Marjoleen Vreekamp overleden


Mijn oog viel op de recente dichtbundel, Genadeklap, van Willem Jan Otten. Wat schutterig pakt ze hem op en zoekt met haar ogen waar ze hem weer neer kan leggen. Op een onbewaakt moment kreeg ik zo een inkijkje in haar wezen, kwetsbaar, terwijl ze zich als Zakenvrouw van het jaar 1990 (‘dat blijf je je hele leven, vergis je niet’ zei ze eens tegen me) zo fier en struis wilde overkomen: Marjoleen Arina Vreekamp-van den Berg (foto: Dick Vos), die op 17 juli jl. overleed, op 23 juli in Epe werd herdacht en later op die dag in Oosterwolde (Gelderland) bij haar man, die haar 2 ½ jaar geleden is voorgegaan, werd begraven.

Een inkijkje, omdat ze met die bundel duidelijk verbinding zocht met de gedachtewereld van haar man, de predikant/auteur/(amateur)organist Henk Vreekamp. Sprekers tijdens de uitvaartdienst in Epe zochten naar woorden voor hun sterke verhouding: de dominee naast de zakenvrouw of de zakenvrouw naast de dominee? Nee, denk ik uiteindelijk: de koopvrouw en de dominee, zoals het boek zou gaan heten dat ze samen hadden willen schrijven: en, nevenschikkend en gelijkwaardig.

Ze gunden elkaar hun eigen leven (‘gunnen’ was ze een woord dat ze veel gebruikte als we over Henk spraken, over wie ik een boekje schrijf), maar hun beider leven was ook zó verstrengeld als het maar kon zijn. Als de handen van organist Herman Dalhuisen, die tijdens de dienst een koraalbewerking van Jesu, meine Freude van een niet nader aangeduide componist speelde (Georg Böhm?): over twee klavieren gaand, als vraag en antwoord, zoals Henk volgens dichter Henk van der Ent sprak in vraagtekens en Marjo in uitroeptekens. De ene stem als de alfa- en bètakant van hem, rijmend op ze zakelijke stem (wat heet) van haar. Daarin lag zijn geheim en hun geheim samen.

Marjo leerde het Henk nazeggen: het was de Vreze des Heren die hen droeg, door licht en donker heen: leven en sterven in eerbied en liefde, roepen en horen. Hun nagedachtenis zij tot zegen.

Met het Liedboek op weg naar Pasen

Ich folge dir gleichfalls mit freudigen Schritten,
und lasse dich nicht, mein Leben, mein Licht.

Dat zijn woorden aan het begin van Bachs Johannes Passion die dit jaar bij mij extra beklijfden. Dat komt in de eerste plaats omdat ik een andere veertigdagentijd heb doorgebracht dan ik vijftien jaar lang deed in de Amsterdamse Oude Kerk. Nu was de Nieuwendammerkerk mijn stekje, en daar werden andere accenten gelegd dan ik gewoon was. Er werd letterlijk een nieuw licht op de zo vertrouwde teksten (wat heet) geworpen. En in de tweede plaats kwam het omdat een schilderij, tempera op doek, van Eugène Brands in het Cobra Museum voor moderne kunst in Amstelveen, Rising Sun (1964) indruk op mij maakte (zie foto)

Eerste zondag van de Vastentijd
Ik had zelfs soms de associatie met een Adventscyclus. Dat kwam door de nadruk op het woordje ‘licht’ dat elke dienst op een of andere manier naar boven kwam; een heb ik niet bijgewoond,  omdat ik op de verjaardag van vrienden elders kerkte, en ik mistte het meteen.

Het drempellied – ja dat is elke zondag hetzelfde, ook in de 40-dagentijd. Op een tekst van Sytze de Vries en een melodie van Willem Vogel wordt gezongen:

Die de morgen ontbood
en het licht hebt geroepen,
zegen ons ook met uw licht!

Maar toen kwam het, op wat de orde van dienst omschreef als de ‘1e zondag in de Vastentijd’: een Kerstlied, 482:1 en 2:

Er is uit ’s werelds duistere wolken
een groot licht stralend opgegaan –
wie wonen in het diepste donker,
zij zullen in het zonlicht staan.

Mijn aandacht was er meteen helemaal bij: wat gebeurt hier, wat mooi!
En toen kwam lied 600, dat volgens de indeling van het Liedboek bij de drie dagen van Pasen past:

Licht, ontloken aan het donker,
licht, gebroken uit de steen,
licht, waarachtig levensteken,
werp uw waarheid om ons heen!

Weer een lied uit de Oude Kerkgemeente, op een tekst van Sytze de Vries en een melodie van Willem Vogel.

En na de lezing uit Tenach zongen we lied 601, een bekend lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomen:

Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, één voor één, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.

We bleven een beetje om die liederen voor de drie dagen van Pasen heen cirkelen, toen na de lezing uit het Nieuwe Testament lied 598 werd gezongen:

Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft,
vuur dat nooit meer dooft.

Na de preek en het orgelspel namen we lied 518 op onze lippen:

Hoe helder staat de morgenster,
en straalt mij tegen van zover,
de luister van mijn leven.

Een lied dat de vorm heeft van een Avondmaalsbeker: een kelk, een smaller stuk en een voet.
En tot slot zongen we weer een Kerstlied:

Komt ons in diepe nacht ter ore:
de morgenster is opgegaan,
een mensenkind voor ons geboren
‘God zal ons redden’ is zijn naam.

Het laat zich raden dat in de preek het woord ‘morgenster’ een grote rol speelde, van Jezus als morgenster tot de in oud vuil scharrelende morgensterren in de straten van Amsterdam.

Tweede zondag van de Vastentijd
De nadruk op ‘licht’ kwam ook in de tweede zondag terug, zodat een mooie cyclus werd gesponnen. We zongen aan het begin lied 221, een morgenlied:

Zo vriendelijk en veilig als het licht,
zo als een mantel om mij heen geslagen,
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht,
ik roep zijn naam, bestorm Hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.

Na het Kyrie zongen wij lied 834, voor op de levensreis:

Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!

En het kinderlied had als tekst:

In het stralend witte licht
zien wij even wie hij is;
Jezus, Gods geliefde Zoon.
Kyrie eleison.

Na de preek en het orgelspel zongen we lied 760, een lied voor de voleindigingstijd, waarvan het laatste couplet ook weer baadt in het licht:

Als in het vorstelijk licht
voor uw gezicht
wij blinkend staan
met witte waarheid aangedaan.

Na de hier altijd wat gedragen sfeer van het Heilig Avondmaal, was het slotlied opmerkelijk vrolijk – met ook weer een herinnering aan Kerstsferen. Een lied van Jaap Zijlstra op de melodie Daar juicht een toon dat de wijkpredikant was toegespeeld tijdens een zangmiddag. Het slotcouplet hiervan luidt:

Dat is geloof, al zien wij niet,
we zingen in de nacht ons lied,
een glans licht over het bestaan,
de dag van onze Heer komt aan!

Vierde zondag in de veertigdagentijd
We sponnen de vastentijd (nu op de orde van dienst veertigdagentijd genoemd) na een onderbreking van een dienst door een oud-wijkpredikant verder. Met na het Kyriegebed lied 834, ook een lied voor op de levensreis volgens de indeling van het Liedboek:

Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.

Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht.

En na de eerste lezing, uit Jozua 4 zongen we ‘rond de schriften’ (Liedboek) lied 313 met zinsneden als:

Gods woord is ons een licht,
en elk die in vertrouwen
daarnaar zijn leven richt,
die zal er in aanschouwen
des Heren aangezicht.

Het licht is er, maar we moeten nog wel – steeds dichter tegen Goede Vrijdag aan – door het donker, stil het kruis dragen, achter de Heiland aan. Want

Leven is lijden
niet te vermijden
onmacht verduren
eindeloos turen
naar komend licht.

Zo luidt een couplet van een levenslied, lied 830 op een tekst van Henk Jongerius en een melodie van Jan Raas. Want

Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
dat is de dood aanvaarden,
de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten,
de honger en de dorst,
de vragen en de angsten,
de kommer en de koorts.
(Willem Barnard, lied 538:3).

Palmpasen
Palmpasen is een feestdag aan het begin van de Goede Week. Donker en licht komen er samen. Je hoeft maar naar de Palmpaasstokken van de kinderen te kijken: de broodhaan bovenop het kruis, als verwijzing naar Petrus die de haan drie maal hoorde kraaien, of naar de versieringen (rozijnen, chips) aan de stok die erop wijzen dat je ook, door alle donker heen, mag genieten. Ook van kunst, als het ware – goede en schone, zoals ons in de preek werd voorgehouden.
Zoals van het schilderij Rising Sun van Eugène Brands, waar ik aan moest denken toen we na het Kyriegebed lied 834: 3 zongen:

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht.

Foto: Ati de Zeeuw.

Mensen tot rede zingen (II)

In het tijdschrift voor hartstochtelijke theologie, Ophef, verscheen een artikel van mijn hand over de getallensymboliek bij Joh. Seb. Bach (nr. 1/18, p. 27-31). Met toestemming van de redactie neem ik dat op deze blog in twee delen over. Hieronder het tweede deel.

 

Semantische symboliek
Het meest voor de hand liggende, maar in de literatuur het minst gesignaleerde uiting is het gegeven dat Bach series composities schreef als een zestal. Zoals bijvoorbeeld de zes Brandenburgse concerten, zes solosonates en –partita’s voor viool, zes Engelse en zes Franse suites voor klavecimbel, zes triosonates voor orgel, zes Schüblerkoralen voor orgel enz.. Waarbij terzijde kan worden opgemerkt dat het hier om zowel wereldlijke als geestelijke muziek gaat, hetgeen een ander verhaal is dat ik hier dan ook verder laat rusten. Zes staat als semantisch symbool (de tweede laag die Werckmeister onderscheidde) voor volkomenheid, zoals in Middeleeuwse kerken de middenbeuk van de zijbeuken wordt gescheiden door twee maal zes scheibogen, links en rechts, die tezamen het hiervoor genoemde symbolische getal twaalf vormen (de kerk, de twaalf stammen van Israël, de twaalf apostelen). Deze symmetrie komt later in dit artikel nog terug.

Kabbalistische symboliek
De kabbalistische symboliek leidt tot de meest speculatieve invullingen. Zoals Honders al omschreef, gaat het hierbij om het aantal maten, aantal stemmen, aantal tonen en aantal inzetten van een stuk. Volgens Joh. Reuchlin (1455-1522) gaat deze vorm van kabbalistiek terug op de Alexandrijnse theologie (in: De verbo mirifico, 1494 en: De arte cabálistica, 1517).
De theoloog Ad de Keyzer (1952), verbonden aan het Titus Brandsma Instituut voor de studie van spiritualiteit in Nijmegen, geeft in zijn omvangrijke boek Bachs grote Passie enkele structuurvoorbeelden van de Matthäus-Passion. Hij verdeelt zijn hoofdstuk onder in onder meer een symmetrische structuur en een structuur gebaseerd op getallen.
Wat het eerste betreft wijst hij op de kruisvorm waarin de passie zou zijn geconcipieerd. ‘De staander en de dwarsbalk van het kruis zijn aaneengehecht via nr. 16 maat 6-9, waarin Jezus zegt: Wahrlich, ich sage dir: In dieser Nacht, ehe der Hanh krähet, wirst du mich dreimal verleugnen, en nr. 38 maat 26-30, waarin Petrus dachte an die Worte Jeus, da er zu ihm sagte: Ehe der Hanh krähen wird, wirst du mich dreimal verleugnen. Beide schriftgedeelten “kruisen” elkaar “op een zeer bijzondere manier, ze worden als het ware aan elkaar vastgenageld”.’[i] Keyzer vervolgt met: ‘Proberen we, met Van Houten [die samen met Marius Kasbergen enkele boeken over de getallensymboliek bij Bach publiceerde, EvS], de betekenis van deze gekruiste perikopen te vinden, dan levert de getalsymboliek het volgende op: “Het fragment met de tekst van Petrus Ich kenne des Menschen nicht is in Bachs toonzetting van het lijdensverhaal het 88e Bijbelfragment. 88 is de getalswaarde van het woord Creutz (3+17+5+20+19+24) (…) Tellen we de ingevoegde vrije werken mee in de nummering, dan is Ich kenne des Menschen nicht in de totale Matthäus-Passion het 112e stuk. 112 is de getalswaarde van het woord Christus (3+8+17+9+18+19+20+18). Wellicht wilde de componist door middel van deze getallen op ondubbelzinnige wijze duidelijk maken dat Petrus met zijn derde definitieve verloochening degene, die hij beweerde niet te kennen (…) Christus (…) symbolisch aan het Creutz nagelde”.’

Symmetrische structuur
Wat de symmetrische structuur van de Matthäus-Passion betreft, die aansluit op de Middeleeuwse kerkbouw waarover hiervoor sprake was, kom ik tot een andere conclusie dan de organist Kees van Houten, die – deels in de voetsporen van de musicoloog en musicus Hans Brandts Buys en wellicht in theologische zin aansluit bij iemand als K. Schilder[ii] – het symmetrische midden in het eerste deel van de passie legt tussen de twee koralen nr. 15 (Erkenne dich, mein Hüter) en nr. 17 (Ich will hier bei dir stehen), namelijk een recitatief waarin Jezus van Nazareth de verloochening door Petrus aankondigt.
Daar tegenover heb ik in een artikel in Bekirbénoe eens betoogd, dat – wanneer je de Matthäus-Passion als een drieluik beschouwt – het middenpaneel bestaat uit wat mijns inziens de essentie van het verhaal én de Bijbelse boodschap is.[iii] “Het wordt gevormd door drie (!) nummers: het koraal Wie wunderbarlich, het arioso Er hat uns allen wohlgetan, en de (…) aria Aus Liebe will mein Heiland sterben – een verstilling die in tegenstelling met de machtige koren uit zowel het linker- als het rechterluik (“de joden”) des te duidelijker uitkomt.’

Conclusie
Als deze aria op topniveau wordt uitgevoerd, zoals destijds jaarlijks door de inmiddels overleden sopraan Arleen Augér in het Amsterdamse Concertgebouw, dan wordt niet alleen meteen duidelijk dat deze aria het hart vormt van de Matthäus, maar ook dat het op die manier een prachtige, diepgaande exegese biedt die ver uitgaat boven wat woorden vermogen te zeggen.
Tevens vormt het een weerlegging van een klacht die men ten aanzien van getallensymboliek nog wel eens verneemt, namelijk dat je die symboliek niet kunt horen. Dat laatste is overigens maar zeer ten dele waar: het thema B-A-C-H, Bachs handtekening in noten, kan immers door een geoefend oor wel degelijk worden herkend. Het feit dat de gematria hiervan veertien is, kan bovendien worden teruggevonden in het gegeven dat het veertiende onderdeel van Bachs cantates altijd zijn ‘persoonlijke geloofsbelijdenis’ uitdrukt. Iets dat op zijn beurt ook makkelijk valt te herleiden, zelfs als er geen notenmateriaal is overgeleverd. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor het veertiende nummer uit de Köthener Trauermusic. De tekst hiervan is een vers uit Psalm 68: Wir haben einen Gott.[iv]
Ook mensen die het idee niet meer kunnen beamen dat Jezus van Nazareth stierf uit liefde voor onze zonden, zouden zich in Bachs liefde voor God kunnen vinden. Je zou deze zelfs tot op zekere hoogte, vanuit de rationele vorm van getallensymboliek, kunnen vergelijken met de amor intellectualis dei van Spinoza. In die zin heeft Bach ook ons moderne mensen anno 2018 nog steeds veel te zeggen. Of, in de bewerking van Psalm 68 door Huub Oosterhuis:

wij zingen mensen tot rede
wij allen, vreemde bekenden,
komen tot rust, neuriën vrede.[v]

 

Noten:
[i] Ad de Keyzer, Bachs grote Passie. Een spiritueel-liturgische benadering van de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach (Baarn en Antwerpen 2015) 67-68 met een citaat uit: K. van Houten, ’Ich kenne des Menschen nicht.’ De kruisvorm in de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach (Boxtel 1998) 18.
[ii] K. Schilder, Tusschen ‘ja’ en ‘neen’ (Kampen 1929).
[iii] Els van Swol, “De Matthäuspassion van Joh. Seb. Bach.” In: Bekirbénoe 35 nr. 4 (april 1993) 2-5.
[iv] Els van Swol, Dialoog in muziek. De joodse invloed op de westerse muziekgeschiedenis (Katwijk 1997) 29-32.
[v] Huub Oosterhuis, 150 psalmen vrij (Utrecht 2011) 114.

Mensen tot rede zingen (I)

In het tijdschrift voor hartstochtelijke theologie, Ophef, verscheen een artikel van mijn hand over de getallensymboliek bij Joh. Seb. Bach (nr. 1/18, p. 27-31). Met toestemming van de redactie neem ik dat op deze blog in twee delen over. Hieronder het eerste deel.

Inleiding
Dat de barokcomponist Joh. Seb. Bach (1685-1750) op een fijnzinnige manier veelvuldig gebruik maakte van getallensymboliek, daar is iedereen het wel over eens. Zelfs in het populaire televisieprogramma Podium Witteman kwamen Floris Kortie en Paul Witteman in de uitzending van half januari erop uit, dat het getal drie bij Bach staat voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, al wisten zij zich bij de laatste wat lacherig weinig voor te stellen. Ze deden deze constatering aan de hand van Bachs derde Brandenburgse concert, dat – naast de basso continuopartij – drie instrumentengroepen kent: violen – altviolen – celli. Voorts koppelde hij hier het getal 333 aan, omdat Bach dit jaar 333 jaar geleden is geboren. De aanwezige violiste Rosanne Philippens antwoordde op de vraag of Bach dit leuk zou hebben gevonden, na enig nadenken, met een schoorvoetend ‘Ja.’
Dat schoorvoetende was terecht, want er zijn musicologen die nog speculatiever te werk gaan dan Kortie en op grond van gematria (numerologie, geheime leer van de Kabbala) uit Bachs noten bijvoorbeeld zelfs zaken menen te kunnen opmaken als de voorspelling van zijn eigen sterfdatum. Dit gaat mijns inziens een stap te ver en doet Bachs fijnzinnigheid in de omgang met symboliek en de onmiskenbare zin ervan omslaan in onzin.
Er moet zoiets zijn als een gulden middenweg, waarin getallenymboliek er (alleen) toe doet, wanneer het een exegetische meerwaarde biedt. Hiernaar ga ik in dit artikel op zoek.
Eerst onderzoek ik wat er eigenlijk onder ‘getallensymboliek’ bij Bach moet worden verstaan. Daarna noem ik enkele saillante voorbeelden die hieronder kunnen worden begrepen, en waar de meeste muziekwetenschappers het wel over eens zijn, en een enkele meer speculatieve, om af te sluiten met een eigen bevinding.

De kracht van getallen
Casper Honders (1923-1994), destijds hoogleraar liturgiewetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen en zeer muzikaal, begint in een van zijn boeken het hoofdstuk over de getallen in het werk van Bach, met de opmerking dat ‘wanneer we met elkaar in gesprek komen over de betekenis van de getallensymboliek in het werk van Bach, al snel blijkt hoeveel vraagtekens er dan worden opgeroepen en hoe lastig het is om tot een goed gezamenlijk begrip er van te komen.’[i] Hij wijst op het feit dat ‘in de Middeleeuwen en in de eeuwen daarna de musica in het direkte gezelschap van de vakken arithmetica, geometrica en astronomica’ werd onderwezen. Natuurlijk, constateert hij, geeft de Bijbel zelf ook aanwijzingen.
Ik noemde al het getal drie, Honders noemt de getallen zeven (als het aantal scheppingsdagen en de rustdag) en twaalf (het getal van de kerk, van de stammen van Israël en de discipelen). Ook de allegorische schriftuitleg heeft een handje geholpen. ‘Zo kon in de allegorische exegese (…) het in het Oude Testament genoemde “tiensnarig instrument” verwijzen naar Gods Wet (tien geboden).’
Honders geeft niet alleen een rijtje van getallen die symbolisch kunnen worden geduid, maar wijst ook op de aan de kabbalistiek verwante ‘mogelijkheid getallen een rol te laten spelen op grond van de waarde van letters van het alfabet.’ Dat leidt automatisch naar de naam B-A-C-H die door de componist niet alleen veelvuldig in noten werd omgezet (b-a-c-bes), maar ook – spaarzaam – door het getal veertien werd uitgedrukt: B=2, A=1, C=3 en H=8. Dat deed de componist in de vorm van – zoals Honders opsomt: – ‘maatsoorten, aantal maten, aantal stemmen (vocaal/instrumentaal), aantal tonen, aantal inzetten.’ Voorbeelden hiervan kunnen worden gevonden in de eerste muzikale zin van Bachs laatste koraalbewerking voor orgel, Vor deinen Thron, dat uit veertien noten bestaat, en in Die Kunst der Fuge. Tot slot concludeert de auteur dat de ‘kracht van de getallen oud is en onmiskenbaar. We kunnen er niet omheen. Zeker niet als het gaat om de analyse van Bachs werk.’

Bronnen
We hebben met Honders al geconstateerd, dat in de Middeleeuwen en de eeuwen daarna musica werd onderwezen in het gezelschap van wat wij nu exacte vakken noemen, en dat de allegorische schriftuitleg een handje heeft geholpen. De vraag die dan opdoemt, is: waar heeft Bach de mosterd vandaan gehaald?
Honders noemde om te beginnen een voor de hand liggende naam: die van Andreas Werckmeister (1645-1706), de Duitse organist en muziektheoreticus. De theoloog H. van der Linde (1915-2008) gaat een stapje verder in zijn boek Johann Sebastian Bach. Een die de weg wijst. Hij wijdt hierin een paragraaf aan de bibliotheek van Bach, waarin zich naast muziektheoretische werken zoals die van Werckmeister ook de complete Luther (achttien banden) bevond, alsmede ‘boeken van reformorthodoxe en piëtistische theologen, van Arndt, Joh. Gerhardt en Spener en mystieke geschriften o.a. van Tauler. En tenslotte uitlegkundige werken zoals de driedelige commentaar op de Lutherbijbel van Calov, vijf boeken van Heinrich Müller en andere.’[ii]
Ik beperk mij hier tot een korte karakteristiek van de denkbeelden van Werckmeister, de theoreticus die voor Bach van doorslaggevend belang is geweest. Werckmeister formuleerde zijn uitgangspunt, zijn adagium, als geciteerd in het boek van Honders, als volgt: ‘Wie nun die Musicalischen Intervalle nichts anderes als Zahlen und Proportiones und Gott alles in Zahlen, Mass und Gewicht, und alles in gute Ordnung gesetz und gebracht hat, so muss ja ein Musicus, ja ein jeder Mensch, sich befleissigen und studieren, wie er solcher herrlichen Ordnung nachfolget.’ In zijn Musicalischen Paradoxal-Discourse (1707) onderscheidde Werckmeister verschillende lagen in de getallensymboliek:

  1. De hiervoor al genoemde symboliek, waarbij bijvoorbeeld het getal drie staat voor de triniteit
  2. Het semantisch symboliek waarbij bijvoorbeeld, zoals wij reeds zagen, het getal tien staat voor de tien woorden
  3. De kabbalistische symboliek, waarbij elke letter staat voor een cijfer, zoals hiervoor beschreven aan de hand van B-A-C-H.

Clavierübung III
Er is wel gesteld dat de sterkste uitdrukking van de verwerking van de ideeën van Werckmeister kan worden gevonden in Bachs Clavierübung III, beter bekend als de Grote Orgelmis. Bach legde hierin de nadruk op de structuur. Het deel bestaat uit 27 composities en wordt omkaderd door een Preludium en afgesloten door een Fuga, allebei in dezelfde toonsoort (Es gr.t. met drie (!) mollen als voorteken: bes, es, as). 27 staat voor 3x3x3 en het aantal boeken van het Nieuwe Testament. Tussen het Preludium en de Fuga zitten koraalvoorspelen voor orgel in de vorm van – hoe kan het ook anders – een drieluik, dezelfde vorm als – zoals we nog zullen zien – de Matthäus-Passion. Zij zijn achtereenvolgens gegroepeerd als een korte Lutherse mis (Kyrie en Gloria), rond de Lutherse catechismus (de tien woorden, de geloofsbelijdenis, het Onze Vader, doop, boete en Avondmaal), met ter afsluiting, – voor de Fuga -, vier duetten voor klavier. Een koraal, Allein Gott in der Höh’ sei Ehr, is driemaal getoonzet, alle drie driestemmig (BWV 675-677). De laatste bewerking bestaat uit een fubbelfuga.
Behalve in de Orgelmis zijn er natuurlijk tal van andere voorbeelden van composities waarin Bach de lagen die Werckmeister wat betreft de getallensymboliek onderscheidde in zijn composities tot uitdrukking bracht.

Noten:
[i] Casper Honders, Over Bachs schouders … Een bundel opstellen (Groningen 1985) 90-98.
[ii] H. van der Linde, Johann Sebastian Bach. Een die de weg wijst (Baarn 1985) 125.

Top-10 concerten 2017

Hieronder de tien concerten uit het afgelopen jaar die mij het meest zijn bijgebleven.

150 Psalms
Tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht, dat ik praktisch elk jaar voor een of meer concerten ‘aandoe’, werd een tweede, klein festival georganiseerd: de 150 Psalmen uitgevoerd door vier verschillende koren: het Nederlands Kamerkoor (foto: Foppe Schut), het Amerikaanse Choir of Trinity Wall Street, de Tallis Scholars en de publiekslieveling Der Norske Solistkor. Een geweldige ervaring om meegemaakt te hebben.

Fiumarathon
In het kader van November Music in ’s-Hertogenbosch, stond een hele dag de muziek van oud-collega Anthony Fiumara centraal. Ik blogde er op deze site al over. Een belevenis van jewelste!

Mariavespers
Tijdens het Holland Festival werd in de Gashouder van de Amsterdamse Westergasfabriek dit meesterwerk van Monteverdi uitgevoerd in een coproductie met De Nationale Opera. Niet alleen de uitvoering op zich was geweldig, door Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon, maar ook de sculptuur van Berlinde De Bruyckere waaromheen alles zich afspeelde.

Abdel Rahman El Bacha
Deze meesterpianist, die naar mijn idee veel te weinig bekend is, speelde op 1 april in de Serie Piano van het Muziekgebouw aan het IJ 72 preludes van Bach, Chopin en Rachmaninov. Een marathonconcert met twee pauzes, maar voor mij had het nog wel even door mogen gaan!

Chiaroscuro Kwartet
De kennismaking met dit kwartet was er een van de hoogste orde: op oude instrumenten speelden zij werken van Haydn, Fanny Mendelssohn en – met Ronald Brautigam aan de fortepiano – Schumann. Een verrassing, na het tegenvallende eerste concert in de serie Kleine Zaal Melange in het Amsterdamse Concertgebouw.

Budapest Festival Orkest
Wat een orkest, dat speelde in de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van het Concertgebouw in Amsterdam. Ook nog eens onder leiding van Iván Fischer, die ik zeer hoog heb. Zoevende contrabassen – waar hoor je dat nog meer? In werken van Bach, Mozart (met pianist Emanuel Ax) en Tsjaikovski.

Koninklijk Concertgebouworkest
Ik heb in deze column niet onder stoelen of banken gestoken, dat ik blij ben met de nieuwe chef-dirigent van het KCO: Daniele Gatti. Tijdens de Robeco Summer Nights speelde het orkest onder zijn leiding een programma met Wolfgang Rihm (IN-SCHRIFT), een groot hedendaags componist wiens carrière ik zo goed mogelijk probeer te volgen, en Anton Bruckner (Negende symfonie). Grandioos.

Akademie für Alte Musik Berlin
Tijdens de Robeco Summer Nights, in het kader waarvan ik altijd wel enkele concerten bezoek, speelde de door mij zeer geliefde violiste Isabelle Faust met de Akademie für Alte Musik Berlin een heel Bachconcert. Inclusief een Sinfonia van Carl Ph. Emanuel.

De troost van Stabat Mater
In de Serie Oude Muziek van het Muziekgebouw aan het IJ voerden PRJCT Amsterdam met Rosemary Joshua (sopraan) en Maarten Engeltjes (countertenor) onder meer het Stabat Mater van Pergolesi uit, afgewisseld met een voordracht van P.F. Thomése uit diens boek Schaduwkind. Het werk van Pergolesi blijft indrukwekkend.

Glen Dempsey
Tijdens de zomer mag ik altijd graag overal en nergens orgelconcerten bezoeken. Eén sprong er dit jaar voor mij uit: door Glen Dempsey uit Cambridge, op 12 juli in de Basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam. Hij speelde er met veel stijlgevoel werken van Joh. Seb. Bach, Mendelssohn-Bartholdy, Reger, Franck en Brahms.

De tijd stond even stil

Iedereen brengt de veertigdagentijd op zijn/haar eigen manier door. Ik heb onder meer een boek ter hand genomen dat ik verleden jaar tijdens een cursus bij Fredeshiem in Steenwijk kocht:  De kruisweg volgens de joodse mystiek van Sjef Laenen. De auteur volgt het boekje Friederich Weinreb erzählt den Kreuzweg nach sieben Bildern von Roland Peter Litzenburger (1982). Laenen vermeldt dat Litzenburger zichzelf heeft geschetst in zijn tekeningen van het lijdensverhaal. En dat Weinreb het verhaal vertelt ‘van ieder van ons zoals we in deze wereld leven. In die zin is het lijdensverhaal van Christus voor Weinreb niet een specifiek christelijk verhaal, maar een universeel aspect van ons menszijn, het tijdloze verhaal van de mens die de weg van de verlossing of de eenwording gaat. Anders gezegd: het verhaal dat hier verteld wordt geldt voor ieder van ons, waar ook ter wereld.’

Met die woorden in mijn achterhoofd bezocht ik afgelopen zondag de filmregistratie die Cherry Duyns maakte van de uitvoering van Bachs Matthäus Passion in de Nieuwe Kerk in Amsterdam onder leiding van Reinbert de Leeuw. Gevoegd bij deze woorden waren de beelden van De Matthäus Missie van Reinbert de Leeuw die ik verleden jaar zag en waarover ik hier eerder schreef (https://elsvanswol.nl/?p=2684). Ik schreef onder meer: ‘Weer zo’n geweldige film van Cherry Duyns, die iedere muziekliefhebber zou moeten zien. Omdat de boodschap van de Matthäus (volgens De Leeuw een oproep tot humaniteit) samenvalt met de broosheid van de dirigent en een beroep doet op de empathie van uitvoerenden én luisteraars.’

En toch was het niet het laatste dat bij de filmregistratie van Bachs Matthäus onder De Leeuw beklijfde. Dat waren eerst en vooral de twee strofes van het koraal O Haupt voll Blut und Wunden uit het tweede deel. Deze leverden de ‘meditatieve beleving’ op waar recensent Frederike Berntsen de volgende dag in Trouw over sprak naar aanleiding van een uitvoering van werken van Liszt en Goebaidoelina door hetzelfde Nederlands Kamerkoor onder leiding van dezelfde dirigent, Reinbert de Leeuw.
In de film De Matthäus Missie had De Leeuw het vol overtuiging over hét tempo dat gekozen moest worden. En misschien was dat hier wel de clou, al was dat soms wat voor het gevoel aan de wat erg trage kant. Hier benadrukte De Leeuw er datgene mee wat Laenen in zijn boek had omschreven als het universele aspect van ons menszijn, het tijdloze verhaal van de mens. De tijd stond stil.

Zoals hij dat wonderbaarlijk genoeg dezelfde dag deed voor Bouwe Reine Dijkstra, de oprichter van het Roder Jongenskoor dat de jongensstemmen zong in de uitvoering in de Nieuwe Kerk, begeleid door een uitkomend tongregister op het orgel. Hij overleed op 19 maart op 71-jarige leeftijd.

De integrale uitvoering van Bachs Matthäus Passion met Dijkstra’s koor, het Nederlands Kamerkoor, Holland Baroque (concertmeester Judith Steenbrink) en solisten is nog deze en volgende maand in  heel Nederland te zien.

http://www.cinemadelicatessen.nl/film/de-matthaus-passion-van-reinbert-de-leeuw/

 

De hoboklank van het Koninklijk Concertgebouworkest

Na de uitvoering van de cantates vier-zes uit Bachs Weihnachtsoratorium, door solisten, het Nederlands Kamerkoor en het Koninklijk Concertgebouworkest in kleine bezetting, op Eerste Kerstdag in het Amsterdamse Concertgebouw, werd veel lof toegezwaaid aan de nieuwe eerste hoboïst van het KCO: de Rus Ivan Podyomov. Inmiddels hoor je al niemand meer klagen over het feit dat die karakteristieke hoboklank uit de Nederlandse Stotijn-school verleden tijd is. Er is iets anders voor in de plaats gekomen: zowel Podoyomov als die andere eerste hoboïst, diens landgenoot Alexei Ogrintchouk studeerden onder meer bij Maurice Bourgue (zie foto rechts). En laat nu mijn oud-hoboleraar Leo van der Lek (foto links), destijds althoboïst van het (nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest, een groot bewonderaar van Bourgue zijn geweest … Zo is de cirkel rond.

Tijdens een les vertelde ik hem, nog niet wetend dat hij bewondering voor de Franse meesterhoboïst had, dat ik in de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw een recital van hem had gehoord. Van der Lek was één en al oor en vertelde dat hij hem één van de grootste hoboïsten van dat moment vond, groter dan de meer bekende Heinz Holliger.

Ik heb zulke informatie allemaal ingezogen en gedeeld. Zo kan ik me herinneren dat ik mijn ouders aanspoorden om op een zondagmiddag samen naar een symfonie van Sjostakovitsj te luisteren, die rechtstreeks op de radio werd uitgezonden. De dirigent was niemand minder dan Kirill Kondrashin. Van der Lek had er een grote solopartij in. Op het moment suprême klonk allemaal gekraak en gepiep door de ether; geen storing, maar een verstrooide althoboïst die zijn veer (waarmee condens uit het instrument wordt geveegd) in de buis ervan had laten zitten, met alle gevolgen van dien … Tekenend was, dat Van der Lek de week later gewoon vroeg of ik het concert had beluisterd. En toen ik schoorvoetend knikte, vertelde hoe meelevend de musici om hem heen waren geweest die natuurlijk de schrik om het hart was geslagen.

Toen Van der Lek door had dat ik een grote voorliefde voor de muziek van Joh. Seb. Bach had, zette hij me op het spoor van een afwijkende interpretatie van een deel uit diens Matthäus Passion door dirigent/organist/componist Anthon van der Horst. En ja – ik heb een keer een Kerstuitvoering meegemaakt in het Concertgebouw, waarbij de hobosectie van het Concertgebouworkest de soli speelde in de Weihnachtspastorale uit één van de cantates. De dirigent was als ik mij goed herinner Bernard Haitink.

Hoe trots was Van der Lek toen hij, al wat op leeftijd en volgens de artsen beter niet mee kon gaan op tournee door de Verenigde Staten, een kaartje ter bemoediging kreeg waarop ook de handtekening van Haitink prijkte! Over een eerder tournee door de States had hij eens verteld, dat de hoboïsten het opbindgaren van hun rieten hadden gekozen in respectievelijk rood, wit, blauw. Achtereenvolgens Haakon Stotijn (die communist was), Cees van der Kraan en Van der Lek zelf. Dat zijn leuke anekdotes voor een mens!

Overigens had mijn oud-hoboleraar niet zoveel op met noch de authentieke uitvoeringspraktijk van barokmuziek noch met moderne muziek. Wat niet wegneemt dat hij het prima vond als je een baroksonate van smaakvolle versieringen voorzag, al waren het er naar zijn idee gauw teveel en kon je volgens hem dan door de bomen het bos niet meer zien. Hedendaagse muziek was ook prima. Maar toen ik eens meende toch inmiddels wel toe te zijn aan de prachtige hobosonate van Françis Poulenc, vond hij dat ik eerst die van Paul Hindemith in moest studeren. De componist die eens zijn sonate voor althobo en orgel, die Van der Lek samen met Edward Power Biggs op de plaat had vastgelegd, aan mijn docent had opgedragen. Hij vermeldde dit wel, maar zonder zich ook maar een moment daarop voor te laten staan.

Ook zijn oordelen over moderne muziek waren voorzichtig en sec; je mocht zelf denken wat je ervan vond. Hij ging een keer achter de piano zitten en speelde slechts een enkel akkoord. ‘Dat is alles’ zei hij over Atmosphères van Ligeti, in het midden latend of dit positief of negatief viel te duiden.
Meer uitgesproken was hij toen een medeleerling van hem bezwaren opperde tegen met name de teksten van de cantates van Bach, die Van der Lek ons samen wilde laten spelen; hij moest daarvoor een kwartiertje eerder komen, en ik een kwartiertje langer blijven. Of omgekeerd, dat weet ik niet meer. Van der Lek praatte op hem in, net zolang totdat zijn andere leerling toegaf. Inmiddels is hij een gerespecteerd huisarts en speelt nog steeds hobo in een amateursymfonieorkest waarin ook een oud-collega van mij fagot speelt.

Af en toe kan ik nog wel eens met iemand van gedachten wisselen over Leo van der Lek. Bijvoorbeeld met een dochter van een Nederlandse componist, die zijn overburen waren geweest. De componist – Herman Mulder – had, net als Hindemith, ook een sonate aan Van der Lek opgedragen. Zoals ik dit stukje aan hem opdraag. Het zal hem ongetwijfeld goed hebben gedaan te weten, dat Ogrintchouk en Podoyomov oud-leerlingen van zijn bewonderde Maurice Bourgue zijn, en dat die klank nu de plaats van de Stotijn-school heeft ingenomen.

En laten we ook zijn verre opvolgster als althoboïste, Miriam Pastor Burgos, niet vergeten. Als zij haar instrument aan de mond zet zit ik nog steeds op ’t puntje van mijn stoel, al heb ik mijn eigen hobo inmiddels aan de wilgen gehangen. Kriebelen blijft het.

De klop op de deur

Johann_Sebastian_BachAfgelopen week maakte ik een aantekening bij een retweet met een link naar een uitvoering van het orgelkoraal Wer nur den lieben Gott lässt walten BWV 642 van Joh. Seb. Bach (zie afb.) door Dorien Schouten. Er ontspon zich een interessante discussie hierover met de Nederlandse Bachvereniging.

Mijn bezwaar richtte zich tegen de tekstopvatting dat hier sprake zou zijn van ‘de God van het Oude Testament’. Krijgshaftige bazuinen in het pedaal waren de muzikale uitwerking ervan. Immers: in deze nog steeds – wat mij betreft voortwoekerende – visie zou de God van het Oude Testament de God der wrake zijn, een wrede God. En – dat komt er dan meestal meteen achteraan – de God van het Nieuwe Testament de God van de liefde. Alsof er twee Goden bestaan.

En dan heb ik het nog niet eens over nog een stapje verder in deze gedachtegang, waarin de boodschap van het Oude Testament, die vol oorlog en geweld heet te zijn, wordt geplaatst tegenover die van het Nieuwe. Alsof daar geen sprake is van geweld op z’n tijd! ‘Het is zo anders’, dat Oude Testament, ‘dan de boodschap van Jezus: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen’ las ik onlangs nog in de Bijbelse Dagkalender 2016. Het is om moedeloos van de worden.

Maar dan opeens is er weer een uitleg van een Bijbelgedeelte uit het Nieuwe Testament waardoor je opveert. Afgelopen zondag gebeurde het in de uitleg van André Fox in de  Oude Kerk in Amsterdam. En thuisgekomen hoorde ik op youtube dezelfde opvatting uit de mond van Evert Jan de Wijer, de predikant van de Thomaskerk in de hoofdstad.
Het draaide om Lucas 11:1-13, een tekst over bidden. Maar dan met een andere insteek dan in de Bijbelse Dagkalender.
Direct nadat Jezus Zijn discipelen het Onze Vader heeft leren bidden, volgt een gelijkenis over een vriend die midden in de nacht aanklopt en vraagt of hij drie broden kan lenen. De man aan wie dit wordt gevraagd, geeft geen thuis. Jezus geeft het advies om onbeschaamd door te blijven gaan met op de deur kloppen.

Zittende Maria_omgeving Adriaen van WeselDe uitleg over wie die man is die geen gehoor geeft, wees richting God. En dat kun je alleen maar denken en zeggen als je door de uitlegtraditie van het jodendom heen bent gegaan en die hebt geïnternaliseerd; op die manier is er, ondanks dat ik wel eens moedeloos wordt, hoop. Het is net als Jezus die Zijn hand legt op het Boek, zoals het beeld ‘Zittende Maria met staand Christuskind’ toont uit de omgeving van Adriaen van Wesel (Museum Catharijneconvent, Utrecht, zie afb.). Niet om ons de les te lezen, zoals Herman Pleij meent (bijschrift tentoonstelling ‘De zomer van Herman Pleij’, t/m 4 september 2016), maar omdat ook Hij de joodse leer in zich heeft opgezogen als was het moedermelk.

En de man die klopt? Dat zijn wij, die onbeschaamd door moeten gaan met kloppen. Met schreeuwen wellicht. En met – voeg ik eraan toe – het stellen van de vraag: ‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ (Gerard Reve). Zonder moedeloos te worden.

Opeens ga ik al die klopmotieven in het werk van Bach ook wat anders beluisteren …

https://twitter.com/Bachvereniging/status/756902694510534656

http://allofbach.com/nl/bwv/bwv-642/#organiste-dorien-schouten

https://www.debijbel.nl/link/Lucas%2011:1-13/1baa9f2436fc6bba0314219a9669bab5

https://www.youtube.com/watch?v=01KI97acyBE&feature=youtu.be

Meer wijsheid dan toeval

Rembrandt_SaskiaDit jaar zal bij het Saskia-ontbijt in de Amsterdamse Oude Kerk (9 maart, vanaf 7.50 uur) de toetsenist Rembrandt Frerichs spelen. Ik zeg nadrukkelijk: toetsenist omdat hij staat aangekondigd als bespeler van het kistorgel. Maar we kennen hem natuurlijk in eerste instantie als pianist, en de laatste tijd ook als bespeler van de fortepiano. Een veelzijdig man dus.

Of het zijn voornaam is die de organisatie te binnen schoot, is uiteindelijk meer wijsheid dan toeval. Toeval omdat op 9 maart Jan Six, een nazaat van de beroemde familie Amsterdamse burgemeesters, iets zal vertellen over het portret dat Rembrandt in 1633-1634 schilderde van zijn vrouw Saskia van Uylenburgh (zie afb.). Het hangt sinds 1750 in de Gemäldegalerie Alte Meister in Kassel (collectie Wilhelm VIII van Hessen-Kassel). Saskia staat er pompeus op, met veel sieraden en een opvallende, rode hoed.

Een andere stijl dan Frerichs (zie foto) als ‘modern creative pianist’ bezigt. Luister bijvoorbeeld naar zijn trio dat de Prelude en fughette in d kl.t. BWV 899 van Joh. Seb. Bach, een late tijdgenoot van Rembrandt van Rijn, speelt: http://www.rembrandtfrerichs.nl/video
Het begint met een getokkelde contrabas en wat zachte roffeltjes van de drums. Zoals Rembrandt soms, maar niet hier, uit een losse pols, haast impressionistisch, wat verfstreken opbracht. Uit die noten ontwikkelt zich de melodie, die er zich als het ware uit los maakt. Wat opvalt is een soms haast oosters idioom. En dat gaat verder dan de een wat oosterse uitdossing die Frerichs naamgenoot soms aan een portret meegeeft.Het verrijkt de muziek, zoals het het leven kan verrijken.

rembrandt frerichsFrerichs (zie foto) is niet alleen geïnspireerd door Bach, maar even goed door het meer impressionistische idioom van Ravel en Debussy en door zijn liefde voor Perzische klassieke muziek. Op die manier probeert hij een verhaal te vertellen dat over de grenzen van genres heen reikt. In een interview in NRC Handelsblad vertelde hij eens veel affiniteit te hebben met joodse en Arabische muziek. Wist ook Rembrandt niet alles van de joodse omgeving waar hij woonde?

Rembrandt Frerichs zal tijdens het Saskia-ontbijt samen met Hermine Deurloo op mondharmonica Sweelincks Mein junges Leben hat ein End spelen. Ook hier ligt een eerste associatie ligt voor de hand: Sweelinck speelde orgel in de Oude Kerk. Maar het gaat verder: Saskia is jong gestorven. ‘Een muzikaal intermezzo’ schrijft het persbericht, maar hopelijk – en Frerichs en Deurloo kennende – méér dan dat. Ook omdat het stuk wordt gevolgd door een stilte, waarin de bezoeker het leven kan overdenken. Als het weer meewerkt, raken zonnestralen op dat moment de letters ‘Saskia’ op haar grafsteen. En wanneer de zon door de ramen in de Oude Kerk valt, gebeurt er iets. Niet alleen met het gebouw, maar ook met de mensen die er op dat moment zijn.

Dan weerklinkt Carrousel van Frerichs, bekend van het album Continental en inmiddels al een standard. Alles in het programma past zo mooi in elkaar. Meer wijsheid dan toeval.

Op woensdagochtend 9 maart 2016 is het programma als volgt:
7:50 – 8:15 ontvangst met koffie, thee en croissants
8:15 – 8:25 welkomstwoord door Jacqueline Grandjean, directeur Oude Kerk
8:25 – 8:38 Rembrandt Frerichs en Hermine Deurloo: Sweelinck – Mein Junges Leben hat ein End
8:38 …stilte
8:40 – 8:45 Rembrandt Frerichs: uit eigen werk – Carrousel
8.45 – 9:15 Saskia Lezing door Jan Six
9.15 afsluitend orgelspel door Matteo Imbruno

http://www.oudekerk.nl/nl/
http://www.rembrandtfrerichs.nl/

De Psalmen te binnen zingen

Klaas BoltEen van de eerste EP’tjes die ik ooit kocht, of kreeg, is een opname van Klaas Bolt (1927-1990, zie foto) op het Müllerorgel van de Grote- of St. Bavokerk in Haarlem. Hij speelt hierop de bekende Preludium en fuga in e kl.t. van Nikolaus Bruhns, en een Voluntary in d kl.t. van William Walond. De opnamen en de uitgave dateren uit de jaren zestig van de vorige eeuw.

Jaren later hoorde ik op de radio een psalmbegeleiding door hem, waarin hij duidelijk liet doorklinken dat de Psalmen tot ons zijn gekomen door de joodse Bijbel, Tenach. Hij deed dat muzikaal: door rijke omspelingen, met overmatige secundes, quilisma’s en andere vanuit de joodse muziek bekende karakteristieken. Sjablonen? Het zij zo.

Het klinkt even zot als je net doet of die invloeden er niet zijn, zoals bijvoorbeeld het in uitvoeringen verdonkeremanen van de talloze quilisma’s die Herman Hollanders (ca. 1595-ca. 1640) direct uit de Italiaanse, door de joodse muziek beïnvloede rooms katholieke kerkmuziek van zijn tijd overnam.

Er kwam na het beluisteren van die radio-uitzending een tweede opname van Bolt, inmiddels een CD, op mijn speler te liggen: één met samenzang uit Haarlem, Farnsum en Utrecht. Ik heb afgelopen week zijn begeleiding van Psalm 84 weer eens gedraaid, de Psalm die de mannen uit Putten in de kerk zongen voor ze werden weggevoerd naar de kampen als represaille na een aanslag door het verzet op 30 september 1944.

Het is goed dat op 6 juni a.s. in Groningen een orgelexcursie plaatsvindt, ter gelegenheid van het feit dat het vijfentwintig jaar geleden is dat Bolt overleed. Een door de Stichting Groningen Orgelland georganiseerde excursie langs de orgels van Noordlaren, Appingedam, Nieuw Scheemda en Oostwold.

Maar het zou nóg mooier zijn, als kerkorganisten anno nu bij de gemeentezang van de Psalmen de versieringskunst van Bolt in ere zouden houden. Met het oog op de herkomst van die Psalmen. Opdat we die ons telkens te binnen zingen.