Shylock, Shakespeare en Orson Welles

Shylock_WellesIn mijn kast met boeken over Shakespeare staat een dunne uitgave van de inaugurele rede die H.H.J. de Leeuwe in 1966 in Utrecht hield. Het onderwerp is Shakespeares Shylock (de jood uit The merchant of Venice) en zijn vertolking door Louis Bouwmeester. De Leeuwe vraagt zich af wie Shylock ten diepste is: een boze demon, een achtervolgde of toch eerder een komisch figuur? Hij komt tot de conclusie dat Shakespeare deze mogelijkheden open heeft gelaten en dat de vertolkers van deze rol vrij spel hebben. En dat dit laatste afhangt ‘van de gezindheid van het publiek waarvóór, van de tijd waarìn dit stuk werd opgevoerd’.

Orson Welles is er nooit uitgekomen, bleek gisteravond tijdens een aflevering van EYE on Art in Amsterdam. Stefan Drössler, directeur van het Filmmuseum in München, praatte ons bij en liet een gereconstrueerde filmversie van The merchant of Venice zien. In deze 35 minuten durende filmuit 1979 speelde Welles de rol van Shylock (zie afb.). Maar de film is onvoltooid. En in de reconstructie ook op een indrukwekkende manier onvoltooid gebleven; op het moment dat Shylock/Welles bij de beroemde monoloog van Shylock is aangekomen ging het scherm op zwart: ‘Heeft een jood geen ogen, geen handen, geen ledematen, geen zintuigen, hartstochten, genegenheden?’

Op dat moment hoorden we alleen de stem van Welles. Zo kan de toeschouwer volgens Drössler zijn eigen invulling aan de rol en deze monoloog geven, zoals De Leeuwe dat ook beschreef. Aanvullend zagen de bezoekers in het Filminstituut in Amsterdam – ik begreep dat het er meer waren dan bij eerdere afleveringen van EYE on Art – enkele pogingen van Welles om de monoloog uit te spreken. Telkens legde hij het accent anders en riep vervolgens: ‘Cut!’ De vorm heeft hij nooit gevonden. Dat zoeken is mooi. Evenals het open laten van het eind in de reconstructie. En dat het de toeschouwers blijft beroeren helemaal.

https://www.eyefilm.nl/film/de-onbekende-orson-welles

Twee maal The Merchant of Venice

Merchant of VeniceIedere tijd krijgt de Shakespeare die hij verdient. Volgens Ron Hoffman, bij wie ik aan de Volksuniversiteit en de HOVO, beide in Amsterdam, cursussen over het werk van de bard volgde, valt er over The Merchant of Venice – waarover hij in het najaar van 2015 een cursus geeft – slecht na te denken, omdat we zitten met 20ste eeuwse gevoelens over de thematiek van het stuk. En toch ga ik het in deze blog proberen: nadenken naar aanleiding van twee opvoeringen ervan.

De eerste was in 2002 door Toneelgroep Amsterdam (gezien in de Stadsschouwburg van Utrecht) en de tweede de opvoering in Stratford-upon-Avon door de Royal Shakespeare Company (zie afb.), gisteravond rechtstreeks overgeseind naar onder andere Pathé Tuschinski in Amsterdam.
Ik concentreer me op het vierde bedrijf, dat speelt in een rechtszaal. Antonio (de koopman) en Shylock (een jood) staan voor de doge. In Utrecht, in de regie van de onvolprezen Syrische Ola Mafaalani, zaten ze aan tafel; het Bijbelse beeld van een goed gesprek en ontmoeting. De sfeer was indrukwekkend en ingetogen.
In Stratford stonden Antonio en Shylock (de Palestijnse toneelspeler Makram J Khoury) respectievelijk links en rechts op de uithoeken van de (koperen) toneelvloer. De sfeer was over de top; het gedeelte voor de pauze maakte aanzienlijk meer indruk. Wat niet wegneemt dat beide opvoeringen, om verschillende redenen, beklijven.

Het is natuurlijk gemakkelijk, te gemakkelijk om beide 1:1 te vertalen naar de huidige stand van (politieke) zaken. Maar ze geven wél een richting aan om verder over na te denken.
In 2002 was de dialoog tussen joden en niet-joden volop gaande. Het gesprek heeft anno 2015 gedeeltelijk plaats gemaakt voor een kritischer houding in de slipstream van de politiek van en rond de Staat Israël.
Blijft dat een stuk als The Merchant of Venice op z’n tijd toch maar wordt opgevoerd en bestudeerd, en dat de dialoog inmiddels een trioloog is geworden tussen alle drie de Abrahamgodsdiensten, wat in de huidige samenleving niet anders dan als een winstpunt kan worden aangemerkt.

Op die manier wordt lehren en lernen verbreed en gaande gehouden. Dat is een groot goed. Dat een stuk van Shakespeare – dat verre van antisemitisch is, wat er ook van wordt gezegd – een rol in het debat kan spelen, geeft aan dat kunst geen aangenaam tijdverdrijf is, maar veel méér dan dat. Het is van levensbelang, hoe je het ook wendt of keert.