Giorgio Agamben – Epidemie als politiek

Epidemie als politiek : de uitzonderingstoestand als het nieuwe normaal / Giorgio Agamben ; vertalingen Ype de
Boer, Tim Christiaens en Menno Grootveld ; voorwoord Ype de Boer ; nawoord Tim Christiaens. – [Amsterdam] : Starfish Books, [2021]. – 127 pagina’s ; 20 cm. – Vertaald uit het Italiaans. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-927341-2-9

Twintig korte teksten en vier interviews over de coronacrisis van de bekende Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (1942). Hij denkt na over de ethische en politieke gevolgen van de crisis. Het eerste essay was bij publicatie (26 februari 2020 in Il Manifesto) meteen al geruchtmakend. Agamben stelt daarin dat de Italiaanse overheid ten onrechte de noodtoestand uitriep en daarmee een voorwendsel had om de democratie buiten spel te zetten. Een filosoof die hier tegenin ging, is Slavoj Zizek (Pandemie. Hoe corona de wereld veranderde). Het is een tweestrijd die ook in Nederland woedt en dit boek actueel maakt. Iedere lezer wordt uitgedaagd zelf een standpunt in te nemen. Een kenner van Agambens werk, Ype de Boer, plaatst diens analyses in een voorwoord in de bredere context van zijn denken. Tim Christiaens biedt in een nawoord inzicht in Agambens specifieke coronakritiek. Verzorgd uitgegeven bundel, met verklarende voetnoten en literatuurlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De ontwikkeling van ethiek

8WEEKLY vroeg aan de medewerkers, wat hun aanrader uit 2021 was (zie linkje hieronder). Ik dacht, na een dichtbundel van Jabik Veenbaas die echter al in 2020 was verschenen, aan het boek Morele vooruitgang in duistere tijden. Universele waarden voor de 21ste eeuw van de Duitse filosoof Markus Gabriel (Boom Uitgevers, 2021). Dit boek had ik gewonnen bij een actie van Filosofie Magazine en heb het met grote interesse gelezen. Omdat het onmogelijk is dit boek in een podcast bijdrage van ruim een minuut recht te doen, ga ik er in deze blog dieper op in: waarom is het dan een aanrader? Ook plaats ik er ondanks dat, toch enkele kanttekeningen bij.

Enkele begrippen
Om te beginnen: wat zijn universele waarden volgens Gabriel? Hij zegt: ‘Goed en kwaad zijn universele waarden: het goede is universeel moreel vereist – ongeacht groepslidmaatschap, cultuur, smaak, geslacht, klasse en ras – terwijl het kwaad universeel moreel verboden is.’ Gabriel gaat uit van het Verlichtingsdenken, dat hij nieuw leven in wil blazen. Verlichting is datgene dat volgens hem ‘helpt in dit soort duistere tijden. Ze veronderstelt het licht van de rede en daarmee ook een moreel verstand.’ Waar hij op aanstuurt, noemt hij een nieuwe verlichting, een moreel realisme, het ontdekken van vormen van nieuwe morele gedachten. Het boek is dan ook bedoeld voor lezers, ‘die bereid zijn om door middel van de rede tot een moreel oordeel te komen.’

Vooruitgang – een ander begrip uit de titel – is ook niet intrinsiek goed of kwaad. We mogen immers ‘nooit vergeten wat er in het Duitse Rijk is gebeurd, omdat het ons heeft laten zien dat de mens in staat is om systematisch radicaal kwaad te organiseren met behulp van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.’ Wat nodig is voor morele vooruitgang, is ‘een praktijk van vergeving, verzoening, verdraagzaamheid en voorzichtige, aftastende gesprekken.’

Onder morele vooruitgang schaart Gabriel onder meer ‘het opblazen van het systeem van stereotypen, zodat we ieder mens in de eerste plaats als mens kunnen onderkennen en erkennen.’ Covid-19 leidt volgens hem tot het onder druk verenigd zijn van de mensheid, waarmee hij echter de tweedeling die er ook door ontstaat helaas niet onderkend.
Morele vooruitgang wordt geblokkeerd door ‘nepnieuws, digitale bewaking, propaganda en cyberoorlogsvoering.’

Kernthema’s
Tot zover enkele begrippen uit de titel van het boek. De kernthema’s die Gabriel onder de loep neemt, zijn: realisme, humanisme en universalisme. Waar hij zich tegen afzet, zijn: waardenpluralisme, – relativisme en -nihilisme. Zo zet hij zich bijvoorbeeld af tegen de cultuurstrijd van Samuel P. Huntington, en stelt daar de ideeën van Nobelprijswinnaar Amartya Sen tegenover. Het postmodernisme is hem een doorn in het oog en hij noemt dat ‘willekeur’ en ‘onzin’.

Hij geeft hoog op van kunst en cultuur, omdat deze ‘onmisbaar [zijn] voor de ontwikkeling van onze ethiek. Zonder ficties en hun verspreiding in de samenleving is een morele opvoeding onmogelijk. Het is geen toeval’, schrijft hij, ‘dat totalitaire systemen de artistieke vrijheid beperken – ze willen de verbeelding van hun onderdanen aan banden leggen’. In het verlengde daarvan ziet hij geen enkele reden om tolerant te zijn tegenover intolerantie, geen enkele reden om in gesprek te gaan met radicale politici, ‘omdat de basisregels van een dergelijke discussie niet worden geaccepteerd binnen de ideologie van de gesprekspartner.’ Een mooi voorbeeld in Nederland is de weigering van de gemeenteraad in Amsterdam, die onlangs weigerde te discussiëren over de vergelijking van de sjoah en de coronamaatregelen. Er zou volgens raadslid Gertjan van den Heuvel (CU) hiermee een grens worden overschreden.

Immanuel Kant
Er staan prachtige stukken in het boek. Ik denk bijvoorbeeld aan Gabriels uitleg van Kants ‘beroemde strenge verbod op liegen’. Onlangs kwam het nog langs, toen NPO2 Extra de film Irrational Man van Woody Allen (2015) vertoonde. De hoofdpersoon, filosofieprofessor Abe Lucas, zette daar een vraagteken bij dat je vaker hoort, – in de woorden van Gabriel: ‘Stel we verbergen in een totalitaire dictatuur een vervolgde familie in de kelder en liegen tegen de politie wanneer die aan de deur staat en vraagt of we de familie in kwestie hebben gezien.’ Gabriel legt uit, dat ‘wie een onwaarheid vertelt om een gezin dat zich in de kelder verstopt te beschermen tegen een wrede, onrechtvaardige overheid, niet liegt, want het doel is (…) niet om een voordeel te behalen, maar om de veiligheid van het gezin te waarborgen.’

Duitsland enzo
Nu is het niet zo, dat ik het met alles wat Gabriel stelt eens ben. Zijn blik is mij soms wat te eng op Duitsland gericht, en dan krijg je een zin als: ‘Natuurlijk zijn er veel fraaie successen geboekt op het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek: de uitvinding van de boekdrukkunst, de symfonieën van Beethoven …’. Oké dat eerste klopt, dat tweede niet – Beethoven schreef alleen zijn eerste twee symfonieën in Bonn, de rest in Wenen; hij wordt niet voor niets tot de Weense klassieken gerekend (Haydn, Mozart, Beethoven).
Minder storend is Gabriels voorliefde voor het Duitse idealisme, met Kant, Fichte, Schelling en Hegel.

Storend is wel weer zijn louter negatieve benadering van sociale media (‘zonder Twitter en Facebook zou Trump waarschijnlijk nooit president van de VS zijn geworden’, een rol die wellicht eerder geldt voor de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021), waar hij op andere plaatsen wel ontwikkelingen van meerdere kanten kan bekijken en wijst op eenzijdige mensbeelden als ‘het idee dat de geest identiek is aan neuronale processen, de homo economicus [en] de ontkenning van het bestaan van de vrije wil’. Smakeloze uitglijders als ‘De eenentwintigste eeuw zal het tijdperk zijn van de pandemie van de nieuwe verlichting als gevolg van globalisering’ en: ‘We moeten ons allen tezamen inenten tegen het mentale gif dat ons verdeelt’ vormen gelukkig een zeldzaamheid.

Tenslotte
Universele ethiek staat lijnrecht tegenover de moraal die de inmiddels overleden Engelse opperrabbijn Jonathan Sacks in zijn boek Moraal (Uitgeverij KokBoekencentrum, 2020) beschreef, en waar ik eerder (kritisch) over blogde. Immers: monotheïsme is volgens Gabriel ‘geen geschikte basis voor een universele ethiek, omdat universele waarden geen goddelijke steun nodig hebben’. Als voorbeeld noemt hij allereerst het feit dat ‘er geen absoluut gebod [is] dat voorschrijft dat men moet glimlachen naar voorbijgangers. Toch verbetert de geluksbalans van de maatschappij als we ons voornemen om anderen en onszelf een prettig gevoel te bezorgen’. Voorts noemt hij het feit ‘dat men kinderen niet mag martelen’, wat ‘niet alleen een beslissing [is] van God waaraan men zich moet houden (…), maar een moreel feit dat met of zonder God geldt.’
De Tien Geboden acht hij niet ‘geschikt als basis voor welke ethiek dan ook (zelfs niet voor een christelijke ethiek die hoe dan ook niet kan bestaan, omdat een ethiek die christelijk zou zijn daardoor haar universele geldigheid zou verliezen)’. Over de zeven universele Noachitische of Noachidische geboden of voorschriften heeft Gabriel het helaas niet.

Rest echter gelukkig meer dan genoeg interessants om dit boek van harte aan te kunnen bevelen, zoals ik in de podcast van 8WEEKLY en hier uit de doeken deed. Een boek dat ik voor het overgrote deel met veel instemming en herkenning heb gelezen. Iets wat ik van het boek van Sacks helaas niet kon zeggen.

Markus Gabriel: Morele vooruitgang in duistere tijden
Vert. Huub Stegeman
Boom Uitgevers, 2021
ISBN 978 90 2443 663 7
Prijs: € 24,90

Linkje naar genoemde podcast van 8WEEKLY: https://open.spotify.com/episode/6QMHKvMo1Gy7w3oMAnKYKT?go=1&sp_cid=d23ca7030e6da31319547f3be4d68ee9&utm_source=embed_player_p&utm_medium=desktop&nd=1
Mijn bijdrage begint op 26’04”

Gerbert Faure – Basisboek filosofie

Basisboek filosofie / Gerbert Faure ; redactie Kirsten Verhagen. – Eerste druk. – Groningen : Uitgeverij kleine Uil, 2021. – 200 pagina’s : illustraties ; 24 cm. – Met register. ISBN 978-94-931704-6-9

Na een heldere inleiding over de vraag wat filosofie eigenlijk is, behandelt de auteur drie onderdelen van de wijsbegeerte: ethiek, antropologie (menskunde) en epistemologie (kenleer). Onderdelen kennen we uit zijn boek Vrije wil, moraal en het geslaagde leven (2017). Gerbert Faure viel al op toen hij voor zijn vwo-eindexamen filosofie aan het Maastrichtse Bonnefantencollege een tien haalde. Thans is hij docent aan de lerarenopleiding van Fontys Tilburg (filosofie en Nederlands). In dit boek plaatst hij telkens theorieën van oude filosofen naast die van moderne wijsgeren, waarbij hij kritische vragen niet schuwt en de lezer aanzet tot zelf nadenken. Mooie uitgave waarin begrippen of bekende en minder bekende denkers in grijze, geïllustreerde tekstvakken worden uitgelicht en kernbegrippen in de kantlijn worden aangegeven. Een van de beste filosofieboeken van de laatste tijd. Met afbeeldingen in zwart-wit, een zaken- en namenregister.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Ignaas Devisch – Zijn er nog vragen?

Zijn er nog vragen? / Ignaas Devisch ; met illustraties van: Davien Dierickx ; eindredactie: Sofie Renier. – Derde
druk. – Gent : Borgerhoff & Lamberigts, november 2020. – 94 pagina’s : illustraties ; 19 x 24 cm. – 1e druk: september 2020. ISBN 978-94-639-3308-7

Zijn er nog vragen, – de Vlaamse schrijver en hoogleraar filosofie en ethiek Ignaas Devisch hoopt van wel. Hij schreef een verhaal over zes vrienden, die politiek correct via mooie kunstzinnige illustraties (in enkele kleuren) ten tonele worden gevoerd: meisjes, jongens, zwart, wit, met een handicap. Een verhaal over filosofische levensvragen als het ontstaan van de wereld, wat de zin van het leven is, mensen die elkaar pijn doen enz. Omdat hun ouders het ook niet weten, of juist heel zeker weten, denken ze dat zij iets voor hen achterhouden en gaan op zoek. Ze surfen en doorzoeken tevergeefs dozen in de bibliotheek. Tot een gastspreker op school zijn levensverhaal vertelt en ze een filosoof aan de rand van het dorp raadplegen. Hij leert ze meningen te onderscheiden van feiten en een redenatie op te bouwen. De kinderen halen veel over hoop, de auteur ook. Alles wordt in algemene zin besproken. Het op de kinderen zelf betrekken, laat hij in dit unieke boek aan de lezers over: leerlingen en leerkrachten van de bovenbouw, van groep 5-8. Een rijke aanvulling in verhaalvorm over filosofische levensvragen voor kinderen van ca. 9 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Internationale Vrouwendag – Dorothee Sölle

Bijna veertig jaar geleden maakte ik een groepsrondreis door Zuid-Frankrijk. Bij een diner zat ik naast een meneer, die de reis speciaal maakte omdat we het St. Rémy de Provence van Van Gogh aandeden. Ik zei dat ik iets soortgelijks in mijn achterhoofd had, maar dan meer vanwege het landschap van Paul Cézanne. Hij antwoordde daar niets mee te hebben, en kreeg voor die opmerking een beetje op z’n kop van zijn vrouw. Hoe was inderdaad leuk geweest, als we hadden kunnen doorpraten en bijvoorbeeld waren uitgekomen waar Rudi Fuchs in zijn rubriek ‘Kijken’ in De Groene Amsterdammer (5 december 2019) was uitgekomen in zijn vergelijking tussen Cézanne en Van Gogh: ‘Waar Cézanne een overzicht van het landschap geeft, de ordening in beeld brengt, plaatst Van Gogh de kijker er middenin’. En zo verder.

Dorothee Sölle
Een jaar of tien later overkwam me iets soortgelijks. Ik vertelde mijn wijkpredikant een bewonderaar te zijn van het werk van Dorothee Sölle (1929-2003), die ik op dat moment een keer live heb gehoord; in 1990 sprak ze in het gymnasium van St. Gallen tussenteksten bij een uitvoering van de Missa Criolla. Inclusief toegift (‘Waarom niet? Is het hele leven geen toegift?’) De predikant antwoordde niets met haar denken te hebben. Het waarschijnlijke waarom daarvan heb ik gaandeweg dat ik bij haar kerkte en leerhuizen volgde wel ontrafeld; ik ben het dan ook niet eens met Eginhard Meijering die in een interview in In de Waagschaal (januari 2021) meent dat kerkgangers niet kunnen beoordelen uit welk theologisch vaatje wordt getapt en het ze ook een zorg zal zijn. Daar gaat het nu niet primair om – al zou Meijering eens bij de koffie na een dienst in mijn wijkgemeente moeten aansluiten; zijn oren zouden klapperen -, want ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag wil ik Dorothee Sölles theologie namelijk weer eens onder de aandacht brengen en voor mezelf proberen na te gaan wat me nu zo in haar werk aanspreekt.

Leerhuis
In 2008 volgde ik een cursus van twee avonden over Dorothee Sölle, door Willemien Roobol in de Amsterdamse Thomaskerk. Ik put om te beginnen uit mijn aantekeningen.
Je moet haar, stelde Roobol, in haar tijd zien; gaandeweg kwam er wel meer openheid om aandacht te hebben voor het jodendom; het speerpunt van het denken van mijn voormalige wijkpredikant, die onder meer aan de voeten van een rabbijn had gezeten en van de theologie van de Amsterdamse School had gedronken. Sölles keus lag besloten in Deuteronomium 30.[1] Torah doen, aldus Roobol. Voorts is mystiek een constante in haar denken; De heenreis dateert al uit 1975. In haar mystieke, poëtische boeken zitten ook kritische, analytische stukken. Het gaat om Mystiek en verzet, gelijk bij Bonhoeffer. En dat is een eenheid die ik (h)erken, als twee kanten van dezelfde medaille. Je kunt haar mystiek plaatsen binnen de ethiek.

Het begin
Mijn interesse in leven en werk van Sölle begon met een serie artikelen over haar in 1971, die in diverse bladen en kranten, zoals in Hervormd Nederland en Trouw verschenen. Wat later ben ik zelfs nog op een kleine bedevaart naar de Antoniterkirche in Keulen gegaan, waar zij sinds 1968 Politische Nachtgebete hield. Wéér die intrigerende dubbelslag, die zo mooi tot uiting komt in het omslag van De heenreis.
Bij het eerste artikel, door ds. H.A. Visser, staat een foto waarop Sölle naast dr. J.J. Buskes zit. En dat klopt in mijn beleving helemaal: twee geestverwanten, waarvan de eerste – het kan geen toeval zijn – ook nog eens die van mijn moeder. Rode dominees. Visser schrijft, dat het zijn bedoeling is het gesprek met Sölle, dat in de Amsterdamse Westerkerk begon, voort te zetten.[2]
Het is mooi zoals Sölle op enkele vragen van Visser – die ik hier verder buiten beschouwing laat – ingaat. Ze zegt niet te geloven in dogmatische formuleringen, en laat enkele vragen gewoon open. Niets wordt dichtgetimmerd, en dat is fijn.

Sterke en zwakke kanten
Een eerlijke reactie op haar preek geeft dr. Th. C. Frederikse, die nota bene de wijkpredikant van mijn ouders in Ermelo was: ‘We kennen in Nederland Dorothee Sölle, mét haar sterke én haar zwakke kanten. Maar of we het echt verwerkt en beantwoord hebben wat zij te zeggen heeft?’ En dan betrekt hij, zoals hij het noemt, de lezers in zijn overpeinzingen, die erop uitdraaien, dat Sölle ‘zo vreselijk zwart wit denkt’.

Omgekeerd riep ze zelf ook bij mensen op: of je kunt in haar denken meegaan of blijkbaar helemaal niet. Of zelfs: je vond haar aardig of helemaal niet, zoals iemand die ik ken vindt; bij haar logeerde ze toen ze in Nederland was. Ik blijf echter bij de vraag van Frederikse: of we Sölles denken wel echt hebben verwerkt? Misschien is het bij mij uiteindelijk zo gegaan: ik beaam wat Frederikse schrijft, en toch doe ik de deur niet dicht. Soms steek ik mijn hoofd om die deur en zeg hardop: En toch, en toch heeft ze ons nog steeds wat te zeggen. Luister maar.

[1] Zie: https://herzienestatenvertaling.nl/teksten/deuteronomium/30
[2] De preek die zij in de Westerkerk hield, is opgenomen in een bundel onder de schitterende titel Het recht om een ander te worden (Uitgeverij Ten Have, 1972).

Alan Morinis – Van Hoofd tot Hart

Van hoofd tot hart : 48 Mussar-lessen om je leven te transformeren / Alan Morinis ; vertaald [uit het Engels] door Henri Jules Vogel. – [Amsterdam] : Mastix Press, [2020]. – 265 pagina’s ; 24 cm. -Vertaling van: With heart in mind : Mussar teachings to transform your life. – Boston : Shambhala Publications, 2014. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-921102-4-4

Morinis ging op zoek naar een leidraad voor het leven binnen het joodse denken. Hij vond dit in Mussar (ethiek, moraal), een traditie van toepasbare wijsheid, die is ontstaan in het negentiende-eeuwse Litouwen. Morinis, van origine antropoloog, publiceerde eerder Het heilige in het alledaagse (2014). In dit nieuwe boek neemt hij Pirkei Avot (Spreuken der Vaderen), een deel van de Misjnah (mondelinge leer) tot uitgangspunt. In 48 lessen en oefeningen probeert Morinis op het spoor te komen van nieuwe spirituele ideeën en daarnaar te leren leven. De thema’s betreffen allemaal dingen die ons ten goede kunnen veranderen, zoals: blijdschap, vriendschap en feedback. De primaire doelgroep zijn joodse lezers, maar ook een in het joodse denken geïnteresseerd publiek kan in dit boek veel vinden dat niet alleen op Pirke Avot maar ook op de Torah (Hebreeuwse Bijbel) is geïnspireerd. Wat aan de titel ontbreekt, is ‘Handelen’, dat binnen Mussar zo’n grote rol inneemt. Dit kan de lezer op het verkeerde been zetten. Wat soms stoort, is een wat elitaire toon. Het boek bevat een aantal eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Ann Dooms – Van melkweg tot moraal

Van melkweg tot moraal ; wetenschap en verwondering / Ann Dooms ; Katleen Gabriels. – Gent : Academia Press, [2020]. – 88 pagina’s ; 18 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-46641-7

Een essay geschreven op verzoek van Caroline Pauwels, rector van de Vrije Universiteit Brussel. Een exacte wetenschapster (Ann Dooms) en een filosofe (Katleen Gabriels) buigen zich over vragen van en de relatie tussen wetenschap en  verwondering, de basis van de filosofie. Het eerste gedeelte gaat over de sterrenhemel, het tweede over ethiek, het derde over vrouwen die zich met wetenschap en verwondering bezighouden. Inclusief twee interviews met twee rolmodellen, respectievelijk Ingrid Daubechies (wiskundige) en Paula Sémer (wetenschapscommunicatie). In het laatste en vierde gedeelte wordt vanuit de wiskunde alles samengebracht, want wiskunde verbindt Melkweg en moraal. Na een strak begin wordt het door de vele namen die de revue passeren gaandeweg wat overvol. Equivalent van diverse series kleine, informatieve boekjes over verschillende vormen van wetenschap en filosofie. Pocketuitgave; normale druk. Met eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Karin van Hoof – Filosofie

Filosofie / Karin van Hoof ; onder redactie van Marlies Huijzer, Hanneke Siemensma, Ferry Siemensma. – Etten-Leur : Schoolsupport, [2020]. – 24 pagina’s : gekleurde illustraties ; 24 cm. – Colofon vermeldt: 0/20. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-634-1793-8

Dit 97ste deel in de serie Informatie gaat ‘over lastige vragen en het nadenken over een mogelijk antwoord’. Over filosofen en filosofische onderwerpen als de mens, goed
en slecht, de werkelijkheid en kennis. Op een heldere en vlotte manier gaat Karin van Hoof op deze en andere thema’s in, die allemaal dicht bij de leefwereld van het kind blijven. Zij is een veelzijdig auteur, redacteur en docent die onder andere filosofeert met kinderen. De bedoeling is dat kinderen op de grens van basisschool en voortgezet onderwijs vaardigheden trainen als begrijpend lezen, het verwerken van informatie en het met elkaar van gedachten wisselen. Kan ook worden gebruikt als bron voor werkstukken en spreekbeurten. Kernwoorden als empirist, ethiek en een Socratisch gesprek worden zowel in de tekst als in een trefwoordenlijst achterin uitgelegd. Met aansprekende kleurenillustraties en enkele suggesties om verder te lezen, onder andere De wereld van Sofie van Jostein Gaarder, dat echter voor iets oudere kinderen is bedoeld. Dit boek valt tussen de boeken over filosoferen met kinderen op door de beknoptheid, helderheid en uitnodigend taalgebruik. Vanaf circa 11 tot en met 14 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Een opvlucht

Door de coronacrisis lees je ook dingen anders dan je daarvoor zou hebben gedaan. Neem het hoofdstuk ‘Hoor daar het brullend verlangen’ over ‘droom, euforie en utopie van de luchtvaart’ in de essaybundel Grondwater van Piet Gerbrandy (Uitg. Atlas Contact, 2018). Met alle kritiek op de ongebreidelde vliegbewegingen, kan het niet anders of je leest dit, twee jaar later slechts, met andere ogen.

Het zou volgens Gerbrandy gaan om ‘de verheffing boven het aardse’ en ‘een weids panorama’ waardoor je uitstijgt ‘boven de menselijke maat’. Oude Griekse goden die volgens de verhalen konden vliegen, zoals Hermes, ‘representeren het contact met het bovenaardse’ aldus classicus Gerbrandy. Volgens hem is ook de filosofie een ‘opvlucht’.

Het opstijgen heeft iets magisch, dat valt niet te ontkennen, maar het door de wolken heen vliegen heeft bij mij nooit geleid tot een extatisch gevoel, en ik heb altijd het dalen op z’n minst prachtig gevonden. De tempels van Griekenland (om in sfeer te blijven) die steeds dichterbij komen, de meren en bossen van Finland waarover je heen scheert, de brug bij Kopenhagen, – ze staan me allemaal nog haarscherp voor de geest.
Misschien omdat ik filosofie ook niet alleen als een ‘opvlucht’ beschouw, maar de eerste filosofie, de ethiek, als een neerdalen, een laag bij de grond blijven. Mocht voor Viruly volgens Gerbrandy de luchtvaart ‘door haar snelheid en haar hang naar de hoogte verbonden [blijven] met een bovenaards domein’, juist door het dalen verbindt zij zich aan het aardse.

Gerbrandy eindigt zijn essay met een beschrijving van Soesterberg, allang niet meer in gebruik als luchtmachtbasis. ‘Een vliegveld zonder vliegtuigen’, vraagt hij zich dan af, ‘is dat niet het ultieme symbool van onvervulbaar verlangen?’ Zoals nu een vliegveld vol stilstaande vliegtuigen het omgekeerde uitdrukt. ‘Het verlangen van een jongensdroom’ die ‘bij mannen steevast gepaard gaat met een ferme erectie’.
Ik denk aan een vlucht naar Italië, op het moment dat we het Italiaanse luchtruim niet in mochten omdat – zoals iedereen onuitgesproken wist – op hetzelfde tijdstip bommenwerpers opstegen vanaf Villafranca. Ik denk aan een oorverdovende knal toen ik ’s morgens in mijn keuken in Leeuwarden het ontbijt stond klaar te maken en – zoals ik later hoorde –  een F-16 bij het opstijgen crashte.

En dan heb ik het nog niet eens over de huidige discussie over vliegen, over veiligheid voor de gezondheid, stikstofuitstoot en geluidsoverlast.
Dan heb ik het in dit verband, de coronacrisis, over een gedicht van Hans Faverey, dat Gerbrandy elders in zijn boek citeert, en waarbij ik me behalve het uitzicht uit een trein me dat uit een dalend vliegtuig voorstel: opeens zie je een man, in de buurt van Schiphol, die staat naast zijn huis, met een gieter in de hand, de ogen gericht op de aarde:

De grond om hem heen is vochtig;
zijn verlangen is leeg en heen. Wat hij
niet wil weten, onder geen voorwaarde,
is: waar en wanneer hij zal worden
terugverlangd en opgeëist door
de grond om hem heen.

Volgens Gerbrandy is het door de trein ‘mogelijk de man op afstand te houden’. Dat lukt met een vliegtuig minder, hij komt steeds dichterbij, de man met de gieter. Door de huidige crisis wordt je bij de dood bepaald. Maar je weet ook, dat de natuur, de seizoenen doorgaan, want de grond is vochtig en groeizaam. Dat troost.

 

Piet Gerbrandy: Grondwater. Beschouwingen over literatuur en existentie
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN 978 90 254 5307 7
Prijs: € 24,99

Dat kennen we …

Een van mijn bibliotheekstages deed ik jaren en jaren geleden bij een faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Een van de hoogleraren die – hoe opmerkelijk! – af en toe een praatje met mij maakte, was een hoogleraar ethiek. Van de bibliothecaris had ik al eens gehoord, dat hij vond dat de Verkeerswet in de collectie moest worden opgenomen, want dat was óók ethiek: geen voorrang nemen maar voorrang verlenen.1) Sindsdien bedank ik elke weggebruiker die mij voorlang verleent met een opgestoken hand. Een klein kind op een fietsje deed het me onlangs exact na. Een komisch gezicht.

Een soortgelijke situatie doet zich nu tijdens de coronacrisis voor. En hoe anders wordt daar door iedereen op gereageerd. Ik bedoel met name hoe concertzalen, schouwburgen en bioscopen met de restitutie van al gekochte entreekaartjes omgaan. Dat verschilt enorm. De meeste houden zich aan het op 9 april jl. gepresenteerde ‘Bewaar je ticket, geniet later’, waarin ook is opgenomen dat als je op een verschoven datum niet kunt, er twee opties zijn: of je doneert je geld of je krijgt het terug.

Niet iedereen haakt aan bij dit initiatief. Van een bioscoop en een museum in Londen kreeg ik zonder meer mijn geld teruggestort. Was geen twijfel over mogelijk, en de Nationale Opera en Ballet kwam met zelfs vijf opties: doneren van het volledige bedrag, of een deel ervan, het geld laten omzetten in een tegoedbon (voucher), het laten verrekenen met een abonnement voor komend seizoen of het laten restitueren.

Maar de mail waarmee onlangs een kleine zaal kwam, schoot mij in het verkeerde keelgat. Waarom? Omdat het me deed denken aan die voorrangsregels: je krijgt voorrang, je neemt het niet. Maar ik krijg helemaal niets, ze lijken alles te gaan nemen. Lees maar:

‘We moeten er definitief van uitgaan dat alle in dit seizoen geplande voorstellingen naar het nieuwe seizoen verplaatst worden. Per voorstelling krijgt iedereen die kaartjes gekocht had bericht met daarin de nieuwe datum. In principe zullen alle voorstellingen in het seizoen 2020/2021 alsnog gespeeld worden en daarom worden de betalingen niet gerestitueerd. In het nieuwe seizoen hopen we vooralsnog eind augustus weer gewoon open te kunnen gaan, wellicht met wat veiligheidsvoorzieningen maar wel met hetzelfde aantal stoelen.’

Zo die zit. Ik snap de moeilijke positie van alle theaters, ook – en misschien vooral – van kleintjes, met hun minimale personeelsbezetting. Immers: elders in het land is er al een omgevallen. Maar dit, nee dat kan echt niet.

Ik ben benieuwd naar wat [vet van mij] die veiligheidsvoorzieningen zullen behelzen. Enkele strepen op de vloer om een route door de smalle, monumentale gang aan te geven? Stoplichten in die gang? Een plastic spatscherm bij de koffiecounter/kassa? Geen cash aannemen, wat eigenlijk al overal is geaccepteerd? Maar opgepakt zitten in een kleine zaal met ruim honderd stoelen, zonder ruimte ertussen, is voor iemand die tot de kwetsbare bevolkingsgroepen behoort verre van een fijn en veilig vooruitzicht. Los van het feit of het maar de vraag is of hiermee geen regels van de regering en de RIVM overtreden gaan worden en of ik op die nieuwe datum kan, ziet het ernaar uit dat ik mijn geld linksom of rechtsom kwijt ben. Want zo voelt het; niet als een minimale donatie die ik vooral de optredende kunstenaars overigens graag had gegund, maar als iets wat niet zo netjes is: graaien in mijn portemonnee zonder daar toestemming voor te vragen. Het gebaar daarvoor kennen we inmiddels maar al te goed.

Misschien – laat ik me tenslotte nog van een mildere kant zien – moeten we dit mailtje lezen vanuit een woede van de directie van het zaaltje richting WVC; een minister die in het televisieprogramma M zit te glunderen en te popelen tot ze het woord mag nemen om, eh, een al even minimale toezegging te kunnen uitspreken, maar eigenlijk de kaalslag die onder Halbe Zijlstra is ingezet afmaakt als je eerlijk bent. Geld dat misschien niet eens bij zo’n ongesubsidieerd zaaltje als dit terecht komt. Misschien wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. Laten we ’t hopen. Misschien ….

1) Ik moet bij de recente discussie onder ethici, over wie op de intensive care (ic) voorrang krijgt, hieraan denken. Er is een protocol gemaakt [aanvulling op deze blog, dd. 19-6-2020) waarin jongeren voor gaan op mensen die al een lang stuk van hun leven achter de rug hebben. Ook hier heb ik weinig zin om bij de ingang van de ic tegen gehouden te worden en heb dat inmiddels al geruime tijd zelf geregeld: wanneer het zover is, hoeft dit traject voor mij niet te worden ingezet.

 

Afbeelding bij deze blog van een mogelijke opstelling van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) in  grote bezetting (ontleend aan een mail van het KCO, 29 april 2020).Op de parterre, in de vlakke zaal van het Concertgebouw, met het publiek twee aan twee op de balkons en het podium, met telkens anderhalve meter ertussen. De vraag is dan hoe ze alleengaanden naar een concert gaan plaatsen … Carré – die ook gaat samenwerken met de Kleine Comedie en Theater Bellevue – heeft daar overigens al wel over nagedacht, en komt met wat de directeur noemt ‘solo seats’. Zo blijft er altijd wel wat te wensen over … Sterkte, zalen, met het proactief nadenken!