De reis van Dobedo – Peter Verhelst

De reis van Dobedo en van de arend met hoogtevrees / een concept van dr. Griet Dupont ; door Peter Verhelst ; met werken van Gerhard Richter en Olafur Eliasson. -Tielt : Lannoo, [2017]. – 53 pagina’s : gekleurde
illustraties ; 33 cm ISBN 978-94-01-44691-4

Verhaal over de spannende levensreis van het jongetje Dobedo (ik-figuur) door een bos, waarin tal van thema’s uit oude mythen en sagen zijn verwerkt. Het verhaal gaat over moed en vertrouwen, dromen, de toekomst, (faal)angst, aanpassen, dood en gemis, vriendschap en liefde. Griet Dupont is kinderpsychiater, Peter Verhelst een bekend auteur die meerdere prijzen won waaronder een Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs. Het doel van dit boek is de verbeelding van kinderen aan te spreken en ze op weg te helpen in hun mentale groei. Prachtig uitgevoerd met paginagrote kleurenafbeeldingen van kunstwerken van niemand minder dan de bekende hedendaagse kunstenaars Gerhard Richter en Olafur Eliasson. Hoewel de illustraties binnen het verhaal geen echte functie lijken te hebben, zullen ze bij kinderen die daarvoor gevoelig zijn, beklijven en kan het een (eerste) kennismaking zijn met moderne kunst. Het toegankelijke verhaal met veel dialogen is verdeeld over vier
hoofdstukken en daarbinnen in meerdere paragrafen. Alle titelkopjes zijn oranje gekleurd. De tekst staat in vrij grote letters. Achterin zijn per hoofdstuk meerdere vragen opgenomen, evenals overwegingen rond de thema’s die aan bod komen. Om voor te lezen aan en over te praten met kinderen van ca. 6 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Drieluik

Tijdens de boekenweekuitzending van De Wereld Draait Door, ‘Heimwee’, op 8 maart jl. werd voor de zesde en laatste maal tijd ingeruimd voor Hier is Adriaan van Dis. Tijdens deze uitzending las de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhour het gedicht ‘Wij’ voor. Ik geef daar hieronder een gedeelte van, in de vertaling die de ondertiteling gaf:

Wij die zijn rondgestrooid
als granaatscherven
van wie het vlees door de lucht vliegt
als regendruppels
bieden iedereen in deze beschaafde
wereld onze oprechte excuses aan
mannen, vrouwen en kinderen
omdat we onopzettelijk
in hun veilige huizen verschenen
zonder toestemming te vragen.
Wij bieden onze excuses aan
omdat we onze afgerukte lichaamsdelen
in hun sneeuwwitte geheugen
hebben geprent
omdat we in hun ogen het beeld van
de normale, complete mens schenden
omdat we zo schaamteloos waren om
plotseling op te duiken in het journaal
op de internetpagina’s en in de kranten
naakt, met alleen ons bloed
en onze verkoolde resten.
Onze excuses aan iedereen
die niet rechtstreeks durfde te kijken
naar onze wonden
uit angst dat het schokkend zou zijn.
Excuses aan iedereen die zijn avondmaal
niet meer door zijn keel kreeg
na onverwacht geconfronteerd te zijn
met onze verse beelden op de televisie.

Het gedicht sloeg, laat ik voor mezelf spreken, in als een bom. En ik kan daarom de beelden van Bas de Wit (zie foto links: Grow with the Flow) die Galerie Gerhard Hofland (Bilderdijkstraat 165c, Amsterdam) tot en met 7 april a.s. laat zien, niet anders meer zien dan door de bril van Ghayath Almadhour. Al betekenen ze misschien heel iets anders – wat, laat zich overigens ook raden.

En ik kan het lied Schone handen van Wende ook nier anders meer horen dan als de keerzijde van het gedicht van Almadhour. Ook hiervan een gedeelte, het begin:


hetzelfde liedje
het is hetzelfde liedje
hoe vaak ga ik het nog zingen
alle boeken open, zoeken
hoe uit de knoop te komen
de stappen van dromen
naar iets wat echt is
ik mis mijn vader, een pad
iemand die zegt ga rechtsaf, adem uit
iemand die zegt, gewoon beginnen
ik blijf binnen
lees de krant en houd mijn adem in

Ik lees de krant, kijk naar de televisie, en zie beelden die schuiven over die van Bas de Wit. De figuren zetten erin misschien stappen van dromen, maar ik vertaal ze sinds Almadhour naar iets wat echt is. Het beeld van de normale, complete mens is geschonden. Maar ík kan en mag me niet excuseren. Zo is het en niet anders.

Black birds

Als je vanaf het restaurant Voorlinden, het monumentale landhuis uit 1912, richting het museum in Wassenaar loopt, zie je ze al door de grote ramen: de zwarte vliegers die de Mexicaanse kunstenaar Arturo Hernández Alcázar in 2010-’12 maakte onder de titel Black Kites (Bird of ill omen). Zwarte vliegers als een onheilspellende wolk die doet denken aan de kraaien op het schilderij Korenveld met kraaien, ofwel Korenvelden onder dreigende luchten met kraaien van Vincent van Gogh (1890, Van Goghmuseum).

Maar er is een groot verschil. De vogels van Hernández Alcázar lijken naar buiten te vliegen, richting de lindenbomen op het landgoed, naar het licht en de lucht die op het moment dat wij het beeld bestaande uit vuilniszakken, stenen, nylon en touw zagen, onbewolkt was – een prachtige herfstdag.
Meteen drong zich de volgende associatie op: met het gedicht van Wilhelm Müller, zoals Schubert het in zijn Winterreise op muziek zette (nr. 5). Een lied dat gaat over de zoete dromen die in de schaduw van een lindenboom werden gedroomd. In goede én kwade tijden was ik daar te gast, zegt de tekst, en vond er rust in de nacht.
Als was het samenspel tussen de zwarte vliegers en de lindenbomen er een van een Kyrie en Gloria in één adem, door alle dreiging van de zwarte vliegers heen.

Alsof het beeld nog niet compleet genoeg was, van binnen naar buiten, vlogen er twaalf ganzen over, op trektocht vol verlangen naar warmer streken.
Zij maakten het beeld compleet, omdat alles bij elkaar deed denken aan de Heilige Achahildis (ca. 970). Zij had immers – weliswaar drie – ganzen aan haar voeten en stond naast een boom, weliswaar geen lindenboom maar een kersenboom, maar toch. Een beetje dichterlijke vrijheid is mij wel gegund.

Misschien is het met de woorden van Sytze de Vries wel zó:

Al is mijn stem gebroken,
mijn adem zonder kracht,
het lied op and’re lippen
draagt mij door de nacht.
In ademnood gevangen
of in verdriet verstild,
het lied van Uw verlangen
heeft mij aan ’t licht getild.

Foto kunstwerk Arturo Hernández Alcázar: Ati de Zeeuw
Foto Heilige Geistkirche München (zie reactie op deze blog): Sytze de Vries

‘Een echte Thomas Verbogt’

Thomas Verbogt kan sneller schrijven dan ik kan lezen. Of liever: in de week dat zijn nieuwste roman verschijnt, Hoe alles moest beginnen, kom ik er eindelijk toe zijn vorige roman, Als de winter voorbij is te lezen. Als liefhebber van zijn werk, had ik enkele recensies van beide boeken bewaard. En van de inhoud schrok ik nogal. Maar niet getreurd: op de een of andere manier lijkt het alsof Verbogt zelf in zijn vorige boek zijn critici al voor was! Lees maar.

Op 17 september 2015 verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van Verbogts Als de winter voorbij is door Kees ’t Hart. ‘Bij Verbogt weet je wat je krijgt’, schrijft hij. Verderop heet het: ‘precieze en ingehouden stijl’ die ‘iets gekunstelds heeft.’ Verbogt weet, lijkt het, zelf ook dat dit zo is: ‘Ze is tot het einde toe helder gebleven. Ze heeft zelf de dood laten komen’ wordt bij wijze van spreken van commentaar voorzien: ‘Zo heb ik het nog nooit gehoord: de dood laten komen (…). Het zijn alleen maar woorden.’

Iets soortgelijks gebeurt met ’t Harts opvatting dat Verbogt toegaf ‘aan bespiegelingen die het niveau van vage praatjes en kitsch-achtige sententies niet weten te overstijgen.’ Zelf heeft de auteur het op een gegeven moment over ‘dronken pathetiek.’
Blijft – concludeert ’t Hart gelukkig – ‘een echte Thomas Verbogt, vol van de dromerigheid en ingekeerdheid die kenmerkend is voor zijn werk.’

Daarom was de recensie van zijn nieuweling, door Sebastiaan Kort (in NRC Handelsblad, 8 september 2017) dan weer even schrikken. Maar gelukkig kan hetzelfde procédé worden toegepast: Verbogt geeft als het ware commentaar of antwoorden op ook deze recensent (‘recensist’ hoorde ik afgelopen week een vrijwilliger in een museum zeggen).

Verbogt schrijft aldus Kort ‘lege, weekmakende levenslessen’ waarin ‘zijig wordt gerefereerd aan zaken als “het leven”, “geluk” of “momenten van”.’ Verbogt lijkt ermee te spelen, wanneer hij schrift: ‘”Zullen we iets drinken”, stelde ik voor. “Hier in je oude buurt of de nieuwe?” Die keuze! “In de nieuwe”, zeg ik. En ik wil eraan toevoegen: “in de nieuwe tijd”, maar Aimee vindt dat soort uitspraken meestal “van die uitspraken”.’

‘Je krijgt met deze Verbogt’ schrijft Kort à la ’t Hart ‘de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde (…). Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer (…), dan zit je bij Verbogt geramd.’ Of zoals hij zelf schrijft: ‘Zij wil het licht houden. Ik ook.’

Gelukkig is er ook nog een andere recensie van Hoe alles moest beginnen, van Rob Schouten (in Trouw, 9 september 2017). Enkele citaten hieruit: ‘Thomas Verbogt is de meester van herinneringen en weemoed (…). Het zijn warme, liefdevolle teksten (…). Niets in Verbogts verhaal (…) is spectaculair, bedoeld om aandacht te trekken (…). Met zijn eenvoudige, oprechte stijl zonder versieringen en relativeringen, richt hij zich direct tot het hart van de lezer (…). Geen sublimering, geen hoge woorden, maar mensentaal voor mensengevoelens (…). Het is een gevoelige wereld die hij schetst, die van de pure aanvechtingen: je kunt er makkelijk cynisch over doen, het wegzetten als sentimentalistische kitsch maar de waarheid is dat Verbogt je met zijn zoektocht naar de kern van gevoelens werkelijk weet te ontroeren (…). Met zo nu en dan een golf van pure extase.’

Ik ben weer thuis. En zie een documentaire over Verbogt in Het uur van de wolf (21 september 2017). Of eigenlijk: een poëtisch filmportret, waarin de schrijver de voice over is en slechts een enkele keer zelf in beeld komt. ‘Het is niet om aan te zien, het is potsierlijk’ meent hij op een gegeven moment. ‘Al dat gedroom, zo is het leven niet. Zo is het leven wél, ik leef toch.’