Homecoming (1945)

Op de een of andere manier lijkt de film Homecoming (1945) aan de aandacht van veel recensenten te zijn ontsnapt, terwijl – ik twitterde het gisteren, nadat ik hem op de valreep had gezien – het eigenlijk een beetje verplichte kost is.

Het verhaal speelt pal na de Tweede Wereldoorlog, weliswaar in een naamloos dorpje in Hongarije, maar het is zo universeel als het maar kan. Het is deels opgenomen in Skanzen, een openluchtmuseum, maar het zou zo maar Orvelte kunnen zijn, niet ver van Westerbork. Het is niet alleen universeel vanwege het verhaal zelf, van een orthodox-joodse vader die met zijn zoon uit een vernietigingskamp terugkeert naar hun dorp en het ongemak dat dit bij de bewoners oproept, maar ook vanwege de actualiteit,  het huidige antisemitisme en de opkomst van extreem rechts in heel Europa; afgelopen zondag hoorde ik nog van iemand die een keer in Hongarije met vakantie is geweest en dat nooit meer van plan is te gaan doen, omdat de vijandigheid van de Hongaren op haar, als zwarte vrouw, teveel pijn deed.

De twee eveneens naamloze mannen, naamloos omdat ze voor zoveel joden staan, arriveren met de trein en hebben twee grote, houten kisten bij zich die op een boerenkar worden geladen. De stationschef gaat vast in het dorp waarschuwen: er komen twee joden aan – is dit het begin van nog meer joden die hun huizen, hun spullen zullen opeisen? Wat overkomt ons? Zilverbestek wordt in een doek gewikkeld en veilig opgeborgen, belastende documenten verbrand en een huwelijk voorbereid en het volksgeloof dat dit goed moet gaan, want anders valt er een vloek over het dorp, wordt hardop uitgesproken.

De twee joodse mannen weigeren op de kar te gaan zitten en lopen zwijgzaam de hele weg, als in processie, een uur gaans van de trein naar het dorp, achter de kar met de twee kisten aan. Links en rechts ingehaald door de in rep en roer zijnde gemeentesecretaris die, zo vertelt het verhaal, heulde met de Duitsers en nu een fles champagne aan de in een jeep binnenrijdende Russen overhandigt. Zo was het vaak in de tijd pal nadat de Duitsers waren vertrokken en de Russen het heft in handen namen.

Het is een schitterende film, gemaakt door regisseur Ferenc Török op een scenario van Gábor T. Szántó. Een klein gehouden film, wars van sentiment en melodrama. Veel is verborgen in de veelzeggende beelden over een dorp dat uit elkaar valt. De bruidegom vertrekt met zijn koffer naar Boedapest of nog verder – net zo een als in het Verzetsmuseum in Amsterdam staat en waarmee de joden naar de kampen vertrokken –, een ander kan niet verkroppen wat hij heeft gedaan of liever gezegd bij het wegvoeren van de joodse bevolking uit zijn dorp heeft nagelaten en pleegt zelfmoord.

De filmmuziek bij deze zwart-wit film was raak gekozen. Het leek soms even een sjabloon: de eeuwig zingende cello die films over de jodenvervolging vaak begeleid, maar heel zacht hoorde als begeleiding daaronder een Hongaars cimbalom. Ik kon het niet anders horen dan een oproep tot eenheid die er niet was en nog steeds dreigt verloren te gaan. Hoeveel doen de Hongaren elkaar daarmee niet tekort!

Verborgen zit lang wat in die kisten zit – en daarvoor moet je de film zien. Een film die eindigt met het beeld van de weer met de trein vertrekkende vader en zoon. De trein – nog zo’n beeld dat in dit geval doet denken aan een andere film, Shoah -, stoot op dat moment een enorme rookwolk uit. Het bleef stil in de bioscoop, gedurende de film en ook geruime tijd erna. De camera volgde de rookwolk omhoog, en de bezoekers bleef het ongetwijfeld bij. Heel lang.

In de palm van Zijn hand gegrift

Na Haarlem (Ph. Frankplein, 2012) en Heemstede (Vrijheidsdreef, 2016) heeft nu ook Bloemendaal, bij het bevrijdingsmonument (Hartenlustlaan) een door Patrick van der Vegt ontworpen namenmonument ter herinnering aan de 123 joden die uit het midden van Bloemendaal zijn weggevoerd en niet meer terugkwamen.
Ze vormen tezamen, en stuk voor stuk, een indrukwekkende herinnering waarin de hand van de maker valt te herkennen.

In het monument te Bloemendaal kun je naar believen denk ik primair een bima (de verhoogde plaats in de synagoge vanwaar uit de Tenach wordt gelezen) of een katheder herkennen. Bij het vooraanzicht lees je aan drie kanten de namen, aan de achterkant staat in het midden een afbeelding. Het geheel rust op een jodenster waarop de namen van de concentratie- en vernietigingskampen staan gebeiteld.

Het eerste beeld, dat van de bima c.q. katheder, vind ik mooi en raak gekozen. Net als het feit dat aan de achterzijde de zijkanten open zijn gehouden. Het is als een waarschuwing: de jodenvervolgingen kennen geen einde en we moeten ervoor waken en vechten dat ‘het’ niet nog eens gebeurt, én het is als een verbeelding van de toekomst: het móet een einde kennen, er mogen niet nóg meer namen bijkomen. Het is genoeg geweest.

Met de sokkel, de jodenster en de namen van de kampen, heb ik wat meer moeite. Natuurlijk, het is het teken dat de joden op hun kleding moesten naaien. Maar het vormt een deel van de joodse identiteit, waarbij ik denk aan de zogenaamde schijf van vijf van Ido Abram. Hierin heeft de sjoah en het antisemitisme, de vervolging (en voegt hij toe: overleving) natuurlijk een nadrukkelijke plaats, in het midden. Na de joodse religie, cultuur en traditie, na Israël (Zionsverlangen en zionisme) en voor iemands persoonlijke levensgeschiedenis en de Nederlandse cultuur en omgeving.

Je zou haast wensen dat de drie namenmonumenten van Van der Vegt qua beeldvorming in elkaar overvloeien, zoals dia’s dat kunnen doen. In mijn gedachten vervang ik de jodenster dan graag door het opengeslagen boek zoals dat in Heemstede vorm is gegeven. Geen beeld van de dood, maar als het boek des levens (Maleachi 3:16), waarin 123 namen van de weggevoerde inwoners van Bloemendaal zijn bijgeschreven, als in de palm van Zijn hand gegrift (Jesaja 49:16). Voor mijn gevoel doet dit het joodse denken meer recht. Wat nadrukkelijk niets afdoet aan het feit dat we altijd moeten blijven herinneren en gedenken.

Foto’s: Peter Folstar

Ons jodendom – Dick Houwaart (red.)

Ons Jodendom / Dick Houwaart (red.). – Elburg : Uitgeverij Ipenburg, [2017]. – 292 pagina’s : illustraties ; 21 × 21 cm ISBN 978-90-70105-28-0

Postuum verschenen bundel artikelen die journalist Dick Houwaart (1927-2016) redigeerde. In feite een vervolg op zijn Mijn jodendom (1980), waarbij het verschil in de titels opvalt: mijn tegenover ons. In wezen zijn het persoonlijke verhalen van negentien min of meer bekende, na-oorlogse joden die al dan niet over gedeelde
onderwerpen gaan. Tot de schrijvers behoren Menno ten Brink, Lody van der Kamp, Leo Mock, Marianne van Praag, Emile Schrijver en Hanna Luden. De al dan niet gedeelde thema’s die voorbij komen zijn onder meer: Israël, sabbat, ritueel slachten en besnijdenis, de hoge feesten, joods Nederland, vader-joden, de Tweede Wereldoorlog en antisemitisme. Sommige auteurs gaan ook in op het gedachtegoed van Dick Houwaart. De artikelen geven zowel herkenning als nieuwe inzichten in bijvoorbeeld een stroming als het reconstructionisme, die probeert het jodendom opnieuw vorm te geven op grond van tradities. Op mooi papier gedrukte tegenhanger van Ontroerende onzin (2016) van Ronit Palache, waarin minder bekende, ook oudere joden worden geïnterviewd. Met verklarende woordenlijst, personalia en paginagrote portretten van de auteurs.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Ronit Palache – Ontroerende onzin

Ontroerende onzin : de joodse identiteit in het Nederland van nu / Ronit Palache. – Amsterdam : Prometheus, 2016. – 311 pagina’s ; 20 cm
ISBN 978-90-446-3155-5

In de periode 2013-2016 sprak Ronit Palache zo’n tweehonderd mensen voor de rubriek ‘Mensch’ in het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). Dit boek biedt een greep uit de gesprekken die de journaliste en hoofd publiciteit en rechtenmanager bij uitgeverij Prometheus voerde. Gesprekken over joodse identiteit die cirkelen rond thema’s als het al dan niet geloven in God, wel of geen kritiek hebben op Israël, de Sjoah, antisemitisme en het al dan niet uitsluiten van vaderjoden. Het zijn merendeels geen bekende joden die Palache interviewde, maar allemaal mannen en vrouwen, jong en oud, orthodox of ongelovig, die nadenken over hun identiteit. Daardoor is de ondertitel van het boek misleidend; er is geen sprake van ‘de’ joodse identiteit. Het wachten is op soortgelijke interviews met andere minderheden in Nederland. Met een voorwoord van Abram de Swaan en een verklarende woordenlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De wilde jaren

van-aken_de-wilde-jarenIn ‘mijn’ bibliotheekfiliaal staat een zogenaamde Weggeefkast. Af en toe neem ik er wel eens een boek uit mee, en een enkele keer zet ik er ook wel eens wat in terug.
Onlangs viel mijn oog op een oude ABC-pocket: De wilde jaren van de Vlaamse schrijver Piet Van Aken. Nu ben ik sinds een verregende vakantie, jaren geleden in Brugge waarin ik wat boeken van Vlaamse auteurs kocht, verslingerd geraakt aan Vlaamse literatuur. Dus ik keek niet verder dan de achterflap en dacht: ‘Pak, ik heb je!’
Een gegeven paard mag je niet in de bek kijken, maar hier ligt het toch een beetje anders: moet ik degene die het boekje hier achterliet nu dankbaar zijn of juist niet? That ’s the question.

De eerste zin van het boek gaf me meteen al een klap in het gezicht: ‘De Jood hoorde de woorden maar scheen ze niet te begrijpen.’ Het gaat om een juwelier (zou het boek in Antwerpen spelen?) die wordt beroofd. Het ene sjabloon buitelt over het andere: de man gebaart druk, is vast gekoppeld aan zijn vrouw (‘zij koppelen als konijnen’, wat me overigens een contaminatie lijkt), joden zijn lijdzaam, ‘het is geen zonde een mozes koud te maken, niet voor een goed gelovige’ en ga zo maar door.

Af en toe schemert er ook een ander wereldbeeld door: bij de ik-figuur hadden twee joodse kinderen, Yudi en Rebecca, ondergedoken gezeten, die echter door de oorlog (!) werden weggehaald. ‘Nadien werd nooit meer over hen gesproken.’ Ook de moeder van de hoofdpersoon, Bennie, ‘was door de Duitsers weggevoerd.’

Ik ga zo twijfelen aan de bedoelingen van Van Akens personages en aan die van de schrijver zelf, die ik alleen van naam kende en van wie ik zover als ik me herinner nooit eerder iets las, al hoort hij volgens de achterflap van deze uit 1963 daterende pocket (zie foto) al dan niet terecht thuis in het rijtje ‘van de werkelijk belangrijke Vlaamse romanschrijvers als Elsschot, Walschap, Gijsen, Boon en Claus.’

Een raadgeving van Arjen Fortuin, één van de docenten tijdens een Masterclass Recenseren afgelopen herfst in Utrecht indachtig, ga ik nog niet op zoek naar informatie over de schrijver en/of deze titel.
Eerst nog maar even verder lezen. Over een ‘enggeestig dorp’, sigaretten van eigen bodem en de vader van Bennie die in zijn leven slechts één boek had gekocht: ‘Over de gruwelen in concentratiekampen.’ Maar dat was volgens zijn zoon loutere een uiting van ‘perverse wellust van de masochist.’

Hier is een schrijver aan het werk geweest die zijn personages aan de ene kant anti-joodse ideeën in de mond legt, en aan de andere kant ze daar ook weer aan laat twijfelen.
Op internet is niet al teveel over Van Aken te vinden. Ik lees dat hij gedurende de Tweede Wereldoorlog publiceerde in Westland, ‘een tijdschrift opgericht door de bezetter, dat ook antisemitische teksten publiceerde naast relazen van het Oostfront.’[1]
In het boek over Nederlandstalige letterkunde dat wij op de middelbare school gebruikten, Schets van de Nederlandse letterkunde van De Vooys en Stuiveling, valt daar niets over te vinden. Wel over het feit dat in Van Akens werk ‘landschap en volksaard belangrijke factoren zijn’ en er sprake is van ‘moeilijkheden van nieuwe aanpassing in het na-oorlogse België.’

Een andere docent bij de Masterclass Recenseren, Jaap Goedegebuure indachtig, sluit ik deze blog af met een essayistisch stukje; volgens hem moet een recensie een klein essay zijn. Daarbij is de context van het moment waarop ik deze pocket las onontbeerlijk. Op hetzelfde moment is namelijk in de pers commotie over het oorlogsverleden van de Duitse filosoof Martin Heidegger. In zijn geval is misschien het ergste dat hij zijn lovende woorden over Hitler en zijn kwade woorden over joden nooit heeft teruggenomen.
Over Van Aken, wiens personages overkomen als twijfelaars die misschien ooit hun wilde jaren achter zich laten, zal ik geen oordeel vellen. Wel ben ik degene die het boekje van hem in de Weggeefkast van mijn bibliotheek zette uiteindelijk, na ook wat getwijfel, dankbaar; het zette aan het denken. En dat is wat literatuur kan doen.

[1] De levensschets van Van Aken zelf die Ed Popelier citeerde (in de reeks literaire monografieën onder de titel Ontmoetingen, 1972) springt van de middelbare school direct over naar de tijd na de Tweede Wereldoorlog. In de beschrijving van de roman gaat Popelier ook geenszins in op de anti-joodse elementen erin. Hij gaat wel in op de al dan niet vermeende fascistische tendensen in Van Akens De verraders.

Jaap Tanja – Antisemitisme

jaap-tanja_antisemitisme

Antisemitisme : geschiedenis en actualiteit / Anne Frank Stichting, Jaap Tanja ; tekst en beeldredactie: Anne Frank Stichting (Jaap Tanja), redactie: Uitgeverij Boom (May Meurs). -Geheel herziene en geactualiseerde editie. – [Amsterdam] : Boom, [2016]. -147 pagina’s : illustraties ; 23 cm. – Oosrpronkelijke titel: Vijftig vragen over antisemitisme. – 2005.  ISBN 978-90-895388-7-1

Antisemitisme wordt door de auteur beschreven als een bepaald beeld van joden, dat zich kan uiten als haat tegen joden. Het complexe fenomeen en de geschiedenis ervan, meer nog dan de actualiteit, worden in deze relevante studie haast op uitputtende wijze beschreven. Jaap Tanja, werkzaam bij de Anne Frank Stichting, herschreef hiervoor zijn boek Vijftig vragen over antisemitisme (2005). Ook deze versie heeft een educatief doel. Tanja pleit voor een zorgvuldig taalgebruik en roept de lezer op om zelf na te denken. Jammer is wel dat hij bij het herzien enkele visies niet heeft geüpdatet, zoals over de figuur van Shylock uit Shakespeare’s De koopman van Venetië en over het Nieuwe Testament, dat niet langer zozeer in intentie als anti-judaïstisch wordt beschouwd, maar eerder als een primair intern-joodse polemiek. In vergelijking tot Antisemitisme (2015) van Klaas A.D. Smelik legt Tanja andere accenten en leest zijn boek wat meer verbrokkeld. De literatuuropgaven in beide boeken overlappen elkaar deels.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De spiegel als bespiegeling

Memling_St. JorisOla Mafalaani

Hij is terug van nooit weggeweest: Shylock, het personage uit De koopman van Venetië van Shakespeare. In twee boeken die ik onlangs las, figureert hij: Shylock is mijn naam van Howard Jacobson, in de Nederlandse vertaling van Lidwien Biekman, en in Antisemitisme. Geschiedenis en actualiteit, een boek van Jaap Tanja.

Staat Shylock nu echt synoniem voor antisemitisme? Naar aanleiding van het verschijnen van bovenstaande twee boeken denk ik terug aan een opvoering van het stuk van Shakespeare in een regie van Ola Mafaalani (zie afb. rechts), in 2002. Ik zag het in Utrecht en schreef erover in Quadraatschrift (september 2002). Die column neem ik hier enigszins gewijzigd over.

In de Alte Pinakothek in München hangt een schilderij van Hans Memling, dat op het moment vanwege een verbouwing niet valt te zien (zie afb. links). Op de rechterkant, in het schild van St. Joris, wordt de linkerkant weerspiegeld als de echo in een Fantasie van componist Jan Pietersz. Sweelinck. Even kwam ik in de verleiding iets soortgelijks op te maken uit de regie van de Syrische regisseur Ola Mafaalani van Shakespeare’s De koopman van Venetië: het gedrag van de jood Shylock wordt weerspiegeld in dat van de Venetianen. Elk antisemitisme – wat deze rol al dan niet terecht aankleeft –, wordt zo de grond ingeboord. De zaal wordt, als altijd in een regie van Mafaalani, op die manier ‘meervoudig gericht betrokken’, zoals Douwe van der Sluis goede partijdigheid bij in dit geval joden en Palestijnen eens noemde.

Maar de regie gaat dieper. Net zoals Anton Wessels een artikel in Overcome weliswaar ook begon met spiegelingen tussen geweld van de kant van het ‘christelijke westen’ en het ‘islamitische oosten’, hij deze te boven komt door ervoor te pleiten wederzijdse vertekeningen af te bouwen. Net zoals Mafaalani deed; de spiegel is een bespiegeling geworden. Over verveling en onverschilligheid (het spelletje poker dat al voor de voorstelling is begonnen), geldzucht en consumptiedwang, machtswellust en vreemdelingenhaat, innerlijke rijkdom en uiterlijke schijn gesproken. Kortom over wat Wessels de grote djihâd (eigen verkeerde begeerten, de verzoeking) noemt.

Ola Mafalaani ging nóg een stap verder. Zij staat er niet alleen bekend om dat zij toeschouwers letterlijk bij een toneelstuk betrekt, maar ook de manier waarop zij de emoties van Shylock door middel van diens lichaamstaal voor en na de monoloog over genade door Portia in het vierde bedrijf over het voetlicht brengt, is kenmerkend. Eerst is Shylock zelfverzekerd. Want, zoals Lancelot tegen Bassanio, de vriend van de koopman zegt: ‘U hebt Gods genade, meneer en hij [Shylock] heeft genoeg’ (tweede bedrijf).

Aan het eind van de opvoering zat Shylock als een uitgestotene aan tafel, maar na (of door) de monoloog over genade wordt hij weer bij en op de anderen betrokken. Want genade

… daalt als zachte regen uit de hemel neer op de korst der aarde. Dubbel is haar zegen: wie haar schenkt en wie haar krijgt. Die zegent zij.

De monoloog over de dubbele zegen verbeeldt voor mij de meervoudig gerichte betrokkenheid waar Douwe van der Sluis het over had. Het is een bespiegeling op hetzelfde niveau als de vader in Michel Quints indrukwekkende roman, of liever novelle De tuinen van de herinnering, die na de oorlog als clown geen spiegel was van zijn bewaker (en clown) Bernhard Wicki, maar een bespiegeling van de mens (Mensch) wilde uithangen. Een bespiegeling die elke discussie over het feit of De koopman van Venetië nu antisemitisch geladen is (volgens Martin van Amerongen, zijn nagedachtenis zij tot zegen, in: Heeft een jood geen ogen …) of juist niet (volgens Henk E.S. Woldring) te boven gaat, omdat geen enkele scheiding los gezien kan worden van de selectie in de kampen door de nazi’s. ‘Want zolang dat nog bestaat, gaat het niet goed met de mensen’, zoals een overlevende van Auschwitz en Dachau, Herman Zilverberg, in een televisie-uitzending van Omrop Fryslân zei. Shakespeare heeft zich er mijns inziens in ieder geval niet schuldig aan gemaakt.

God in Nederland

God in Nederland

De Bron_Amsterdam

Gisteren woonde ik een dankdienst bij voor het leven van een achternicht die op 98-jarige leeftijd is overleden. En als zo vaak werd ik heen-en-weer geslingerd in het weten: ja, daarom ga ik (nog, als je het rapport God in Nederland mag geloven) naar de kerk. En een: wáárom ga ik nog naar de kerk als er zulke taal wordt gebezigd?

Ja, daarom!
De dochter van de overledene vertelde mij na afloop dat ze via de overdenking de bijeen gekomen familie, vrienden en bekenden wat mee had willen geven. En dat is haar gelukt. Haar moeder had – net als mijn moeder – tot vlak voor haar dood telkens om water gevraagd. Op een gegeven moment (zij vatte dit letterlijk op) tot haar doordrong, dat haar moeder eigenlijk en misschien wel meer vroeg om Bijbels water.
Op dat inzicht waren enkele liederen in de dienst uitgezocht: De Heer is mijn Herder en: U kennen, uit en tot u leven:

Gij zijt het water ons ten leven;
de bronnen van de eeuwigheid
zijn ons ter lafenis gegeven,
zijn doorgebroken in de tijd.
O Gij die als een bron ontspringt
in elk die tot U komt en drinkt.

Nee, waarom?
Dergelijke mooie gedachten moesten het in de overdenking van een rooms-katholieke pastor die de overledene had gekend als bewoonster van het huis waar zij geestelijk verzorgster is, opnemen tegen ideeën die ze blijkbaar kwijt moest, al hebben ze voor zover ik weet niets te maken met het gedachtegoed van mijn achternicht.
De pastor bracht de vluchtelingencrisis ter sprake. Deze werd in verband gebracht met het ‘Eigen volk eerst’, wat in één adem (een slechte adem, zou ik zeggen) werd doorgetrokken naar “de” Israëliërs en “de” Palestijnen. En ja, Jezus had dit natuurlijk doorbroken. De jood Jezus, was Hij eerder genoemd. Een fijne nuance nietwaar.
Als je op internet gaat zoeken, vind je het verband met ‘Eigen volk eerst’ vaker. Op antizionistische en antisemitische sites wel te verstaan. Dat dergelijke ideeën nog steeds, en door het conflict in het Midden-Oosten steeds sterker de kerk in sijpelen, zou tot een weerwoord moeten oproepen. Ik heb dat gisteren niet gedaan, want de gelegenheid vroeg daar niet om.
Maar het slotlied, Wat de toekomst brenge mogen, heb ik daardoor wel met een gemengd gevoel meegezongen.

Helmut Gollwitzer en Luther

GollwitzerOp vrijdag 25 september 2015 werd in de Amsterdamse Thomaskerk een boekje over de Duitse theoloog Helmut Gollwitzer (1908-1983, zie afb.) gepresenteerd van de hand van Andreas Pangritz uit Bonn, in een vertaling van Dick Boer (uitg. Narratio).
In zijn inleiding sprak Pangritz de intrigerende woorden dat Gollwitzer Luther naar voren dacht, en Karl Barth naar links. Ik beperk mij tot het eerste.

 

Uit de kerk had ik twee afleveringen meegenomen van het tijdschrift In de Waagschaal. Thuis bleken die een vervolg te bieden op die intrigerende woorden van Pangritz. In nr. 8 van dit jaar vraagt Wessel ten Boom zich af wat de synagoge wil: ‘Het verzoek van rabbijnen Evers en Ten Brink en het CIDI aan de PKN, om bij de komende festiviteiten rondom 500 jaar reformatie excuses aan te bieden voor de Jodenhaat van Maarten Luther, is ontluisterend. Het is dan ook terecht dat Arjan Plaisier deze boot vooralsnog afgehouden heeft’, aldus Ten Boom. Volgens hem heeft ‘dit antisemitisme in de navolgende eeuwen’ niet ‘als het hart van de reformatorische theologie’ gefungeerd. ‘Wie doet alsof dit wel zo is, heeft wel wat uit te leggen voordat hij om excuses vraagt.’ Je moet maar durven.

Gollwitzer heeft haast als geen ander begrepen dat de Jodenhaat van Luther weliswaar niet het hart van de reformatorische theologie heeft uitgemaakt, maar wel de basis vormde van een bepaalde manier van denken die tot mijn grote verdriet nog steeds in de kerk voortleeft.
In het volgende nummer van In de Waagschaal (nr. 9) stonden twee reacties onder de respectievelijke kop ‘Ontluisterend?’ en: ‘Wessel ten Boom, Luther en “de” synagoge.’ In de eerste wordt om volledige afstand gevraagd van Luthers anti-joodse uitspraken. In het tweede wordt gewezen op het feit dat In de Waagschaal nu niet bepaald het blad is ‘dat door “de” synagoge gelezen wordt.’ Zulke zaken aan de orde stellen doe je in een gesprek met elkaar. Als voorbeeld wordt het OJEC genoemd, waar naar elkaar wordt geluisterd en van elkaar wordt geleerd.

Dick Boer vroeg in een kort co-referaat aandacht voor een aspect waarin Gollwitzers denken nog steeds actueel is en waarop Pangritz in zijn inleiding, in tegenstelling tot zijn boekje, niet in was gegaan: dat gesprek tussen joden en christenen, onder andere over Israël.
Bram Grandia zag zijn kans schoon – ik schreef er al eerder over – door aandacht te vragen voor de Palestijnen. Hij plaatste de visie van Christenen voor Israël tegenover die van de Palestijnen. Daar zou volgens hem eens een congres over moeten worden georganiseerd. Alleen: welke stem ontbreekt er in zijn verhaal? Het is het oude liedje: achteruit denken zou ik het willen noemen.

Een fragment uit het boekje van Pangritz over Gollwitzer, onder een vreemde titel maar toch: http://www.kinderdienst.nl/data/pdf/45105.pdf

Twee maal The Merchant of Venice

Merchant of VeniceIedere tijd krijgt de Shakespeare die hij verdient. Volgens Ron Hoffman, bij wie ik aan de Volksuniversiteit en de HOVO, beide in Amsterdam, cursussen over het werk van de bard volgde, valt er over The Merchant of Venice – waarover hij in het najaar van 2015 een cursus geeft – slecht na te denken, omdat we zitten met 20ste eeuwse gevoelens over de thematiek van het stuk. En toch ga ik het in deze blog proberen: nadenken naar aanleiding van twee opvoeringen ervan.

De eerste was in 2002 door Toneelgroep Amsterdam (gezien in de Stadsschouwburg van Utrecht) en de tweede de opvoering in Stratford-upon-Avon door de Royal Shakespeare Company (zie afb.), gisteravond rechtstreeks overgeseind naar onder andere Pathé Tuschinski in Amsterdam.
Ik concentreer me op het vierde bedrijf, dat speelt in een rechtszaal. Antonio (de koopman) en Shylock (een jood) staan voor de doge. In Utrecht, in de regie van de onvolprezen Syrische Ola Mafaalani, zaten ze aan tafel; het Bijbelse beeld van een goed gesprek en ontmoeting. De sfeer was indrukwekkend en ingetogen.
In Stratford stonden Antonio en Shylock (de Palestijnse toneelspeler Makram J Khoury) respectievelijk links en rechts op de uithoeken van de (koperen) toneelvloer. De sfeer was over de top; het gedeelte voor de pauze maakte aanzienlijk meer indruk. Wat niet wegneemt dat beide opvoeringen, om verschillende redenen, beklijven.

Het is natuurlijk gemakkelijk, te gemakkelijk om beide 1:1 te vertalen naar de huidige stand van (politieke) zaken. Maar ze geven wél een richting aan om verder over na te denken.
In 2002 was de dialoog tussen joden en niet-joden volop gaande. Het gesprek heeft anno 2015 gedeeltelijk plaats gemaakt voor een kritischer houding in de slipstream van de politiek van en rond de Staat Israël.
Blijft dat een stuk als The Merchant of Venice op z’n tijd toch maar wordt opgevoerd en bestudeerd, en dat de dialoog inmiddels een trioloog is geworden tussen alle drie de Abrahamgodsdiensten, wat in de huidige samenleving niet anders dan als een winstpunt kan worden aangemerkt.

Op die manier wordt lehren en lernen verbreed en gaande gehouden. Dat is een groot goed. Dat een stuk van Shakespeare – dat verre van antisemitisch is, wat er ook van wordt gezegd – een rol in het debat kan spelen, geeft aan dat kunst geen aangenaam tijdverdrijf is, maar veel méér dan dat. Het is van levensbelang, hoe je het ook wendt of keert.