Mathilde Wantenaar heeft wat te zeggen


Haar naam kende ik wel, uit de tijd dat ze de Donemus’ Aanmoedigingsprijs voor vrouwelijke componisten kreeg (2012), maar op een of andere manier is die niet beklijfd. Om nu, nadat ik steeds meer werken van haar hoor, nooit meer uit mijn geheugen te verdwijnen. Die naam is Mathilde Wantenaar (1993). Een korte zoektocht naar wat ze (mij) wil zeggen.

 

Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken
In 2019 begon er al wat te dagen, nadat ik in het NTR ZaterdagMatinee met haar koorwerk Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken op tekst van Herman Gorter kennismaakte. Uitgevoerd door het Groot Omroepkoor onder leiding van Philipp Ahmann. Frits van der Waa schreef in de Volkskrant (24 maart 2019) dat het een ‘ietwat ouderwets’ werk is. Niets mis mee – het sluit naadloos aan op de tekst.

Meander
Op 2 oktober jl. hoorde ik in datzelfde Matinee de wereldpremière van haar orkestwerk Meander, uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van chef-dirigent Lahav Shani. Ook ietwat ouderwets? Ja, misschien. Deels dan. Zelf spreekt de componiste op haar website over ‘eclectisch en toch authentiek’. Simone Leuven schreef in het programmaboekje dat Meander ‘zowel lyrisch romantische klanken als elementen van minimal music in zich heeft’. Dat eerste deed mij denken aan zowel De Moldau van Smetana als La mer van Debussy, maar die eigen stem is er wel degelijk. Een sterke stem, dat staat buiten kijf.

Prélude à une nuit américaine
Een week later was het weer raak: haar Prélude à une nuit américaine, dat ook is geschreven voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest, werd in het Amsterdamse Concertgebouw uitgevoerd door het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Ludovic Morlot. Dit werk zou je ook eclectisch kunnen noemen: wederom impressionistisch aan de ene kant (de titel verraadt dit al), maar ook jazzy Amerikaans en – zoals ze zelf zegt – bovenal ‘een ongegeneerd groots romantisch gebaar’. Het kan en het mag. Wantenaars leermeester Willem Jeths is haar erin voorgegaan.

Een lied voor de maan
En dan is er de première van Een lied voor de maan, een jeugdopera gebaseerd op het gelijknamige kinderboek van Toon Tellegen. Volgens een persbericht van De Nationale Opera ‘met oogstrelende melodieën en tal van humoristische verwijzingen naar de muziekgeschiedenis, van operaklassiekers tot pophits’. Zelf schreef ze er het volgende over: ‘Het is (…) een stuk over de kracht van muziek.’

Strijkkwartet
Tenslotte zou in de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam op 3 februari in het Amsterdamse Muziekgebouw aan het IJ haar Strijkkwartet in première gaan, uitgevoerd door het Calder Quartet, en op 18 februari in de Grote Zaal van TivoliVredenburg in Utrecht een nieuw werk door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van die geweldige dirigent Karina Canellakis; de website van TivoliVredenburg vermeldt in de tekst dat het om een nieuw werk gaat, elders op dezelfde pagina, dat Prélude à une nuit américaine zal worden uitgevoerd. Ook niet te versmaden overigens.
Het kwartet gaat nu in première tijdens een tournee dat het Belinfante Quartet dit voorjaar door Nederland zal maken. Het concert in Utrecht gaat hoop ik, al dan niet met publiek, door en wordt op Radio 4 uitgezonden. Twee concerten om je op te verheugen!

Terug naar de Strijkkwartet Biënnale, die een mooie brochure had uitgegeven. Er staan rake omschrijvingen in van inmiddels al wijd en zijd bekende stukken; ik kom daar nog een keer op terug. Zou het zo kunnen zijn dat wat Wantenaar wil uitdrukken bekende thema’s zijn zoals eenzaamheid en identiteit? Thema’s die iedereen erkent? En dat haar muziek daarom steeds vaker wordt gespeeld? Wat mij betreft niet vaak genoeg. Mathilde Wantenaar: een naam om niet te vergeten!

Foto ontleend aan de website van Mathilde Wantenaar: https://www.mathildewantenaar.com

Kleine en grote mechanieken (I)

Op 26 oktober jl. zou ik voor de Volksuniversiteit Amsterdam een online lezing houden en een gesprek leiden over het boek Een Duitse fantasie van Philippe Claudel. Doordat er weinig deelnemers waren, werd in overleg besloten deze avond niet door te laten gaan.
Als pleister op de wonde, publiceer ik de lezing nu op deze blog. In drie delen:

1. De korte inleiding (hieronder)
2. De verhalen/hoofdstukken zelf nader bekeken (31 oktober), de langste blog en
3. Het thema ‘kwaad’, de vraag of het om verhalen of een roman gaat, de receptie en een vergelijking met andere schrijvers (3 november).

Titel
Eerst de titel van het boek, waarin het woord ‘fantasie’ opvalt. Een woord dat primair staat voor ‘verbeeldingskracht’, voor iets dat niet altijd op waarheid hoeft te berusten. Ook in de psychoanalyse kennen we dit woord voor iemand die door middel van fantaseren probeert te ontsnappen aan een moeilijke situatie. En ook binnen de filosofie is het bekend, en die insteek kan verhelderend zijn in verband met ons boek.
Binnen de oude Griekse en Latijnse filosofie, van Plato, Aristoteles en een Stoïcijn als Epictetus, is ‘fantasie’ gebaseerd op een zintuiglijke ervaring. Volgens Plato is het een vermenging van oordeel en mening, volgens Aristoteles iets tussen waarnemen en denken in en heeft het te maken met dromen en hallucinaties. Bij de Stoïcijnen is het een term die verwijst naar informatie die door middel van de zintuigen binnenkomt en leidt tot gedachten, tot indrukken. De perceptie is waar, maar de meningen (doxa) die eraan worden gehecht hoeven dat niet te zijn.

De huidige Denker des Vaderlands, Paul van Tongeren, heeft het in dit verband over een machientje, een mechaniek (onthoud dit woord; het komt later bij het verhaal ‘Ein Mann’ terug) achter je ogen die wat zien als je bijvoorbeeld de gordijnen opendoet. De mens ziet de kwaliteit van het weer: mooi, zonnig weer of somber, druilerig weer. Met je zintuigen neem je dit waar (je ziet, hoort, voelt, ruikt – allemaal belangrijk in het werk van Claudel), maar dat mechaniekje laadt de betekenis, de kwaliteit van het weer of de natuur. Bij Claudel is dat vaak symbolisch geladen.

De bedoeling is dat dingen als een betekenisvol geheel worden ervaren. Daar morrelt Claudel met zijn titel aan, want wat is een Duítse fantasie? Jerker Spits schreef in het Nederlands Dagblad dat ‘het woord “Duitse” in de titel (…) vooral een synoniem lijkt van schuld.’ Een andere recensent, Henk Pröpper, denkt in de Volkskrant nog weer anders over de titel: ‘Het boek is uiteindelijk een Fantasie, een soort vrije, muzikale oefening, waarbij de schrijver zich niet aan de regels van de harmonie houdt’ [lees: vorm]. Ik kom hier in de laatste blog op terug, maar ik sla eerst het boek open en kom dan uit bij de

Motto’s
Elk boek van Claudel begint in feite met één of meer veelzeggende motto’s. In dit geval twee. Om te beginnen van de Franse schrijver Pierre Mac Orlan:

Voorbij de Rijn
Hangen drama en melancholie
Krijgen de gewone zaken van het leven
Een schijnsel van schemering.
Wat de reiziger, naargelang zijn humeur
Ofwel charmeert
Ofwel beangstigt.

Het tweede motto is al even belangrijk voor het begrijpen van dit boek en is van de in 1989 overleden Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard:

Duitslands adem ruikt naar zwavel.

Het is de tegenhanger van het eerste motto, omdat geuren – zoals we zullen zien – bij Claudel staan voor zowel een vorm van kennis als voor herinnering, waarbij aangetekend dat herinneren een creatieve daad is en geen exacte geschiedenis oplevert. Herinneringen die Duitsland met zich meedraagt en die heus niet bij de landsgrenzen ophouden. Zoals de uitstoot van de fabriek pal bij Claudels huis in Dombasle-sur-Meurthe omgekeerd tot in Saarbrücken te zien is. Een chemieconcern dat ook in één van de verhalen/hoofdstukken in dit boek (‘Die Kleine’) een rol speelt, zoals overigens in veel van Claudels boeken een fabriek voor komt.

Ik zal in de volgende blog eerst de verhalen langslopen en wat kenmerkende elementen eruit belichten. Vooraf een opmerking: dit boek bestaat uit vijf verhalen of hoofdstukken. Claudel schreef ze afzonderlijk. Twee ervan zouden deel uit gaan maken van een nieuwe roman, die hij Sommeils (Slaapt) had genoemd. Zijn vrouw las ze en keurde ze af, maar Claudel bleef met de thematiek (ex-Joegoslavië) rondlopen. Uiteindelijk heeft hij ze omgewerkt en zijn ze in dit boek terecht gekomen. Uit het Nawoord is niet helemaal duidelijk welke (‘Ein Mann’, ‘Irma Grese’, ‘Die Kleine’?), maar dat doet er verder ook niet zoveel toe.

Morele discussies

Momenteel volg ik vier bijeenkomsten die Stichting PaRDeS in Amsterdam organiseert over het boek Moraal van Jonathan Sacks. Vier keer lernen. De eerste keer waren we met z’n vieren, inclusief docent. Gezeten aan tafeltjes die in een carré waren gezet, ruim op afstand van elkaar. Links en rechts van mij een andere deelnemer. Soms voelde ik mij een trait d’union, zeker toen de cursusleider van de eerste twee bijeenkomsten, Bas van den Berg, vroeg hoe je onze verschillende opvattingen over en naar aanleiding van Sacks’ boek zou kunnen verzoenen; omdat die vraag in de lucht bleef hangen, heb ik de vrijheid om er in deze blog op in te gaan zonder uit de school te klappen.

Ik kwam ’s avonds thuis, en trof om te beginnen in mijn mailbox een link aan naar een recensie van Markus Gabriels boek Morele vooruitgang in duistere tijden die Ronald van Raak schreef voor de Volkskrant. ‘De morele discussies [zijn]  helemaal terug’, schrijft hij. Ook Gabriel zoekt ‘naar wat ons verbindt: welke waarden zijn voor mensen zo belangrijk dat we die allemaal kunnen onderschrijven?’ Gabriel grijpt terug op Kants categorische imperatief, die we in andere bewoordingen kennen als de Gulden Regel uit Tenach en Evangelie: ‘Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’. Dit is voor Gabriel ‘de basis voor gemeenschapsvorming’ – het centrale thema in het boek van Sacks met zijn mantra ‘van “Ik” naar “Wij”’, waar ik hier verder niet op in ga, al valt er heel wat over te zeggen.

Terug naar Sacks. Hij beëindigt het tweede hoofdstuk van zijn boek met: ‘Moraal gaat over openheid naar anderen, en heel soms ervaar je dat wonder dat er een hand naar je wordt uitgestoken die je op het droge trekt’, bijvoorbeeld omdat het je niet lukt je aan de Gulden Regel te houden (p. 64). Dat is een loodzware opdracht (mitswa), maar weet dan met Hannah Arendt dat je telkens de kans krijgt opnieuw te worden geboren (nataliteit), opnieuw te kunnen beginnen. Dát zou ik niet in de laatste plaats mezelf willen voorhouden. Geen verzoening dus, maar loutering wellicht.

Vooralsnog hou ik het liever maar klein, zonder zulke grote woorden. Ik lees na die recensie over het boek van Gabriel een column van praktisch filosoof Elke Wiss in Filosofie Magazine (oktober 2021, p. 65). Zij houdt het erop, dat je je gezien moet weten. In iets kleins, een ‘stille blik van verstandhouding’, een lach die iemand je gunt, de ruimte die je krijgt om iets te zeggen. Ik herken het helemaal.

 

Adolph Menzel en de Maand van de Filosofie

Iedere muziekliefhebber kent het beroemde, fraaie schilderij van Frederik de Grote, fluit spelend in Sanssouci (afb. rechts bovenaan), maar weinig mensen zullen de naam van de maker in hun geheugen hebben opgeslagen: Adolph Menzel (1815-1905). Ik ook niet.

Adolph Menzel
Ik kan me niet herinneren hem tegen te zijn gekomen tijdens mijn studie (in de vuistdikke kunstgeschiedenis van H.W. Janson ontbreekt zijn naam), of tijdens mijn zoektocht naar ‘mensen met een rugprobleem’ bij het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD) in Den Haag, hoewel er wel een mooie litho die Jan Veth van hem maakte in de collectie is opgenomen. Dat laatste komt wellicht omdat Veth Menzel niet naar de werkelijkheid weergaf, en zijn kromme rug en kleine gestalte (hij was 134 centimeter) verdoezelde, zodat er ook geen trefwoord in die richting aan de litho werd toegekend.

Ik werd op zijn spoor gezet, doordat de broers Maarten en Vincent van Rossem in een televisie-uitzending (1 juni jl.) vanuit de Alte Nationalgalerie in Berlijn op hem ingingen. Maarten wees onder meer naar een zelfportret van Menzel, de ‘dwerg die altijd boos kijkt’ en naar zijn De balkonkamer (1845, afb. links bovenaan), wat één van zijn lievelingsschilderijen bleek te zijn. Menzel was naar zijn mening een ‘gezellig soort olieverfschetser’ die vooruit liep op het impressionisme, dat altijd aan Frankrijk wordt toegeschreven. Hadden de schilderijen van Menzel iets met Duits nationalisme te maken? ‘Geen reet!’ riep Van Rossem, en hij beende weg.

Het grappige is, dat Melchior de Wolff in een recensie van een expositie met het werk van Menzel in Musée d’Orsay in Parijs (1996) in de Volkskrant erop wees, dat de spiegel op ‘geen enkele manier klopt. Dat de rugleuning van die ene stoel wordt weerkaatst, is vanuit het standpunt van de toeschouwer nog wel aannemelijk, maar de gespiegelde suggestie van een beddensprei en de in een lichte lijst gevatte tekening, zijn met alle meetkunde van de wereld niet met de ruimtelijke constructie van de kamer in overeenstemming te brengen’. Maarrrrrr: ‘Het feit dat er in die spiegel van alles te zien is, maakt van Das Balkonzimmer een beter schilderij, ongeacht de constructiefout’.

Maand van de Filosofie
Dit voert ons naar de Maand van de Filosofie. Om te beginnen naar het thema ‘imperfectie’, of – zoals een essay van Alexandra van Ditmars in Filosofie Magazine (juni 2020) in de inhoudsopgave wordt genoemd – ‘Perfect imperfect’. Een persoonlijk essay over een schrijfster die het schrijven ervan maar voor zich uit schoof, omdat ze ‘bang was dat het niet goed genoeg zou worden’. Ze bespreekt drie boeken: van Brené Brown (De moed van imperfectie), Paul van Tongeren (Leven is een kunst) en Haenim Sunim (Houden van dingen die niet perfect zijn). De ondertitel van laatstgenoemd boek luidt: ‘Compassie voor jezelf en anderen’. Het is te hopen dat Menzel dat ook voor zichzelf had, ondanks een ‘constructiefout’.

Het tweede thema dat in het kader van Menzel en de Maand van de Filosofie boven komt drijven, is ook afkomstig uit de hiervoor genoemde recensie van Melchior de Wolff: waarheid. De Wolff schrijft: ‘Het opmerkelijke van Menzel is dat hij (…) een groot ontwikkeld instinct bezat voor wat de waarheid zou kunnen noemen, of de werkelijkheid, en dat hij tegelijk doordrongen moet zijn geweest van alle subjectieve en objectieve standpunten die ten aanzien van de werkelijkheid konden worden ingenomen.’ Uiteindelijk is dit, volgens De Wolff, een filosofisch probleem dat met het impressionisme centraal begon te staan, maar ‘die term bestond ook nog niet’.

Ik moet hierbij tenslotte denken aan het essay van de Maand van de Filosofie, Kinderen van Apate. Over leugens en waarachtigheid van Alicja Gescinska. Het gaat daarin niet zozeer over het verspreiden van fake news, maar de intenties waarmee dat gebeurt. Die zijn volgens de schrijfster de vloek van de tijd. Zij heeft het liever over waarachtigheid, over de intentie waarmee iets wordt gezegd (we horen hier de invloed van Immaneul Kant!).
En dan zijn we terug bij de omschrijving die Maarten van Rossem aan Adolph Menzel meegaf: ‘een dwerg die altijd boos kijkt’. Een omschrijving die heel wat minder elegant is dan ‘mensen met een rugprobleem’, een omschrijving die een medewerker van het RKD bezigde en die we er maar in moeten houden.

Een uitgelezen kans

Op twitter vroeg iemand zich onlangs af, waarom er in kranten wel televisieprogramma’s worden gerecenseerd, maar waarom kranten zelf eigenlijk nooit zelf worden besproken. Dat laat ik me als krantenkind (mijn ouders leerden elkaar bij het toenmalige Algemeen Handelsblad kennen) niet twee keer zeggen. Waarbij ik op het geluk heb dat ik momenteel van twee vakantievierders hun krant, NRC Handelsblad, krijg doorgestuurd. Deze lees ik gedurende een paar weken nu naast mijn eigen krant, Trouw. Een uitgelezen kans dus om de editie van afgelopen maandag met elkaar op twee overlappende items te vergelijken en er een toegift aan te plakken.

Analyse
Het eerste, grote artikel in zowel NRC Handelsblad als Trouw, allebei onder de kop ‘Analyse’, betreft de gebeurtenissen in Iran. Over het algemeen doen beide sterk aan elkaar denken. Dat in NRC Handelsblad is geschreven door ‘onze redacteur’ Floris van Straaten, dat in Trouw door Ghassan Dahhan, ‘redactie buitenland’.
Alleen tegen het slot wijken beide van elkaar af. Dahhan citeert kort een reactie van president Trump op twitter. Hij schreef ‘dat hij de demonstranten steunt’ en dat het opmerkelijk was ‘dat het bericht aan de Iraniërs onder meer in het Perzisch was opgesteld’. Van Straaten bezigt soortgelijke woorden, maar is aanmerkelijk minder zakelijk: ‘President Donald Trump en zijn minister van Buitenlandse zaken Mike Pompeo laten intussen niets na om de onrust aan te wakkeren’. Dát zou je van een kwaliteitskrant toch niet zo gauw (mogen) verwachten. Juist liberalen gaan er bovendien van uit, dat de lezer zelf wel zijn/haar conclusie(s) kan trekken.

Necrologie
Uiteraard besteden beide kranten aandacht aan het overlijden van Aart Staartjes. ‘Aartsvader kinder-tv verafschuwde braafheid’ staat er boven de necrologie in Trouw, ‘Opstandig en innemend televisie-icoon’ boven die in NRC Handelsblad. Laatstgenoemde krant wijdt maar liefst een hele pagina aan Aart Staartjes (auteur: Kester Freriks), Trouw driekwart kolom (auteur: Iris Pronk).
Behalve dat NRC Handelsblad daardoor meer plaats in kon ruimen voor een gegeven dat in Trouw geheel ontbreekt, namelijk Staartjes’ ‘indrukwekkende acteurscarrière’, zijn enkele al dan niet vermelde gegevens ook opvallend. NRC Handelsblad vult op een haast Telegraaf-achtige manier bijvoorbeeld details van het verkeersongeluk in Leeuwarden in, Trouw vermeldt dat Staartjes in de jaren 60 begon met Woord voor Woord, ‘waarbij hij bijbelverhalen voor kinderen voorlas’. Het eerste verwacht je wederom níet in een kwaliteitskrant, het tweede wel in Trouw.

Toegift
Hoewel Trouw en NRC Handelsblad hun journalistieke distantie ten opzichte van Iran al dan niet succesvol trachten te bewaren, had ik andere gevoelens bij de televisiebeelden die ik in het Journaal zag. Iraanse jongeren die de straat opgaan en stemmen met hun voeten door niet op de Israëlische- en Amerikaanse vlag te gaan staan maar eromheen te lopen, daar is in een land als het Iran van de ayatollahs moed voor nodig. Om die moed te omschrijven, heb je iets anders dan een nieuwsbericht sec nodig – dat kan in een column of achtergrondartikel. Zo’n column vond ik (toegift!) op afgelopen maandag in de Volkskrant, al werd het onderhavige item van Erdal Balci de volgende dag alweer gewraakt door Wout Woltz, die ik heb leren kennen tijdens vakantiebaantjes bij het Algemeen Handelsblad.
Waarheen de weg leidt die de studenten volgen, is nog niet duidelijk, maar dat ik als lezer moed put uit de jongeren die nu de straat opgaan, moge duidelijk zijn.

Balci verwees naar dit gedicht over de pijn van vrijheid van Paul Eluard: http://www.ekklesiadenhaag.nl/teksten130922.pdf

Zin en samenhang (II)

De lege kant van sommige vitrineplanken op de door Bert Sliggers samengestelde tentoonstelling Foute boeken? in het Huis van het boek in Den Haag (nog t/m maart 2020 te zien), komen dreigend over (zie foto links). ‘Er kan nog meer naars bij’, lijken ze uit te willen drukken.
De lege kanten van de boekenplankjes van het kunstwerk ‘Progress at Last. My Personal Bookcase’ van Ruth Schreiber (zie foto rechts), op de door Bilha Zussmann en Janet Heit samengestelde tentoonstelling Spinoza in Beeld Vertaald (nog tot zondag 8 december) in de Amsterdamse Oranjekerk, komen daarentegen verwachtingsvol over: ‘Er kan nog meer moois bij!’

Schreiber gaat ervan uit, dat vrouwen in zowel de kunstgeschiedenis als het jodendom per definitie ofwel werden buitengesloten ofwel drastisch in hun leven werden beperkt. ‘Als een soort Spinoza’, zegt ze. Dit is aan het veranderen doordat vrouwelijke wetenschappers binnen de Joodse studies steeds meer opgang maken, worden geaccepteerd en gangbare meningen aanvullen of op hun kop zetten.
Schreiber bouwde een miniatuur boekenkast met vijf boekenplankjes. Ze worden gevuld met twee tot tien boeken, lopend van 0-500 voor de gewone jaartelling, via de vierde plank die de tijd van Spinoza omvat en waarin het aantal al meer dan verdubbeld is, tot nu toe.

In het kader van de tentoonstelling in Den Haag hield Rietje van Vliet op 25 november jl. Een Studium Generalelezing over ‘Foute boeken?’. Hierin noemde zij Spinoza, wiens werk overigens op de tentoonstelling zelf niet aanwezig is. Immers: diens Ethica werd tijdens zijn leven door sommigen als een fout boek beschouwd. En helaas soms nog wel, als we bijvoorbeeld de boeken en artikelen van Victor Kal lezen. ‘Wie?’ vroeg Steven Nadler tijdens een cursus over de Ethica aan de Universiteit van Amsterdam (2018) toen enkele studenten zeiden bij hem colleges over Spinoza te hebben gevolgd. Al moet je daarbij misschien bedenken, dat Kal de omgekeerde weg als Spinoza bewandelde en daardoor misschien roomser is dan de paus.[i]

Op de terugreis uit Den Haag las ik in de trein Ilja Leonard Pfeijffers roman Grand Hotel Europa uit. Hij heeft het erover, dat hij hoopt dat, wanneer het boek van de ik-persoon af is, ‘het inzicht mij vanzelf zou toevallen’.
Zoiets hoopte ik ook, na de laatste zaal in het Huis van het boek in Den Haag, waarin talloze meningen op de muren zijn geprikt. Een recensent, Wilma de Rek, had (in: de Volkskrant, 18 oktober jl.) gehoopt dat die wanden helemaal leeg bleven. Dat is niet het geval, maar ik begreep haar aan de ene kant wel, hoewel die uitingen aan de andere kant de dialoog openhouden beter zijn dan boekverbrandingen. ‘Helderheid’, schreef Pfeiffer, ‘zou de leegte helder maken’. Die van de stukjes aan weerszijden van de vitrines en die van de boekenplankjes. Het een als horror vacui, het ander beloftevol. Als de zon die doorbrak en de mist oploste (p. 471, Pfeiffer). Zoals vandaag.

 

[i] En ook, dat Rico Sneller bijvoorbeeld in zijn boek Hoe het vlees weer Woord werd (Uitg. Meinema, 2002) zijn waardering uit over Kals boek Levinas en Rosenzweig (Uitg. Meinema, 1999).

Carlos Micháns – de componist

Afgelopen vrijdag, 22 november jl., voerde het ROctet (strijkers uit het Radio Filharmonisch Orkest) in het Vrijdagconcert in TivoliVredenburg een werk van Carlos Micháns uit. Zo vaak is er niet iets van hem te horen, dus dit is een blog waard. Ik baseer mij hier op een tekst die eerder in Mens en melodie (2006) en later in uitgebreidere vorm als componistenbrochure bij Muziek Centrum Nederland verscheen (2010).

De componist
Carlos Micháns werd in 1959 in Buenos Aires geboren, waar hij piano, orgel, compositie, koor- en orkestdirectie studeerde. In 1982 kwam hij naar Nederland en studeerde hij aan het Utrechts Conservatorium compositie bij Hans Kox en Tristan Keuris en elektronische muziek bij Ton Bruynèl. Zijn in Utrecht uitgevoerde Variations on a Tamil lyric, een divertimento, schreef hij in 2000 voor Christian Bor en het Reizend Muziekgezelschap. Het ging op 28 mei van dat jaar in première in De Doelen in Rotterdam. Uit de titel blijkt al Micháns belangstelling voor andere muziek en teksten; hij is zelf ook schrijver. Daarover schreef ik in een eerdere blog (2015).

Composities
In zijn muzikale ontwikkeling valt een vergelijking te trekken met de steeds abstracter vormgegeven boom van Mondriaan. Ik begin met vroeg werk dat in Nederland ontstond.
De Cinco Canciones de Amor (1988) voor bariton en piano op teksten van Pablo Neruda zijn bijvoorbeeld sterk visueel en voorzien van een suggestieve begeleiding.
De Apparitions (1990) voor piano geven een tussenpositie aan: het is, net als bij Mondriaan, aan de luisteraar of kijker om de Verschijningen al dan niet van een betekenis of beeld te voorzien. Maar in Phoenix (1997) voor orkest gaat het niet meer om een fotografische beschrijving van een stad die uit de as verrijst, maar om de geest van een stad in het algemeen. Om het even of dit Buenos Aires of Enschede is. In een toelichting bij de Trois étoffes anciennes (2003) voor altviool en piano zegt de componist streng dat het ‘absoluut géén beeldende muziek is’ en ‘men (…) geen verhaal achter de afzonderlijke titels moet zoeken.’
Het woord abstract tenslotte komt voor in een toelichting bij Entre nous voor viool en cello uit hetzelfde jaar. Het is ‘puur en zuiver een stuk abstracte, instrumentale muziek’ aldus de componist.
Dit neemt echter niet weg dat bij een luisteraar toch beelden kunnen worden opgeroepen en ook mogen worden opgeroepen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Thea Derks, die in een toelichting bij het Quartetto nr. 2 (1998) voor saxofoonkwartet schrijft dat het laatste deel hiervan, het Largo nostalgico, haar door de ‘donkere kleuren en broeierige samenklanken herinnert aan een zomerdag die versterft in een nevelige zonsondergang.’ 1

Dualiteit
Kenmerkend voor Micháns werk is een zekere dualiteit. We horen die onder meer terug in L’ange maudit (2000) voor viool en piano, ofwel de Gevallen engel. Op één of andere manier blijft het, zeker in de vioolpartij, een engel. De pianopartij daarentegen wordt sterker gekenmerkt door zowel ‘een zekere exuberantie’ als ‘een voorliefde voor welluidende samenklanken, al schuwt hij het gebruik van dissonanten niet.’ In zowel Micháns literaire als compositorische werk wordt een samenhang gevonden door zich herhalende regels of ‘een paar duidelijk herkenbare motieven’, zoals Frits van der Waa naar aanleiding van Kaleidos (Sinfonia concertante no. 3) (2000) voor klarinet, viool, piano en orkest schrijft.’ 2

Zo wordt in de eerder genoemde Cinco Canciones de Amor, een liederencyclus, de éénheid tussen de liederen bereikt door het herhaald toepassen van dezelfde melodische, ritmische en harmonische elementen. Toch heeft ook elk lied, en bijvoorbeeld in het Concerto da camera (1993) voor viool en ensemble elk deel, zijn eigen elementen. Op die manier ontstaat telkens een rijke maar compacte doorwerking op basis van weinig materiaal, waarbinnen de afwisseling evenzeer aan onderlinge samenhang bijdraagt.

Hetzelfde geldt voor de drie delen van het Concerto per saxophone and orchestra (2009): elk deel heeft een eigen karakter, gekenmerkt door wisselingen van tempo en dynamiek. Zo maakt het tweede deel alleen gebruik van strijkers, harp en piano en wordt in het laatste deel de rol van het orkest beperkt tot een vrij percussief spel.

Variations on a Tamil lyric
Terug naar de componist. Vanaf 1986 kreeg Micháns financiële steun van Nederlandse en buitenlandse fondsen, van de Stichting Gaudeamus en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zo kon hij verschillende buitenlandse tournees organiseren om zijn eigen composities, maar ook andere Nederlandse muziek en musici te promoten. Tevens werd hij door buitenlandse universiteiten en hogescholen uitgenodigd om als gastdocent en spreker op te treden. Zo kwam hij onder andere tientallen keren in Zuid-India waar hij de muziek van de Tamils leerde kennen en een jaar hun taal leerde. Dit inspireerde hem tot het divertimento onder de titel Variations on a Tamil lyric dat afgelopen vrijdag in Utrecht door het ROctet werd uitgevoerd.

Voor dit concert interviewde Mark Brouwers hem voor de rechtstreekse radio-uitzending. Hij sprak over een ‘swingend nummertje’. Micháns legde uit dat het een kerstliedje voor kerkelijk gebruik is (In Bethlehem) dat, in tegenstelling tot westerse kerstliederen, niet direct de link legt met Jezus’ kruisdood en daarom vrolijk(er) klinkt. De melodie heeft de componist zo goed als intact gelaten en varieert daar op een wat surrealistische manier over, iets wat wij ook uit Micháns’ boeken kennen.

Het werk werd al eerder op CD gezet. Om thuis nog eens te beluisteren, voor degenen die het concert of de rechtstreekse radio-uitzending hebben gemist.

 

1 Thea Derks in de toelichting bij de cd-opname van het Koh-i-noor Saxophone Quartet op Saxophone Quartets from The Netherlands (NM Classics NM 92116).
2  Frits van der Waa: ‘Micháns Kaleidos temperamentvol maar wispelturig.’ In: de Volkskrant, 19 januari 2004.

De tussensfeer

Momenteel lees ik het nieuwste boek van Joke J. Hermsen, Rivieren keren nooit terug. Op een gegeven moment heeft zij het over het feit dat je ‘altijd een of ander “tussen” moet opzoeken.’ Daarbij moest ik onwillekeurig denken aan lezingen van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy en Luuk van Middelaar tijdens de Dag van de Filosofie (2010) in Tilburg. Ik schreef daar eerder over in Wervelingen (herfst 2010) – een column die ik hier met toestemming overneem.

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy heeft in zijn essay De Indringer, dat hij schreef na een harttransplantatie gevolgd door kanker, over ‘een constante veruiterlijking’ van zichzelf. Hij wordt opgemeten, gecontroleerd, getest. Terwijl, zegt Nancy, ‘de felste vijanden’ van binnen zitten: ‘oude virussen, die zich altijd al schuil hielden’, en protheses, moeren, bouten en staven.
Ik moest hieraan denken tijdens niet alleen de lezing die Nancy hield tijdens de Dag van de Filosofie, 24 april 2010 in Tilburg, maar ook tijdens de daaropvolgende lezing van Luuk van Middelaar, met zijn boek De Passage naar Europa winnaar van de Socrates Wisselbeker 2010.
Van Middelaar heeft het in zijn boek over een ‘binnensfeer’ (de Europese instellingen) en een ‘buitensfeer’ (nationale staten). Maar ook over een zogenaamde ‘tussensfeer’ (de Europese Raad), waarin mensen elkaar ontmoeten en gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Om dat laatste nu gaat het mij hier: de tussensfeer.

De buitensfeer

Maar eerst de buitensfeer. Met enig afgrijzen las ik hoe Wilma de Rek en Bert Wagendorp in een artikel (in: de Volkskrant, 27 maart 2010, overgenomen in Filosofie Magazine nr. 3/2010) spraken over ‘een oud, volledig kromgetrokken mannetje’ en over een ‘gebocheld exemplaar’ [vet van mij, vS].
Hier is de veruiterlijking, het geëx-poseerd zijn oftewel het bloot-gesteld zijn aan de blikken van een ander waar Nancy het over heeft, op een treurige manier weergegeven.

De binnensfeer

Het spel dat Nancy tijdens zijn lezing speelde met de inhoud van het woord ‘beyond’ is bij De Rek en Wagendorp afwezig. Nancy ziet in dit woord de definitie van wat filosofie volgens hem moet zijn oplichten. Iets dat ‘sensible’ is, ‘sense’ geeft. Datgene ook dat ‘sensitive’ is. En dan vat Nancy het woord ‘beyond’ niet op als iets metafysisch, maar in ontologische zin, als leer van het zijn.
De Rek en Wagendorp hebben het over ‘een mannetje’ en een ‘exemplaar’, maar kunnen zich er niets wezenlijks bij voorstellen. Als zij dat wel zouden kunnen, zouden zij om te beginnen de buitensfeer verruilen voor de binnensfeer. Een sfeer die in de bijbel in overdrachtelijke zin ‘met ontferming bewogen’ wordt genoemd – wat dan letterlijk staat voor de ingewanden die gaan rammelen bij het zien van bijvoorbeeld ‘een oud, volledig kromgetrokken’ of ‘gebocheld’ medemens. Over wie vervolgens een zegenspreuk wordt uitgesproken, zoals Eliyahu Sidi (Parijs, 1936) op een serie gouaches toonde die in het Joods Historisch Museum te zien waren tijdens de tentoonstelling Count your blessings (14 februari t/m 24 mei 2010).

De tussensfeer

Nog een stap verder en we komen in de tussensfeer terecht, waarin zieken en gezonden, jong en oud, blank en zwart elkaar werkelijk ontmoeten en met elkaar in gesprek komen en naar oplossingen zoeken voor problemen die met een ziekte of handicap samenhangen.
Dit is het perspectief van het werkelijk samenleven in een stad zoals Van Middelaar die in Tilburg indirect schetste. En wat – vul ik aan – Hermsen ook bedoelt.

For Bunita Marcus

Recent verscheen de cd For Bunita Marcus, muziek van Morton Feldman, uitgevoerd door Marc-André Hamelin. Frederike Berntsen schreef er vandaag over in dagblad Trouw: ‘Wie gaat zitten voor For Bunita Marcus kan niet anders dan opgaan in deze stiltemuziek (…). De gevoelstemperatuur van Hamelins spel is lauw-warm, met enkele spatjes koud of heet. Hij tast af, zo lijkt het, en verwondert zich over iedere noot die hij tegenkomt (…). Zijn vingers gaan dromerig over de toetsen – als je openstaat voor deze oneindigheid, kan die niet lang genoeg duren.’
In 1986 schreef ik een artikel over Morton Feldman in
Mens & melodie (3/86), waaruit ik al eerder een blog ‘trok.’ Naar aanleiding van het verschijnen van bovengenoemde cd neem ik hier enkele alinea’s over onder meer dit werk over.

Bekend is dat Feldman de werkwijze en de opvattingen van schilders als Pollock en Mondriaan in zijn muziek trachtte over te nemen. Wat Jean-Paul Sartre in 1946 schreef over de mobiles van Calder lijkt ook op Feldman van toepassing: ‘Die aarzelingen, die herhalingen, die weifelingen, die onhandigheden, die plotselinge beslissingen, en vooral die wonderbaarlijke edele voornaamheid van een zwaan, maakt van de mobiles van Calder vreemde wezens waarvan men niet kan zeggen of ze al dan niet leven.’
Feldman zelf verklaarde zijn verwantschap met Mondriaan in een interview met Doran Nagan (Algemeen Dagblad 3 juli1986): ‘Ik werk niet veel anders dan Mondriaan heeft gedaan. Ook Mondriaan had geen systeem. Hij ging intuïtief zijn gang.’

Feldmans composities zijn op geen enkele methode of techniek gebaseerd. ‘Mijn muziek’, zegt hij in het interview met Nagan, ‘heeft niets met gebruikelijke structuren te maken.’ De structuur die in For Bunita Marcus (een leerlinge van Feldman) valt te herkennen, werd door Roland de Beer (De Volkskrant, 1 juli 1986) vergeleken met een drieluik: ‘Het pad voert de anti-ritmiek via metrische profielverkenningen terug naar anti-ritmiek’.
De onafhankelijke bewegingen in Feldmans muziek zijn verwant aan de maniëristische zelfstandigheid van elk onderdeel binnen een geheel. Elk afzonderlijk geluid, dat soms ‘inslaat als vliegen in een spinnenweb’ (Roland de Beer) of liever: als een geconcentreerde lichtstraal binnen een over het algemeen koele en tere, zachte en gelijkmatige klankkleuren, moet om zijn eigen autonomie worden ervaren.

De nieuwe cd van pianist Marc-André Hamelin biedt de gelegenheid om dit te doen. Weer en weer tot in het oneindige aan toe.

Rachid Ouramdane L’A TORDRE

Annie HanauerOp 6 juli a.s. laten, zoals het programma-overzicht van Juli Dans (International Festival for Contemporary Dance) het zegt, ‘twee danseresssen zien hoe je van een zwakte je grootste kracht maakt.’ De één is Lora Juodkaite die sinds haar kindertijd een onbedwingbare aandrang heeft rond haar as te draaien om tot rust te komen. De Raimund Hogheander is Annie Hanauer (zie foto), die een prothese-arm heeft en zich ‘niet laat tegenhouden om toch een leven als danseres te kiezen.’ Zij dansen deze avond samen een duet van Rachid Ouramdane.
Deze aankondiging riep bij bij de herinnering op aan een Culturele column die ik over Raimund Hoghe schreef (Wervel
ingen, winter 2002). Met toestemming herplaats ik deze hier.

In een serie televisiefilms naar de toneelstukken van Samuel Beckett was onlangs uiteraard ook zijn beroemdste stuk te zien: Wachten op Godot. Michael Linsday-Hoggs, de film-regisseur, was in een opvatting van de figuur Lucky, de drager van zijn meester Pozzo, verder gegaan dan Beckett in zijn tekst aangeeft. Daarin buigt Lucky zich telkens voorover om iets voor zijn meester op te rapen, maar niets wijst erop dat hij, zoals in de regie van Lindsay-Hoggs, krom is gegroeid en constant voorover loopt. Lindsay-Hoggs laat Lucky alleen rechtop staan op het moment dat hij van Pozzo mag ‘denken’. Een ander kunstje dat hij voor twee hoofdpersonen, Estragon en Vladimir, moet opvoeren, is dansen. Dat bestaat er in de regie van Lindsay-Hoggs hieruit, dat Lucky probeert rechtop te komen. Maar het lukt hem niet. Volgens Pozzo omdat ‘hij gelooft dat hij in een net gevangen is.’

Volgens sommige kenners van het werk van Beckett is Lucky gebaseerd op de figuur van Jezus van Nazareth. Volgens hardnekkige geruchten zou uit oude Romeinse archieven, die bewaard zijn gebleven in het Historisch Museum te Rome, blijken dat Jezus bijna kaal was, een bochel had en slechts 1,47 meter was. Het archief bestaat overigens niet …

Hoe dan ook: het omgekeerde van wat Lindsay-Hoggs toont, komt ook voor: denkers die krom liepen (Georg Chr. Lichtenberg, Moses Mendelssohn, Kierkegaard). En wat heet: een danser met scoliose! Zijn naam is Raimund Hoghe (zie foto). In 1995 trad hij in Nederland op met zijn solovoorstelling Meinwärts en werd ter gelegenheid daarvan uitgebreid geïnterviewd door Marian Buijs voor de Volkskrant. De kop van dit interview luidde: ‘Ons gevoel voor esthetiek is beperkt’ en de ondertitel: ‘Theatermaker Raimund Hoghe laat publiek moed putten uit zijn eigen gebrek.’

Uit het interview blijkt, dat Hoghe jarenlang als dramaturg heeft gewerkt bij het beroemde danstheater van Pina Bausch en op een gegeven moment dingen in het theater aandurfde die hij daarbuiten nog steeds niet zal doen. ‘Op het strand kleed ik mij niet uit. Maar waarom is het eigenlijk zo’n sensatie als ik mijn lichaam ontbloot? Ons gevoel voor esthetiek is zo beperkt. Ieder mens heeft toch zijn eigen schoonheid? Kijk naar de dansers van Pina, die zijn dikker dan gangbaar is in de danswereld. Langer, ouder, ze dragen een bril en hebben geen geschoren oksels. Daar sprak men in Amerika schande van. Maar de manier waarop ze zich tonen is juist prachtig’, aldus Hoghe in het interview. ‘Ik ga van mezelf uit’, vervolgt hij. ‘Het feit dat ik daar sta, geeft veel mensen moed. Een ander is dik of dun. Het gaat erom zo te zijn als je bent en je lichaam te laten zien. Zo persoonlijk kun je in het theater alleen zijn als de vorm heel sterk is, dat heb ik van Pina geleerd. Ik kots mijn privé-gevoel niet uit. Ik heb een metafoor gevonden, heel simpel, om een beetje tolerantie en sensibiliteit op te roepen.’ En dat is iets dat in deze wereld hard nodig is.