnaam van Pico – van Paul Claes (uitg. De Bezige Bij, 1998).
Ik schreef er een stukje over in In-formatie, voor en uit de Hervormde gemeentekern rondom de Weerenkapel (maart 2000) dat ik hier iets aangevuld herneem.

Beide boeken geven een heel verschillend beeld van de graaf uit het landelijke plaatsje bij Bologna. Aan Halter heb ik een warme herinnering overgehouden, terwijl de Vlaamse schrijver Paul Claes Pico vooral als een zelfverzekerde, belezen en koele geleerde portretteert, met – leek het eerst – een sjabloon-achtig kenmerk van dien: dat Pico della Mirandola bijziend was wordt in het begin haast tot vervelends toe herhaald.

Eeuwige waarheid
Toch draait het in beide romans om één thema: volgens Pico is de waarheid eeuwig, één en ondeelbaar. Een hot item waar de geleerden het overigens nog steeds niet eens zijn. Volgens de één is de waarheid niet eeuwig en is er een breuk in de geschiedenis geweest waarachter we niet terug kunnen. Volgens de ander is de waarheid eeuwig en moeten we terug naar Augustinus.
Misschien hebben de geleerden uit beide stromingen gelijk en moet je de waarheid vergelijken met een Passacaglia voor orgel, zoals ik er gistermiddag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam die van Dieterich Buxtehude hoorde, gespeeld door Véronique van den Engh, organist van de Kathedrale Basiliek van Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch. Een passacaglia met een doorgaande melodie in de bas (het passacaglia-thema) met daarboven steeds veranderingen van dat thema; de waarheid (het thema) blijft hetzelfde, maar wij kijken er aldoor anders tegen aan, nemen gaandeweg een ander perspectief in. Zeker na een onmiskenbare breuk als Auschwitz.

Aan de voeten van
Pico della Mirandola zat in Padua en Perugia aan de voeten van Elia del Medigo om Hebreeuws te leren, en in Florence aan die van Flavio Mitridate, die hem Aramees en Arabisch onderwees. ‘Pico droomde toen al van een filosofische vrede waarin christendom, jodendom en islam met elkaar verzoend zouden worden’ (Claes, blz. 52), zoals Cusanus dat overigens al voor hem deed en zoals prof. dr. Anton Wessels – bij wie ik komend seizoen weer een cursus bij het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie hoop te volgen – droomt van één uitgave van de Heilige Schriften, waarin Tenach, het Tweede Testament en de Koran in één band zijn samengevoegd en op elkaar worden betrokken. Als vormen zij een kristal waarvan de verschillende kanten kunnen oplichten. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen, dat Pico’s studie van het Arabisch volgens sommige geleerden, zoals H. van den Bergh, was bedoeld ‘om de muzelmannen te bekeren’.

Verzoening?
Misschien moeten we vooralsnog concluderen dat Pico della Mirandola ofwel in zijn opzet niet helemaal is geslaagd, zoals Claes in een interview in NRC Handelsblad (7 mei 1999) zei, ofwel dat diens omgeving, waar de inquisitie hoogtij vierde, nog niet rijp was voor zijn ideeën; Pico’s slechte ogen bleken achteraf overigens geen aanduiding voor zijn eventuele tekortkoming, maar een aanduiding voor de zich langzaam voltrekkende vergiftiging waaraan hij uiteindelijk is gestorven.

Wellicht is een verzoening teveel gevraagd omdat er daarvoor teveel is gebeurd. Misschien kan een verzoening beter op zich laten wachten tot ‘die dag [dat] God de enige zal zijn en Zijn Naam de enige’ (Zacharia 14:9) en moeten we het ondertussen zoeken in het verbeteren van de wereld, tikoe ha-olam, zodat joden, moslims en christenen vreedzaam met elkaar samen kunnen wonen én bij elkaar in de leer kunnen gaan. Daarin is Pico della Mirandola ons voorgegaan. En Cusanus.

Het hart van denkend Nederland

Mijn denkvakantieweekje bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden dit jaar, over de Filosofie in de Lage Landen, werd omkranst door twee citaten. Eén las ik aan het begin en één aan het eind van de week.

Het begon met een uitlating van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juli 2019, p. 9) van Amnesty International: ‘Een groep heeft misschien een gemeenschappelijke geschiedenis, een cultuur [waaronder filosofie, EvS], maar individuen hebben een verhaal.’ Dat verhaal zal ons oordeel nuanceren. Het klonk alsof Grunberg met het scheermes van William van Ockham al het overbodige had weggesneden en alleen het nodige, het individuele verhaal in dit geval, overbleef.

Individuele verhalen, die kwamen in deze cursus van hoofddocent dr. Erno Eskens en twee gastdocenten (de derde lag helaas in het ziekenhuis) langs. Om te beginnen die van theologen (patristiek, scholastiek, via antiqua, via moderni, mystici) die als filosofen werden behandeld, omdat ze twijfelden en naar nieuwe wegen zochten. De ene groep denkers zette zich af tegen de volgende. Soms met een grote heftigheid; Geert Groote kwam voor mij daardoor in een ander daglicht te staan. Hij had, bleek, niet voor niets de bijnaam ‘Ketterhamer’.

Slechts een enkeling probeerde het denken uit verschillende stromingen (via antiqua, mystiek) met elkaar te verbinden. Ons groepje, slechts zes man-vrouw sterk, was bijvoorbeeld unaniem gecharmeerd van Nicolaas van Cusa (1401-1464, zie afb.). Hij sprak over coincidentia oppositorum (samenvallen van tegendelen) en zag religie als één geloof met verschillende varianten (una religio in rituum varietate). Hierbij zou het natuurlijk best zo kunnen zijn, dat hij daarmee veronderstelde dat iedereen in de moederschoot moet terugkeren …
Mij deden de verschillende stappen van kennis van Van Cusa of Cusanus (zintuigen, ratio, intellect en intuïtie) denken aan de drie soorten kennis die Spinoza onderscheidt (verbeelding, ratio en intuïtie), een denker waar Eskens overigens duidelijk niet veel mee had.
Binnenkort verschijnt bij uitgeverij Sjibbolet Cusanus’ De blik op God (zie afb.) – voor op het verlanglijstje, om te kijken of de liefde op het eerste gezicht stand houdt.

In ieder geval zegt dit getriggerd-zijn door juist deze, voor mij onbekende theoloog/filosoof in tegenstelling tot bijvoorbeeld Coornhert of Spinoza, net zoveel over mijzelf en mijn aandacht voor these-antithese-synthese, als Eskens keuze voor bepaalde denkers en accenten, zoals zijn aandacht voor filosofen die net als hij wat hebben met dieren(rechten).

Dan kom ik bij het tweede citaat dat mij deze denkweek vergezelde, het slot van het artikel ‘Een selfie van Nederland – zonder filter?’ van Tamar de Waal in de Groene Amsterdammer (4 juli 2019, p. 13). Een citaat dat gaat over tegenstellingen (weer die dialectiek!) die ‘vaak de motor van de democratie is’. De Waal constateert dat polarisatie (religieus, vanuit tradities) ‘het hart hadden kunnen vormen van Denkend aan Nederland [rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau, EvS], maar dat in plaats daarvan het SCP de hete aardappel [en de] kritische duiding doorschuift aan anderen’.
De filosofie bijvoorbeeld.

Ik moet daarbij denken aan de gastcolleges van Florian Jacobs en Marthe Kerkwijk op de voorlaatste dag en het slotcollege van Eskens.
Jacobs had het over de aanloop tot de ISVW (1916). Meteen al tijdens de oprichtingsvergadering kwam het tot een controverse tot de volgelingen van Frederik van Eeden en Daniel Reiman. ‘Het is’, aldus Jacobs, ‘aan zulke types als Van Eeden en het verzet daartegen te danken, dat de ISVW bestaat’.
Kerkwijk sprak over Clara Wichmann en haar visie op het feit dat ‘ongehoorzamen iets losmaken waar de ontwikkeling van de maatschappij baat bij heeft. Dat wil zeggen zij die zich niet conformeren aan de heersende wetten, de vastgelegde dominante moraal’. Hier kon opvallend genoeg weer niet iedereen uit ons groepje mee instemmen.

Eskens had het tenslotte over enkele Denkers des Vaderlands: René Gude (vooral eerst een meedenker) en Hans Achterhuis (een tegendenker). Misschien vormde de een de these en de ander de antithese en moeten wij, cursisten van de ISVW en andere in filosofie en cultuur in het algemeen geïnteresseerden (Grunberg) anno 2019 voor de synthese zorgen.
Misschien is dat kenmerkend voor Filosofie in de Lage Landen nu en zelfs voor de huidige stand van de filosofie wereldwijd. Vanaf Cusanus telkens een stapje verder. Op z’n Popperiaans haast.