Koning en kind

 

Van ’t vroeglicht van de dageraad
tot waar de zon weer ondergaat
zingt elk de koning Christus eer
het kind der maagd is onze Heer.

 

 

Deze eerste strofe van Lied 516 uit het Liedboek (O solis irsus cardine) is voor mij de samenvatting van het Christmas Oratorio (2019) van de Schotse componist Sir James MacMillan, dat afgelopen zaterdag zijn première beleefde in het NTR Zaterdagmatinee. Gespeeld en gezongen door twee solisten, Mary Bevan (sopraan) en Christopher Maltman (bariton) op een, getuige de presentator van de ratio-uitzending ver in de zaal uitgebouwd podium, met de rug naar het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor met een scherm voor zich waarop componist/dirigent James MacMillan was te volgen.

Koning Christus en het kind, of – om de titel van een boek van Karl Barth in een vertaling van Nico T. Bakker te parafraseren – Het koninklijke kind. Zo heb ik het ervaren. Zoals Barth telkens twee kanten laat zien, zo doet MacMillan dat ook.
Het begint er al mee, dat zijn oratorium uit twee delen bestaat, elk verdeeld in zeven segmenten en symmetrisch opgebouwd, als een palindroom, gespiegeld. Als zeg maar de gelaagdheid van een boven- en een benedenkerk. Volgens een interview dat mijn oud-collega Anthony Fiumara met de componist had, en dat werd gepubliceerd in het bij het Zaterdagmatinee behorende digitale boekje, is het MacMillans bedoeling ‘bij de ziel te komen en de relatie tussen het menselijke en het goddelijke op een krachtige, mysterieuze manier aan de orde te stellen’.
De componist zet zich duidelijk af tegen het wat hij ‘monodimensionele’ van een Arvo Pärt noemt. Enige nuancering is daarbij op zijn plaats: hij bedoelt hier de late(re), spirituele Pärt, want in met name in diens niet-vocale, vroege(re) werken horen we wel degelijk, maar dan veelal subtieler, eenzelfde conflict als MacMillan ten tonele voert.

Koning Christus
Laat ik de twee uitersten, de koning Christus en het kind, tot uitgangspunt nemen en zo bij wat hij ‘de ziel’ noemt uitkomen. Dat kan alleen, als je MacMillan ziet zoals Fiumara zijn stijl beschrijft: als uiting van een ‘retrospectief modernist’. Als een rooms-katholiek componist die ‘zijn plek begrijpt vanuit het verleden’, vanuit die traditie, maar dan voorwaarts gericht.

Het koninklijke wordt verklankt zoals we dat door de eeuwen heen gewend zijn te horen: met veel koperblazers, zoals in het ‘in unum Dominum’ in het eerste deel, en bij het woord ‘king’ in een koorgedeelte. Niet dat MacMillan voor de makkelijkste oplossing kiest, want waar je koninklijk koper zou verwachten, klinkt soms opeens een tedere woordschildering. Het andere uiterste van het spectrum.

Het kind 
Het kinderlijke klinkt meteen in de Sinfonia I waarmee het oratorium opent: een Schots dansje, met xylofoon en hobo (het pastorale instrument bij uitstek). De dreiging van gaat gebeuren (de kindermoord, de kruisdood) is echter niet ver weg, zoals de pauken aan het slot van het eerder genoemde ‘In unum Dominum’ bewijzen. Soms meende ik zelfs een vleugje blokachtige akkoorden à la Louis Andriessen te horen, zoals in het koor ‘But when Herod died, behold, an angel of God appeared in a dream to Joseph in Egypt’. Zoals er ook werd getapt uit vaatjes die de componist als dirigent kent: Sjostakovitsj (Sinfonia 3, het begin van het tweede deel), de Benjamin Britten van diens Christmas Carols (‘Today Christ is born’) en Bartók (slaan met de strijkstok op de snaren van de viool).

De ziel
En dan komen we tenslotte uit bij de ziel, die bij MacMillan als bij Joh. Seb. Bach wordt gespeeld door een vioolsolo, in dit geval Elisabeth Perry. Zij ging gelijk bij Bach de samenspraak aan met één van de solisten, zoals met de bariton in ‘Seest thou, my soul’. Ze had zelfs het laatste woord van dit stuk, een Schots kerstliedje van grote eenvoud waarin ook de celesta (caelestis, hemels, goddelijk) een grote rol speelde.

Zo mag ik het horen – heel doordacht qua opbouw en uitwerking aan de ene kant, en vol emoties aan de andere kant. ‘Spirituele genezing’ noemt MacMillan het, maar dat gaat mij iets te ver, al proef ik er wel iets van heel-making in. In een uitvoering om door een ringetje te halen, voor zover je dat via de radio helemaal kunt beoordelen.
Midden in coronatijd een lichtpuntje om in je hart en hoofd te bewaren. Of misschien, om de omschrijving van het werk van Paul Klee aan te halen waarvan het gezicht het omslag siert van het eerder genoemde boek van Barth/Bakker: ‘Hat Kopf, Hand, Fuss und Herz’. Het een wat meer dan het ander, maar dat is de persoonlijke insteek van zowel componist als luisteraar.

Een oude bekende

Een oude bekende, King Arthur van Henry Purcell. Je kunt deze grandioze semiopera op een libretto van John Dryden, waarbij je soms denkt in een Anglicaanse kerkdienst te zijn beland en dan weer bij een tragikomisch toneelstuk van Shakespeare, niet vaak genoeg horen. Zelfs op de radio, zoals gisteren in de rechtstreekse uitzending van het NTR ZaterdagMatinee uit het Amsterdamse Concertgebouw. Het was anders, – wat soms doorklonk -, dan voor de lock down. Bijvoorbeeld in de koren van de geesten van Philidel en Grimbald in de eerste akte, die akoestisch erg hol klonken. Wat wil je ook, met een weliswaar uitverkochte zaal, maar dan nog met zo weinig publiek in deze coronatijd.

Los daarvan: het was een uitvoering om door een ringetje te halen: Vox Luminis, een in 2004 opgericht vocaal ensemble dat ook de solisten van gistermiddag leverde, en het orkest van de Nederlandse Bachvereniging (concertmeester Shunske Sato) onder leiding van Lionel Meunier. Met alle respect voor acteur Simon Robson (zie foto), die de verbindende teksten sprak en er ook werkelijk alles uithaalde wat erin zat, waren Vox Luminis en de Nederlandse Bachvereniging voor mij toch de hoofdrolspelers van de middag.

Soms wist ik namelijk niet wat ik met de gesproken tekst aan moest. Aan het begin bijvoorbeeld doorbrak deze tekst lelijk de ijle strijkers die qua sfeer de komende tekst ‘a milk-white steed’ neerzetten. Maar ik moet bekennen dat de tekst die pal voor de vijfde akte werd gedeclameerd wél weer heel mooi aansloot op tekst en muziek; in de vierde akte komen namelijk drie nimfen (Shakespeare!) en drie mannen ten tonele. Waarbij tussen twee haakjes de drie nimfen qua stemtype heel goed waren gecast. Hier sprak Robson over ‘What would darkness be without light?’ En daar ging het in deze dialectische scène in optima forma over.

Nu we het toch over een goede casting en dialectiek hebben: in dat opzicht mocht de derde akte er zeker en vooral zijn, met zijn Cupido (een topzangeres) en Genius (een ijzing zingende zanger). Ook in deze scène liet het orkest, dat overigens de héle middag als een kameleon op de tekstexpressie aansloot, zich van zijn beste kant horen; de overgang tussen het koor van de koude mensen en Cupido (‘tis I that have warm’d ye’) was wonderschoon.

Heerlijk was tenslotte het slot, met zijn volgens de regels van de historische uitvoeringspraktijk haast ouderwets ‘buikende’ koperblazers. Ze zijn het nog niet verleerd en passen het beeldend toe waar muziek en tekst (over Saint George, ‘a soldier and a saint’) erom vragen. Heerlijk!

Filigraan werk van Finse componist

De Finse componist Kaija Saariaho is dit jaar festivalcomponist van November Music in Den Bosch (6-15 november a.s.). Elk jaar bezoek ik het festival en dit jaar hoop ik ook van de partij te kunnen zijn. Om het even als recensent of, ‘gewoon’, als liefhebber van hedendaagse muziek. Volgens Rozalie Hirs (componist en dichter) zou ik op Saariaho moeten lijken: op dezelfde dag in hetzelfde jaar geboren. Dat laat ik verder op één opmerking na maar laat voor wat het is.

De website Place de l’Opera biedt de gelegenheid om, via een artikel van Jordi Kooiman en een YouTube-portret, kennis te maken met de muziek van Saariaho. Sterker nog: iedereen die ook van plan is November Music te bezoeken (hetgeen zeer aan te raden valt!), kan zich zo inhoudelijk voorbereiden, hoewel er ook vast wel weer zo’n mooi klein boekje met achtergrondinformatie verkrijgbaar zal zijn.
Het portret gunt ons een blik op twee stukken die in Nederland te horen en te zien zouden zijn geweest, maar door de coronacrisis niet konden worden uit- c.q. opgevoerd: Passion de Simone (NTR ZaterdagMatinee) en Innocence (De Nationale Opera). Als toegift klinkt een stuk dat in Den Bosch te horen zal zijn, al wordt dit er niet bij gezegd.

Een fragment uit het eerste werk, een kruising tussen oratorium en passiespel voor solosopraan, koor en orkest, is ijl, teer en meditatief. Het beeld erbij doet denken aan een golvend Noorderlicht. Zelf omschrijft de componist haar orkestraties als ‘shaping of dense masses of sound in slow transformations’.
Het tweede werk omschrijft Saariaho als een thriller. De dertien personages zijn neergezet als op een fresco. Pas tegen het eind vallen alle puzzelstukjes in elkaar, net als inderdaad in een thriller.
De tekst is Frans, want Saariaho woont na haar studie in Helsinki (bij Paavo Heininen) en onder meer Freiburg (bij Brian Ferneyhough en Klaus Huber) in Parijs.

Een andere opera die Jordi Kooiman beschrijft, is L’amour de loin, die op Place d’Opera werd geroemd vanwege de ‘unieke klankwereld. Mysterieus, magisch en bij vlagen oriëntaals. Het heeft een bedwelmende kwaliteit. Je wordt helemaal opgezogen en ondergedompeld in haar kleurrijke en hoogst originele idioom’.
Dee volgende opera die wordt genoemd, Adriana Mater, vraagt vanwege het onderwerp (oorlog) om een heftiger orkestidioom. Getoond worden Kaija Saariaho en librettist Amin Maalouf die over het libretto spreken. ‘Twee zielen in één borst’ was het begin voor Maalouf – een zinnetje van Saariaho waarin ik mezelf ook helemaal herken.

Zo gaat het artikel van Kooiman verder over de opera’s Émilie, Only the Sound Remains, een ‘heel fijn, filigraan werk’ over verlies en dood. Tot slot is een uitvoering van Saariaho’s Nymphéa Reflection voor strijkorkest te horen, uitgevoerd door de strijkers van het Fins Radio Symfonie Orkest onder leiding van Jukka-Pekka Sarasate. Dit werk zal ook in Den Bosch klinken, tijdens het eerste portretconcert (13 november in het Jheronimus Bosch Art Center) in een uitvoering door Philharmonie zuidnederland onder leiding van Gábor Káli. Tijdens dit concert vallen voorts te horen: Neiges voor 8 celli en het fluitconcert Aile du songe met Camilla Hoitenga. En dan hebben we het nog niet eens over de andere concerten … Om je nu al op te verheugen!

En: mocht het allemaal niet doorgaan, dan is er een troostprijs: op de Horizon 5-cd van het Koninklijk Concertgebouworkest staat Saariaho’s Circle map (RCO 13001), dat zij speciaal componeerde voor de cirkelvormige Gashouder van de Westergasfabriek in Amsterdam, in een uitvoering onder leiding van Susanna Mälkki.

https://www.operamagazine.nl/achtergrond/52429/youtube-portret-kaija-saariaho/

https://www.novembermusic.net/nieuws/kaija-saariaho-festivalcomponist-2020

Voorbeschouwing en nabeschouwing ineen

Afgelopen vrijdagmiddag was er in Spui25 een klein symposium in samenwerking met het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) over een thema dat in de aanstaande concerten centraal staat: ‘Mens, mythe en muziek’. Zes wetenschappers gingen kort op diverse aspecten van dit thema in, met in het midden een optreden van Julie Moulin (fluit) en Miriam Overlach (harp) met werken van Claude Debussy, Theo Smit Sibinga, Takemitsu en Lutoslawski.

Dit programma vormde voor mij een opmaat naar niet zozeer de drie programma’s van het KCO, waarvan er een nog in het verschiet ligt, maar naar het NTR ZaterdagMatinee een dag erna (18 januari), waar het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor met twee solisten (tenor en bas) onder leiding van Andrea Battistoni na de pauze de Messe di gloria uit 1888 van Pietro Mascagni uitvoerden.

De zondag erna nam ik de gelegenheid te baat nog eens het boek Hoe het vlees weer Woord wordt van Rico Sneller – bij wie ik onlangs een weekendcursus bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden volgde – uit de kast te pakken en te leggen naast wat ik afgelopen vrijdag in Spui25 en zaterdag in het Concertgebouw hoorde.

Mens, mythe en muziek
Een echte moderator was er geloof ik niet, afgelopen vrijdag, maar enkele sprekers probeerden aan het begin van hun inleiding aan te haken bij de thematiek van hun voorgang(st)er, wat op zich mooie verbanden en inkijkjes opleverde.
Zo verwees de vierde spreker, David Rijser naar de inleiding van Philip Westbroek (getrouwd met een violiste van het KCO overigens), die het spits had afgebeten. Rijser wees er in zijn inleiding over ‘Orpheus en de redenaars’ (de retorica) op, dat er aan het begin van de operatraditie, met onder meer enkele opera’s over dit Griekse thema (waaronder die van Monteverdi), een wending plaatsvond naar het aardse, naar de musica mundana (wereldmuziek), terwijl Westbroek het had gehad over de componist Alexander Scriabin, die in zijn vijfde symfonie Prometheus (1908-1910) terugkeerde naar het transcendente, het overstijgende.

Messe di gloria
Op deze manier zette beide sprekers al dan niet zo bedoeld, het immanente en transcendente tegenover elkaar.
Op zaterdag overkwam me een geheel andere gewaarwording, al luisterend naar de Messe di gloria van Mascagni. Met name in het Et incarnatus est:

Hij heeft het vlees aangenomen door de Heilige Geest uit de Maagd Maria en is mens geworden.

Tussen alle grootse gebaren die deze mis kenmerkt, klom op het woord Spiritu sancto (Heilige Geest) opeens een viool – bespeeld door Nadia Wijzenbeek – naar boven, als was het een leeuwerik. De viool is vanouds (luister maar naar cantates van Joh. Seb. Bach) het symbool voor de duif, de Heilige Geest, die neerdaalt en de aarde even optilt naar boven. Het geeft aan welke entiteit van de drie-eenheid (Vader, Zoon, Heilige Geest) dan ook als het ware een aureool mee. Ik zag de afbeelding voor me van De violist en zijn muze van Chagall, momenteel te zien op de tentoonstelling Chagall, Picasso, Mondriaan en anderen in het Amsterdamse Stedelijk Museum (t/m 2 februari a.s., zie foto EvS).

Hoe het vlees weer Woord wordt
Ik volg tenslotte de gedachtegang van Rico Sneller in bovengenoemd boek (Uitgeverij Meinema, 2002) dat mij de zondag na het symposium en het concert vergezelde.
Het begint met een plaatsbepaling van het idee van het Goede bij Plato tegenover het ‘veel aardser, immanenter en menselijker’ idee van het goede bij Aristoteles – als ware het Rijser en Westbroek die tegenover elkaar werden gezet. Er kan echter pas écht sprake zijn van transcendentie, wanneer deze ‘haar oriëntatie zoekt in een absoluut Goed dat zich incarneert’. Daarvoor is beweging nodig, en niet twee ‘in zichzelf rustende en als stabiel opgevatte polen’. Volgens Sneller is ‘het tot dusverre vooral het jodendom geweest dat denkers heeft voortgebracht die hiertoe bij uitstek in staat zijn gebleven’.
Ten aanzien van een daarvan, Emmanuel Levinas, schrijft Sneller: ‘Beide noties, transcendentie en incarnatie, impliceren elkaar bij Levinas. Beide noties maken (…) dat binnen de wijsgerige bezinning iets het primaat krijgt wat ik langzamerhand ethiek (…) durf te noemen’. Sneller concludeert: ‘Ethiek is incarnatie; en incarnatie is dan: terugkeer (…) tot “lichaam”, “gevoeligheid”, “kwetsbaarheid”, “aanspreekbaarheid”, “vlees” (…). Tegelijk echter (…) is incarnatie pas wat ze is, namelijk incarnatie, als er ook desincarnatie is. Wil het woord niet “sterven” in het vlees, dan moet het vlees weer woord worden’.
Op het eind van zijn boek komt Sneller tot de adembenemende conclusie, dat ‘de incarnatie bestaat in ethiek, zedelijkheid of daad. [Het is] een oneindige opgave, [die vraagt] dat ik mij openstel voor God (…). Pas dan vallen incarnatie en desincarnatie samen, in een ongrijpbaar moment’.
Ik ervoer het even, zaterdagmiddag bij de korte vioolsolo in het Et incarnatus est van Mascagni, mij er volledig van bewust dat dit maar het halve verhaal is.

Judas Maccabaeus van Händel in NTR Zaterdagmatinee

Het was een rake keuze voor het tweede concert in de serie Groot Omroepkoor & Friends van de NTR Zaterdagmatinee: Judas Maccabaeus (1746) van Georg Friedrich Händel. Immers: het oratorium eindigt met het lichtfeest, de verovering en reiniging van de Tempel (164 voor de gewone jaartelling), Chanoeka, dat dit jaar valt op 22 tot en met 29 december. Op de christelijke kalender is dat vierde Advent en Kerstmis.

Het begon ook (zo) mooi: de uitvoering ervan door Capella Cracoviensis onder leiding van Jan Tomasz Adamus. Een mooi ingetogen gespeelde ouverture met de voor de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk karakteristieke ‘buikjes’ (zwellinkjes), gevolgd door een prachtige koorinzet: ‘Mourn’. Omfloerst gezongen haast.

Maar Adamus kon dit verwachtingsvolle begin, zeker voor de pauze, niet helemaal volhouden en waarmaken. Als het al zijn bedoeling was het geheel op te bouwen, dan werd hij in ieder geval na de pauze geholpen door Händels muziek zelf.

Eerst het eerste bedrijf, waarin overigens genoeg viel te genieten. Bijvoorbeeld van de uitgebreide continuo-bezetting die met veel fantasie werd ingevuld: theorbe, klavecimbel, kistorgel en cello. Neem de gebroken akkoorden op het moment dat er sprake is van het uitblazen van de laatste adem, of de afwisseling tussen vrijheid (verklankt door orgel) en vrede (klavecimbel).

Dan valt op, dat op momenten dat je ’t wel zou verwachten, er – met uitzondering van de krachtige tenor Joshua Ellicott – toch wel erg weinig pit in zat en dat de dirigent weinig communiceerde met de solisten, waarvan er één nota bene, de bas Sebastian Szumski, een al even krachtige invaller was voor de ziek geworden Peter Harvey, er in zijn aria ‘With pious hearts’ duidelijk en tevergeefs op aanstuurde. Adamus gaf geen thuis.

Met deze aria zijn we al in het tweede bedrijf beland, waarin opviel dat de over de gehele linie puike solisten rijker werden in de wijze waarop ze overigens spaarzame, stijlvolle versieringen aanbrachten. Het betrof naast de al genoemde tenor en bas de sopraan Rebecca Bottone en de mezzosopraan Marta Wryk.
Ook de instrumentatie was in het tweede en derde bedrijf rijker: traverso’s, hoorns, trompetten en pauken. Het koor (‘Ah! Wretched Israel’) leek ook (nog) meer op dreef en ingezongen, zonder de paar vreemde uithalen die soms in het eerste bedrijf uit de toon vielen.

Al met al een wat wisselvallige uitvoering met prachtige momenten die ik niet licht zal vergeten.

Nederlandse première om door een ringetje te halen

andrea-marcon handel

Deze weken wordt muziekminnend Nederland maar verwend met Händel.
Bij de Nationale Opera & Ballet in Amsterdam wordt momenteel met veel succes het oratorium Jephta geënsceneerd op de planken gebracht, in het NTR ZaterdagMatinee klonk vanmiddag Händels serenata Parnasso in festa per li sponsali di Teti e Peleo HWV 73 (1734) voor Anne van Hannover en Willem IV van Oranje. Geen opera en geen oratorium dus, maar iets daar tussenin. En nota bene de Nederlandse première. In een vol Concertgebouw, en prachtig doorgegeven door NPO Radio 4; ik hoorde het stuk op de radio. Mooi hoe in deze geluidsregie sommige partijen die in de zaal wellicht wat minder duidelijk te horen zullen zijn geweest, werden uitgelicht. Zoals bijvoorbeeld de blokfluiten in de aria Nel spiegar).

En nu ik toch bezig ben complimentjes uit te delen, mag nog iemand die meestal in de schaduw blijft ook in het zonnetje worden gezet: degene die de solopartijen voor deze uitvoering castte. Neem wat dit betreft als voorbeeld de stem van Orfeo, wiens lamento in het tweede deel één van de hoogtepunten van de middag was: de Zuid-Koreaans-Amerikaanse counter Kangmin Justin Kim. In het programmaboekje stond het er niet bij, maar het was ongetwijfeld zijn debuut in de Matinee.

Oude getrouwen waren dirigent Andrea Marcon (foto links), La Cetra Barockorchester en Vokalensemble Basel die een hoog niveau bereikten. Koor en orkest zongen en speelden met zowel een enorme vaart (de ouverture!) en uitgelatenheid (Sciogla al ballo met tamboerijn) als met een mooie, bezonken rust. Wat het eerste betreft was prachtig – om nog maar weer eens een voorbeeld te noemen – hoe de hobo’s ‘instapten’ in het koor Ecco ne dà stimolo onor in het eerste deel.
En wat het tweede, de rust betreft, kan worden gewezen op de onbegeleide gedeeltes waarin de solisten kans kregen hun partij mooi uit te zingen, zoals Cloride (de Duitse mezzo Silke Gäng; ook voor ’t eerst in het Matinee?) in Tra sentier uit het tweede deel.
En dan hebben we ’t nog niet eens over het koor gehad, dat een toonbeeld was van doorzichtige, krachtige en prachtige zang.

Over het geheel genomen werd niet alleen met een enorme vaart én bezonken rust gezongen en gespeeld, maar ook het feit dat de solisten niet langer meer wars zijn van vibrato viel weer op.
Standaard in dit soort historisch geïnformeerde uitvoeringen (er werd zelfs gespeeld uit een kritische uitgave die nog niet eens in druk is verschenen), is de rijke bezetting van de basso continuo-groep en de prachtige kleuring die oude instrumenten kunnen bereiken met de zangpartijen, zoals Mars, de enige lage stem in dit werk (de Spaanse bas Ismael Arróniz) met de lage strijkers in zijn aria uit het eerste deel.
Ook verhalend zingen viel vanmiddag te beluisteren, zoals bij Apollo (de Australische countertenor David Hansen) en Euterpe (de Italiaanse mezzosopraan Francesca Ascioti). De kernachtige Zweedse sopraan Jenny Högström (Calliope) verdient tenslotte ook vermelding.

Een Nederlandse première om door een ringetje te halen!

Verrassende barokmuziek

Handel_Ontdekking KoopmanEr gebeuren nog steeds verrassingen, al gaat het om zogeheten ‘oude muziek.’ Neem het concert door het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir vanmiddag in het Amsterdamse Concertgebouw. Een concert dat begon met een prachtig Concerto grosso op. 7 nr. 6, Il pianto d’Arianna (1741) van Locatelli dat ik me niet kan herinneren eerder te hebben gehoord.
Een prachtig concerto met vioolsolo (Catharina Manson) en rijk bezette basso continuo-groep met Ton Koopman aan het klavecimbel.

En dan hebben we het nog niet eens over de eerste uitvoering in de moderne tijd van een vroege versie van de cantate Tu fedel? tu constante? van Händel (ca. 1706, zie afb.) uit de grote bibliotheek van Koopman, met sopraan Yetzabel Arias Fernández als soliste en een klein begeleidingsensemble. Op en top Händel. De zangeres zong soms, zoals in één van de aria’s, als een schallende hobo – en de hobo speelde als een zangstem. Prachtig om die eendracht te horen.

Het derde en laatste werk voor de pauze was mij ook onbekend: de lijdenscantate Wo gehet Jesus hin? (1739) van Christoph Graupner, van wie 46 cantates bewaard zijn gebleven. Bas Klaus Mertens bleek nog niets aan zeggingskracht te hebben verloren (‘Zum Leiden’ in het accompagnato waarmee de cantate opent).

Na de pauze volgde een iets bekender werk: het Osteroratorium BWV 249 (1725) van Joh. Seb. Bach. Maar wat heet: de vraag blijft waarom de Matthäus bekender is dan de Johannes Passion of de Hohe Messe en dit werk ook relatief onbekend is. Mooi was hoe Koopman koor en orkest (wat een klasse!) in het ‘Kommt, eilet und laufet’ even inhield om ze daarna des te sneller op weg te laten gaan. Iets soortgelijks deed de viool in de aria ‘Seele, deine Spezereien’ zodat een mooie eenheid ontstond.
Al met al een prachtig concert met relatief onbekende barokmuziek, het NTR ZaterdagMatinee waardig.

Theodora van Händel in NTR ZaterdagMatinee

Theodora_NTR ZaterdagMatineeIn mijn boekenkast staat een boekje over de geschiedenis van het oratorium van E.W. Schallenberg, waarin ook enkele pagina’s worden gewijd aan Händels voorlaatste oratorium (1749): Theodora. Het gaat over de geschiedenis van een christin die slachtoffer is van de christenvervolgingen in het vierde-eeuwse Antiochië onder Diocletianus en uiteindelijk uit de kerker wordt bevrijd door Didymus. Samen met hem sterft zij de marteldood. Volgens de auteur van dit boekje ‘zijn er te weinig tegenstellingen, vooral in tempo; het langzame overheerst te zeer’.

Wie gisteren naar het NTR ZaterdagMatinee ging met dit beeld, kwam bedrogen uit. Het waren niet zozeer de langzame tempi die opvielen, als wel de ingetogenheid van met name van de tweede en derde akte die indruk maakte en beklijfde. En dat komt niet alleen Händel toe, maar ook de Frans-Amerikaanse dirigent William Christie die deze sfeer uit de noten naar boven haalde en benadrukte.

Maar gelukkig had de auteur van mijn boekje ook oog voor de ‘solozangen met bijzonder verzorgd accompagnement, terwijl ook de vaak onderschatte koren aparte schoonheid bezitten’. Dat kun je wel zeggen. En ook hier gold: wat een solisten, waarbij de sporadische uithalen van tenor Kresimir Spicer met de mantel der liefde kunnen worden bedekt. Ze zijn hem vergeven.

Om de koorzang extra naar voren te halen, belangrijk als deze is, haalde Christie de ruim twintig leden van het koor van Les Arts Florissants letterlijk naar voren, tot voor het orkest. Dat gaf, met de actie die de solisten ten toon spreidden, aan de uitvoering iets van een semi-scènische opera. Teruggrijpend op de enscenering van Stephen Langridge in het Parijse Théâtre des Champs-Elysées.
Het orkest verrichtte wonderen van schoonheid. Zoals een fagot extra oplichtte, prachtig kleurde en zo een extra accent aanbracht: magistraal.

Terug naar mijn boekje en de solisten. De auteur noemt onder meer het slotduet van Theodora (Katherine Watson, sopraan) en Didymus (Philippe Jaroussky, countertenor). Dat klonk inderdaad als was het ‘overgoten van bovenaardse glans’. Maar dat gold eigenlijk meteen al vanaf de eerste inzet van Didymus, een solo gezongen passage waarbij de uitverkochte zaal de adem inhield. En vergeet het eerste duet niet! En de andere solisten: mezzosopraan Stéphanie d’Oustrac (Irene, gezellin van Theodora), bas-bariton Callum Thorpe (stadhouder Valens) en tenor Sean Clayton (bode).

Een enorme ovatie kon niet uitblijven. En terecht. We hebben Theodora naar waarde leren schatten. Mede dank zij een grandioze uitvoering.

Evangelische muziek in concertzaal?

Rafael_Estasi di Santa CeciliaTerwijl de kerk een steeds meer marginale plaats in de samenleving krijgt, speelt religieuze en zelfs liturgische muziek een steeds grotere rol in concertseries in de concertzaal. Soms gecondenseerd in één weekend, zoals afgelopen zaterdag en zondag. En met, toeval of niet, eenzelfde geestelijke achtergrond die de kerk een al dan niet gewenst nieuw leven in moet blazen: een evangelische. Met – zoals Van Kooten & De Bie het een keer omschreven – ‘een hoog Hallelujah-gehalte’.

Het begon zaterdag tijdens het ZaterdagMatinee. Van de Milanese componist Pasquale Corrado ging in een uitvoering door het top Ensemble Intercontemporain o.l.v. Matthias Pintscher een nieuwe compositie in première: D’Estasi, gebaseerd op het schilderij Estasi di santa Cecilia (Pinacoteca nazionale in Bologna) van Rafaël (zie afb.).
En het ging zondagmiddag verder tijdens een concert in de Z-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniel Harding, waaraan werd meegewerkt door het Nederlands Kamerkoor. Op het programma stond onder meer het motet Jesu meine Freude BWV 227 van Joh. Seb. Bach.

Corrado, zo lazen we in het programmaboekje, had de muzikale structuur van zijn in opdracht van het NTR ZaterdagMatinee geschreven werk in zes zones verdeeld, ‘één zone voor elk door Rafaël gepresenteerd figuur plus één zone die de figuur van Christus representeert’. Niet dat die op het doek voorkomt – maar toch. Volgens Corrado is Hij ‘impliciet aanwezig’ in de ziel van Cecilia.
De inleider tijdens de rechtstreekse radio-uitzending wist te melden, dat Rafaël het doek schilderde op de grens van een door christendom beheerste kunstperiode en het humanisme, waarin de mens centraal staat. Corrado wist dit vakkundig onderuit te halen en een evangelische duiding aan het schilderij te geven die helemaal past in de opkomst van het evangelische christendom.

Die tijdgeest drong ook door in de interpretatie van genoemd Bachmotet: Jesu meine Freude. Waarbij het duidelijk was, dat het Harding meer ging om ‘Jesu’ dan om ‘Freude’. Zowat elke zin waarin Jezus werd bezongen, werd er expressief uitgelicht. In de zin ‘mir steht Jesus bei!’ en ‘Jesus will mich decken’ ging dat gepaard door in beide gevallen een enorme vertraging. In de zin ‘Jesu meine Lust!’ (in het programmaboekje met uitroepteken) met een sterk diminuendo.

Wat moet je hier nu van denken? In ieder geval dat het fijn is dat de scheiding tussen kerk en concertzaal wat betreft religieuze en liturgische muziek steeds meer wordt geslecht. Het kan je overal toevallen. Of het ook bevalt, is een tweede en zal voor iedere luisteraar verschillend zijn. En ook dat is een goede zaak. Een vleugje humanisme wellicht.

Zie ook mijn bespreking van het boek Tussen aarde en hemel van Kasper Jansen op: http://leerhuisamsterdam.nl/ (onder: Leerhuis – Boekbesprekingen), die eerder verscheen in De Verbreding (nr. 4, augustus 2005).

Een vleugje mystiek

Johann_Sebastian_BachHet is elke keer weer afwachten welk accent een dirigent aan een bekend werk als Bachs Weihnachtsoratorium mee zal geven. René Jacobs leek tijdens het NTR ZaterdagMatinee vandaag gekozen te hebben voor een meditatieve, haast mystieke insteek, waarin af en toe priemende hobo’s als een licht doorheen prikten (auf, Zion!, recitatief nr. 3).

Wat om te beginnen opviel, waren de enorm hoge tempi. Met uitzondering van sommige koralen, die juist weer buitengewoon langzaam werden genomen.

 

Ondanks die snelheid straalde Jacobs’ opvatting een opmerkelijke rust uit, en opeens viel mij op dat Bach zelf op sommige momenten óók een tamelijk rustig tempo voor een solist combineert met snelle begeleidingsfiguren, zoals in de aria Er leucht auch meine finstre Sinnen, prachtig gezongen door bas Dominik Königer.

Jacobs had helemaal goede solisten tot zijn beschikking: Sunhae Im, Bernarda Fink, Königer dus en een invallende tenor: Martin Lattke. En een prachtig transparant spelend B’Rock. Neem de hobo’s in het koor Ehre sei Gott, die zulke mooie lange lijnen speelden, dat het leek alsof ze een koraal door de koorpartij heen bliezen of op z’n minst preludeerden op de lange noten die het magnifieke koor, het RIAS Kammerchor, aan het slot zong: ‘und den Menschen Wohlgefallen.’

De solisten uit het orkest mochten er ook zijn. Neem de (heel) zacht gespeelde vioolsolo op het eind van het terzet Ach, wann wird die Zeit erscheinen, wann? En dat bedoel ik nu: een vleugje mystiek werd ingebracht.
Wat heet: bijzonder waren ook de orkestecho’s in de aria Schlafe, mein Liebster, zodat het leek alsof er ter plaatse volle, stille aandacht was voor een in slaap vallend kind.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over wat er in sommige teksten gebeurde. Waren het leesfoutjes, of juist diepzinnige, al dan niet (on)bewuste tekstwijzigingen die naar voren kwamen in om te beginnen de aria Bereite dich, Zion waarin Bernarda Fink de eerste keer zong ‘Schön’sten, Lieb’sten’ (met ook nog eens mooie Luftpausen voor ‘sten) en de tweede keer: ‘Lieb’sten, Schön’sten’, nu overigens zonder Luftpausen?

En wat te denken van bas Dominik Königer, die in het duet Immanuel, o süsses Wort! duidelijk zong over ‘Jesus heisst mein Herz’ in plaats van Hirt. Wat op zich ook te verdedigen valt, omdat Jezus’ naam volgens datzelfde terzet ‘in mir geschrieben’ is. En verderop in een koor en recitatief uit de vijfde cantate in ‘meiner Brust’ woont.

Hoe dan ook: het zou zomaar kunnen, zoals er op andere plaatsen ook diep over de uitvoering in relatie tot de tekst was nagedacht. Zoals in de afwisseling tussen solisten en koor in het openingskoren van zowel de derde als de vijfde cantate.

Zulke zaken verlenen aan een uitvoering als deze een extra diepte die er zijn mocht. En nu maar afwachten welke accenten Risto Joost met het Nederlands Kamerkoor en Concerto Copenhagen volgende week gaat leggen.