Elkaar de hand schudden

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen de biopic Maudie naar het leven van de Canadese schilder van naïeve schilderijen Maud Lewis (1903-1970, afb. hieronder), gespeeld door Sally Hawkins (afb. boven). Lewis leed aan een ernstige vorm van reumatoïde atritis, waardoor zij klein van gestalte bleef en haar handen, armen en rug krom waren gegroeid.
Dit levensverhaal doet in de verte denken aan de opera
Die Gezeichneten van Franz Schreker (1878-1934) en het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea (geb. 1943). Ze zouden allemaal elkaar de hand kunnen schudden. Over Schreker en Andrea schreef ik eerder (herfst 2007) in Wervel-ingen. Die column neem ik hier, onder toestemming, iets aangevuld over.

Bij De Nederlandse Opera werd aan het eind van het seizoen 2006-2007 Die Gezeichneten van Franz Schreker opgevoerd in een regie van Martin Kušej. De getekenden – in de dubbele betekenis van het woord: de mismaakte of door ziekte getekende hoofdpersonen Alviano en Carlotta, en de door Carlotta letterlijk getekende mensen (of liever: handen).

Kušej heeft het verhaal dat tijdens de renaissance speelt naar onze tijd vertaald. Zo tekent Carlotta niet langer, maar maakt ze foto’s. Wat een accent verlegt, want de bedoeling (het willen vangen van ‘zielen’) blijft hetzelfde.
Maar Kušej gaat verder. Hij waste alle Jugendstil-decoraties af en boog de verkrampte manier van omgaan met seksualiteit om. Zo hield hij een laag over waarin de wreedheid van de tijd van ontstaan van de opera (aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog), net zo wreed als de tijd waarin Lewis leefde en waarin afwijkende verschijningen werden verborgen, tijdloos is. Een laag waarin kunst en leven, esthetiek en ethiek van elkaar zijn vervreemd; een wereldoorlog later kennen we de verhalen van de beulen uit de kampen die ’s avonds Mozart speelden.

De manier waarop Schreker zijn eigen libretto toonzette, doet soms meer aan de innerlijke wereld van de Franse impressionisten (Debussy, Ravel) denken dan aan de gevoelsuitbarstingen van de expressionisten van de Tweede Weense School (Schönberg, Berg, Webern). Daarom verzuchtte een recensent uit de tijd van de componist dat diens muziek geen toekomstmuziek was, maar – en dat was een rake constatering – ‘hedendaagse kunst in de volste zin van het woord.’ Actueel tot op de dag van vandaag, en daarom terecht weer onder het stof vandaan gehaald, zoals Lewis een film waard is.

Zoiets dergelijks geldt ook voor de waardering van het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea, die Schreker over de tijd heen de hand zou kunnen schudden. Zoals Schreker begon in een tijd dat de Weense School invloed begon te krijgen, zo begon de Haagse Andrea zijn loopbaan in een periode waarin de meeste schilders abstract werk maakten, terwijl hij het – net als Lewis – bij figuratieve schilderijen hield.

Andrea beeldt net zoals Schreker mismaakte mensen af. Mensen zonder volledig volgroeide ledematen, gedeformeerde lichamen à la Bacon. Ook zij lijken symbool te staan voor een gebroken wereld waarin geweld en preoccupatie met seksualiteit (over)heersen.
Maar er is nóg een overeenkomst: in beider werk is ook tederheid aanwezig. Niet voor niets is Schrekers werk verwant aan het impressionisme en wordt Andrea wel een ‘psychisch impressionist’ genoemd.

Het blijft allemaal dubbel: het eiland bij Schreker, de tuin op L’anuonciation II (1996-2001) van Andrea, de kippen, katten, bloemen, vlinders in heldere kleuren bij Lewis. Het is soms te mooi om waar te zijn, en te waar om mooi te zijn. Zoals het leven  zelf, al dan niet getekend door mismaaktheid, ziekte of pijn zoals bij Lewis.

Bij het overlijden van Nico Frijda

Nico FrijdaOp 11 april 2015 is op 87-jarige leeftijd de psycholoog Nico Frijda (afb.) overleden. Hij was niet alleen één van de meest geciteerde psychologen van ons land en grondlegger van het emotie-onderzoek, maar heeft ook invloed gehad op het werk van één van Nederlands meest gespeelde componisten: Chiel Meijering. Als in memoriam herplaats ik hier een gedeelte uit een artikel over Meijering dat in juni 2004 verscheen in Mens en Melodie.

Komt iemand met twee hoofden bij de koning. Of de koning ze wil splitsen. De koning vraagt niet naar een zwaard, maar om een emmer met heet water. Eén van de twee hoofden duwt hij onder water. Op het moment dat uit het andere hoofd een gil van pijn komt, zegt koning Salomo (want om hem gaat het hier): ‘Niks splitsen, ze horen bij elkaar.’

Ik moest hieraan denken bij het luisteren naar twee evenzeer heel verschillende composities van Chiel Meijering: Bats from Hell (2002) voor strijkkwartet en Infiltration M (2003) voor 3 harmonieorkesten. Eerstgenoemd stuk, waarvan de CD-opname door het Matangi Kwartet in Luister van januari 2004 een 10 kreeg, werd als dubbelslag in Mens en Melodie door Paul Janssen aldus omschreven: een ‘schitterend mysterieus Bats, een spookachtige nachtmuziek vol snerpend uitgewerkte dissonanten’, gevolgd door een From Hell waarin de ‘remmen volledig los gaan (…). Vooral dit tweede deel is een typisch Meijeringwerk’. En zo ontsnapte toch weer een gil aan één van de twee hoofden…

De componist heeft in een toelichting op één van zijn werken het ‘typische Chiel Meijering’-gehalte ook op een gelijkwaardige manier als tweeslag verwoord: ‘Virtuoos instrumentgebruik (…) gepaard aan lyriek in etherische passages.’ Maar toch wordt de nadruk veelal op het virtuoze en vitale karakter dat zijn muziek onmiskenbaar natuurlijk óók kent gelegd en minder op het ingetogen en meditatieve dat evengoed te bespeuren valt.

Het gaat soms zo ver dat, zoals tijdens de première van bovengenoemde compositie, het schitterend ingehouden Infiltration M tijdens het festival Musica Sacra Maastricht op 19 september 2003 sommige luisteraars dit werk als louter ‘een grappige remake van de film Fanfare (1958) van Bert Haanstra over rivaliserende fanfares in Giethoorn’ beschouwden. Dit omdat helaas één van de drie harmonieën bij de première ontbrak.

Nu zal Chiel Meijering zelf de laatste zijn om te ontkennen dat humor belangrijk voor hem is, ‘omdat ik mezelf als kunstenaar toch ook wel weer nuanceer en toch een hele echte Hollander ben met een katholieke vader en van huis uit protestantse moeder ook een merkwaardige mix van hard werken en uitbundige theatraliteit’; de ‘Existenzdialektik’ van Kierkegaard in een notendop!

Maar door de onevenredige aandacht die zowel het virtuoze aspect in Meijerings muziek als de – om een ander item te noemen – ‘opvallende titels met seksuele en anale toespelingen (19 centimeter uit 1981, of Gejaagd door ’n wind uit 1985)’ ten deel vallen, wordt – met dank aan de filosoof Wilhelm Schmidt, auteur van Filosofie van de levenskunst (2001) – mijns inziens maar al te gauw vergeten dat seksualiteit een onderdeel van de totale lustbeleving vormt; muziek staat, zowel in intellectuele als emotionele zin garant voor een intensere ervaring. En ook dit zal Chiel Meijering niet ontkennen, beïnvloed als hij is door een boek als De emoties van Nico Frijda. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

De dingen achter de wolken

U2_War‘”Religie is niks voor mij. Ik ben totaal anti-religieus. Religie duidt een collectief aan, een denominatie. Ik ben geïnteresseerd in een persoonlijke ervaring met God.” Dit is de mening van zanger Bono van de rockband U2 en ik [Jean Jacques Suurmond, in: Trouw, 6 januari 2015] hoor velen het hem nazeggen. Ze zijn bezig met spiritualiteit maar niet kerkelijk of religieus. Kan dat wel?’
N.a.v. de column van Suurmond, ‘Planeet met hangwangen’, herplaats ik hier in iets aangepaste vorm een artikel dat ik over U2 en Kierkegaard schreef in
In formatie (juli/augustus 1997).

Deze weg liep hij altijd op dezelfde tijd: van zijn grote huis aan de Bredgade naar de Domkirken. De mensen die Kierkegaard onderweg in Kopenhagen tegenkwam, wist hij zich – getuige uitlatingen in zijn Dagboeken – guitig te herinneren. Dit onverwacht speelse element kenmerkt niet alleen het verder zo strenge doen en laten van de Deen, maar ook de muziek van de rockgroep U2. Maar er is meer gemeenschappelijk tussen de filosoof en de Ierse groep. Teveel om toevallig te zijn.

De drie niveaus die binnen de nummers van U2 vallen te onderscheiden (het seksuele, het politieke en het spirituele), komen overeen met de drie niveaus die Kierkegaard in zijn boek Stadier paa livets vej (1845) omschreef als: het esthetische, het ethische en het religieuze.

De esthetische mens heeft plezier als een kind. Robert Heiss – een Kierkegaard-bewonderaar – heeft dit eens het ‘romantische levensstadium’ genoemd. Met alle gevolgen van dien: het stadium kan uitlopen op wanhoop en vertwijfeling.
De ethische mens staat meer in het leven en wordt doordrongen van algemeen geldende normen en waarden. Er wordt gekozen en er worden beslissingen genomen.
Door de religieuze houding tenslotte worden deze aspecten tot zin en samenhang gebracht. De stadia volgen elkaar dan ook niet op, maar bestaan naast elkaar als duidelijke, existentiële keuzen.

Het kind-zijn van de esthetische mens wordt door U2 verzinnebeeld door de afbeelding van een hoes van hun debuutalbum Boy (1980): het hoofd van een jongetje. Op hun tweede plaat, Oktober (1981) valt al te beluisteren dat de groepsleden zich interesseren ‘voor geestelijke dingen, de dingen achter de wolken’, zoals Paul Hewson (Bono) het uitdrukte. In 1983 brak U2 internationaal door met de plaat War (zie afb.), die refereert aan het Ierse oorlogsgeweld. De keuze – voor Amnesty International – is duidelijk.

Een poos was binnen de songs van U2 het religieuze element zeer nadrukkelijk aanwezig, zoals in het gospelachtige I still haven’t found what I’m looking for op de lp The Joshua Tree (1987). Maar naast dergelijke teksten vinden we op deze lp ook seksueel getinte en politiek geladen songs.

Zoals ook Kierkegaard na zijn bekering een hartstochtelijke liefde bleef voelen voor de Don Juan-figuur en zijn meest poëtische ontboezemingen niet in zijn esthetische maar in zijn religieuze werk (1846-1848) zijn te vinden. Als Bono zegt zich te interesseren voor ‘de dingen achter de wolken’, bedoelt hij dit niet ruimtelijk-geografisch, maar gelijk Kierkegaard als een beleving midden in het aardse-zijn. Geen ikkig gezweef, zoals Suurmond buitenkerkelijke spiritualiteit noemt, maar wel degelijk religieus geïnspireerd. Al dan niet beïnvloed door Kierkegaard.