Karl Jaspers bij HOVO Amsterdam

‘Wat is transcendentie? Waarom moeten we wat we niet kunnen uitleggen – liefde, hoop – toch koesteren? Jaspers kan inzichten bieden om er een eigen oordeel over te ontwikkelen.’

Zo staat het in de cursusaankondiging van HOVO Amsterdam: een cursus die binnenkort start over de psychiater Karl Jaspers, die vooral bekend werd als filosoof. Er is een cursusboek: Sporen van transcendentie van Jozef Waanders. De samenvatting daarvan luidt: ‘De Duitse filosoof Karl Jaspers (1883-1969) heeft als weinig anderen de crises van het moderne denken en bestaan verwoord en geduid. Daarbij stelt hij heel nadrukkelijk de vraag wat de filosofie – in het bijzonder de metafysica – in de moderniteit nog kan betekenen. Hij staat sceptisch tegenover de mogelijkheid van iedere (systematische) kennis en wijst voortdurend op de onoplosbare gespletenheid van het moderne leven. Maar tegelijkertijd laat hij zien hoe zich juist in die begrenzing en gebrokenheid óók de mogelijkheid van authentiek mens-zijn en transcendentie openbaart.’
Alles bij elkaar genoeg om me direct voor deze cursus via Zoom aan te melden. En ter voorbereiding vast een ander boek dan dat van Waanders te gaan lezen. Met als opgave om na afloop van de cursus te bekijken of ik op grond van het boek dat ik las, de cursus door Petra Bolhuis én het boek van Waanders in staat ben om een eigen oordeel te ontwikkelen.

Ik begon met het boek Filosofie van de onbekende God. Een kritische schets van het denken van Karl Jaspers van de hand van J.M. Spier. Hieronder geef ik weer, wat ik daaruit heb opgestoken. Voor lezers van deze blog die misschien, net als ik, nog niet zoveel van Jaspers weten wellicht ook interessant.

Ouverture
Een zin die mij aansprak, is: ‘Aan de ene kant wil filosofie bij hem geen wetenschap en geen gesloten systeem zijn. Want de waarheid is niet, doch zij wordt (…). Anderzijds wil zijn existentie-filosofie geen irrationalisme zijn, geen tegen-redelijke beweging’ (p. 8). Mooi, zorgvuldig geformuleerd, want wat ik nu al door heb, is dat Jaspers geen existentialist was, maar een existentie-filosoof, en dat is wat anders.
Het rijtje van filosofen waarvoor Jaspers een voorkeur heeft, en het rijtje van filosofen in wiens voetsporen hij wilde denken, zijn ook al veelbelovend. Enerzijds zijn dat Plotinus, Boëthius, Cusanus en Kant, en anderzijds Plato, Plotinus, Spinoza en Kant.
En dan heb ik het nog niet eens over de dialectische beweging die Spier in zijn werk herkent. Ik meen daar een zekere verwantschap met Karl Barth in te herkennen, hoewel die volgens Spier kritisch tegenover Jaspers denken stond. Niet alleen in de dialectiek, maar ook door een omschrijving als het ‘terugkeren tot de “grond”, nl. de transcendente, onbekende God’ (p. 14), ‘de grond van het Zijn’ (p. 16).
Met name het woordje ‘grond’ doet mij denken aan diens Tambacher Rede, maar ook aan Spinoza zoals Herman De Dijn hem in een recent boek (De andere Spinoza) beschrijft: de grond ‘als Natura Naturans, “onder” alle dingen’ (p. 200), hoewel De Dijn dat met Jean Wahl ‘trans-des-cendentie noemt. De Dijn schrijft in in zijn recente boek niet dat ‘aan zijn God wellicht toch een vreemde soort transcendentie toegekend moet worden’ (p. 11), hoezeer ook altijd de nadruk valt op diens immanente denken? Jaspers heeft het over de transcendentie die verschijnt in de immanentie (p. 33 Spier). We zullen het zien; het is complex, zoals De Dijn terecht concludeert.

Immanentie en transcendentie
Spier gaat in het vijfde hoofdstuk van zijn boek dieper in op de verhouding tussen wat hij noemt ‘de wijzen van het omvattende’, immanentie (bewustzijn, geest) en transcendentie (existentie en rede) bij Jaspers. Spier heeft het in dit verband over ‘het dualisme van Jaspers’ conceptie (…), die niet op een diepere eenheid teruggaat’ (p. 27), Dit is dan in tegenspraak met eerdere uitingen over de dialectiek van Jaspers, die hij denk ik eerder bedoelt en die wel degelijk een diepere eenheid, een grond kent zoals wij zagen. En het is ook in tegenspraak met latere uitlatingen, waarin hij stelt dat beide niet tegenover elkaar staan, alsof er tweeërlei zijnde is (p. 43) en dat de dialectiek ‘geen tegenstellingen overbrugt, noch gevaarlijke spanningen opheft, doch die laat voor wat ze zijn’ (p. 73). Het is alsof ik mijn oud-wijkpredikant ds. Eddy Reefhuis hoor, die mij wees op Barths Tambacher Rede en die vond dat ik maar mooi bij het dialectische denken moest blijven.

Chiffre
Het omvattende staat voor ‘het zijn zelf, god en wereld’ (p. 32). De wereld is het ‘radikaal-andere tegenover de Transcendentie’ (p. 35), de ‘verborgen God (…) [die] boven en buiten de wereld staat’ (p. 39). In de wereld zou niets anders van Hem zijn dan het chiffre, het codeschrift of symbool ‘waarin god spreekt of verschijnt’  (p. 95). Jaspers ontkent, dat je g/God kunt kennen. Niet door het chiffre, dat ‘wordt vernomen, niet begrepen of gekend’ (p. 96) en ook niet door Zijn Woord, dat hij hier helemaal niet noemt, of ombuigt in ‘de ervaring van deze wereld als spraak van god’ (p. 47) waarnaar men eenvoudig moet luisteren.
Overigens is niet alleen het zinnelijk-waarnemen in de wereld, maar ook de gedachte zelf die een chiffre kan worden. Bijvoorbeeld in ‘ontvouwingen bij dichters en filosofen’ (p. 97). ‘Chiffre wordt alles, als ik erbij vertoef, getroffen door een lichtstraal uit de grond van het Zijn’ (p. 98). Daar hebben we de grond weer! Maar dat kan wel zo zijn, Spier benadrukt telkens weer, dat ‘alles hoogstens gelijkenis en heenwijzing is. Nooit bereik ik god zelf’ (p. 98). Het chiffre benadrukt ‘de tegenwoordigheid én afwezigheid van de Godheid’ (id.). Het gaat niet om het kennen van g/God, ‘maar om de zelfverwerkelijking van de mens’ (p. 99).

Wijsgerig geloof
Wat ook hand in hand gaan, zijn ‘het geloof en de rede als uitingen van de existentie’ (p. 45). Het filosofisch geloof, wel te verstaan, dat ‘nooit kan stollen tot dogma of confessie’ (id.). Daarin kun je de dialectiek van these en antithese niet loslaten, want dan verval je in ‘eenlijnige gedachtengangen’ (p. 51) in plaats van het rusteloos zoeken naar de waarheid. ‘Waarheid voor de geest is overtuiging in ideeën, terwijl waarheid voor de existentie geloof is’, schrijft Spier elders (p. 66). Waarheid en liefde zijn de bron van vrijheid. Die vrijheid doet ons onvoorwaardelijk handelen bij iets nieuws uitkomen.

Je kunt niet ontkennen dat Jaspers daarin een kernboodschap van het Christendom heeft gegrepen. Hij schreef zelf, dat hij zich ervan bewust is ‘te leven in samenhang met het Bijbelse denken, daarin geboren te zijn en te ademen’. Hij houdt zich ‘voor een protestant (…) en heeft de gelukkige protestantse vrijheid zelf – zonder middelaar – in onmiddellijke relatie tot de Transcendentie, volgens de leidraad van de Bijbel en met Kant’ (p. 104). Al ziet Spier dit anders: ‘Zonneklaar blijkt dat juist datgene, wat het christendom tot christelijke religie maakt, bij hem niet alleen afwezig is, maar dat hij daarentegen een verbeten strijd voert’ (p. 107). Jaspers treft de drie-eenheid volgens Spier ‘in het hart’ (p. 107), daarmee omzeilend dat er veel gelovige niet-trinitariërs bestaan.
Sterker is misschien het feit, dat Jaspers de goddelijke openbaring verwerpt. Dit is volgens hem ‘een mythisch begrip, dat is beeldspraak met een bovenzinnelijke betekenis. Wie – volgens hem – aan de openbaringsidee haar mythisch karakter ontneemt en de openbaring opvat in de zin van empirische realiteit, die vervalt tot materialisme’ (p. 111). Hiermee ontzielt volgens Spier ‘deze denker de christelijke religie’ (id.). Sterker nog, volgens hem komt hij ‘plotseling aandragen met een platvloerse rationalistische kritiek op de mysteriën van het christendom’ (p. 112).

Beoordeling
Spier stelt, dat ‘de betekenis van het wijsgerig-bezig-zijn zó hoog is gespannen, dat het schijnt, alsof de functie, die de filosofie in het bestaan van de eigenlijke mens vervult, een religieus karakter draagt’ (p. 135). Ten aanzien van de verhouding tussen beide, filosofie en religie, schrijft Spier dat ‘ons leven gedragen moet worden door een diepere ordening, anders gaat het in versplintering verloren. Doch mét een ordening heeft het een zin’ (p. 137), een zinsnede die mij doet denken aan het bekende lied van Willem Barnard waarin sprake is van ‘zin en samenhang’ (Lied 225 uit het Liedboek voor de Kerken). ‘Filosoferen is tegelijk leren leven en kunnen sterven. Dan is het bestaan zinvol’ (p. 138). Onder dit gezichtspunt is filosofie geseculariseerde religie. Oftewel: ‘De filosofie kan niet geven wat de religie aan de mensen geeft. Daarom laat ze ruimte voor de religie’ (p. 139). ‘Twee wegen naar het ware geluk’, om de ondertitel van het hiervoor genoemde boek van Herman De Dijn over Spinoza aan te halen.

Spier besluit zijn boek met ‘Wat anderen zeggen’ (Barth, Van Riessen, Zuidema, Severijn, Jonker, Van Peursen en Beerling). Dat laat ik hier voor wat het is; het gaat me er straks om, wat Waanders in zijn boek en Bolhuis in haar HOVO-cursus over Jaspers te zeggen hebben en uiteindelijk hoe ik Jaspers’ werk weeg. Dan heb ik pas wat geleerd.

Grappig en gruwelijk tegelijk

Tijdens een HOVO-cursus over ‘Samuel Beckett – de laatste modernist’ (najaar 2020) kwam docent Ron Hoffman er – zoals hij zelf zei – niet onderuit Becketts beroemdste toneelstuk Waiting for Godot te behandelen. Het is een stuk dat langs veel schurkt: absurditeit, existentie, de Tweede Wereldoorlog. En niet in de laatste plaats humoristisch is.

Relatief lang bleven we stilstaan bij de beroemde monoloog van Lucky. Daar verschilden de meningen over. Een van de cursisten, een psychiater, beschouwde het als een uiting van een taalverwerkingsstoornis. De docent zag het eerst en vooral als een parodie op academische prietpraat, met zijn ‘quaquaquaqua’ en ‘acacademy’.
De monoloog schurkt ook langs de uitzichtloosheid in en direct na de Tweede Wereldoorlog. Nee: het gáát niet óver de oorlog, maar het speelt wel een rol. De monoloog is grappig en gruwelijk tegelijk, aldus Hoffman.

Het zaadje was gezaaid. Op het moment dat ik Waiting for Godot las, las ik de lezing ‘Aan de grenzen van de geest’ van Jean Améry in het door Arnon Grunberg samengestelde en ingeleide boek Bij ons in Auschwitz (Em. Querido’s Uitgeverij, 2020). Améry’s stuk begon ook langs het stuk van Beckett schurken.
Beckett heeft de tekst niet gekend, want deze is na Waiting for Godot geschreven. Het is dan ook alsóf ze door de thematiek met elkaar in gesprek gingen, als ware het dat er een bepaalde geestesgesteldheid in naar voren komt die dezelfde is. Die door de Tweede Wereldoorlog is gevoed.

Améry begint zijn lezing ‘Aan de grenzen van de geest’ met een opmerking die een vriend uitsprak, toen hij vertelde dat hij het over de intellectueel in Auschwitz wilde hebben: heb het zo min mogelijk over Auschwitz en zoveel mogelijk over ‘de intellectuele kwestie’. Maar hij kan niet om ‘de gruwel’ heen.
Om te beginnen geeft Améry een definitie van een intellectueel: ‘Een mens die binnen een zo ruim mogelijk geestelijk referentiekader leeft’. Hij plaatst zo’n intellectueel ‘in een omgeving waar het er voor hem op aankomt de werkelijkheid en de werkingskracht van zijn geest te harden of nietig te verklaren’.

Aan het eind van de monoloog bij Beckett trekt Vladimir, de intellectueel in het stuk, de hoed van het hoofd van Lucky, de werker. Lucky zwijgt en valt. In Auschwitz waren veel intellectuelen volgens Améry niet in staat te werken. Zelfs ‘Mutsen af!’ kregen ze met moeite voor elkaar, omdat ze niet gewend waren onderdanig te zijn zoals Lucky.

Aan zijn intellectuele bagage had de gevangene in Auschwitz in sociale zin niet veel, en zelfs de transcendente ervaring ervan viel weg. Dat ervoer Améry toen hij bij het zien van een vlag, die bij hem een strofe van Hölderlin opriep; ‘het gedicht transcendeerde de werkelijkheid niet meer’. Dat had misschien alleen gekund, als hij een kameraad had gehad, zoals Vladimir Estragon. En dan nog: toen Améry een filosoof van de Sorbonne ontmoette, gaf deze alleen ‘eenlettergrepige, mechanische antwoorden en verstomde tenslotte helemaal (…). Hij geloofde gewoonweg niet meer in de werkelijkheid van de geestelijke wereld en weigerde het intellectuele spel te spelen’.

In Auschwitz ontdeed de intellectueel zich ‘van het traditionele filosofische idealisme’. En Améry citeert in dit verband Karl Kraus: ‘Het woord ontsliep toen die wereld ontwaakte’. Dat is het wat Lucky ons mijns inziens óók laat zien en horen.

 

Link naar de monoloog van Lucky, gespeeld door Billy Crudup: https://www.youtube.com/watch?v=eGQToJ9RR-4

 

 

‘As described in section six’

Ik ga nog even verder met Spinoza. Dit keer in verband met Samuel Beckett, in het bijzonder naar aanleiding van een vraag die Ron Hoffman stelde tijdens een HOVO-cursus over Beckett. Die vraag had betrekking op Becketts Murphy en luidde: ‘Werkt hoofdstuk 6 of niet? Het hoofdstuk werd al in hoofdstuk 1 aangekondigd’.

Murphy
Eerst even kort iets over Murphy (1938). Ik baseer me daarbij op Hoffman, die vindt dat je het voorwoord tot de door hem aanbevolen Faber and Faber-uitgave in de editie van J.C.C. Mays (2009) niet op voorhand moet lezen.
In Becketts eerste roman is sprake van een hoofdpersonage, Murphy, die op zoek is naar een soort verlossing.

In het eerste hoofdstuk is de vraag of Murphy nu vrij is of niet: lichamelijk en/of geestelijk. Het antwoord is, dat hij zichzelf vrij maakt: ‘For it was not until his body was appeased that he could come alive in his mind as described in section six’ (p. 4).

De ontknoping volgens Hoffman is, dat hoofdstuk 6 er zó uit zou kunnen. Waarschijnlijk, omdat hij ervan uitgaat, dat literatuur geen filosofie is, en filosofen die literatuur schrijven – zoals Sartre – volgens hem geen goede schrijvers zijn.

Spinoza
Het antwoord op de vraag over de verhouding tussen hoofdstuk 1 en 6 vond ik echter juist in het filosofische motto van het laatstgenoemde hoofdstuk:

            Amor intellectualis quo murphy se ipsum amat

‘Daar wil ik even niets over zeggen’, antwoordde Hoffman nadat ik de naam van Spinoza in dit verband had laten vallen. Dit geeft mij gelegenheid dat hier wél te doen. En er meteen bij te zeggen, dat hij er een les later wel op terugkwam en concludeerde dat Beckett de draak met Spinoza stak.

Om te beginnen zet dit citaat de lezer die wat van Spinoza weet, op het spoor van stelling 36 uit het vijfde deel van de Ethica over de Amor intellectualis Dei (de verstandelijke liefde tot God):

‘De verstandelijke liefde van de geest jegens God is de liefde voor God, waarmee God zichzelf liefheeft’ (vert. Henri Krop).

Natuurlijk, Beckett neemt er een loopje mee, maar we zijn hoofdstuk 6 in ieder geval met Spinoza binnengekomen, zoals Hoffman ons liet zien dat we elders op bijvoorbeeld Kant en Schopenhauer stuiten.

Beckett
Als Becket het in hoofdstuk 1 dan heeft over lichamelijke en/of geestelijke vrijheid, dan ben je in hoofdstuk 6 niet ver verwijderd van wat Spinoza over die verhouding schrijft, wat wel met een foutief woord ‘parallellisme’ wordt genoemd. Lichaam en geest zijn bij Spinoza – in tegenstelling tot bijvoorbeeld Descartes – één, hoewel ze op hun eigen wijze tot uitdrukking komen.

Spinoza heeft het in die stelling ook over de liefde van God voor zichzelf … Dus Beckett vertaalt dit alleen maar naar de situatie van Murphy, die zichzelf lief heeft!

Zeer Beckettiaans allemaal, maar zonder Spinoza was ik hier nooit op gekomen. En zonder Hoffman ook niet, die de kunst verstaat je zelf aan het denken te zetten.

‘Zingevend, zoutgevend en riskant’

Eerder had ik het op deze blog over Hugo Mercier, op wiens spoor ik was gezet door Gerko Tempelman tijdens de cursus Fake-nieuws en de feiten van HOVO-Amsterdam.
Een andere denker die Tempelman noemde, en wiens spoor ik in deze blog volg, is de Amerikaan John D. Caputo (zie foto), sinds 1992 hoogleraar Filosofie aan de rooms-katholieke universiteit van Villanova (Pennsylvania, VS). In casu diens boek Religie (vert. Arend Smilde, uitg. Routhledge, 2002).

Een boek dat – het begint al goed – is opgedragen aan de Franse filosoof Jacques Derrida, die – zo schrijft Caputo – ‘mijn tong heeft losgemaakt’. Het begint niet alleen goed, het gaat ook zo verder (hoofdstuk één): over ‘De Liefde tot God’, de amor intellectualis Dei zou Spinoza zeggen. Al bekent Caputo zich niet tot hem, maar tot Augustinus. Ook fijn. En tot religie met of zonder religie. Een doordenkertje, hem aangereikt door Derrida.
De maatstaf is de liefde. Het is wat Typhon by heart citeerde in de eerste uitzending van Zomergasten in dit seizoen: ‘De liefde is geduldig en vriendelijk, niet opgeblazen of opschepperig, zij verdraagt alles, gelooft alles, hoopt alles, duldt alles’ (I Kor. 13).

God mag het weten
Het verschil tussen Spinoza en Augustinus zit er misschien in – Caputo interpreterend –, dat eerstgenoemde gelooft in een relatieve toekomst (vanuit de amor intellectualis) en Augustinus in een absolute toekomst, vanuit geloof, hoop en liefde. De één (Spinoza) beweegt zich binnen de ratio, de ander (Augustinus) binnen het domein van wat Caputo ‘God mag het weten’ noemt; niet Deus sive Natura, God of Natuur (Spinoza), maar de God van het onmogelijke dat mogelijk wordt (Derrida). Niet de orde van de natuur, maar die van de ervaring, ‘een religieuze structuur’ (Caputo) waarin ‘je kwetsbaar wordt, verwachtend, in beweging geraakt, in beweging bent, wordt bewogen’. Zo raakt het religieuze, stelt Caputo, aan kunst en politiek, ‘zingevend, zoutgevend en riskant’.
De orde van de Natuur is vervangen door de herschepping van de aarde (Psalm 104: 30), of misschien – een iets andere, door het joodse denken ingegeven afslag dan Caputo neemt – de voltooiing van de schepping.

Wegwijzers
Er wordt – we pakken de draad van Caputo weer op – ‘van ons verlangd dat we tot daden komen’. Volgens hem in onwetendheid (docta ignorantia) wat ik waag te betwijfelen, want we hebben de Tien Woorden, de tien geboden toch, die ons de weg wijzen? Tien leefregels hoe te handelen.
Dat is iets anders dan de stelling van Caputo, dat we ‘geen verbindingslijn naar een Transcendente Supermacht hebben die ons Het Geheim van De zin van het leven meedeelt, of van het heelal, of van goed en kwaad, en die dat zou doen op voorwaarde dat wij bidden en vasten en geen onreine gedachten hebben’.
Ik ben het met Caputo eens, dat het gaat om het doen van waarheid (daar is de link met de cursus van Gerko Tempelman!). En dat kan op grond van de Tien Woorden of de Noachitische geboden, zonder – en dat ben ik ook met Caputo eens – triomfalisme over het geloof of door anderen als ‘ongelovigen’ af te schilderen.

Liefhebben
Een stap verder denkend, deels in de voetsporen van Caputo en deels parallel daaraan, kun je je afvragen of het zo is, dat je in de liefde voor de Wet (Simcha Torah), eigenlijk niet God lief hebt. ‘Is liefde een manier om een voorbeeld van God te geven? Of is God een naam die we geven aan voorbeelden van liefde?’ En als er al een antwoord is, dan is het het ‘Hineini’, hier ben ik. Van Abraham en van Maria op de aankondiging van de geboorte (Annunciatie) door de engel Gabriël.

De hele bedoeling is te reageren, de waarheid te doen, waarheid te doen gebeuren, facere veritatem zoals Augustinus zei, gerechtigheid doen, het onmogelijke doen, de berg van zijn plaats doen komen, gaan waar ik niet gaan kan’.

En dan zijn we toch weer bij Spinoza, via Augustinus. ‘Een van de grote lessen’ uit Augustinus’ werk is volgens Caputo, ‘dat liefde aanspoort tot het zoeken naar kennis’. Eén van de lezers die voor mij het boek uit de Openbare Bibliotheek leende, heeft bij deze passage een streep voor de kantlijn gezet. En toch: geloof is geloof volgens Caputo en geen kennis. Hij blijft herhalen: ‘wat heb ik lief, wanneer ik mijn God liefheb?’ Hij voert de spanning op en zoekt het antwoord op de plek (de lege ruimte, zou ik met Theo Witvliet willen zeggen, of Makom met het joodse denken) tussen geloof en geloof zonder geloof. Misschien heeft Spinoza dit wel ten volle geleefd.

Halve waarheden

De leader bij het interview dat Joël De Ceulaer had met de Franse cognitief wetenschapper Hugo Mercier (in: De Morgen, 23 februari 2020, zie foto) komt op mij vreemd over: ‘De meeste Duitsers’, citeert de krant Mercier, ‘hadden een afkeer van nazipropaganda’. Mijn haren gingen overeind staan: en van de daden die daaruit volgden dan? Hoe zit het daarmee?[1]

Ook in de tekst zelf stopt hij bij de geciteerde uitspraak, die zelfs de kop boven het interview werd. Dat is vreemd, voor een pragmaticus, waarvan Bert Keizer (in: Trouw, 10 juli j.l.) zo’n rake definitie gaf: ‘Zij willen het geloof in een waarheid onmiddellijk koppelen aan wat het uitmaakt in je handelen’. Het Angelsaksische pragmatisme heeft immers, door toedoen van onder anderen Bruno Latour, ook in Frankrijk wortel geschoten.

Ook op een andere plaats in het interview laat Mercier dit half na. Hij stelt dat, ‘als je wil weten waar het antisemitisme het felst was tijdens de jaren dertig, je moet kijken naar de regio’s waar in de veertiende eeuw de meeste pogroms plaatsvonden’.
Pragmatisme met terugwerkende kracht, zou je kunnen zeggen. Maar hoe verklaart hij dan dat in een land als Nederland, waar geen pogroms hebben plaatsgevonden, relatief veel joden zijn weggevoerd? Temeer daar hij niets moet hebben van het narratief ‘dat mensen gehoorzaam’ zijn.

Natuurlijk, er zitten ook rake observaties in dit interview. Bijvoorbeeld over het verschil ‘tussen intuïtief in iets geloven, en reflectief in iets geloven’. Het eerste heeft invloed op je gedrag, het tweede niet.
Een raak voorbeeld daarvan geeft Hasan Nuhanovic in zowel zijn boek Briefkaarten uit het graf als in zijn recente De tolk van Srebenica. Gebrek aan kennis, meent hij, leidt tot wat hij gevoelsmatige oordelen noemt en dien ten gevolge tot geen actie ondernemen. Dat geldt niet alleen voor de Verenigde Naties, maar ook voor Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, die Dutchbat in de kou lieten staan.

Niet dat niet tot actie overgaan, hoe kwalijk ook, uiteindelijk altijd verkeerd hoeft uit te pakken. De Belgisch-Rwandese politicoloog Olivia Rutazibwa geeft in een interview met Warda El-Kaddouri (in: De Groene Amsterdammer, 9 juli j.l.) een voorbeeld: ‘Tijdens de genocide in 1994 greep de internationale gemeenschap niet in, waardoor het land een sterk gevoel van zelfredzaamheid heeft ontwikkeld. Rwanda aanvaardt nog hulp, maar ze bepalen zelf de voorwaarden. Dat creëert een ander soort machtsdynamiek.’

Of, zoals de Zuid-Afrikaanse schrijver en wetenschapper Panashe Chigumadzi in een interview met Claire Gargard (in: Wordt vervolgd, juli/augustus 2020) zegt: ‘De primaire rol van het Westen zou moeten zijn om het gesprek over het verleden aan te gaan en herstelbetalingen te doen daarvoor. Zij besluit met: ‘Afrika is niet alleen de toekomst voor mij. Ze is het verleden, het heden én de toekomst.’

Als we zo de helft van het pragmatische verhaal van Hugo Mercier – althans in het aangehaalde interview – mogen aanvullen, dan weer richting verleden, dan weer in het heden, maar altijd met het oog op een hoopvolle toekomst (wat hebben we ervan geleerd?), dan is het goed; dan zijn het geen halve waarheden meer.

Link naar het interview met Hugo Mercier: https://www.demorgen.be/nieuws/de-meeste-duitsers-hadden-een-afkeer-van-de-nazipropaganda-cognitief-wetenschapper-hugo-mercier~b0f1fc32/

[1] Gerko Tempelman wees op dit interview in het kader van de cursus ‘Fake-nieuws en de feiten’ van HOVO Amsterdam (juni-juli 2020 via ZOOM).
Foto van Hugo Mercier afkomstig van diens website.

HOVO-cursus over Alain Badiou

HOVO Amsterdam komt in de zomer met een aantal interes–sante cursussen via ZOOM. Zo zal Ype de Boer op 22, 24, 29 juni en 1 juli a.s. vier colleges geven over de Franse filosoof Alain Badiou (1937, zie foto) onder de titel: Hedendaagse filosofie over liefde en geluk.

In mijn MA-scriptie, over het kwaad in de filosofie van Susan Neiman (1955) en bij de schrijver Philippe Claudel (Het kwaad denken), heb ik het begrip Ereigniës (drama, incident) in Claudels Het verslag van Brodeck verbonden met drie kernwoorden in het denken van deze Franse filosoof  en ethicus, schrijver, wiskundige, politiek activist én fluitist: evenement, waarheid en trouw. Deze kernwoorden vormen bij hem de strengen van een koord die de verschillende domeinen die hij onderscheidt (politiek, kunst, wetenschap en liefde) bij elkaar houden.

Evenement en waarheid
Het begrip evenement betekent bij Badiou: een belangrijke gebeurtenis die inbreekt in tijd en ruimte, zonder dat degene die het overkomt er controle over heeft. Een gebeuren met andere woorden dat in het leven ingrijpt en er een spoor door trekt.

Waarheid wordt bij Badiou aan het licht gebracht door één van de vier genoemde domeinen. Zij hebben tot taak de innerlijke samenhang ertussen te duiden. Waarheid voltrekt zich zowel bij Badiou als Claudel ná de Ereigniës, na het evenement. Misschien kun je dan ook beter spreken van waarmáken. Waarheid, of waarmaken, komt tot uiting in de manier waarop degene die het evenement overkwam er trouw aan blijft, dat wil zeggen zich opnieuw verhoudt tot de wereld, in de weg die hij vervolgens gaat.

De drie kernwoorden worden als gezegd bijeengehouden door verschillende domeinen die Badiou onderscheidt: politiek, kunst, wetenschap en liefde. Met name op kunst en liefde ga ik hier kort in.

Kunst
In zijn boek De twintigste eeuw gaat Badiou op een gegeven moment in op het doek Wit vierkant op witte achtergrond van de schilder Malevitsj (1878-1935): ‘het verschil tussen achtergrond en vorm en vooral het ontbrekende verschil van wit tot wit, het verschil van Hetzelfde, dat we het vervagende verschil kunnen noemen’. [1] Het wit op wit staat voor Badiou voor het minimale verschil dat een antwoord kan zijn op het gevaarlijke ideaal van een gedeelde identiteit die mensen uitsluit, zoals de vreemdelingen in de romans van Claudel.

Volgens Badiou leidt de aandacht voor verschillen, voor anders-zijn er alleen maar toe, dat we de waarheidsvraag en het universalisme van de waarheid uit het oog dreigen te verliezen. Een gebeurtenis, een Ereigniës, gaat het hele dorp in dezelfde mate aan en de waarheid beperkt zich niet tot een bepaalde, particuliere groep. In die zin wil Badiou aan het woord ‘jood’ geen particuliere betekenis hechten in de zin van uitverkiezing. Een uitzonderingsstatus is volgens hem hetzelfde als wat de nazi’s, in omgekeerde zin, deden.

Liefde
Tenslotte nog enkele woorden over het laatste kernwoord, ‘liefde’. De dynamiek hiervan beschouwt Badiou ook als een evenement, als een waarheidsprocedure om de titel van een essay van Dominiek Hoens aan te halen. Een proces van waarmaken. Badiou wijst de opvatting dat liefde eenwording is, af. Hij doet dat op grond van het feit dat wanneer je van eenwording spreekt, meervoudigheid wordt onderdrukt. Hij laat de ander, l’autre in de zin van Levinas met een kleine letter, zichzelf zijn, – en richt zich niet op de liefde als mystieke eenwording met l’Autre, de Ander met een hoofdletter, God.

Volgens Dominiek Hoens zou er nog een vijfde kernwoord door Badiou’s hoofd hebben gespeeld: theologie.[2] Ik denk echter dat dit eerder een brug is in de zin van Claudel, die verschillende oevers (politiek, kunst, wetenschap, liefde) met elkaar verbindt. Badiou betreedt die brug onder meer in zijn boek over de apostel Paulus (uitgave Ten Have, 2008, bezorgd door Dominiek Hoens).

Of De Boer daarop in zal gaan, weet ik niet. In ieder geval zullen tijdens de HOVO-cursus twee kernwoorden bij Badiou centraal staan: liefde en geluk. Ik zie ernaar uit.

[1] Alain Badiou, De twintigste eeuw. Kampen, Ten Have, 2006, p. 78.

[2] Dominiek Hoens, ‘Immanentie van het twee. Over liefde als waarheidsprocedure’. In: Het uur van de Waarheid. Alain Badiou – revolutionair denker. Red. Richard de Brabander. Kampen, Ten Have, 2006, p. 67-81.

Minste en meester

Ten gevolge van de maatregelen van de regering met betrekking tot het coronavirus, zijn musea en kerken gesloten. Dat geldt ook voor de Amsterdamse Thomaskerk. Daar zou tot en met 8 april a.s. op dinsdag- en woensdagmiddagen, en rondom de diensten, de expositie Minste en meester te zien zijn geweest (zie foto). Dat wil zeggen de veertien kruiswegstaties zoals Henk van Loenen ze weergaf. Veertien close ups van het gezicht van Jezus, uitgaande van de vraag wie Hij was en wat Hij de mens van vandaag te zeggen heeft.

Gelukkig valt de tweede serie kruiswegstatie in zijn geheel op de website van Van Loenen te vinden: http://www.henkvanloenen.nl/page/beeldKruisweg.html Anders had deze blog niet geschreven kunnen worden, want ik had de eerste serie in de Thomaskerk nog niet gezien. Omdat ook de drie lezingen van Ruud Bartlema over hedendaagse kruiswegstaties (HOVO Amsterdam) ten gevolge van de coronacrisis waarschijnlijk deels of geheel vervallen (maar hopelijk op een andere manier worden aangeboden), heb ik die van Henk van Loenen maar goed op me in laten werken.

De beelden die deze kruiswegstatie II bij mij oproepen, vallen soms samen met die in een IDFA-film, Hidden wounds (link onderaan deze blog). Een korte documentaire van Tomas Kaan en Arnold van Bruggen over Belgische veteranen, met muziek van dEUS. Zoals in de film de figuren soms een schaduw krijgen die dan weer uit beeld verdwijnt. Zo was ook Jezus een man met een schaduw, gelijk van sommige personages in de Leedvermaak trilogie van Judith Herzberg wordt gezegd.

Wat Hij vandaag te zeggen heeft? Misschien dat Hij met ze is, met de mannen (en niet getoonde vrouwen) die gezien hebben (03’10”, 05’24”, 6’22”) zoals Jezus de dood om zich heen zag. Met dezelfde soort naar binnen gekeerde ogen als op de eerste statie (‘Ketter of broeder’).
Wat heeft Jezus vandaag te zeggen? Dat het verdriet van Zijn moeder, Maria (vierde statie), universeel en hetzelfde is van de vrouwen in de documentaire. Zelfs hun oogopslag is universeel (03’16”, 04’11”).

Er zijn natuurlijk ook verschillen tussen de kruiswegstatie van Van Loenen en de film van Kaan en Van Bruggen. Naast de naar binnen gekeerde blik, worden de wonden van Jezus in de film expliciet getoond. Die van de veteranen worden niet in beeld gebracht. In plaats daarvan worden tattoos ervan getoond. Symbolen van machisme. Van Loenen zou er een titel aan hebben gegeven. We mogen zelf bedenken welke, maar dat niet alleen. Ook of dat zou kloppen.

De foto bij deze blog is ontleend aan het Maandbericht Maart 2020 van de Thomaskerk.

https://www.idfa.nl/nl/film/35986703-5e3f-4280-abbe-6ce02d9675b0/hidden-wounds

tekst: https://www.google.com/search?client=firefox-b-d&q=tekst+hidden+wounds+deus

 

Een jaar met negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse Nederlanders

De tijd van eindejaarlijstjes is weer aangebroken. Zoals het me in 2012 uitstekend beviel, me een jaar lang in Beethovens muziek onder te dompelen, en ik dit verleden jaar herhaalde met de Grieken, zo stond afgelopen jaar in het teken van de negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur. Een alternatief lijstje dus.

  1. Ouverture

Eerlijk is eerlijk: het begon eigenlijk eind november 2018, toen een kennis voorstelde om naar de voorstelling Van de koele meren des doods te gaan, naar het boek van Frederik van Eeden (uit 1900). De hoofdrol in deze toneelbewerking, die we zagen in het DeLaMar Theater in Amsterdam, werd vertolkt door Hanne Arendzen. En hoe! Ze kreeg er terecht zeer lovende recensies voor en het zette mij op dit jaarthema.

  1. Aart van der Leeuw

Theoloog en Neerlandicus Wessel ten Boom voerde in een artikel, opgenomen in Leven in de waagschaal (uitg. Skandalon, 2019) zijn leraar Nederlands op, die ‘ooit stelde aan de hand van Aart van der Leeuw, of een schrijver niet met het leven en zichzelf verzoend moet zijn wil hij tot een groot kunstwerk komen’ (p. 213). Implicerend dat Van der Leeuw níet met het leven en zichzelf was verzoend en níet tot een groot kunstwerk kwam.
Toch zijn diens boeken – die mijn moeder zo graag las – nog steeds de moeite waard. Ik las er een: De kleine Rudolf (1930) alsmede het gedicht ‘De stilte’, dat de e-mail gedichten van de website Laurens Jz. Coster mij meteen aan het begin van het jaar (op 3 januari jl.) al toewierp. Een gedicht dat nog de sfeer van de Tachtigers ademt, want in die sfeer was hij begonnen.

  1. De Tachtigers: een revolutie in de Nederlandse literatuur

Dit laatste brengt mij naar de vier hoorcolleges over ‘De Tachtigers’ die prof. dr. Marita Mathijsen gaf aan de HOVO in Amsterdam. Ik heb ervan genoten, van de literatuur, van de manier waarop zij die over het voetlicht bracht. Met verwijzingen naar de schilderkunst, met leestips en vol aandacht voor de vragen die wij ouderen op haar afvuurden en zij naar ons. ‘Kijkt u eens naar buiten, naar de lucht en vertel wat u ziet’. Waarop zij onze schamele antwoorden begon aan te kleden op de manier waarop de Tachtigers de lucht probeerden te pakken, of liever: in klank wisten om te zetten:

‘zwaar zweeg en zonder licht een volle dag
uit wolken’
(Jacques Perk: Sandissima virgo).

  1. Slauerhoff

In het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie gaf Hein Aalders, die ik nog kende uit mijn tijd als hoofd- en eindredacteur van Quadraatschrift, een lezing over Slauerhoff, waarin hij vooral diens poëzie behandelde. Hein bezorgde, samen met Menno Voskuil, een volledig herziene uitgave van de Verzamelde gedichten van Slauerhoff (uitg. Nijgh & Van Ditmar).
Aalders behandelde ook een andere, minder bekende kant van Slauerhoff, die hij terugvindt in het gedicht ‘Kreta’ dat de rustige sfeer ademt van een schip dat langzaam langs een eiland voortschuift.

  1. J.H. Leopold

De hiervoor genoemde Wessel ten Boom gaf in dezelfde tijd als Hein Aalders zijn lezing gaf, een korte cursus over J.H. Leopold. In diens werk gaan, volgens de aankondiging van de cursus, ‘een vaste hand en een tedere emotie samen, van geserreerdheid en muzikaliteit. Zij tekenen de poëzie van (…) [deze] man, die balanceerde op de rand van christendom en heidendom’.  Een kenmerkende zin, voor wie Ten Boom inmiddels een beetje kent.
Zowel Marita Mathijsen als Ten Boom plaatsen Leopold binnen het symbolisme. In dat verband wees Mathijsen naar de matte kleuren van een schilderij van Derkinderen in de rooms-katholieke Begijnhofkapel in Amsterdam (1888, zie afb.), waar ik me meteen naar toe spoedde.

  1. De glanzende kiemcel

In het najaar verzorgde Wessel ten Boom wederom drie ochtenden, nu naar aanleiding van De glanzende kiemcel van Simon Vestdijk.
Een van de mooiste gedeelten uit Vestdijks boek vond ik dat over het sonnet; daar blogde ik al  over (12 november jl.). Ik  ontving even later wederom een gedicht van ‘Laurens Jz. Coster’. Dit keer een ‘Sonnet’, zoals het eenvoudig heet, van Willem de Mérode (uit: De donkere bloei, 1926):

Zij ging zoo rustig door de jaargetijden
Des levens, of het altijd winter was
En avond, en zij bij het haardvuur las
Van eigen leed, dat andren moesten lijden.

Zij werkte zonder weerzien of verblijven:
Boende het huis en zeemde ’t vensterglas;
Bereidde ’t maal en deed de groote wasch
En liet zich roerloos in den slaap verglijden.

Zij wist van vreugde niet, bedwong geween,
Maar louter, als een zacht patina scheen
Iets zilverigs om haar eenvoudig wezen.

Zij was zoo zuiver en zij deed zoo klaar
Alsof ze één van Gods milde handen waar’,
Druk bezig om de wereld te genezen.

Zou hier iemand onder de cursisten zeggen dat de werkster van Achterberg hem liever is? Of zou diegene overstag gaan, omdat er sprake is van Gods milde hand? Het zou allebei zomaar kunnen. Ook een vergelijking met Du Perron ligt voor de hand (zie mijn blog van 27 november jl.), maar dan graag wat méér voorbereid dan tijdens de laatste van de drie ochtenden over Vestdijk met enkele gedichten gebeurde en tot speculaties leidde.Daar moeten we maar niet aan beginnen.

  1. Herman Gorter

Op aanraden van Marita Mathijsen lazen velen van de HOVO-cursisten nu eens de ‘Mei’ van Herman Gorter verder dan die eerste, beroemde regel. Ook ik deed dat en vond het mooi.
En toen kwam er in de herfst een nieuwe poëzieserie: Rainbow poëzie. Het eerste deeltje bestaat uit gedichten van die Herman Gorter. Ik heb ermee in mijn handen gestaan en erin gebladerd. Ook dit zijn mooie gedichten. Over vrouwen, over liefde, over de natuur.
En toch heb ik na dit jaar ondergedompeld te zijn geweest in de negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur, in plaats hiervan gekozen voor het tweede deel in deze nieuwe serie, met gedichten van Rutger Kopland.
Ik denk namelijk uiteindelijk dat mijn hart méér bij de latere poëzie ligt. Daarom is dit ook geen Top-10 maar een Top-7 geworden. Ook een mooi getal, daar niet van. Waarom ik in de loop der tijd muziek uit de laatromantiek wel ben gaan waarderen (Mahler, Bruckner), en de literatuur uit die periode (nog?) niet, zou ik eens moeten uitzoeken.Dat is voor later zorg.

 

Het thema van volgend jaar weet ik al, maar hou het nog even voor me. Het jaar is tenslotte (ook) nog niet om. Al is de ouverture ook hier alweer opgedoken … Als aankondiging.

Een jaar met de Grieken

De tijd van eindejaarlijstjes is weer aangebroken. Zoals het me in 2012 uitstekend beviel, me een jaar lang in Beethovens muziek onder te dompelen, zo stond afgelopen jaar in het teken van de Griekse kunst, op welke manier dan ook. Een alternatief lijstje dus – net geen Top10.

1. Synesios van Kyrene
Het begon allemaal aan de vooravond van 2018, toen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een nieuw deeltje in de serie ‘Monobiblos’ van uitgeverij Damon werd gepresenteerd. In de slipstream hiervan werden enkele gedichten gelezen uit de negen hymnen van de Ene, Dans die het heelal omkranst, van Synesios van Kyrene in een vertaling van Piet Gerbrandy. Ik was verkocht, of, zoals Gebrandy zelf eens (in: De Gids, 2018/5) schreef naar aanleiding van Gorters Mei: ‘Ik was na herlezing enigszins van slag’ van in mijn geval ‘diepste gedachten over god en mens, geest en ziel, energie en materie’ zoals de achterflap schrijft.
Ik hou het eventueel verschijnen van nieuwe deeltjes in deze serie ook in 2019 nauwlettend in de gaten. En ga meer van de hand van Gerbrandy lezen. Bijvoorbeeld de bundel Steencirkels en/of Grondwater.

2. Oedipus
Op z’n tijd ga ik naar een openbare repetitie in de Stadsschouwburg Amsterdam (nu: Internationaal Theater Amsterdam, ITA). Begin mei was het weer zo ver: Toneelgroep Amsterdam repeteerde er Sophocles’ tragedie Oedipus in een regie van Robert Icke. Ook hier gold: ik was verkocht en kocht een kaartje voor de volledige, ‘echte’ opvoering.
Het is, zoals een Boomerang-kaart schrijft, ‘het verhaal van een man die de top bereikt, om tot de ontdekking te komen dat hij de meest fundamentele grenzen heeft overschreden. Maar is hij schuldig?’ Zo’n vraag zegt denk ik meer over onze tijd dan die van Sophocles.

3. Elektra van Diepenbrock
Eens in de maand leid ik een muziekclubje in een verzorgingshuis. Zowel de bewoners als ik ontlenen er energie aan en ik ga altijd weer vrolijk naar huis. Een keer had in gekozen voor de toneelmuziek bij Elektra van – daar heb je hem weer – Sophocles door Alphons Diepenbrock.
Er kwam een gesprek op gang over de vraag of men zelf wraak in het leven had gekend. Een leermoment voor mij om in ’t vervolg muziek te kiezen die waarlijk het leven zelf raakt. Nog een voornemen voor 2019.

4. Daniel Mendelsohn: Een Odyssee
In het najaar volgde ik een HOVO-cursus over Homerus’ Odyssee door Hein van Dolen. Ter voorbereiding koos ik ervoor niet het origineel te herlezen (de eerste keer dat ik het las staat me nog helder voor de geest: op vakantie in Bologna), maar de roman Een Odyssee van Daniel Mendelsohn. Elke cursusochtend raakte ik méér geïmponeerd door de manier waarop de schrijver, tot in de détails, tot Homerus is weten door te dringen.

5. Shakespeare: Troilus and Cressida
Van Dolen noemde aan het eind van de cursus niet zozeer het boek van Mendelssohn als wel enkele andere werken die door de Odyssee zijn beïnvloed. Daaronder was tot mijn verbazing het toneelstuk Troilus and Cressida van Shakespeare, dat speelt tijdens de Trojaanse oorlog. Ik heb er een dvd van (BBC, 2005) in een regie van Jonathan Miller die ik eindelijk eens heb bekeken.

6. Mythos van Stephen Fry
Om in de sfeer te blijven, vroeg ik het boek Mythos van Stephen Fry voor mijn verjaardag en werd getroffen door overeenkomsten (en verschillen) met de Bijbel. Zo kwam ik onder meer te weten, dat de Griekse mythologie, net als Genesis, twee scheppingsverhalen kent. Ze werden door Fry – die ik overigens eens in een Shakespearevoorstelling in Londen zag – beschreven onder de titel ‘De speeltjes van Zeus’: Prometheus en Zeus kleien kleine figuurtjes, maar dat kon je nog geen mensen noemen. Die kwamen tijdens het zogenaamde Zilveren Tijdperk, ‘een mix van vooruitziende blik en impulsiviteit, van alle goddelijke giften, en van de aarde’.

7. Classic Beauties
In dezelfde tijd dat ik Mythos las, toog ik naar de tentoonstelling met neoclassicistische beelden en schilderijen uit de Hermitage te Sint Petersburg in de gelijknamige Amsterdamse dépendance aan de Amstel. Een kunstenaar als Antonio Canova (b)lijkt eigenlijk niets anders te doen dan Mendelsohn: Griekse kunst naar zijn eigen tijd halen net als Fry nieuw leven inblazen. ‘Edele eenvoud en stille grootsheid’ zei Winckelmann.
Onder het kijken beluister ik op de audiotour het Adagio uit de veertiende pianosonate van Beethoven (bij een doek van Lagrenée) waarop dit helemaal van toepassing is. Het kan verkeren …

8. Aspasia Nasopoulou
Toen ik dit overzichtje aan het afronden was, viel mij, als wist zij dat ik ermee bezig was, een cadeautje toe: Aspasia Nasopoulou stuurde mij een linkje naar haar ‘latest music poetry production Ikaros with dance and video’ die in première was gegaan tijdens November Music (foto hierboven: Melanja Palitta).
Mede door de videoprojectie brengt Nasopoulou het verhaal van Ikaros tot leven. Ronduit schitterend gedaan, met tekst van Henk van der Waal: ‘Zwijgen en stijgen vanwege je vleugelwerk’ en muziek waarin herinnering en verlangen samenvallen. Prachtig.

https://www.youtube.com/watch?v=ZXQrluTeFtc&t=17s

9. Garmt Stuiveling
Haast gelijktijdig viel mij tenslotte een gedicht toe van Garmt Stuiveling, via de email die dagelijks een gedicht stuurt (www.ljcoster.nl). Het is een gedicht uit Eeuwig gaat voor ogenblik dat ik hier tot slot in zijn geheel citeer:

XIV

Nu de grote dingen verdwijnen
worden de kleine dingen groot:
wat zonlicht op de gordijnen,
een appel, een snee vers brood.


Met hoeveel overbodigs
maken we ons leven stuk:
er is zo weinig nodig
voor wat eenvoudig geluk.

Zó zou ik oud willen wezen,
klein bij de grote dood:
Homerus om in te lezen,
een appel, een snee vers brood.

Het thema van volgend jaar weet ik al, maar dat hou ik nog even voor me. Het jaar is tenslotte (ook) nog niet om.

Midsummer Night’s Dream bij HOVO Amsterdam

Rond 23 maart a.s. verschijnt de brochure met zomercursussen van HOVO Amsterdam. In een e-mail werd deze aangekondigd, inclusief een rijtje cursussen waaronder een over The Midsummer Night’s Dream van Shakespeare. Ongetwijfeld door drs. Ron Hoffman. Deze docent gaf eens eerder een lezing over dit toneelstuk voor de Volksuniversiteit Amsterdam (18 juli 2005). De met persoonlijke opmerkingen aangevulde aantekeningen die ik toen maakte, neem ik hier als blog over. Om u enthousiast te maken voor de HOVO-cursus.

Er bestaat zowel nabijheid als afstand tussen ons, onze tijd en (die van) Shakespeare. Vergeet niet, dat er een ander wereldbeeld bestond, waarin 99,9% van de mensen geloofden, naar de kerk ging, én goed konden luisteren maar meestal niet konden lezen. Toneelbezoekers herkenden blank verse tegenover proza en wisten een sonnet te onderscheiden, zoals die in Romeo en Julia voor komt. En ze herkenden de bronnen ervan. Maar we moeten niet vergeten dat Shakespeare daarin altijd aan het veranderen sloeg. Hij was zeker niet origineel. Immers: imitatio was de bedoeling, het op een hoger plan brengen van die bron. De plot van Midsummer Night’s Dream is wel origineel. En dat noemen we aemulatio.
Zijn kunst is zeker niet alleen hoge cultuur. Het was ook de tijd van bearbaiting (een beer die een hond van zich af moest zien te houden), toneel naast stews (prostituees) – niet gescheiden, maar door elkaar.

Heel mooi is de monoloog van Helena (eerste bedrijf): Love looks not with thee yes, but with the mind. Door Dolf Verspoor lelijk vertaald met: De Liefde kijkt niet uit – het hart bemind. Terwijl ik hierbij eerder moet denken aan een joodse wijsheid als: kijken met je hart.
Elders zegt Pyramus: I see a voice (…) I can hear my Thisbe’s face. Door Dolf Verspoor wél weer mooi vertaald: Wellicht kan ik mijn Thisbie’s aanschijn horen.
In deze zinnen klinken Bijbelteksten mee – maar dat hoef je je als toeschouwer niet persé bewust te zijn. Zo zegt ook Puck bijvoorbeeld: I’ll put a girdle round about the earth in forty minutes (II.1). Die veertig als getal staat er niet voor niets, al is het bij Verspoor drie kwartier geworden – en weg is daarmee de intertekstualiteit.

Leuk is altijd een toneelstuk in een toneelstuk, waarbij wordt gespeeld met werkelijkheid en schijn. Het is knap dat Shakespeare de ‘rude mechanicals’ als groep ten tonele voert, maar toch individuele trekjes geeft, op de grens van middeleeuwen en renaissance.
In de Franse romantiek werd Shakespeare uitgespeeld tegen Racine, ‘natuur tegen conventie, genie tegen talent, gevoel tegen rede’ (M. Evers, Veranderende grenzen). Het geniale is dat hij dingen weglaat – zodat we vierhonderd jaar later ons nog kunnen afvragen waar het eigenlijk over gaat. En dat zijn dan geen simplismen à la Hamlet is een twijfelaar of iets dergelijks. De tragische held als beeld komt al van Aristoteles. Waar Shakespeare mee bezig is, is iets heel anders (goed, slecht enz.).

Zonder overigens tot een moralist en didacticus te verworden. Zeker: elk toneelstuk biedt ruimte voor eigen interpretatie, maar Hoffmann leerde ons ook en vooral genieten van klanken, rijm, assonanties enz. Of zoals de nar in Twelfth Night het laatste woord heeft: And we strive top lease you every day. Amuseument van hoog niveau voor een breed publiek, met een diepere laag eronder. Dat was en dat is het. Shakespeare speel je met je hart en met je oren; zijn eq en zijn iq waren in evenwicht.
Zie het verschil in aanpak: Sascha Bulthuis gebruikte techniek om haar personages over het voetlicht te brengen, Halina Reijn probeert grenzen uit, elke keer anders. Ik hoop dat ook komend seizoen, na de HOVO-cursus, ook weer veel Shakespeare-voorstellingen te zien zullen zijn!