Hans Achterhuis – Zoektocht naar betekenis

Zoektocht naar betekenis : de woorden van Hans Achterhuis / Leonie Wolters. – 1e druk. – Leusden : ISVW Uitgevers, [2022]. – 223 pagina’s ; 18 cm. – Omslagtitel: Hans Achterhuis: ‘Zoektocht naar betekenis’. – Met bibliografie, literatuuropgave. ISBN 978-90-831785-1-6

In dit boek interviewt Leonie Wolters de 80-jarige Hans Achterhuis, een breed georiënteerde praktisch filosoof, maar geen ethicus zoals hij zelf zegt. Leonie Wolters
is gepromoveerd op mondiale ideeëngeschiedenis, Hans Achterhuis was van 2011-2013 de eerste Denker des Vaderlands. Hij afficheerde zichzelf als ‘tegendenker’, zoals de huidige Denker des Vaderlands, Paul van Tongeren, zich ‘nadenker’ noemt. Dat tegendenken blijkt ook uit dit boeiende gesprek tussen hem en Wolters, die hem alle gelegenheid geeft zijn verhaal te doen over een denken dat in de loop der tijd evalueerde en genuanceerder werd. Over de invloed ook van bijvoorbeeld Ivan Illich (schaarste), René Girard (mimetische begeerte), Hannah Arendt (nataliteit) en de manier waarop hij daarop terugkijkt. Deeltje in de reeks ‘De woorden van …’ waarin eerder interviews verschenen met Miriam van Reijen, Harry Kunneman, Frank Ankersmit en Jan Terlouw. Met literatuuropgave.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Caroline Pauwels – Ronduit

Ik doorbreek mijn gewoonte om twee ‘gewone’ blogs af te wisselen met een aanschafinformatietekst die ik schreef voor NBD Biblion na het ontstellende bericht dat op 5 augustus jl. Caroline Pauwels op 58-jarige leeftijd is overleden (zie link naar een In memoriam onderaan dit bericht); de tekst die ik schreef over haar prachtige boek Ronduit wordt naar aanleiding van haar overlijden hier met voorrang geplaatst. Haar nagedachtenis tot zegen.

Ronduit : overpeinzingen van een possibilist  / Caroline Pauwels ; opgetekend door Frank Van Laeken en Peter
Van Rompaey. – Antwerpen ; Amsterdam : Houtekiet, [2021]. -261 pagina’s ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-892497-0-8

Een boek over leven, werk, de universiteit, media, Europa en de wereld. Persoonlijk en filosofisch. Geschreven door Caroline Pauwels, [van 2016-2022] rector van de Vrije
Universiteit Brussel. Zij noemt zichzelf ‘possibilist’, dat wil zeggen dat ze er vast op vertrouwt dat de wereld beter kan worden. Haar doel is de lezer te intrigeren, inspireren en/of verwonderen. En dat lukt haar. De hoofdstukken zijn deels gebaseerd op lezingen, interviews en columns in De Tijd. In deze stukken is een radicaal humanist aan het woord, die zich beroept op de principes vrijheid, gelijkheid en verbondenheid. Zij treedt hiermee in de voetsporen van de Verlichting (Kant). Haar favoriete filosoof is Hannah Arendt, haar favoriete schrijvers zijn Karen Blixen, Virginia Woolf en Albert Camus. Ook komen ontmoetingen aan bod met bekende en minder bekende mensen, maar stuk voor stuk mooie mensen. Met literatuurlijst. Een inspirerend, reflectief boek door een tijdgenote voor lezers met een brede interesse.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

https://today.vub.be/nl/artikel/in-memoriam-caroline-pauwels

Yannis Kyriakides en Spinoza

Onlangs gaf Anne Woodward voor de Amsterdamse Spinoza Kring een cursus over Spinoza en Kunst. Dit bracht mij weer te binnen, dat ik in 2013 voor de Volksuniversiteit Amsterdam samen met Robert Snel een cursus gaf over Spinoza en Muziek. Hij over Spinoza, ik over muziek. Op deze blog publiceer ik daar nu de teksten van. Als eerste was die over Joep Franssens te lezen, gevolgd door Hanna Kulenty. Nu de derde en laatste, over Yannis Kyriakides.

Biografie
Yannis Kyriakides werd in 1969 op Cyprus geboren. In 1975 emigreerde het gezin naar Engeland. Hier studeerde Yannis muziekwetenschap aan de Universiteit van York. In 1992 vertrok hij naar Nederland, als zoveel buitenlandse componisten aangetrokken door Louis Andriessen. Aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag studeerde hij behalve bij Andriessen ook bij één van de godfathers van de Nederlandse elektronische muziek: Dick Raaijmakers, die op 5 september 2013 is overleden (de andere is Ton Bruynèl).
In 2000 won Kyriakides de Internationale Gaudeamus Compositieprijs (foto hierboven afkomstig van de website van Gaudeamus). Verder was hij onder andere composer in residence, de centrale componist tijdens het Huddersfield Contemporary Music Festival in 2008 en tijdens November Music (’s Hertogenbosch) in 2011. In hetzelfde jaar waren er twee werken van hem te horen in het Nederlandse paviljoen van de Biënnale in Venetië. In 2010 won hij de Nederlandse Toonzettersprijs voor de beste compositie van 2010. Momenteel doceert hij zelf compositie aan het conservatorium waaraan hij zijn opleiding ontving.

In zijn werk combineert Kyriakides vaak conventionele muziekinstrumenten en zang met elektronisch gegenereerde geluiden en digitale media. Die combinatie maakt het hem mogelijk als het ware de twee attributen van Spinoza, materie en geest, parallel, of liever: gelijktijdig te laten verlopen, zoals ze dat bij Spinoza ook doen – als een munt die rolt.

Een ander ding dat opvalt, is het klavecimbel als één van de muziekinstrumenten. Een snaarinstrument uit de tijd van Spinoza, waarbij de snaren worden getokkeld als bij een luit en niet worden aangeslagen met hamertjes zoals bij een piano. Door de combinatie met de elektronica zou je kunnen zeggen dat Kyriakides hierdoor zowel aansluit bij de traditie (de modale, aan middeleeuwse kerktoonsoorten gebonden muziek in het klavecimbel) als bij de Verlichting (de ‘clicks and cuts’ in de elektronica). Iets dat ook gold voor Spinoza, al dan niet zowel de laatste middeleeuwse denker als voorloper van de Verlichting (als historisch tijdperk). Het eerste standpunt werd onder meer verdedigd in het vroege werk van Étienne Bonnot de Condillac (1715-1780), een Frans rooms-katholiek geestelijke en filosoof, het tweede is recenter en wordt voorgestaan door de Engelse historicus Jonathan Israël. Beide opvattingen komen terug in het boek De Verlichting als kraamkamer van Jabik Veenbaas (uitg. Nieuw Amsterdam, 2013).
Terug naar Kyriakides en de muziek.

The Thing Like Us
The Thing Like Us maakt deel uit van een uit 2002 daterende productie van het gezelschap van theatermaker Paul Koek, VeenFabriek: SPINOZA: I am not where I think myself to be. Het werk bestaat uit twee delen: Affectio en Epistola, respectievelijk gebaseerd op de definities van emoties (affecten) uit het derde deel van de Ethica en een brief (epistel) over de vrije wil die Spinoza schreef aan de arts Schuller (d.i. brief 58 in de uitgave van de Briefwisseling door de Wereldbibliotheek).
De titel van het stuk van Kyriakides is ontleend aan stelling 27 uit het derde deel van de Ethica: res nobis similis, een wezen dat ons gelijkt. Kyriakides schrijft in het begeleidende boekje bij de CD (eigen label, Unsounds, zie afb.) dat het hem trof hoe muziek invloed heeft op onze emoties, alsof de muziek op ons eigen ik lijkt.

Eerst even iets over de ontstaansgeschiedenis van de productie in relatie tot Spinoza. Het was zangeres Ayelet Harpaz die Kyriakides vroeg om voor haar en de klaveciniste Zohar Shefi een stuk te schrijven. Beiden wonen in Den Haag dicht bij Spinoza’s huis, dat aan de Paviljoensgracht ligt, pal bij het Centraal Station. Hier is Spinoza in 1677 gestorven, al dan niet in bijzijn van de eerder genoemde dokter Schuller. Diens brief laat ik overigens in het verloop van mijn verhaal rusten.
Beide musici wisten dat Kyriakides zich tijdens zijn studie in Engeland al met Spinoza had beziggehouden. In een interview met Mark van Bergen heeft Kyriakides de verwantschap met Spinoza eens omschreven als: ‘Spinoza’s ideeën nodigen mij sterk uit om verbanden te leggen naar geluid en ruimte. Verbanden zijn sowieso heel belangrijk bij Spinoza, aangezien volgens hem alles met elkaar samenhangt en in elkaar overgaat in het heelal. Anders dan Descartes meende hij dat die samenhang ook geldt voor lichaam en geest. Als muzikant is dat een heel interessant uitgangspunt: muziek probeert ook iets geestelijks fysiek aanwezig te maken en bestaat bij de gratie van overgangen’.

In eerste instantie beperkte de componist de bezetting tot zangstem en klavecimbel. Maar omdat hij Paul Koek al kende van eerdere projecten, in 1994-1995, kwam hij op het idee deze oorspronkelijke bezetting uit te breiden en het stuk uit te werken tot een theaterproductie. De opvoering vond plaats in het voormalige hoofdkwartier van ABN Amro in Den Haag aan de Kneuterdijk, dat leeg kwam te staan. Een gebouw dat weer ligt, om u enig idee te geven, tegenover de plaats (De Plaats, tussen Kneuterdijk en het Binnenhof) waar de gebroeders De Witt in 1672 zijn vermoord.

Natuurlijk zijn er meer stukken gebaseerd op leven en werk van Spinoza; in de cursus voor de Volksuniversiteit Amsterdam had ik voor drie componisten gekozen van wiens/wier werk ik een opname bezat. Bovendien had Theo Loevendie toen zijn opera The Rise of Spinoza (2014) nog niet afgerond.

https://www.kyriakides.com/

Ter nagedachtenis aan Piet Koenes

Tot het overlijden van zijn vrouw Eveline Buijs ging hij met enige regelmaat voor in de Nieuwendammerkerk in Amsterdam. Daar heb ik hem een paar keer gehoord, maar contact had ik toen niet met hem.

Dat veranderde toen hij opdook bij de presentatie van mijn boekje (uitg. KokBoekencentrum) over Hendrik Vreekamp (14 juni 2019). We raakten in gesprek, Piet Koenes en ik. Over Vreekamp, die hij een keer in 2010 had geïnterviewd en aan wie hij goede herinneringen bewaarde; zijn naam werd door Eep Talstra tijdens de afscheidsdienst ook genoemd. Dat was het begin van ons (spaarzame) contact, bij de koffie na enkele diensten in de Bethelkerk in Tuindorp-Oostzaan, waar hij kerkte. En een keer bij hem thuis in Molenwijk. Ik had afgelopen winter beloofd in de lente of de zomer weer op bezoek te komen, niet wetend dat het bezoek de aanwezigheid bij zijn afscheidsdienst zou zijn, vandaag, 31 mei 2022 in diezelfde Bethelkerk; Pieter Koenes is op 23 mei 2022 overleden (‘uit de tijd gevallen, in Gods hand’ zoals ds. Bara van Pelt zei) na een val en een hersenbloeding, op de leeftijd van achtentachtig jaar.

Drieluik
Op mijn verzoek heeft hij mijn boekje gerecenseerd voor Drieluik, het blad van de Protestantse Wijkgemeente Amsterdam-Noord, waartoe zowel de Nieuwendammerkerk als De Ark-Bethelkerk onder vallen. Hij had er veel werk van gemaakt, vertelde hij. Het boekje tot tweemaal toe aandachtig gelezen. Hij besloot zijn recensie met de conclusie dat het boek ‘alleszins de moeite waard [is] om te lezen. Ja, om te herlezen!’

Het was niet de eerste en ook niet de laatste recensie die Piet Koenes voor Drieluik schreef. Altijd lezenswaard om te lezen, in een heldere en toegankelijke stijl. De laatste verscheen in het februarinummer van dit jaar, over het boek Maria, icoon van genade van prof. dr. Arnold Huijgen (uitg. KokBoekencentrum), het beste theologische boek van het jaar 2021.

Theologie en geschiedenis
Koenes las graag en veel. Vooral over theologie en over geschiedenis, zei hij tegen mij toen ik bij hem was en tot slot van mijn bezoek zijn boekenkamertje liet zien, een tussenkamer in zijn flat met rondom boekenkasten.
Een bezoek dat verliep zoals volgens vriend Eep Talstra meestal verliep: hij had het over zijn overleden vrouw, over de kinderen, aangetrouwde kinderen en kleinkinderen en over wat hem bezig hield. Vooral op kerkelijk gebied en theologisch terrein.
Hij vertelde hoe het zo gekomen was dat hij schreef. Al vanaf zijn twintigste deed hij dit graag, naast zijn dagelijks werk als verkoper van kantoormeubelen en -benodigdheden. Het begon in het blad van woningbouwvereniging Patrimonium en breidde zich langzamerhand uit, tot het Friesch Dagblad aan toe. Bij uitgeverij Kok is, zag ik, een bundeling verschenen van interviews die hij had gemaakt onder de titel In de kracht van de Geest (1974, zie afb.). Op yumpu.com zijn enkele van zijn interviews terug te vinden.

De Geest kwam – kenmerkend voor Piet – ook in enkele liederen terug die tijdens de afscheidsdienst werden gezongen, zoals in Lied 834:2 (vert. Ad den Besten):

Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij.

Amsterdamse kerkenwerk
Naast zijn dagelijkse- en journalistieke werk was Koenes al jong actief in het Amsterdamse kerkenwerk, vooral onder jongeren. Op zijn negentiende was hij, toch meer een stadsmens, vanuit het Groningse Warffum waar hij was geboren naar de grote stad getrokken. Hij raakte bevriend met Eep Talstra en kerkte in de Pniëlkerk. Op een gegeven moment haalde hij zijn preekconsent. Hij zou worden beroepen in Kockengen, tot men er daar achter kwam dat hij tegen kruisraketten was en het beroep introk.
Deze laatste toevoeging kende ik niet, ik had wel het verhaal op zich gehoord, met een iets ander accent. Het zou iets zijn geweest om over door te praten, net als het feit dat hij – net als ik – een bewonderaar was van Bibeb, die interviews schreef voor Vrij Nederland. Het heeft niet zo mogen zijn, maar het is zoals zijn dochter Mariska het tijdens de afscheidsdienst verwoordde goed zo. Er is hem veel leed bespaard gebleven. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Filosofie voor leiders

Filosofie voor leiders : van opvoeders tot opvolgers : met wijsgeren en eindbazen Beauvoir, Machiavelli, Nietzsche, Trump, Poetin en Plato / hoofdredactie Coen Simon ; redactie en eindredactie Hannah Achterbosch, Alexandra van Ditmars, Tim Oudshoorn. – Nijmegen : Filosofie NL Media B.V., [2021]. – 99 pagina’s : illustraties ; 27 cm ISBN 8719992599

Filosofie Magazine kwam in 1992 voor het eerst uit en is in bijna dertig jaar uitgegroeid
tot een populairwetenschappelijk tijdschrift over publieksfilosofie voor een geïnteresseerd lezerspubliek. In ‘Specials’ worden de beste artikelen gebundeld over thema’s als Verlichting, Verlangen, Vrouwelijke denkers en nu over Filosofie voor leiders. In interviews, boekbesprekingen en artikelen komt het thema voorbij in verschillende uitingsvormen: opvoeding, koningschap, politie, bureaucratie en
charisma. En denkers van Plato, Machiavelli, Kant, Nietzsche en Simone de Beauvoir tot
Agnes Heller. Auteurs zijn onder meer Leon Heuts, Joep Dohmen, Maarten Meester,
Ivana Ivanovic en Stine Jensen. Met talrijke illustraties; uitgave in iets kleiner dan A4-
formaat.

Cop. NBD Biblion, Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (III)

Opgedragen aan ds. Kees Zwart, die op 8 mei a.s. als interim-predikant afscheid neemt in Amsterdam-Noord en mij met zijn hieronder genoemde preek tot dóórdenken aanzette.

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte me. Waarom heb ik in drie opeenvolgende blogs uitgelegd. In de eerste ging ik in op het artikel, in de tweede kwam ik zelf aan het woord als ervaringsdeskundige en in deze derde ga ik tenslotte in op de troost die filosofie, theologie en literatuur kunnen bieden.

Vier vormen van troost
We zagen in de eerste van deze drie blogs, dat Lammert Kamphuis in het interview met Fleur Jurgens vier vormen van troost noemt die de filosofie kan bieden:

  1. Het lezen van filosofische teksten
  2. Relativering
  3. Aanvaarden van het lot
  4. Verlichting vinden in het uitzicht op betere tijden

Het hoeven echter niet perse filosofische teksten te zijn. Met, wederom Virginia Woolf, denk ik ook aan gedichten. Daarop kun je blijven kauwen, ze sturen je gedachten, uit je pijnlijke lichaam weg, richting je hoofd.

Bijbelteksten in de lijdenstijd
Zo kun je ook groeien aan Bijbelteksten en de uitleg daarvan. Dat overkwam mij in de lijdenstijd, toen tijdens een kerkdienst werd gelezen uit Jacobus (Jac. 1: 19-27) en Johannes (Joh. 15: 1-8). In het eerste gedeelte staat de spiegel voor Tenach, in het tweede is dat de wijnstok, de ware wijnstok. De landsman (God) snoeit de ranken, opdat zij meer vrucht dragen (vs. 3). Opdat de Tenach tot zijn recht komt, recht wordt gedaan.

Dat is de gebruikelijke uitleg, maar in de preek van ds. Zwart die ik hoorde, klonk ook iets anders door waarin die twee teksten met elkaar werden verbonden. Een voorzichtige vraag die ik de dag erna ook las in het nieuwste boek van (inderdaad een filosoof) Jos Kessels: Het raadsel van de speelman (ISVW Uitgevers, 2021). In het hoofdstuk ‘Snoeien’. Concreet vraagt de ik-figuur zich af, of ‘je ook jezelf in vorm kunt snoeien’ (p. 106). De tuinman in dit hoofdstuk vindt het ingewikkeld, de predikant vond het ook, maar toch werd de vraag als gezegd voorzichtig gesteld.

De waarde van woede
Alle verdorde takken op een hoop gooien en verbranden en dan de ranken laten groeien aan de wijnstok. Het is even slikken, maar biedt het uiteindelijk ook niet iets van troost? Een opdracht om aan jezelf te werken. Zo hoorde en las ik het. Is het de loutering waar Wim Dubbink het over had? Op z’n minst verlichting in de hoop, het uitzicht op betere tijden.
Snoeien uit woede en die als een energie ten goede aanwenden, denk ik. Want woede is, met de woorden van Nico Koning uit wiens nieuwe boek De waarde van woede. Over opstandigheid en rechtvaardigheid (uitg. Damon, 2022) ik in de vorige blog al citeerde, ‘veranderwoede’ en staat in een ‘waardevolle traditie’ (p. 11).

Aanvaarden van het lot (punt 3 van Kamphuis) is niet het je ergens passief bij neerleggen, maar juist hard werken zei een andere predikant eens. En ook hij verwees naar een gedicht. Van Jacqueline van der Waals in dit geval (zie foto rechts). Een ander dan onderstaand gedicht, maar toch. Van der Waals was een vrouw die leed, en uiteindelijk overleed, aan een maagzweer. Zij schreef dit gedicht over snoeien:

De herdersfluit

Eens ging ik langs het lage riet,
Dat ruischen kan en anders niet,
Toen, langs mijn pad, een herder kwam,
Die één van deze halmen nam,
En dien besnoeide en besneed,
En maakte tot zijn dienst gereed.
Door dit gekorven rietje, dat
Als dood hij in zijn handen had,
Dien stemmeloozen stengel zond
Hij straks den adem van zijn mond,
En, als hij blies, zoo zong het riet,
En, als hij zweeg, verstomde ‘t lied:
De zoete, pas ontwaakte stem
Bestond en leefde slechts door hem.
Zoo gaf ik gaarne wensch en wil
In ‘s Heeren hand en hield mij stil.

Zoo dan, als door een rieten fluit,
Bij zwijgend eigen stemgeluid,
Gods adem door mij henen blies,
Hoe groote winst bij kleen verlies!

(uit: Nieuwe verzen, 1910)

‘Oude muziek is moderne muziek’

Een mens kan veranderen. Zou mijn interesse tot voor kort vooral zijn uitgegaan naar de muziekhistorische achtergrondverhalen in het jubileummagazine 100 jaar van de Nederlandse Bachvereniging (NBV), nu waren het met name de (dubbel)interviews achterin die mijn aandacht vast hielden.

Jonge musici
Om te beginnen zes portretten van jonge, bevlogen musici door Noortje Zanen. De jongste is 7, de oudste 16. Wat de link met de NBV is? De een is de dochter van Shunske Sato, de ander een leerling of bewonderaar, zoals Ivo van 11. Weer een ander kind weet niet of ze wel eens muziek van Bach op de blokfluit heeft gespeeld (‘Vast wel’, denkt ze), maar ze wil eigenlijk later drummer worden. Het verhaal doet me denken aan zowel de man van een vriendin, die vindt dat je op een blokfluit ‘moet zuchten’ en aan een oud-blokfluitdocent die – omdat je ook wel eens wat anders wil – naast de blokfluit wilde ‘raggen’, wat hij op klarinet deed.
Fee is de 10-jarige dochter van Klaartje van Veldhoven, veelgevraagd soliste bij de NBV en jazzpianist Rembrandt Frerichs. Ze onderneemt veel (cello spelen, tennissen, op koor zingen en in een orkest spelen), maar zou eigenlijk nog wel méér willen, van toneelles tot klimmen aan toe.
Druk-druk-druk geldt ook voor de broers Nicolaas en Gijs, maar – zegt Gijs – ‘gelukkig lukt het allemaal’. Je hoort er hem haast bij zuchten, zo jong als hij is. De broers zingen in het Kamper Boys Choir samen met de NBV in de Matthäus Passion. Ze hopen dat hun jongere broertje binnenkort ook mee mag zingen. Dat zou nog eens leuk zijn.

Young Bach Fellowship
De tweede trits in dit geval dubbelinterviews is op z’n minst even leuk. Het zijn vier gesprekken die Guido van Oorschot afnam met zowel een deelnemer aan de Young Bach Fellowship, een talentprogramma voor jonge professionals als hun docent/coach uit de gelederen van de NBV.
De eerste twee zijn de Japanse Masako Awaji (30) en haar docent Leo van Doeselaar (66). Zij doet het imago waar Van Doeselaar destijds voor viel, de jonge wilde barokmusicus, recht aan, gekleed als ze is à la Elton John. ‘Oude muziek is moderne muziek, zo kijkt Masako Awaji ertegen aan’ noteert de interviewer.
Het volgende span is Siebe Henstra (62) en traversospeler David Westcombe (30). Bij hen draait het om historische bronnen en de rol van internet daarbij. ‘Een vloek en een zegen’, zegt Henstra, want welke uitgave is historisch correct? Een zegen omdat je bronnen zo op je scherm kunt toveren.
In het volgende gesprek, met barokhoboïste Katharina Verhaar-Humpel (33) en contrabas- en violonespeler Robert Franenberg, gaat het over het opbouwen van een netwerk, het jezelf verkopen, pr en marketing, waarover de NBV workshops organiseert.
Het vierde en laatste interview is met celliste Lucia Swarts (62) en de sopraan Amelia Berridge (30). Bij Swarts begon het met de praktijk, als studente van Wim ten Have en Anner Bijlsma, bij Berridge, die als musicologe begon, met traktaten. Interessant is wat ze allebei over het al dan niet, en wanneer dan, toepassen van vibrato zeggen. Nooit geweten dat ze ‘in het verfijnde Frankrijk vaker vibreerden dan in het conservatieve Duitsland’. Theorie en praktijk reiken elkaar hier de hand. En dat is de ideale toestand. Mooie uitgave, dit.

https://tix.bachvereniging.nl/nl/buyingflow/dateproducts/2256/35105

Jaap Sanders – Adje Cohen

Adje Cohen : een leven in verzet / Jaap Sanders. – Amsterdam : Uitgeverij Van Praag, [2021]. – 299
pagina’s ; 64 ongenummerde pagina’s platen  ; illustraties ; 22 cm. – Met literatuuropgave.
ISBN 978-90-490-2432-1

De in 2000 overleden en in Israël begraven Duitse-Nederlander Adje (Uri Jehoeda) Cohen (1910-2000) was zijn hele leven in verzet: in het gewapend verzet tegen de nazi’s en eigenlijk tegen iedereen die het niet zo nauw nam met het orthodoxe jodendom. Om geld bij elkaar te krijgen voor het orthodox-joodse Cheider in Amsterdam, legde hij zelfs contact met ‘zwarte Joop’ uit de onderwereld. Verder was Cohen betrokken bij tal van hulpprojecten, zoals het naar Nederland halen van joodse kinderen uit het getroffen Tsjernobyl. De auteur van dit boek trok jarenlang met hem op en had toegang tot nationale en internationale archieven en mensen uit Cohens directe omgeving. Sanders plaatst de verkregen gegevens binnen de context van het (inter)nationale orthodoxe jodendom, zoals het Chassidisme, een stroming waartoe Cohen zich aangetrokken voelde. Met twee katernen afbeeldingen in kleur en zwart-wit,
eindnoten, enkele teksten van en een interview met Cohen alsmede een lijst met
termen en afkortingen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Ik denk dus ik ben ik

Ik denk dus ik ben ik : filosofen over de ziel en de selfie : met Baudrillard, Boeddha, Descartes, Damasio, Freud, Lacan en Verhaeghe / hoofdredactie Coen Simon ; redactie ; eindredactie Hannah Achterbosch, Femke van Hout, Friso van der Meer, Tim Outshoorn ; medewerkers Geertje Dekkers, Marc van Dijk, Marianne M. van Dijk, Alexandra van Ditmars, Elma Drayer, Annette van der Elst, Erno Eskens, Claudia Galgau, Anne Havik, Jeroen Hopster, Stine Jensen, Marco Kamphuis, Jannah Loontjens, Frank Meester, Florentijn van Rootselaar.

Filosofie Magazine kwam in 1992 voor het eerst uit en is uitgegroeid tot een populairwetenschappelijk tijdschrift over wat publieks-filosofie wordt genoemd. De huidige hoofdredacteur is Coen Simon. In ‘specials’ worden de beste artikelen uit Filosofie Magazine verzameld over thema’s als Verlichting, Vrouwelijke denkers, De vrije wil en nu over ‘de ziel en de selfie’. De ziel was in 2012 het thema van de Maand van de Filosofie. In het voorwoord wordt 1839 (de eerste foto van de mens) als ijkpunt genomen. Een beperking, al gaat Martine M. van Dijk in haar bijdrage terug tot de oude Griekse denkers, waardoor het geheel een wat meer contextueel kader krijgt. Voor de rest zijn het meer actualiteitsgevoelige onderwerpen die aan bod komen, in acht interviews naar aanleiding van een boek, vijf boekbesprekingen en vijf artikelen. Hierin
komen filosofen voorbij van Descartes tot Baudrillard en psychoanalytici als Freud, Lacan en Verhaeghe. Dat is uiteraard een tijdschrift eigen. Wanneer de stukken oorspronkelijk verschenen, is informatie die ontbreekt. Iets kleiner dan A4-formaat.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Opdat wij horen

Het Festival Oude Muziek 2021 is van start gegaan! Traditiegetrouw is het nummer van het Tijdschrift Oude Muziek dat pal daarvoor verschijnt, geheel gewijd aan de programmering van het festival. Twee interessante artikelen sprongen er – niets ten nadele van de andere stukken – voor mij dit keer uit: het interview dat Stefan Grondelaers had met Marcel Pérès over Guillaume de Machauts Messe de Nostre Dame, dat 28 augustus jl. door zijn Ensemble Organum werd uitgevoerd in de Domkerk, en het artikel dat Avery Gosfield van Ensemble Lucidarium schreef onder de titel ‘Representatie en racisme in oude muziek. Piyyutim en het kruistochtrepertoire’. Dit naar aanleiding van een concert en een lezing op 1 september in Gasthuis Leeuwenbergh (ConcertLab). Ze sprongen er niet alleen uit, – ze gingen ook met elkaar is gesprek zoals de trouwe lezers van deze blog dat van mij kennen.

‘Zonder versiering lukt het niet’
Eerst het artikel van Grondelaers, die als universitair docent is verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij stelt nadrukkelijk, dat ‘de Franse organist en dirigent Marcel Pérès [zie foto links] al vier decennia berucht is vanwege zijn make-overs van de heiligste huisjes uit de oude muziek’. De cd-registratie van Machauts Messe de Nostre Dame (uit 1997) was ‘buitengewoon controversieel’.

Tegen het slot van het interview stelt Pérès dat ‘bij Machaut de polyfonie een stapelvorm van stemmen is die bovenop de gregoriaanse melodie zijn geplaatst’. In mijn boekje Dialoog in muziek ben ik ingegaan op de manier waarop Pérès dit tot klinken brengt. En hij niet alleen – dit gold ook voor de tenor Nigel Rogers. In beide gevallen komt dit onder meer tot uiting in de oosterse versieringen die binnen hun uitvoeringspraktijk worden toegevoegd. ‘Daarbij gaat’, schreef ik (p. 26), ‘Pérès net als Nigel Rogers te rade bij etnologische bronnen en levende tradities die de oosterse oorsprong [van het gregoriaans, EvS] hebben bewaard’. Pérès zegt tegen Grondelaers dat men hem ‘de Oosters aandoende ornamentiek soms kwalijk neemt’. Hij zegt er niet bij of dit op enigerlei wijze te maken heeft met anti-judaïstische opvattingen.

‘Representatie en racisme in oude muziek’
Gosfield (foto rechts) benoemt dit wel in haar artikel. Zij wijst op bijvoorbeeld teksten uit de oude muziek, zoals de Cantigas de Santa Maria en stelt fijntjes dat ‘wanneer ze worden uitgevoerd, aanstootgevende teksten soms ongewijzigd worden gelaten, soms opgeschoond en soms weggeredeneerd’. In hetzelfde boekje als hiervoor genoemd, heb ik dit benoemd: in zevenentwintig van de dertig Cantigas is ‘sprake van joden als kinderen van de duivel. In Cantiga 12 wordt zelfs opgeroepen tot een pogrom in Toledo!’ (p. 18). Ik haal voorts een artikel aan, waarin ‘de Cantigas in de traditie van de kruistochten worden geplaatst’.

Daarmee zijn we binnen de context van het concert door het Ensemble Lucidarium: ‘Op weg naar Jeruzalem: kruistochtliederen’. Binnen dit concert confronteert het ensemble ‘een kruistochtlied als Jerusalem mirabilis met een muzikale zetting van de piyyut [postbijbelse Hebreeuwse gedichten, EvS] Elohim al domi le-dami (G’d, laat mijn bloed niet in vrede rusten)’. Zo, zegt Gosfeld, ‘kunnen we de gevolgen laten zien van anti-judaïstische retoriek en tegelijkertijd stem geven aan de slachtoffers ervan’.

Er valt nog veel meer interessants over te zeggen, maar dat kunnen we ongetwijfeld in het programmaboek bij het Festival teruglezen. Een ding nog.

Bloed
Tijdens een Bijbelkring over Hebreeën vroeg iemand wat de rol van het bloed binnen deze brief toch was. Ik vond een antwoord in het boek Messiaanse volharding van K.H. Kroon, dat in het verlengde ligt van de hiervoor genoemde piyyut. Het gaat terug tot Kaïn en Abel. ‘Abel spreekt nog altijd, hoewel hij dood is, hoewel hij vermoord is’. Zoals de zovelen, vanaf de kruistochten tot nu. ‘Zijn bloed roept tot God! Eigenlijk staat er een meervoud’, schrijft Kroon: ‘bloeden. Al dat bloed schreeuwt. Kaïn zei: Weet ik veel waar hij is. Maar God hoorde hem. Hij wist waar hij was, want zijn bloed riep. Dat is een motief gebleven. Ergens op een gedenkteken van de moord op zes miljoen joden staat de tekst uit Tenach: O, aarde bedek mijn bloed niet! Dat wil zeggen: Laat het niet toegedekt worden’ (p.18).

Ik denk dat Gosfeld met haar ensemble dit hoorbaar wil maken. Vanuit een innerlijk oor. Opdat wij horen.