Tweespraak of trialoog?

Dat ik dol ben op tentoonstellingen waarin kunstwerken op welke manier dan ook met elkaar in gesprek gaan, zal de regelmatige lezer van deze blog al wel duidelijk zijn. Sinds 2006, toen Rembrandt tezamen met Caravaggio werd getoond, komt het Rijksmuseum in Amsterdam weer met zo’n tweespraak: Rembrandt en Velázquez.
Alleen de affiche al – de tentoonstelling zelf wil ik nog bezoeken – zegt veel: links De heilige Serapion van De Zurbarán (Wadsworth Atheneum Museum of Art, Hartford), rechts De bedreigde zwaan van Jan Asselijn (Rijksmuseum Amsterdam).

Serapion (1179-1240) was een monnik die in 1240 door de sultan van Algiers aan het kruis werd geslagen. Zo werd hij martelaar van de Mercedariërs, waartoe hij behoorde. De Zurbarán schilderde hem in 1628, haast levensgroot vanaf de knieën, met de armen in touwen boven het hoofd, dat ertussen rust, genegen op de rechterschouder.
Het schilderij van Asselijn uit 1650 is qua afmetingen bijna even groot als dat van De Zurbáran. Hij schilderde de zwaan in eenzelfde soort houding als de monnik: de vleugels hoog geheven, de hals naar voren en de kop ertussen.
Wat in beide schilderijen verder opvalt, is dat de bron (een hond) of het effect van het geweld volledig afwezig is. Zowel de monnikspij als de vleugels van de zwaan zijn smetteloos wit.

Het rare is, dat ik bij het zien van deze affiche eerst een totaal andere associatie had: de met het Bijbelse beeld van wat ds. Sytze de Vries eens in een preek ‘leven onder Zijn vleugels en voor Zijn aangezicht noemde’. Het is een geliefd beeld van hem, dat vaker in zijn preken terugkomt. Ik noem er een paar: ‘Op zoek naar de aarde, waar leven is onder Gods vleugels’ en – in dezelfde preek – ‘schuilen onder de vleugels van Israëls God’. En, in nog weer een andere preek: ‘Onder Zijn vleugels overnachten’ en ‘veilig onder Gods vleugels’.

Een derde en laatste voorbeeld gaat echter meer de kant op van het geweld dat de monnik trof en de zwaan dreig te treffen: ‘Wij hebben dat thuis-zijn onder Gods vleugels zelf verwaarloosd en er een puinhoop van gemaakt’. Dat verwijst, als ik beide schilderijen oproep, niet alleen naar het geweld buiten ons (van de hond), maar vooral naar dat van onszelf: het vermoorden van mensen wiens ideeën ons niet welgevallig zijn. Zoals de sultan van Algiers, Selin Benimarin, die boos was dat het losgeld om de gevangen genomen Serapion vrij te kopen uit bleef en hem maar ophing en zijn lichaam na diens dood in stukken liet hakken.

Het schilderij van De Zurbarán laat zien hoeveel belang hij (daarvoor mag je zowel Serapion als de naam van de schilder invullen) hechtte aan het rooms-katholieke geloof; het ordeteken van de Mercedariërs is pontificaal afgebeeld, zodat het niet kan missen. De Mercedariërs hadden niets op met de Islam. Ze zagen het als hun taak om rooms-katholieke slaven te bevrijden uit handen van moslims. Dat gebeurde in Ierland (waar Serapion vandaan kwam) en aan de Middellandse Zee.

Je zou het zó, in een andere vorm, naar onze tijd kunnen vertalen met de haat tegen alles wat anders is. Zelfs tijdens een studiemiddag die ik onlangs bijwoonde, en waarin een rooms-katholiek en een protestants theoloog het niet konden laten in hun respectievelijke inleidingen steken onder water naar elkaar uit te delen. Oude tijden, met de haat tussen het rooms-katholiek Spanje van Vélazquez en Zurbáran en het protestantse Holland van Asselijn herleefden even.

Daarom: dank aan het Rijksmuseum dat weer eens met een dialoogtentoonstelling komt, dank aan Sytze de Vries voor zijn altijd inspirerende en tot verder nadenken aansporende preken. Het is ook een aansporing om de dialoog tussen Christendom en Islam (of, liever nog: een trialoog tussen de drie Abrahamitische godsdiensten, Jodendom-Christendom-Islam) voort te zetten. Het is broodnodig.

De Passacaglia van Pico della Mirandola

Ik blogde er al eerder (14 juli jl.) over – het groepje mensen dat zich aan de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden bij dr. Erno Eskens een weekje onderdompelde in de Filosofie in de Lage Landen en unaniem gecharmeerd was door de filosofie van Nicolaas van Cusa oftewel Cusanus (1401-1464, afb. links).

Weer thuis vroeg ik bij mijn bibliotheekfiliaal een boek over hem uit de Centrale aan: De leek over de geest (uitg. DAMON, 2001). Hieruit bleek dat al mijn liefdes een beetje in elkaar haken: Cusanus had invloed op Pico della Mirandola, kan al dan niet worden gezien als een voorloper van Kant, zocht toenadering tot de Hussieten en werd beïnvloed door Boethius. Wat wil een mens nog meer!

Pico della Mirandola
In mijn gedachten ging ik terug naar die keren dat ik in Italië was, vergezeld door een boek waarin Pico della Mirandola (1463-1494, afb. rechts) een hoofdrol speelde. De eerste keer was De herinnering aan Abraham van Marek Halter (uitg. De Prom, 1985), de tweede keer De Phoenix – een bijnaam van Pico – van Paul Claes (uitg. De Bezige Bij, 1998).
Ik schreef er een stukje over in In-formatie, voor en uit de Hervormde gemeentekern rondom de Weerenkapel (maart 2000) dat ik hier iets aangevuld herneem.

Beide boeken geven een heel verschillend beeld van de graaf uit het landelijke plaatsje bij Bologna. Aan Halter heb ik een warme herinnering overgehouden, terwijl de Vlaamse schrijver Paul Claes Pico vooral als een zelfverzekerde, belezen en koele geleerde portretteert, met – leek het eerst – een sjabloon-achtig kenmerk van dien: dat Pico della Mirandola bijziend was wordt in het begin haast tot vervelends toe herhaald.

Eeuwige waarheid
Toch draait het in beide romans om één thema: volgens Pico is de waarheid eeuwig, één en ondeelbaar. Een hot item waar de geleerden het overigens nog steeds niet eens zijn. Volgens de één is de waarheid niet eeuwig en is er een breuk in de geschiedenis geweest waarachter we niet terug kunnen. Volgens de ander is de waarheid eeuwig en moeten we terug naar Augustinus.
Misschien hebben de geleerden uit beide stromingen gelijk en moet je de waarheid vergelijken met een Passacaglia voor orgel, zoals ik er gistermiddag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam die van Dieterich Buxtehude hoorde, gespeeld door Véronique van den Engh, organist van de Kathedrale Basiliek van Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch. Een passacaglia met een doorgaande melodie in de bas (het passacaglia-thema) met daarboven steeds veranderingen van dat thema; de waarheid (het thema) blijft hetzelfde, maar wij kijken er aldoor anders tegen aan, nemen gaandeweg een ander perspectief in. Zeker na een onmiskenbare breuk als Auschwitz.

Aan de voeten van
Pico della Mirandola zat in Padua en Perugia aan de voeten van Elia del Medigo om Hebreeuws te leren, en in Florence aan die van Flavio Mitridate, die hem Aramees en Arabisch onderwees. ‘Pico droomde toen al van een filosofische vrede waarin christendom, jodendom en islam met elkaar verzoend zouden worden’ (Claes, blz. 52), zoals Cusanus dat overigens al voor hem deed en zoals prof. dr. Anton Wessels – bij wie ik komend seizoen weer een cursus bij het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie hoop te volgen – droomt van één uitgave van de Heilige Schriften, waarin Tenach, het Tweede Testament en de Koran in één band zijn samengevoegd en op elkaar worden betrokken. Als vormen zij een kristal waarvan de verschillende kanten kunnen oplichten. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen, dat Pico’s studie van het Arabisch volgens sommige geleerden, zoals H. van den Bergh, was bedoeld ‘om de muzelmannen te bekeren’.

Verzoening?
Misschien moeten we vooralsnog concluderen dat Pico della Mirandola ofwel in zijn opzet niet helemaal is geslaagd, zoals Claes in een interview in NRC Handelsblad (7 mei 1999) zei, ofwel dat diens omgeving, waar de inquisitie hoogtij vierde, nog niet rijp was voor zijn ideeën; Pico’s slechte ogen bleken achteraf overigens geen aanduiding voor zijn eventuele tekortkoming, maar een aanduiding voor de zich langzaam voltrekkende vergiftiging waaraan hij uiteindelijk is gestorven.

Wellicht is een verzoening teveel gevraagd omdat er daarvoor teveel is gebeurd. Misschien kan een verzoening beter op zich laten wachten tot ‘die dag [dat] God de enige zal zijn en Zijn Naam de enige’ (Zacharia 14:9) en moeten we het ondertussen zoeken in het verbeteren van de wereld, tikoe ha-olam, zodat joden, moslims en christenen vreedzaam met elkaar samen kunnen wonen én bij elkaar in de leer kunnen gaan. Daarin is Pico della Mirandola ons voorgegaan. En Cusanus.

Het koninkrijk van de angst – Martha Nussbaum

Het koninkrijk van de angst : een filosofische blik op angst als politieke emotie / Martha C. Nussbaum ; vertaald [uit het Engels] door Rogier van Kappel. – Amsterdam : Uitgeverij Atlas Contact, [2018]. – 255 pagina’s ; 21 cm. – Vertaling van: The monarchy of fear. – New York : Simon & Schuster, © 2018. – Met
literatuuropgave. ISBN 978-90-450-3748-6

Martha Nussbaum heeft al eerder aangetoond aandacht te hebben voor emoties die een destabiliserende factor vormen in de zoektocht naar rechtvaardigheid. Met name in haar boek Politieke emoties (2014). Nussbaum is een van de bekendste filosofen van dit moment en als hoogleraar verbonden aan de universiteit van Chicago. Na de Amerikaanse verkiezingen van 2016 besluit ze dieper in te gaan op de emotie ‘angst’, die het rationele denken blokkeert, hoop vergiftigt en constructieve samenwerking belemmert. Het doel van dit voor een groot publiek geschreven boek is pimair reflectie en introspectie. Achtereenvolgens geeft zij een analyse van angst en enkele strategieën om deze in toom te houden. Ze beschrijft woede, walging en afgunst: negatieve, op minderheden gerichte politieke emoties (uitsluiting van immigranten, moslims) en hoop, liefde en visie voor de mensheid. De invulling van Nussbaum neigt soms naar een wat eenzijdige benadering van de begrippen ‘angst’ en ‘woede’ en zou wat de alternatieven betreft hier en daar wat aan concreetheid hebben kunnen winnen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Muzikale trialoog

Pagina met Gregoriaanse gezangen (1200-1225, abdij van Stavelot). Foto British Library. Gele rondjes geven kwartnoten aan.

Het doorgaande leerhuis over het in samenhang lezen van Bijbel en Koran door Anton Wessels voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) is weer van start gegaan. Het levert altijd mooie doorkijkjes op en spannende gesprekken die aan het denken zetten, al hoef je het er natuurlijk lang niet altijd mee eens te zijn.

Wessels ziet, zoals hij in een artikel in Ophef (19de jaargang, nr. 3 en 4 2016) schreef, ‘de verschillende hoofdstukken van beide boeken [Bijbel en Koran] als evenzovele voorbeelden van het volgen van een gezamenlijk leesrooster. Bijbel en Koran te lezen als één “narrative”.’ Hij ziet Tenach als het eerste Testament, het Nieuwe Testament als het tweede en de Koran als het derde. Het eerste is ‘de funderende grondslag’ voor zowel het Nieuwe Testament als de Koran. Zijn uitgangspunt ‘is en blijft hoe deze twee boeken: het Nieuwe Testament en de Koran vanuit het Eerste Testament uit te leggen’. Hij pleit ervoor ‘dat alle drie, jood, christen en moslim elkaar blijven bevragen omtrent het verstaan van elkaars Schriften.’ Tot zover de uitgangspunten die de emeritus hoogleraar Godsdienstwetenschap aan de Vrije Universiteit verwoordde.

Nu naar de cursus van dit jaar: ‘Wat zeggen de joden, christenen en moslims dat Ik ben?’ Waarbij de discussie niet wordt gevoerd op grond van vergelijkingen of identiteiten, maar op grond van exegese van de drie boeken zelf. Het gaat mij er hier nu niet om, de inhoud van de eerste ochtend verder weer te geven, maar om in te gaan op een interessante vraag en het antwoord dat daarop na de pauze werd gegeven.
De vraag luidde: ‘In hoeverre is de islam medebepalend geweest voor de Europese identiteit?’ Het antwoord werd vooral gezocht in de filosofie, met name in het neothomisme. De vertegenwoordigers hiervan kwamen volgens Wessels via de weg van Thomas van Aquino tot de studie van de Koran. Via die band van de filosofie zou kunnen worden gewerkt aan een ander politiek klimaat.

Er is, bedacht ik mij thuisgekomen, ook nog een andere weg: die van de muziek, met name het Gregoriaans. In de uitvoering daarvan zou de trialoog tussen jodendom, christendom en islam handen en voeten kunnen krijgen. En daarbij denk ik achtereenvolgens aan de joodse invloed op het gregoriaans en, zoals recentelijk door Lou Lousberg aangetoonde islamitische invloed.

Eerst de joodse invloed. Ik schreef er een hoofdstuk over in mijn boekje Dialoog in muziek. De joodse invloed op de westerse muziekgeschiedenis. Ik neem hier enkele gedachten daaruit over. In de leermis vindt men ‘muzikale familietrekken terug van de joodse voorouders. Ze komen’ – en ik citeer daarbij uit Muziek tussen hemel en aarde van Hélène Nolthenius –, ‘tot uiting in twee principes: het zingend reciteren (“cantileren”) van bijbels proza en het door een voorzanger uit te voeren psalmgezang’.
De accenten voor het reciteren werden aangegeven door middel van een notatie die vooruitloopt op de Gregoriaanse neumen. ‘Het is’, schrijf ik (p. 13), ‘daarom ook niet verwonderlijk dat in 1964-’65 enkele bladen met een dergelijke notatie bij een Hebreeuwse tekst als een joods handschrift werden beschouwd.’ Ze staan nu bekend als De kroniek van Obadja de Proseliet.
Er zijn verschillende ensembles die in hun uitvoering van het Gregoriaans deze joodse oorsprong door laten klinken, zoals Boston Camerata en Ensemble Venance Fortunat. Dat staat haaks op de negentiende eeuwse reconstructie van het Gregoriaans, zoals die nu meestal klinkt.

Maar er is meer. Onlangs promoveerde in Utrecht de musicoloog Leo Lousberg op een proefschrift waarin hij aantoont, dat er in het Gregoriaans kwarttonen voorkomen. Deze werden gebruikt om bepaalde woorden in gezongen teksten te benadrukken. Ze zijn, betoogt Lousberg, afkomstig uit de Arabische muziek, waarin kwarttonen veelvuldig voorkomen.
Ook hier gaat het om een handschrift dat de weg wees. In dit verband een in 1846 ontdekt handschrift in Montpellier, waarin tekens te vinden zijn op plekken waar je volgens de Griekse muziektheorie alleen kwarttonen kunt zingen. Hoewel Jacques Froger (abdij van Solesmes) in 1978 dit probeerde te weerleggen, is inmiddels overtuigend aangetoond dat sommige, spaarzaam gebruikte tekens in oude handschriften wel degelijk op kwarttonen slaan. Lousberg deed dit aan de hand van zes handschriften.

Jammer is dat hij wél concludeert, dat de functie die deze tonen destijds hadden, nu niet meer bij het publiek over zouden komen. Zou er echt geen ensemble te vinden zijn die dit zou willen proberen? Waarbij het natuurlijk helemaal prachtig zou zijn, als dit in combinatie met het ontsluieren (om een term van Anton Wessels gedurende de eerste cursusochtend aan te halen) van de joodse oorsprong van het Gregoriaans gepaard zou gaan. Dan heb je een muzikale trialoog van formaat tussen jodendom-christendom-islam te pakken. Zou dat niet mooi zijn?
[Hier dachten sommige volgers op twitter anders over; in een paar dagen liep een handjevol weg …].

Umwertung aller Werte

Het is op deze blog, naar aanleiding van een beeld van de Vlaamse kunstenaar Johan Tahon aan de Landeskirche in Hannover, al eens eerder aan de orde geweest: de typologie van de blinde Synagoga.
Eerst uitgebeeld als een man, zoals Mozes, op een miniatuur in de bijbel van Moutier-Grandval (ca. 840). Hij staat voor Tenach en heeft een sluier voor de ogen, die wordt weggetrokken door één van de apostelen. Dat wil zeggen: hem is het heil nog verborgen en dat moet worden onthuld door de Ecclesia. Later werd het een vrouw, een dochter Sions, soms met niet alleen een blinddoek voor, maar ook nog eens met een kroon die van haar hoofd rolt, wetstafelen die uit haar handen vallen en een lans die is gebroken. Deze typologie gaat terug op de Bijbel: Klaagliederen 1:1 en 5:15-17. Dergelijke afbeeldingen of uitbeeldingen vinden we niet alleen in miniaturen en dergelijke, maar vooral als beelden aan de portalen van grote kathedralen: Straatsburg, Metz, Bamberg, Worms en andere.

Ik moest er weer aan denken, toen ik op de tentoonstelling The Institute of Ungoing Things in het Joods Historisch Museum (JHM) een werk van de Israëlische kunstenaar Uri Katzenstein (1951­–2018) zag. Katzenstein was beeldhouwer, performancekunstenaar, musicus, bouwer van geluidsmachines en filmmaker, en overleed helaas plotseling tijdens de laatste voorbereidingen van de expositie.
In het JHM staat, als onderdeel van de tentoonstelling, een vlaggendraagster als Umwertung aller Werte. Dat wil zeggen: de blinde Synagoga is, als een al dan niet bewuste referentie, onder handen van Katzenstein een trotse vlaggendraagster geworden, die – volgens de website en i-pads op de tentoonstelling, katzenstein.jck.nl (nr. 22) – ‘gespannen en alert op een voetstuk staat, dat speciaal voor haar is ontworpen.’ Het voetstuk doet denken aan de geometrische vormen van de toestellen die Katzenstein ontwierp (met name nr. 36) en die herinneringen oproepen aan kinderspeelgoed.
De tekst vervolgt: ‘Ze strekt één been achterwaarts om haar evenwicht te bewaren tijden de zware fysieke inspanning van het zwaaien van zelfbedachte vlaggen.’ Dat is een element dat overigens doet denken aan het standbeen uit de Griekse beeldhouwkunst, waar discuswerpers op die manier worden neergezet. De vlaggen doen denken aan de androgyne figuren (met name nr. 14) waarvan – ik citeer – ‘het onduidelijk is of de figuren zijn geschapen en adem is ingeblazen, of eerder een aftakelingsproces doorlopen en langzaam maar zeker instorten tot de dood erop volgt.’
De tekst bij nummer 22 vervolgt: ‘Ze kijkt omhoog, maar is geblinddoekt en communiceert dus met behulp van andere visuele middelen.’ Die blinddoek bestaat overigens uit een rode driehoek, die doet denken aan het symbool dat politieke gevangenen (zoals communisten, vrijmetselaars, verzetsstrijders) tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten dragen in de concentratie- en vernietigingskampen.
De conclusie op de website luidt: ‘De sculptuur kan worden gezien als een monument voor de vrouwen die in levensgevaarlijke omstandigheden moeten werken zonder ooit met de lauwerkrans van de overwinning of roem te worden getooid.’

Op deze manier is het kunstwerk van iets negatiefs (de blinde Synagoga) tot iets positiefs (een monument voor vrouwen) omgesmeed. Het omgekeerde komt bij Katzenstein echter ook voor: een gebedssnoer dat moslims gebruiken (misbaha) en is gemaakt uit verwrongen stukjes metaal (nr. 55-56), dat op die manier wil herinneren aan lijden en verlies. Of, wat genuanceerder, als een dubbelslag, goed en kwaad ineen gelijk de mens: Boedler is bijvoorbeeld ‘een door de kunstenaar bedachte samentrekking van Boeddha en Hitler. De sculptuur toont een superheld die is uitgedost met een semi-hitleriaanse, semi-chaplineske snor, gehuld in een jurk, verstijfd in de pirouette van een ballerina. Tel al deze elementen bij elkaar op en je krijgt de kunstenaar zelf.’ Of een beeldje van een als altijd dik gebuikte boeddhistische monnik, symbool van vriendelijkheid, waarop Katzenstein de haardracht en snor van Hitler schilderde. Of – tenslotte – een boksbeugel waarop aan de ene kant GOD staat en aan de andere kant DOG, het omgekeerde ervan. Zegen en vloek ineen.

Het is dan ook te eenvoudig om te willen zeggen dat Katzenstein met de oude man uit Shakespeare’s Macbeth wil zeggen: ‘God’s benison go with you, and with those that would make good of bad and friends of foes!’ Een adagium met Bijbelse proporties, van vloek die tot zegen verkeert als in het verhaal over de ezel van Bileam in Numeri. Maar het heeft er wel de schijn van. En dat stemt hoopvol, als iets om aan te werken zodat het werkelijkheid wordt.

 

De tentoonstelling is te zien t/m 24 februari 2019.
De afbeelding is ontleend aan genoemde website.

Camerabeelden vertellen ook het verhaal

Regisseur Kantemir Balagov (1991, Kabardië-Balkarië, Noord-Kaukasus ten westen van Tsjetsjenië), wiens debuutfilm Tesnota (dichtheid, strakheid, omhelzing die pijn doet) momenteel in de bioscoop is te zien, zegt in een interview met Gerhard Busch dat ‘elke beweging van de camera [de cameraman is de eveneens debuterende Artem Yemelyanov, EvS] iets over het verhaal moet vertellen, of kleur moet geven aan de emoties’. En dat doen ze in zijn film die werd geselecteerd voor het Internationaal Film Festival Rotterdam (IFFR) en in Cannes werd onderscheiden met de Fipresciprijs in Cannes. Sterker nog, de sequentie waarin sommige beelden net even anders terugkomen vertelt niet alleen iets over het verhaal en kleuren de emoties, maar vormen een verademing en doen te midden van de pijn die het verhaal doet een beroep op de ratio.

Het verhaal dat wordt verteld, speelt in 1998 en gaat over Ilana (zie foto), een opstandige dochter van een orthodox-joods gezin dat naast haar ouders nog bestaat uit haar broer die op het punt staat te trouwen. Ilana sleutelt in overall het liefst aan auto’s in de garage van haar vader (‘Is dit wat je je hele leven wilt doen?’) en heeft een geheime relatie met een Kabardische moslimjongen. Op een gegeven moment worden haar broer en zijn verloofde ontvoerd, wellicht door Tsetsjeense vrijheidsstrijders. Om het losgeld bij elkaar te krijgen, verkoopt haar vader de garage, staan haar ouders op het punt te verhuizen en willen ze Ilana uithuwelijken.

In een ander interview, met Hugo Emmerzael, zegt Balagov dat het hem ging ‘om Ilana’s claustrofobische ervaring’. De krappe shots (beeldformaat 4:3) spelen niet alleen binnenshuis, maar ook vaak in de krakkemikkige auto van vader. Dat nu wordt uitgedrukt in de beelden die het verhaal mede vertellen.
Het begint al met de adem van de broer die hij op de autoruit blaast en die direct daarna wordt herhaald in de op een zelfde manier omhoog kringelende sigarettenrook van Ilana, een prachtige rol van debutant Darya Zhovner. Op de autoramen zitten horizontale, vieze bruine vetvegen die het zicht belemmeren. Even verderop in de film zit Ilana op de noodtrap bij het huis van haar Kabardische vriend – het levert een soortgelijk, horizontaal beeld op maar nu met een andere lading. De beeldfrequentie zet zich door in Ilana’s haren die na het wassen en föhnen door haar moeder als een sluier voor haar ogen vallen, wat zich herhaalt in de voor haar ogen vallende haren van Rafa, de verlegen man aan wie haar ouders haar willen uithuwelijken.

Een laatste beeld dat veelzeggend is, is dat van Ilana die een fles drank aan haar mond zet, terwijl je op de achtergrond hoort dat iemand een sjofar (ramshoorn) aan de mond zet en er signalen op speelt. De klanken van de sjofar gaan over in housemuziek. De boodschap is duidelijk, al schrijft Balagov op het eind van de film: ‘Ik weet niet wat er hierna met deze mensen is gebeurd’. We mogen het als kijker zelf invullen.

De onzichtbare stem

In de laatste aflevering van de televisieserie Made in Europe (afgelopen zondag) waren beelden te zien van Dimitri Verhulst die in Boedapest sprak met de schrijver György Konrád. Naar aanleiding hiervan herplaats ik hier een boekbespreking van één van Konráds boeken, De onzichtbare stem, zoals die eerder in Quadraatschrft verscheen (juni 2001).

Nooit zal ik een studiedag over Tolerantie en ontmoeting in de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk (1992) vergeten. Rabbijn Awraham Soetendorp wijdde, ondanks het feestelijke thema, lang en breed uit over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. De toenmalige directeur van het Joods Historisch Museum, Judith Belinfante, merkte op dat hij nooit mocht vergeten wat er bijvoorbeeld in het Spanje van Alfonso el Sabio mogelijk was gebleken: het vredig samenleven, of op z’n minst naast elkaar leven, van joden, christenen en moslims. Twee meningen na(as) elkaar.

Het is György Konrád (zie foto) die in zijn essaybundel De onzichtbare stem eerst ook de kant van Soetendorp op lijkt te gaan: ‘De joodse geschiedenis’, schrijft hij, ‘bestaat louter uit herinneringen aan regelmatig terugkerende epidemieën van jodenvernietiging.’ Maar uiteindelijk vermag hij beide visies, van Soetendorp en Belinfante, te verbinden: ‘Een Duitser kan niet uitsluitend Goethe en Beethoven uit het Duitse verleden pikken (…). Een erfgoed aanvaarden betekent ook de bereidheid hebben om te lijden onder de herinnering.’ In die volgorde, wil je jood én als Hongaar (‘dubbele rampspoed’) kunnen leven – en omgekeerd: lijden onder de herinnering én vreugdevol zijn, wil het geweten van een zondaar brandend blijven. Enkele voorbeelden mogen verduidelijken hoe deze dubbelslag in het boek als totaliteit en in enkele van de twaalf essays in het bijzonder doorwerkt.

Spinoza
Konrád uit bijvoorbeeld eerst zijn bewondering voor Spinoza die hij – in tegenstelling tot Nederlandse Spinozakenners als Klever en Krop – als seculiere jood beschouwt. Dan werkt hij als in een dialoog met Spinoza een visie uit. En zelfs daarin zit een dubbelslag, van in dit geval lot en keuzevrijheid: ‘De mens is door zijn lot bestemd om te beslissen, om elke dag van zijn leven te beslissen over wat goed en slecht is.’ Uiteindelijk komt Konrád, net als Spinoza, uit bij de staat; Konrád houdt niet op te betogen dat de liberale democratie volgens hem de enige voor joden en Hongaren veilige staatsvorm is.

Koning David
Het tweede voorbeeld, van een geweten van een zondaar dat brandend blijft, treffen we aan in een essay onder de titel ‘Nader tot David.’ Daarin stelt Konrád dat het ‘niet mogelijk is om alles wat gebeurd is uit te wissen, we dragen het met ons mee al vieren we feest.’ David ‘is degeen die aan verzoekingen weerstand moet bieden en in zonde vervalt, hij is ook degeen die het boetekleed aantrekt en straf ondergaat, hij is verliefd en doet aan veelwijverij, hij is barmhartig en genadeloos.’

Auschwitz
In het essay over koning David gaat ook Konrád, net als Awraham Soetendorp, niet aan Auschwitz voorbij. ‘De mens draagt God met zich mee, maar kan zich er niet mee vereenzelvigen. Hij duwt Hem ver genoeg van zich af om een vurige intimiteit met Hem te vermijden. Maar Hij blijft in de buurt zodat men zich nergens zal kunnen verschuilen. Dit dubbele verstoppertje spelen duurt tot in eeuwigheid – soms is het Adam die zich voor de Heer verbergt, soms is het de Heer die zich verstopt, wellicht achter de rooksluiers die opstijgen uit het crematorium.’ Konrád schreef dit in 1997 en het klinkt meer overwogen dan wat hij bijna tien jaar eerder schreef over ‘de God die zelfs de zuigelingen in de gaskamers niet te hulp kwam.’

Europees
Konrád staat met deze mening niet in de traditie van een Elie Wiesel maar laat een eigen Midden-Europees geluid horen met – kenmerkend voor meer denkers uit Midden-Europa – een opvallend positieve houding ten aanzien van het Europese gedachtegoed. Ja, Konrád schrijft zelfs dat ‘het bijvoeglijk naamwoord “Europees” een sympathieke en reële betekenis begint te krijgen.’
Iedereen die zich hiermee en met de dialoog jodendom-christendom verbonden weet zou, zonder dat hij/zij uiteraard met alles hoeft in te stemmen, van zijn indrukwekkende essays kennis moeten nemen.

 

György Konrád – De onzichtbare stem. Essays. Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2001 (ISBN 90 5515 257 9).

 

Geweldloosheid als gedeeld doel

Fouad LarouiAnton Wessels

Afgelopen seizoen heb ik de cursus Apolyptiek in de Koran van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) gevolgd. De inleider was Anton Wessels (zie foto rechts), van wie in dezelfde tijd het boek ’t Is een vreemdeling zeker werd gepubliceerd. De avond Historische oorzaken chaos Midden-Oosten: imperialisme of Arabische verdeeldheid? die gisteravond in de Openbare Bibliotheek Amsterdam in samenwerking met De Wereld Academie werd georganiseerd, leek me een mooie aanvulling hierop. Behalve dat de verschillende inleidingen (door Jielis van Baalen, Fouad Laroui en Carolien Roelants) een beetje koekoek eenzang waren, klopte dit achteraf wel.

Fouad Laroui (foto links) had het op het slot van zijn lezing over het narratief van Israël. De Israëliërs vieren de geboorte van de staat, de Palestijnen treuren erover. Die twee uitingen zou je naast elkaar moeten kunnen laten staan, en – aldus Laroui – optillen ‘naar een algemeen verhaal.’

Thuisgekomen moest ik denken aan de inleiding van Anton Wessels op 12 maart van dit jaar. En aan het artikel dat Nadine Huiskes in De Linker Wang (maart 2016) over hem schreef, en dat hij rond liet gaan. Ik noteerde: ‘Hoop, vertrouwen en een gedeeld doel zijn volgens Wessels belangrijk voor het slagen van de dialoog.’

Even eerder had Wessels het over geweldloosheid gehad. Zou dat het algemene verhaal, het gedeelde doel zijn waar we naar moeten streven? En dan vat ik geweld op in de ruime betekenis van het woord. Ook het kleineren van moslims, dat als koekoek eenzang in de drie lezingen terugkwam. Of, zoals ik las op de website http://www.universele-beschaving.nl/Universele_beschaving__definit/body_universele_beschaving__definit.html: ‘Met geweld wordt over het algemeen de gewelddadige agressie bedoeld die voortkomt uit egocentrisme, onbewustheid, frustratie en respectloosheid.
Respectloosheid uit het ontbreken van het fundamentele besef dat de andere mens wezenlijk is als wijzelf; uit het ontbreken van empathie.’

Laroui verontschuldigde zich haast voor wat hij noemde een misschien wat naïeve opvatting. Maar voor mij was het een antwoord op een niet gestelde vraag – een antwoord waar we mee aan de slag moeten kunnen. Want dat gaat boven dialoog uit.

Oude feestdagen nieuw

Hagia SophiaIn het boek De stad aan de rand van de hemel van Elif Shafak (uitg. De Geus) dat ik momenteel lees/recenseer, staat een verhaal over de Turkse architect Sinan en diens Indische leerjongen Jahan (p. 335 e.v.). Sinan krijgt van de sultan de opdracht om de Hagia Sophia (zie afb.) in Istanbul te vergroten. Daarvoor moeten de omringende huizen worden gesloopt. Sinan begreep dat ‘zijn meester de keuze moest maken tussen de mensen en het gebouw, en hij duidelijk voor het laatste had gekozen.’

Het verhaal doet denken aan dat van de Walburgiskerk in Zutphen. Tijdens een rondleiding daar hoorde ik jaren geleden dat het koor van de kerk een knik maakt, omdat het treurt.
Tijdens een cursus kunstgeschiedenis leerde ik, jaren later, dat die knik erin zit, omdat de bouwheren de omringende huizen moesten c.q. wilden laten staan. Een geestelijke reden tegenover een seculiere dus.

Soms staan ze niet tegenover elkaar, maar in elkaars verlengde. Het joodse Pesach is bijvoorbeeld van oorsprong een oogstfeest, maar werd later de viering van de uittocht uit Egypte. Toch klinkt de oorsprong in de huidige viering van bijvoorbeeld een ander feest, Sjavoeot (Wekenfeest, Pinksteren) nog door: in het loslaten van een jonge duif en het binnen dragen van pas geboren baby’s, zoals ik in een kibboets in Israël meemaakte.
Dit maakt dat het voor seculiere mensen mogelijk ook iets van het feest mee te beleven.

Iets soortgelijks kan opgaan in de discussie over religieuze feestdagen en het ‘afstaan’ van de tweede dag (Tweede Paasdag en Pinksterdag bijvoorbeeld) voor een feest van een ander geloof. Seculiere mensen en christenen kunnen zo Ramadan, dat nu op de kalender staat (18 juni t/m 17 juli) meebeleven wanneer aan het vasten de inhoud wordt gegeven die moslims er ook deels aan geven: verbondenheid met arme en hongerige mensen op de hele wereld.

Ook valt te denken aan het gezamenlijk vieren van nieuwe feesten, zoals Keti Koti, een Surinaams begrip (= Verbroken Ketenen) dat de afschaffing van de slavernij symboliseert, op 1 juli 1863 in de toenmalige koloniën Suriname en de Nederlandse Antillen.

Zowel de oprichting van het instituut NiNsee, het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis, als de oprichting van herdenkingsmonumenten, waaronder het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark, zijn directe resultaten van deze inspanningen.

De rabbijn Lody van der Kamp, de predikant Herman Koetsveld en de humanistische moslim Enis Odaci hebben iets soortgelijks voorgesteld, namelijk ruil Tweede Paasdag in voor het joodse Jom Kippoer (Grote Verzoendag), en Tweede Pinksterdag voor het islamitische Suikerfeest. ‘Dat is’, zeggen zei (in: Trouw, 4 juni 2015) ‘een prachtige verbreding van de symboliek van het leven.’ Mijn zegen hebben ze.

Wolken, lucht en wind

John Constable_wolkenstudieHet weer in het werk van Shakespeare, wiens geboortedag we vandaag vieren, is onderzoek van studie. Ongetwijfeld zal dat ook gelden voor het weer in de Bijbel – zeker de wolk is een interessant aspect .

Het Bijbelse beeld van God die bijvoorbeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog schuil ging achter een wolk is mij liever dan wat ik afgelopen week tijdens een leerhuis over het slot van het eerste hoofdstuk uit Hoofdsom der historie van K.H. Miskotte hoorde: God die als de tronende schuil gaat achter Christus die de geschiedenis maakt. Een stelligheid als ‘de tijd, onze tijd is overtroffen, ingehaald, opgenomen, aangenomen door Christus’ staat een gesprek, een dialoog met de joden en een trialoog met joden en moslims in de weg.

Ik moet denken aan de wolken die kunstenaar Berndnaut Smilde met een mistmachine in musea maakt. Ze blijven even hangen en lossen dan weer in de ruimte op. Of aan een liedtekst van Sytze de Vries, over een wolk gebeden van hen die ons voorgingen die in de ruimte van een kerk hangt (Tussentijds I). En zelfs, associatief, aan het ventilatiesysteem in het Fridericianum in Kassel dat op de benedenverdieping een sterke bries veroorzaakte die niemand ontging. Het was een installatie van de Britse kunstenaar Ryan Gander tijdens de dOCUMENTA (13). Een editie van de dOCUMENTA waarin de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog zichtbaar en voelbaar aanwezig was.

Het zijn allemaal overwegingen die ik al mijmerend bedacht, staande voor één van de twee wolkenstudies van John Constable (zie afb., ca. 1822). Deze hangen momenteel op de tentoonstelling met werken uit de Frick Collection (New York) het Haagse Mauritshuis.

God die schuil gaat achter een wolk, een wolk die oplost, een wolk gebeden en het Sjema als laatste woorden op de lippen, op de asem van de kou van joden die op het punt stonden vermoord te worden in het Duitsland van voor de dOCUMENTA, die er in 2012 de herinnering aan levend hield. Op het perron van het station weerklonken bijvoorbeeld teksten ingebed in de Studie für Streichorchester van Susan Philipsz, een bewerking van een stuk van de Tsjechische componist Pavel Haas. Op de plek waar de deportaties vertrokken. De stoom uit de locomotief hangt er nog.

 

Volgend seizoen wordt verder gelezen uit de Hoofdsom der historie van K.H. Miskotte.
Zie: http://www.leerhuisamsterdam.eu