Internationale Vrouwendag – Dorothee Sölle

Bijna veertig jaar geleden maakte ik een groepsrondreis door Zuid-Frankrijk. Bij een diner zat ik naast een meneer, die de reis speciaal maakte omdat we het St. Rémy de Provence van Van Gogh aandeden. Ik zei dat ik iets soortgelijks in mijn achterhoofd had, maar dan meer vanwege het landschap van Paul Cézanne. Hij antwoordde daar niets mee te hebben, en kreeg voor die opmerking een beetje op z’n kop van zijn vrouw. Hoe was inderdaad leuk geweest, als we hadden kunnen doorpraten en bijvoorbeeld waren uitgekomen waar Rudi Fuchs in zijn rubriek ‘Kijken’ in De Groene Amsterdammer (5 december 2019) was uitgekomen in zijn vergelijking tussen Cézanne en Van Gogh: ‘Waar Cézanne een overzicht van het landschap geeft, de ordening in beeld brengt, plaatst Van Gogh de kijker er middenin’. En zo verder.

Dorothee Sölle
Een jaar of tien later overkwam me iets soortgelijks. Ik vertelde mijn wijkpredikant een bewonderaar te zijn van het werk van Dorothee Sölle (1929-2003), die ik op dat moment een keer live heb gehoord; in 1990 sprak ze in het gymnasium van St. Gallen tussenteksten bij een uitvoering van de Missa Criolla. Inclusief toegift (‘Waarom niet? Is het hele leven geen toegift?’) De predikant antwoordde niets met haar denken te hebben. Het waarschijnlijke waarom daarvan heb ik gaandeweg dat ik bij haar kerkte en leerhuizen volgde wel ontrafeld; ik ben het dan ook niet eens met Eginhard Meijering die in een interview in In de Waagschaal (januari 2021) meent dat kerkgangers niet kunnen beoordelen uit welk theologisch vaatje wordt getapt en het ze ook een zorg zal zijn. Daar gaat het nu niet primair om – al zou Meijering eens bij de koffie na een dienst in mijn wijkgemeente moeten aansluiten; zijn oren zouden klapperen -, want ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag wil ik Dorothee Sölles theologie namelijk weer eens onder de aandacht brengen en voor mezelf proberen na te gaan wat me nu zo in haar werk aanspreekt.

Leerhuis
In 2008 volgde ik een cursus van twee avonden over Dorothee Sölle, door Willemien Roobol in de Amsterdamse Thomaskerk. Ik put om te beginnen uit mijn aantekeningen.
Je moet haar, stelde Roobol, in haar tijd zien; gaandeweg kwam er wel meer openheid om aandacht te hebben voor het jodendom; het speerpunt van het denken van mijn voormalige wijkpredikant, die onder meer aan de voeten van een rabbijn had gezeten en van de theologie van de Amsterdamse School had gedronken. Sölles keus lag besloten in Deuteronomium 30.[1] Torah doen, aldus Roobol. Voorts is mystiek een constante in haar denken; De heenreis dateert al uit 1975. In haar mystieke, poëtische boeken zitten ook kritische, analytische stukken. Het gaat om Mystiek en verzet, gelijk bij Bonhoeffer. En dat is een eenheid die ik (h)erken, als twee kanten van dezelfde medaille. Je kunt haar mystiek plaatsen binnen de ethiek.

Het begin
Mijn interesse in leven en werk van Sölle begon met een serie artikelen over haar in 1971, die in diverse bladen en kranten, zoals in Hervormd Nederland en Trouw verschenen. Wat later ben ik zelfs nog op een kleine bedevaart naar de Antoniterkirche in Keulen gegaan, waar zij sinds 1968 Politische Nachtgebete hield. Wéér die intrigerende dubbelslag, die zo mooi tot uiting komt in het omslag van De heenreis.
Bij het eerste artikel, door ds. H.A. Visser, staat een foto waarop Sölle naast dr. J.J. Buskes zit. En dat klopt in mijn beleving helemaal: twee geestverwanten, waarvan de eerste – het kan geen toeval zijn – ook nog eens die van mijn moeder. Rode dominees. Visser schrijft, dat het zijn bedoeling is het gesprek met Sölle, dat in de Amsterdamse Westerkerk begon, voort te zetten.[2]
Het is mooi zoals Sölle op enkele vragen van Visser – die ik hier verder buiten beschouwing laat – ingaat. Ze zegt niet te geloven in dogmatische formuleringen, en laat enkele vragen gewoon open. Niets wordt dichtgetimmerd, en dat is fijn.

Sterke en zwakke kanten
Een eerlijke reactie op haar preek geeft dr. Th. C. Frederikse, die nota bene de wijkpredikant van mijn ouders in Ermelo was: ‘We kennen in Nederland Dorothee Sölle, mét haar sterke én haar zwakke kanten. Maar of we het echt verwerkt en beantwoord hebben wat zij te zeggen heeft?’ En dan betrekt hij, zoals hij het noemt, de lezers in zijn overpeinzingen, die erop uitdraaien, dat Sölle ‘zo vreselijk zwart wit denkt’.

Omgekeerd riep ze zelf ook bij mensen op: of je kunt in haar denken meegaan of blijkbaar helemaal niet. Of zelfs: je vond haar aardig of helemaal niet, zoals iemand die ik ken vindt; bij haar logeerde ze toen ze in Nederland was. Ik blijf echter bij de vraag van Frederikse: of we Sölles denken wel echt hebben verwerkt? Misschien is het bij mij uiteindelijk zo gegaan: ik beaam wat Frederikse schrijft, en toch doe ik de deur niet dicht. Soms steek ik mijn hoofd om die deur en zeg hardop: En toch, en toch heeft ze ons nog steeds wat te zeggen. Luister maar.

[1] Zie: https://herzienestatenvertaling.nl/teksten/deuteronomium/30
[2] De preek die zij in de Westerkerk hield, is opgenomen in een bundel onder de schitterende titel Het recht om een ander te worden (Uitgeverij Ten Have, 1972).

Alan Morinis – Van Hoofd tot Hart

Van hoofd tot hart : 48 Mussar-lessen om je leven te transformeren / Alan Morinis ; vertaald [uit het Engels] door Henri Jules Vogel. – [Amsterdam] : Mastix Press, [2020]. – 265 pagina’s ; 24 cm. -Vertaling van: With heart in mind : Mussar teachings to transform your life. – Boston : Shambhala Publications, 2014. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-921102-4-4

Morinis ging op zoek naar een leidraad voor het leven binnen het joodse denken. Hij vond dit in Mussar (ethiek, moraal), een traditie van toepasbare wijsheid, die is ontstaan in het negentiende-eeuwse Litouwen. Morinis, van origine antropoloog, publiceerde eerder Het heilige in het alledaagse (2014). In dit nieuwe boek neemt hij Pirkei Avot (Spreuken der Vaderen), een deel van de Misjnah (mondelinge leer) tot uitgangspunt. In 48 lessen en oefeningen probeert Morinis op het spoor te komen van nieuwe spirituele ideeën en daarnaar te leren leven. De thema’s betreffen allemaal dingen die ons ten goede kunnen veranderen, zoals: blijdschap, vriendschap en feedback. De primaire doelgroep zijn joodse lezers, maar ook een in het joodse denken geïnteresseerd publiek kan in dit boek veel vinden dat niet alleen op Pirke Avot maar ook op de Torah (Hebreeuwse Bijbel) is geïnspireerd. Wat aan de titel ontbreekt, is ‘Handelen’, dat binnen Mussar zo’n grote rol inneemt. Dit kan de lezer op het verkeerde been zetten. Wat soms stoort, is een wat elitaire toon. Het boek bevat een aantal eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Ann Dooms – Van melkweg tot moraal

Van melkweg tot moraal ; wetenschap en verwondering / Ann Dooms ; Katleen Gabriels. – Gent : Academia Press, [2020]. – 88 pagina’s ; 18 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-46641-7

Een essay geschreven op verzoek van Caroline Pauwels, rector van de Vrije Universiteit Brussel. Een exacte wetenschapster (Ann Dooms) en een filosofe (Katleen Gabriels) buigen zich over vragen van en de relatie tussen wetenschap en  verwondering, de basis van de filosofie. Het eerste gedeelte gaat over de sterrenhemel, het tweede over ethiek, het derde over vrouwen die zich met wetenschap en verwondering bezighouden. Inclusief twee interviews met twee rolmodellen, respectievelijk Ingrid Daubechies (wiskundige) en Paula Sémer (wetenschapscommunicatie). In het laatste en vierde gedeelte wordt vanuit de wiskunde alles samengebracht, want wiskunde verbindt Melkweg en moraal. Na een strak begin wordt het door de vele namen die de revue passeren gaandeweg wat overvol. Equivalent van diverse series kleine, informatieve boekjes over verschillende vormen van wetenschap en filosofie. Pocketuitgave; normale druk. Met eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Karin van Hoof – Filosofie

Filosofie / Karin van Hoof ; onder redactie van Marlies Huijzer, Hanneke Siemensma, Ferry Siemensma. – Etten-Leur : Schoolsupport, [2020]. – 24 pagina’s : gekleurde illustraties ; 24 cm. – Colofon vermeldt: 0/20. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-634-1793-8

Dit 97ste deel in de serie Informatie gaat ‘over lastige vragen en het nadenken over een mogelijk antwoord’. Over filosofen en filosofische onderwerpen als de mens, goed
en slecht, de werkelijkheid en kennis. Op een heldere en vlotte manier gaat Karin van Hoof op deze en andere thema’s in, die allemaal dicht bij de leefwereld van het kind blijven. Zij is een veelzijdig auteur, redacteur en docent die onder andere filosofeert met kinderen. De bedoeling is dat kinderen op de grens van basisschool en voortgezet onderwijs vaardigheden trainen als begrijpend lezen, het verwerken van informatie en het met elkaar van gedachten wisselen. Kan ook worden gebruikt als bron voor werkstukken en spreekbeurten. Kernwoorden als empirist, ethiek en een Socratisch gesprek worden zowel in de tekst als in een trefwoordenlijst achterin uitgelegd. Met aansprekende kleurenillustraties en enkele suggesties om verder te lezen, onder andere De wereld van Sofie van Jostein Gaarder, dat echter voor iets oudere kinderen is bedoeld. Dit boek valt tussen de boeken over filosoferen met kinderen op door de beknoptheid, helderheid en uitnodigend taalgebruik. Vanaf circa 11 tot en met 14 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Een opvlucht

Door de coronacrisis lees je ook dingen anders dan je daarvoor zou hebben gedaan. Neem het hoofdstuk ‘Hoor daar het brullend verlangen’ over ‘droom, euforie en utopie van de luchtvaart’ in de essaybundel Grondwater van Piet Gerbrandy (Uitg. Atlas Contact, 2018). Met alle kritiek op de ongebreidelde vliegbewegingen, kan het niet anders of je leest dit, twee jaar later slechts, met andere ogen.

Het zou volgens Gerbrandy gaan om ‘de verheffing boven het aardse’ en ‘een weids panorama’ waardoor je uitstijgt ‘boven de menselijke maat’. Oude Griekse goden die volgens de verhalen konden vliegen, zoals Hermes, ‘representeren het contact met het bovenaardse’ aldus classicus Gerbrandy. Volgens hem is ook de filosofie een ‘opvlucht’.

Het opstijgen heeft iets magisch, dat valt niet te ontkennen, maar het door de wolken heen vliegen heeft bij mij nooit geleid tot een extatisch gevoel, en ik heb altijd het dalen op z’n minst prachtig gevonden. De tempels van Griekenland (om in sfeer te blijven) die steeds dichterbij komen, de meren en bossen van Finland waarover je heen scheert, de brug bij Kopenhagen, – ze staan me allemaal nog haarscherp voor de geest.
Misschien omdat ik filosofie ook niet alleen als een ‘opvlucht’ beschouw, maar de eerste filosofie, de ethiek, als een neerdalen, een laag bij de grond blijven. Mocht voor Viruly volgens Gerbrandy de luchtvaart ‘door haar snelheid en haar hang naar de hoogte verbonden [blijven] met een bovenaards domein’, juist door het dalen verbindt zij zich aan het aardse.

Gerbrandy eindigt zijn essay met een beschrijving van Soesterberg, allang niet meer in gebruik als luchtmachtbasis. ‘Een vliegveld zonder vliegtuigen’, vraagt hij zich dan af, ‘is dat niet het ultieme symbool van onvervulbaar verlangen?’ Zoals nu een vliegveld vol stilstaande vliegtuigen het omgekeerde uitdrukt. ‘Het verlangen van een jongensdroom’ die ‘bij mannen steevast gepaard gaat met een ferme erectie’.
Ik denk aan een vlucht naar Italië, op het moment dat we het Italiaanse luchtruim niet in mochten omdat – zoals iedereen onuitgesproken wist – op hetzelfde tijdstip bommenwerpers opstegen vanaf Villafranca. Ik denk aan een oorverdovende knal toen ik ’s morgens in mijn keuken in Leeuwarden het ontbijt stond klaar te maken en – zoals ik later hoorde –  een F-16 bij het opstijgen crashte.

En dan heb ik het nog niet eens over de huidige discussie over vliegen, over veiligheid voor de gezondheid, stikstofuitstoot en geluidsoverlast.
Dan heb ik het in dit verband, de coronacrisis, over een gedicht van Hans Faverey, dat Gerbrandy elders in zijn boek citeert, en waarbij ik me behalve het uitzicht uit een trein me dat uit een dalend vliegtuig voorstel: opeens zie je een man, in de buurt van Schiphol, die staat naast zijn huis, met een gieter in de hand, de ogen gericht op de aarde:

De grond om hem heen is vochtig;
zijn verlangen is leeg en heen. Wat hij
niet wil weten, onder geen voorwaarde,
is: waar en wanneer hij zal worden
terugverlangd en opgeëist door
de grond om hem heen.

Volgens Gerbrandy is het door de trein ‘mogelijk de man op afstand te houden’. Dat lukt met een vliegtuig minder, hij komt steeds dichterbij, de man met de gieter. Door de huidige crisis wordt je bij de dood bepaald. Maar je weet ook, dat de natuur, de seizoenen doorgaan, want de grond is vochtig en groeizaam. Dat troost.

 

Piet Gerbrandy: Grondwater. Beschouwingen over literatuur en existentie
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN 978 90 254 5307 7
Prijs: € 24,99

Dat kennen we …

Een van mijn bibliotheekstages deed ik jaren en jaren geleden bij een faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Een van de hoogleraren die – hoe opmerkelijk! – af en toe een praatje met mij maakte, was een hoogleraar ethiek. Van de bibliothecaris had ik al eens gehoord, dat hij vond dat de Verkeerswet in de collectie moest worden opgenomen, want dat was óók ethiek: geen voorrang nemen maar voorrang verlenen.1) Sindsdien bedank ik elke weggebruiker die mij voorlang verleent met een opgestoken hand. Een klein kind op een fietsje deed het me onlangs exact na. Een komisch gezicht.

Een soortgelijke situatie doet zich nu tijdens de coronacrisis voor. En hoe anders wordt daar door iedereen op gereageerd. Ik bedoel met name hoe concertzalen, schouwburgen en bioscopen met de restitutie van al gekochte entreekaartjes omgaan. Dat verschilt enorm. De meeste houden zich aan het op 9 april jl. gepresenteerde ‘Bewaar je ticket, geniet later’, waarin ook is opgenomen dat als je op een verschoven datum niet kunt, er twee opties zijn: of je doneert je geld of je krijgt het terug.

Niet iedereen haakt aan bij dit initiatief. Van een bioscoop en een museum in Londen kreeg ik zonder meer mijn geld teruggestort. Was geen twijfel over mogelijk, en de Nationale Opera en Ballet kwam met zelfs vijf opties: doneren van het volledige bedrag, of een deel ervan, het geld laten omzetten in een tegoedbon (voucher), het laten verrekenen met een abonnement voor komend seizoen of het laten restitueren.

Maar de mail waarmee onlangs een kleine zaal kwam, schoot mij in het verkeerde keelgat. Waarom? Omdat het me deed denken aan die voorrangsregels: je krijgt voorrang, je neemt het niet. Maar ik krijg helemaal niets, ze lijken alles te gaan nemen. Lees maar:

‘We moeten er definitief van uitgaan dat alle in dit seizoen geplande voorstellingen naar het nieuwe seizoen verplaatst worden. Per voorstelling krijgt iedereen die kaartjes gekocht had bericht met daarin de nieuwe datum. In principe zullen alle voorstellingen in het seizoen 2020/2021 alsnog gespeeld worden en daarom worden de betalingen niet gerestitueerd. In het nieuwe seizoen hopen we vooralsnog eind augustus weer gewoon open te kunnen gaan, wellicht met wat veiligheidsvoorzieningen maar wel met hetzelfde aantal stoelen.’

Zo die zit. Ik snap de moeilijke positie van alle theaters, ook – en misschien vooral – van kleintjes, met hun minimale personeelsbezetting. Immers: elders in het land is er al een omgevallen. Maar dit, nee dat kan echt niet.

Ik ben benieuwd naar wat [vet van mij] die veiligheidsvoorzieningen zullen behelzen. Enkele strepen op de vloer om een route door de smalle, monumentale gang aan te geven? Stoplichten in die gang? Een plastic spatscherm bij de koffiecounter/kassa? Geen cash aannemen, wat eigenlijk al overal is geaccepteerd? Maar opgepakt zitten in een kleine zaal met ruim honderd stoelen, zonder ruimte ertussen, is voor iemand die tot de kwetsbare bevolkingsgroepen behoort verre van een fijn en veilig vooruitzicht. Los van het feit of het maar de vraag is of hiermee geen regels van de regering en de RIVM overtreden gaan worden en of ik op die nieuwe datum kan, ziet het ernaar uit dat ik mijn geld linksom of rechtsom kwijt ben. Want zo voelt het; niet als een minimale donatie die ik vooral de optredende kunstenaars overigens graag had gegund, maar als iets wat niet zo netjes is: graaien in mijn portemonnee zonder daar toestemming voor te vragen. Het gebaar daarvoor kennen we inmiddels maar al te goed.

Misschien – laat ik me tenslotte nog van een mildere kant zien – moeten we dit mailtje lezen vanuit een woede van de directie van het zaaltje richting WVC; een minister die in het televisieprogramma M zit te glunderen en te popelen tot ze het woord mag nemen om, eh, een al even minimale toezegging te kunnen uitspreken, maar eigenlijk de kaalslag die onder Halbe Zijlstra is ingezet afmaakt als je eerlijk bent. Geld dat misschien niet eens bij zo’n ongesubsidieerd zaaltje als dit terecht komt. Misschien wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. Laten we ’t hopen. Misschien ….

1) Ik moet bij de recente discussie onder ethici, over wie op de intensive care (ic) voorrang krijgt, hieraan denken. Er is een protocol gemaakt [aanvulling op deze blog, dd. 19-6-2020) waarin jongeren voor gaan op mensen die al een lang stuk van hun leven achter de rug hebben. Ook hier heb ik weinig zin om bij de ingang van de ic tegen gehouden te worden en heb dat inmiddels al geruime tijd zelf geregeld: wanneer het zover is, hoeft dit traject voor mij niet te worden ingezet.

 

Afbeelding bij deze blog van een mogelijke opstelling van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) in  grote bezetting (ontleend aan een mail van het KCO, 29 april 2020).Op de parterre, in de vlakke zaal van het Concertgebouw, met het publiek twee aan twee op de balkons en het podium, met telkens anderhalve meter ertussen. De vraag is dan hoe ze alleengaanden naar een concert gaan plaatsen … Carré – die ook gaat samenwerken met de Kleine Comedie en Theater Bellevue – heeft daar overigens al wel over nagedacht, en komt met wat de directeur noemt ‘solo seats’. Zo blijft er altijd wel wat te wensen over … Sterkte, zalen, met het proactief nadenken!

 

Voorbeschouwing en nabeschouwing ineen

Afgelopen vrijdagmiddag was er in Spui25 een klein symposium in samenwerking met het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) over een thema dat in de aanstaande concerten centraal staat: ‘Mens, mythe en muziek’. Zes wetenschappers gingen kort op diverse aspecten van dit thema in, met in het midden een optreden van Julie Moulin (fluit) en Miriam Overlach (harp) met werken van Claude Debussy, Theo Smit Sibinga, Takemitsu en Lutoslawski.

Dit programma vormde voor mij een opmaat naar niet zozeer de drie programma’s van het KCO, waarvan er een nog in het verschiet ligt, maar naar het NTR ZaterdagMatinee een dag erna (18 januari), waar het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor met twee solisten (tenor en bas) onder leiding van Andrea Battistoni na de pauze de Messe di gloria uit 1888 van Pietro Mascagni uitvoerden.

De zondag erna nam ik de gelegenheid te baat nog eens het boek Hoe het vlees weer Woord wordt van Rico Sneller – bij wie ik onlangs een weekendcursus bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden volgde – uit de kast te pakken en te leggen naast wat ik afgelopen vrijdag in Spui25 en zaterdag in het Concertgebouw hoorde.

Mens, mythe en muziek
Een echte moderator was er geloof ik niet, afgelopen vrijdag, maar enkele sprekers probeerden aan het begin van hun inleiding aan te haken bij de thematiek van hun voorgang(st)er, wat op zich mooie verbanden en inkijkjes opleverde.
Zo verwees de vierde spreker, David Rijser naar de inleiding van Philip Westbroek (getrouwd met een violiste van het KCO overigens), die het spits had afgebeten. Rijser wees er in zijn inleiding over ‘Orpheus en de redenaars’ (de retorica) op, dat er aan het begin van de operatraditie, met onder meer enkele opera’s over dit Griekse thema (waaronder die van Monteverdi), een wending plaatsvond naar het aardse, naar de musica mundana (wereldmuziek), terwijl Westbroek het had gehad over de componist Alexander Scriabin, die in zijn vijfde symfonie Prometheus (1908-1910) terugkeerde naar het transcendente, het overstijgende.

Messe di gloria
Op deze manier zette beide sprekers al dan niet zo bedoeld, het immanente en transcendente tegenover elkaar.
Op zaterdag overkwam me een geheel andere gewaarwording, al luisterend naar de Messe di gloria van Mascagni. Met name in het Et incarnatus est:

Hij heeft het vlees aangenomen door de Heilige Geest uit de Maagd Maria en is mens geworden.

Tussen alle grootse gebaren die deze mis kenmerkt, klom op het woord Spiritu sancto (Heilige Geest) opeens een viool – bespeeld door Nadia Wijzenbeek – naar boven, als was het een leeuwerik. De viool is vanouds (luister maar naar cantates van Joh. Seb. Bach) het symbool voor de duif, de Heilige Geest, die neerdaalt en de aarde even optilt naar boven. Het geeft aan welke entiteit van de drie-eenheid (Vader, Zoon, Heilige Geest) dan ook als het ware een aureool mee. Ik zag de afbeelding voor me van De violist en zijn muze van Chagall, momenteel te zien op de tentoonstelling Chagall, Picasso, Mondriaan en anderen in het Amsterdamse Stedelijk Museum (t/m 2 februari a.s., zie foto EvS).

Hoe het vlees weer Woord wordt
Ik volg tenslotte de gedachtegang van Rico Sneller in bovengenoemd boek (Uitgeverij Meinema, 2002) dat mij de zondag na het symposium en het concert vergezelde.
Het begint met een plaatsbepaling van het idee van het Goede bij Plato tegenover het ‘veel aardser, immanenter en menselijker’ idee van het goede bij Aristoteles – als ware het Rijser en Westbroek die tegenover elkaar werden gezet. Er kan echter pas écht sprake zijn van transcendentie, wanneer deze ‘haar oriëntatie zoekt in een absoluut Goed dat zich incarneert’. Daarvoor is beweging nodig, en niet twee ‘in zichzelf rustende en als stabiel opgevatte polen’. Volgens Sneller is ‘het tot dusverre vooral het jodendom geweest dat denkers heeft voortgebracht die hiertoe bij uitstek in staat zijn gebleven’.
Ten aanzien van een daarvan, Emmanuel Levinas, schrijft Sneller: ‘Beide noties, transcendentie en incarnatie, impliceren elkaar bij Levinas. Beide noties maken (…) dat binnen de wijsgerige bezinning iets het primaat krijgt wat ik langzamerhand ethiek (…) durf te noemen’. Sneller concludeert: ‘Ethiek is incarnatie; en incarnatie is dan: terugkeer (…) tot “lichaam”, “gevoeligheid”, “kwetsbaarheid”, “aanspreekbaarheid”, “vlees” (…). Tegelijk echter (…) is incarnatie pas wat ze is, namelijk incarnatie, als er ook desincarnatie is. Wil het woord niet “sterven” in het vlees, dan moet het vlees weer woord worden’.
Op het eind van zijn boek komt Sneller tot de adembenemende conclusie, dat ‘de incarnatie bestaat in ethiek, zedelijkheid of daad. [Het is] een oneindige opgave, [die vraagt] dat ik mij openstel voor God (…). Pas dan vallen incarnatie en desincarnatie samen, in een ongrijpbaar moment’.
Ik ervoer het even, zaterdagmiddag bij de korte vioolsolo in het Et incarnatus est van Mascagni, mij er volledig van bewust dat dit maar het halve verhaal is.

Edith Brugmans – Weg van de enkeling

Weg van de enkeling : de werkelijkheid van sentimenten / Edith Brugmans. – Amsterdam : Sjibbolet, 2019. – 184 pagina’s ; 21 cm. – Op omslag: Sjibbolet Filosofie. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-911104-0-5

De kern van dit boekessay is de idee dat objectieve geestelijke werkelijkheid bestaat. In het bijzonder de objectieve realiteit van idealisme, gevoelssferen, stemmingen, sentimenten, of – zoals de auteur het noemt – objectieve, gezamenlijke pathemen. Dit
idee raakt aan filosofie (metafysica), antropologie (als tegenwicht tegen het individualisme) en ethiek (rechtvaardigheid). Edith Brugmans, emeritus hoogleraar wijsbegeerte in Leiden, is op alle terreinen thuis. Meer nog: eerder publiceerde zij ook over filosofie en literatuur. Het doel is gemeenschappelijk een waarachtig en eenvoudig leven te leiden. Het bereiken hiervan beschrijft zij zowel theoretisch – aan de hand van de visies van bijvoorbeeld Iris Murdoch, haar tijdgenoot Peter Strawson en Peter Sloterdijk – als concreet aan de hand van mooi beschreven persoonlijke ervaringen. Opvallend is de positieve insteek die (bewust) contrasteert met Brugmans kritiek op A la recherche de l’être van Sartre, die zo als antagonist optreedt. Indrukwekkend boek. Met voetnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Van aangezicht tot aangezicht

‘Tot rust kwam moeder op het moment dat onze huisarts haar hielp met sterven. Op een mooie avond in september, even na half 8 ’s avonds. De telefoon hadden we uitgezet. Ze vroeg om een glas water, dat vader haar gaf – een kleine herinnering aan het beroemde verhaal van George Orwell van een man die ter dood is veroordeeld en al lopend naar het schavot een waterplas ontwijkt. Vader wilde iets uit de bijbel lezen. Maar ik weigerde het, nogal fel. Ze lag op bed en lachte tegen de dokter. Met die lach om de mond is ze gestorven.

Wat Ida Gerhardt over haar – in dit geval – vader schreef, geldt ook voor mijn moeder:

Waar is mijn Vader? Is hij in het licht?
Hij lag verheerlijkt, toen hij was gestorven.
Z
ièt hij, van aangezicht tot aangezicht.’

Dit schreef ik in het boekje over mijn moeder, Ogen van mijn moeder. De ethicus Theo Boer, universitair docent ethiek en medische ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (Groningen), zal het vast niet hebben gelezen. Hij houdt zich als lid van de [regionale] toelatingscommissie [euthanasie], zoals ik lees in een interview dat Maurice van Turnhout met hem had (in: Trouw, 31 december 2018), vooral bezig met dossiers.

Eerlijkheidshalve had ik dit interview overgeslagen – ik weet wel op welk, steeds hetzelfde aambeeld Boer al jaren lang slaat. Een vooroordeel, ik weet het, en in die zin vergelijkbaar met – maar, daar troost ik me mee, onschuldiger dan – de vooroordelen die hij bezigt.
De reactie van Agnes Wolbert (directeur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, NVVE) in Trouw van vandaag bracht me ertoe het alsnog te lezen. Zij wijst op Boers chargeren en het, vul ik aan, wetenschappelijk onverantwoorde gladde ijs waarop hij zich begeeft (beide omschrijvingen, chargeren en glad ijs, neemt hij zelf in de mond) of op de – vul ik ook maar weer aan – kwalijke, onzindelijke vergelijking van euthanasie ‘met de beslissingen in het stemhokje om in 1933 op Hitler te stemmen’. En de suggestie ‘dat euthanasie floreert bij een beddentekort in de Nederlandse ziekenhuizen’.

Ik zou wel eens willen weten hoe zoiets in het Duitsland anno nu – het land waar hij de helft van het jaar woont – valt. Maar misschien leggen ze de meningen van hem daar gewoon naast zich neer. Gelijk hebben ze, zolang Boer ‘zulke demoniserende en polariserende teksten nodig’ blijft hebben ‘in plaats van een open en eerlijke discussie te voeren’ (Wolbert).

Ook Boer komt – ik volg het artikel verder op de voet – met zijn moeder aangezet. Zij overleed op 90-jarige leeftijd en had ‘de handdoek niet in de ring’ gegooid, zoals hij het omschrijft. Ik moet denken aan een poëziekring, jaren en jaren geleden in de kerk. Hierin bespraken we een gedicht en de gespreksleider had het over ‘een cadeau dat je terug mag geven’. Het drong pas na enige momenten tot mij door, dat hij het over het leven had. Hij zei het moe en zachtjes en mede daardoor maakte het grote indruk.

En ja, Boer heeft toch ook naast zijn dossiers kans gezien een boek te lezen. Hij zegt alleen niet welk, wanneer hij op een gegeven moment met ‘de existentialistische denker Camus’ op de proppen komt. Maar laat Camus het nu niet over euthanasie hebben gehad, maar over zelfmoord; wetenschap is ook goed definiëren. En niet over autonomie maar over vrijheid, en dat was de levenshouding die hij bepleitte.

‘Goed sterven’, zegt Boer bijna tegen het eind, ‘dat is vrijwillig sterven’. De woordkeus is misleidend; ik heb van een van mijn eindredacteuren bij het tijdschrift Mens en melodie, ook jaren en jaren geleden, geleerd dat je onderscheid moet maken tussen ‘overlijden’ (passief) en ‘sterven’ (actief). Boers moeder deed het eerste, mijn moeder het tweede. Maar ik ontken hem het recht over dat tweede een (ethisch? wat heet) oordeel uit te spreken. Daarmee ‘schoffeert’ hij – aldus Wolbert – ‘niet alleen de voorstanders van het zelfgekozen levenseinde, maar ook de mensen (en hun naasten) die dankzij onze wetgeving op een waardige en weloverwogen wijze de regie konden hebben over hun overlijden’.

https://www.trouw.nl/samenleving/dilemma-s-in-de-zorg-moet-ik-straks-mijn-eigen-dood-regelen-~ab91d6e8/

Wat er overblijft

        
‘Je hebt’, schrijft de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (1942) in het derde deel van zijn Homo sacer, dat in een Nederlandse vertaling van Willy Hemelrijk verscheen bij Uitgeverij Verbum, ‘mensen die overal een verklaring voor hebben en die te veel en te snel willen begrijpen, en anderzijds zijn er de goedkope heilgverklaarders die juist weigeren te verklaren’. We kunnen er namen bij bedenken, maar Agamben kiest ervoor ‘even de tijd [te] nemen in de kloof daartussen’.

Luisteren
Het is Agambens bedoeling met dit boek ‘een paar begrippen te corrigeren waarmee de allesbepalende les van de twintigste eeuw is opgetekend; een paar woorden geschrapt en andere anders geïnterpreteerd te krijgen’. Het is volgens hem misschien wel de enig mogelijke manier ‘om te luisteren naar wat niet gezegd is’. Eerst luisteren en er dan, zoekend en tastend, woorden voor vinden. Woorden die niet al zijn ‘bezet’ en ‘besmet’, om met Christien Brinkgreve in haar recente boek Het raadsel van goed en kwaad te spreken. Een boek dat soms haaks staat op dat van Agamben. En dat is goed om over na te denken en over in gesprek te kunnen gaan.

Schaamte
Zo heeft Agamben het bijvoorbeeld over het schokkende feit dat de SS en leden van het Sonderkommando een potje voetbal speelden, als was het op een veldje in de buurt in plaats van ‘voor de poorten van de hel’ (Dante steekt bij hem vaak de kop op). Agamben schrijft over ‘de schaamte van ons mensen die de kampen niet gekend hebben en toch (…) bij de wedstrijd zitten, die zich in elke wedstrijd herhaalt, in elke televisie-uitzending’. Brinkgreve begrijpt niet goed dat schaamte de ‘meest ontregelende emotie is’, terwijl Agamben stelt dat ‘als het ons niet lukt om die wedstrijd te begrijpen, er een einde aan te maken, er nooit hoop zal zijn’. Brinkgreve zoekt het in kunst, literatuur en muziek, die immers een empathisch vermogen kunnen oproepen.

Holocaust
Zowel Brinkgreve als Agamben zoeken naar adequate woorden. ‘Holocaust’ is dat voor Agamben zeker niet, omdat het ‘niet alleen een onacceptabele gelijkstelling impliceert van verbrandingsovens met altaren, en teruggrijpt op een semantische erfenis die van begin af aan een anti-Joodse strekking heeft gehad’. Ook het woord ‘onzegbaar’ voor Auschwitz is dit niet, omdat het ‘deze vernietiging het aanzien van iets mystieks geeft’.

Een gedicht
Agamben is wars van alles dat in die richting gaat. Zo ook van de opvatting dat gedichten (Celan) en liederen ‘de mogelijke getuigenis redden’. Het is zijns inziens ‘eerder de getuigenis die het fundament legt voor de mogelijkheid tot een gedicht’. Of, zoals Remco Campert dichtte (‘Notitie’ in: Open ogen, 2018):

dit gedicht helpt hem niet
maar is genoteerd

Muselmann
Maar is hij ook gezíen en gehoord? Agamben heeft het over de Muselmann, lethargische gevangenen die bijna dood waren, waarbij hij aan Gorgo moet denken, ‘dat afschuwelijke vrouwenhoofd met een kroon van slangen’, waarvan de aanblik de dood tot gevolg had – een ‘verboden gezicht’ dus. Niemand wilde de Muselmann zien – en juist dát moet onder ogen worden gezien en daarvan moet worden getuigd.
Dit heeft volgens Agamben, die daarin Primo Levi bijvalt, zin. ‘Levi ziet de Muselmann meer als de plek waar een experiment plaatsvindt, waar juist de moraal en de menselijkheid zelf in twijfel worden getrokken. De Muselmann is een heel bijzondere grensfiguur, waarin niet alleen categorieën als waardigheid en respect, maar zelfs het idee van een ethische grens hun betekenis verliezen.’ Ook om die reden, schrijft Agamben – en met hem meer filosofen, zoals Susan Neiman – ‘markeert Auschwitz het einde en de ruïne van elke ethiek van de waardigheid, van zich conformeren aan de norm’. En, meent hij, Primo Levi is ‘de onverzoenlijke landmeter van het Muselmannland’, – zo’n rijke zin, die werelden blootlegt, zoals die van Josef K., de landmeter uit Das Schloss van Franz Kafka. De landmeter die ook bij nul begon, omdat alle bruggen achter hem waren weggeslagen, en die ook onvermoeibaar zocht naar de waarheid. En die – zoals Agamben verderop beschrijft – iets als schaamte kende, ‘die hem moest overleven’.

Dialectiek
Het is een onmogelijke dialectiek, zegt Agamben: die van de overlevende, die kan spreken maar niets interessants te zeggen heeft, en de persoon die ‘de Gorgo heeft gezien’, die ‘de bodem heeft bereikt’, namelijk de Muselmann, die niet kan spreken. Wie getuigt nu echt? Die waarlijk getuigt, is volgens hem de Muselmann, die heeft gezien en met stomheid is geslagen. Maar waarlijk mens is hij, voor zover hij getuigt voor de niet-mens. Agamben concludeert dat ‘de stelling die de les van Auschwitz samenvat’ aldus luidt: ‘De mens is degene die de mens kan overleven’. De dialectiek van de Muselmann en de overlevende valt hierin even samen.

Getuigenissen
Indrukwekkend zijn de getuigenissen van de Muselmänner waarmee het boek afsluit. Want dit is kenmerkend voor het hele boek: het gaat niet alleen óver de Tweede Wereldoorlog, maar het zijn primair getuigenissen uít Auschwitz, dat symbool staat voor alle concentratie- en vernietigingskampen.
Uiteindelijk bestaat wat overblijft van Auschwitz volgens Agamben ‘niet uit doden noch uit overlevenden, niet uit de verdronkenen noch uit de geredden, maar uit wat er daartussenin overblijft’. De getuige en het archief.

Al met al een indrukwekkend boek dat zo diep ingrijpt, dat het slechts mogelijk is het mondjesmaat te lezen en te overdenken. Maar het is wel een boek dat gelezen moet worden.

Giorgio Agamben: Wat er overblijft van Auschwitz. De getuige en het archief (Homo sacer III). Hilversum, Uitgeverij Verbum, 2018. ISBN 9789074274913. € 17,95

Dit artikel verscheen ook in GM Gast-huismagazine nr. 110 (september 2018), p. 15-17.