Schijf van vijf

De inmiddels overleden hoogleraar Ido Abram ontwikkelde, naar analogie van de bekende ‘schijf van vijf’ voor gezond eten, een soortgelijke schijf van vijf om de joodse identiteit te benoemen. Zoiets geldt natuurlijk voor ieder mens, die immers altijd méér is dan dat ene kenmerk dat iemand anders als wezenlijk aanmerkt. Een verademing in tijden van doorgeschoten hokjesdenken en etikettering, waarin iemand wordt vastgepind op zijn etnische achtergrond, nationaliteit, religie of sekse. Zei Maxim Februari tijdens de prachtige uitzending van Zomergasten onlangs niet, een Afrikaans gezegde parafraserend, dat een mens niet zomaar een verhaal is, zelfs niet zomaar een boek, maar een hele bibliotheek?

Ik moest eraan denken toen ik onlangs in Museum Kranenburgh in Bergen op de tentoonstelling Onder vrienden (nog te zien t/m 10 november a.s.) werk van Leo Gestel (1881-1941) zag. Het leek wel een beetje op de schijf van vijf, want vanuit zoveel achtergronden en in zoveel stijlen heeft hij geschilderd.
Hetzelfde geldt ook voor Jan Toorop (1858-1928, foto hierboven), waar ik hier verder nu op inga.

Jan Toorop
Op de één of andere manier blijft er echter een overheersend beeld van zijn kunst hangen, dat nodig weer moet worden rechtgezet c.q. aangevuld. Of het nu door de reclame-uitingen van 2016 kwam, maar ik heb de tentoonstelling Jan Toorop in het Gemeentemuseum Den Haag toen aan mij voorbij laten gaan. In mijn geheugen heeft, al dan niet, het beeld postgevat van Toorops slaoliestijl (reclameaffiche voor Delftsche Slaolie, 1894, Rijksmuseum Amsterdam, afb. links) en van diens rooms-katholieke achtergrond (De Pelgrim, 1921 uit Museum Catharijneconvent te Utrecht, afb. rechts), maar het zijn maar twee schijven van de zeg maar vijf.

Voor een Special voor de website 8weekly.nl heb ik Museum Kranenburgh in eerste instantie bezocht voor een andere tentoonstelling die nog t/m 10 november a.s. valt te zien: met werk van Toorops kleinzoon Jan Fernhout (Licht in kleur), straks gevolgd door de tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Alkmaar: De Toorop Dynastie (28 september t/m 26 januari 2020).
Ondertussen kijk ik bij museumbezoek tussendoor telkens of er in het onderhavige museum ook werk van Jan Toorop valt te zien. En dat leidt tot verrassingen. Laten we eens kijken.

In het Rijksmuseum Amsterdam hangt een prachtig doek: De zee bij Katwijk (1887, zie hiernaast) dat, verdomd als het niet waar is, in een rechte lijn doorloopt naar atmosferische zeegezichten van Fernhout in Bergen. Daarover straks meer in mijn Special voor 8weekly. Toch kun je Toorop niet, zoals Victorine Hefting, oud-directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag deed, puur als een typische Haagse Schoolschilder zien; dat is maar één partje van de schijf van vijf. Het palet uit die tijd doet evenzeer aan dat van Breitner denken.

Dat bleek ook weer toen ik in de Fundatie in Zwolle stond voor een klein maar fijn pointillistisch schilderij: De sluizen bij Katwijk (1898, zie afb. links). Zo rond de eeuwwisseling pakte Toorop deze Franse stijl op die je blij maakt. Een stijl die hij al snel verwisselde voor het impressionisme van Monet, maar de blijheid blijft ervan af stralen.

 

Deze ‘schijf’ wordt gevolgd door een realistische, symbolistische en rooms-katholieke periode waarin onder meer werken ontstonden die zich in het Kröller-Müllermuseum te Otterlo bevinden, zoals de hierboven weergegeven krijttekeningen: Meditatie (1896, links) en Orgelklanken (1891, rechts)
En nog is de schijf van vijf niet vol – want als etser was hij ook vernieuwend bezig. Hij noemde ze ‘hiëroglyfen van de innerlijke stilte’. Kleine portretjes van mooie koppen. De revolutionair Toorop was de schilder van kunst als ‘voertuig voor de revolutie naar rust’ geworden. De schijf is vol(tooid), het beeld compleet.

Vijfentwintig jaar knutselen

De eerste in de serie Zomergasten van dit jaar die mij van begin tot eind mateloos wist te boeien, was de derde: Marleen Stikker, internetpionier en directeur van Waag, onderzoeksinstituut voor kunst, technologie en samenleving.

Meteen al aan het begin raakte ze een snaar, met haar onderscheid tussen een ‘werkelijkheidsmens’ en een ‘mogelijkheidsmens’. De laatsten proberen door experimenteren de wereld beter te maken. Het zal haar wellicht door haar (niet afgeronde) studie filosofie zijn ingegeven, in ieder geval deed het mij denken aan het onderscheid tussen filosofen die de wereld goed vinden zoals hij is en degenen die de wereld beter bewoonbaar willen maken.

Tot de eerste categorie behoort Leibniz, die onze wereld de beste van alle mogelijke werelden vindt. Ook Hegel accepteert de wereld zoals hij is: doelmatig, vrij, eindig en zinvol. De mens hoeft zich niet op een andere wereld of een andere werkelijkheid (transcendentie) te richten. Het overwinnen van het kwaad gebeurt in de loop van de geschiedenis door te vertrouwen op de rede. Het is de bedoeling dat een mens, ja: de mensheid volwassen wordt, wat automatisch leidt tot bewustwording, ratio en vrijheid in het kiezen tussen goed en kwaad.

Daar staat Voltaire tegenover. Volgens hem moeten wij werken aan een betere wereld, zijn eigen adagium dat onze wereld de slechtste is van alle werelden hiermee nuancerend (in: Candide, ou l’optimiste). In die zin kan Candide worden opgevat als een beschrijving op de grens van de moderne tijd. Dit laatste sluit aan op het enige dat ons nog zou resten, en dat is hoop. Hoop op morele vooruitgang, op een betere wereld en die wereld in het hier en nu telkens een stapje dichterbij proberen te brengen. Hoop op het goede, ware en schone, waarbij het goede de moraal is, het ware kennen en filosofie behelst en het schone staat voor de schone kunsten.

Maar behalve hopen is er ook zoiets als werken aan een betere wereld om die dichterbij te brengen (tikoen olam in het Hebreeuws). [1] Dat kan alleen als mensen elkaar werkelijk ontmoeten, aankijken en verhalen vertellen.[2] Philippe Claudel is zo’n verhalenverteller  – op 21 september a.s. houdt hij in Amsterdam de Spui25-lezing. Op 11 september verschijnt zijn nieuwste boek, Archipel van de hond.

Tenslotte is er in de filosofie ook een tussenpositie. Die wordt bijvoorbeeld ingenomen door Susan Neiman. Zij gaat niet geheel en al uit van de wereld zoals deze is, maar kan verwondering voelen “in the moments when we see the world is as it ought to be” (“op die momenten dat we de wereld zien zoals hij zou moeten zijn”).[3] Zij zoekt naar het alternatief voor wat zij omschrijft als de verwoesting van of gedwarsboomde “de mogelijkheid op zich om intellectueel” op Auschwitz te reageren in transcendentie.[4] Neiman definieert de geschiedenis als een categorie die “enables us to understand the world and gives us hope for changing it” (“ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen.”).[5]

Hetzelfde geldt voor de techniek waar Stikker mee bezig is. Internet als een moreel netwerk, tussen goed en kwaad. En niet zonder hoop: ‘Internet is kapot’, aldus Stikker, ‘en we gaan gewoon vijfentwintig jaar knutselen en maken het weer goed’. Wat een mooie uitzending was dit!

 

[1] Vergelijk ook met de Dialogphilosophie van Martin Buber (1878-1965), Franz Rosenzweig (1886-1929) en Ferdinand Ebner (1882-1931).
[2] Zie: Ruud Welten, Als de graankorrel niet sterft. Een filosofische archeologie van openbaring (Zoetermeer 2016).
[3] Neiman, Evil in modern thought, 323. Neiman, Het kwaad denken, 341.
[4] Neiman, Evil in modern thought, 256. Neiman, Het kwaad denken, 273.
[5] Neiman, Evil in modern thought, 44. Neiman, Het kwaad denken, 63.

 

http://www.spui25.nl/gedeelde-content/evenementen/evenementen/2018/09/spui25-lezing-met-philippe-claudel.html