Het Koninkrijk Gods

Bij uitgeverij Aspekt verscheen het boek De Grande Finale van Anton Wessels, over de Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran. Dit boek is gebaseerd, oftewel een uitwerking van een cursus die de theoloog Wessels in 2018 gaf voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Ik woonde deze cursus bij en heb er aantekeningen van gemaakt. De aantekeningen van één ochtend, 17 november 2018, de tweede over ‘Wie zeggen de joden, christenen en moslims dat ik ben?’, heb ik hieronder als blog uitgewerkt.

De eerste keer, op 3 november 2018, had Wessels het Evangelie van Marcus als uitgangspunt genomen; het is het enige evangelie dat de Koran ook als zodanig erkent. Eén van de bronnen die Wessels benoemde, is het boek Marcus als tegenevangelie van Egbert Rooze (uitg. Halewijn, 2012).
Twee weken later vervolgde Wessels zijn betoog met Marcus 8, dat begint met de notie van de Mensenzoon. Jezus is huiverig voor de titel ‘Messias’, want dat zou tegen Rome en Pilatus ingaan.[1] Mensen-zoon geeft een verhouding weer: die tussen mens en Zoon.

Deze notie dien je in de context van het Oudtestamentische boek Daniël te plaatsen, waar dit woord ook belangrijk is (Daniël 7:13). De Willibrordvertaling is in dit verband belangrijk. De Mensenzoon vertegenwoordigt de menselijke heerschappij ten opzichte van alle dieren die worden genoemd. De vier grote dieren zijn de vier koninkrijken die de aarde zullen beheersen (vs. 17).

Het Koninkrijk Gods is met kracht gekomen, lezen we in Marcus 9:1. Het zijn de zachte krachten die zullen winnen. Het is geen spektakelstuk. Maar wat dan wel?
Het Koninkrijk is gekomen met de dood van Jezus aan het kruis (verleden tijd!). Dat is een onthullend, openbarend moment en een appèl om Hem te volgen, het kruis op te nemen en anderen te redden.

Dit is een herverstaan, of een opnieuw verstaan van het Evangelie en de Koran. De komst van het Koninkrijk zet zich door op een niet-gewelddadige manier. Het proces gaat verder in de Koran, zoals Kronieken Koningen opnieuw probeert te lezen.
Het kernverhaal blijft echter Exodus, het op weg gaan naar een nieuwe aarde. Dan kunnen joden, christenen en moslims samen Pasen vieren.

Het zijn de teksten van Henriëtte Roland Holst (over de zachte krachten), het zijn liederen (van Mozes en Mirjam) en de poëzie van een Willem Barnard (‘Een mens te zijn op aarde’) die ons helpen de Schriften te verstaan: Tenach, Evangelie en Koran.

Anton Wessels: De Grande Finale
De Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran
Uitgerij Aspekt
ISBN 9789463388924
Prijs: € 35,–

 

Met dank aan Anne-Marie Visser die mij op deze uitgave attent maakte.

[1] Iets soortgelijks vertelde ds. Paula de Jong tijdens een Bijbelkring in de Nieuwendammerkerk te Amsterdam: zinsneden als ‘Zie, dat gij niemand iets zegt’ (Marcus 1:44) en: ‘En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken’ (Marcus 3:12) hebben ook met onder andere angst voor de Romeinen te maken.

 

Drieluik – Water uit de rots

1.
’s Ochtends een kerkdienst vanuit de Bethelkerk in Tuindorp-Oostzaan via kerkdienstgemist.nl. Met als thema Mozes die water slaat uit de rots (Exodus 17:1-7). Voor de kinderen met fantasie uitgelegd als – in mijn woorden –: het water stroomde vanaf de Horeb naar beneden en daar zat een grote kurk in de rots. Mozes sloeg erop en plop, de kurk sprong eruit en de Israëlieten hadden water, waar tot nu toe alleen de Amalekieten zich laafden. En voor de grote mensen: de Horeb is de berg vanwaar ons ‘hulplijntjes’ (de Tien Geboden) waren aangereikt. Mozes sloeg op het harde gesteente en dat werd vloeibaar: er kwam water uit!
Ik onthield van de toepassing ervan op ons leven gedurende de coronacrisis twee dingen: creativiteit, dat is onze vrijheid ten tijde van de lockdown, en vloeibaarheid als zijnde iets moois. ‘De componist in mij wordt helemaal wakker’, zei  Merlijn Twaalfhoven ’s middags in de uitzending van Mondo. Als levenshouding, vulde Marjolein van Heemstra aan.

2.
Dat vloeiende deed mij denken aan de filosofie van de socioloog/filosoof Zygmunt Bauman (1925-2017); ds. Trinus Hibma verstaat niet alleen de kunst moeilijke dingen, soms met wat fantasie, op begrijpelijke wijze te verklaren, maar er altijd een diepere laag in aan te brengen. Voor de goede verstaander.
Bauman had het in zijn werk over een ‘vloeibare moderniteit’. Omdat het onmogelijk is grip te hebben op iets wat vloeibaar is, proberen we ons vast te klampen aan datgene wat we wél kunnen beïnvloeden. Ook onze identiteit is vloeibaar geworden, aldus Bauman. Dat heeft voor- en nadelen. Terwijl de Pools-Amerikaanse denker vooral de nadelen benoemde (vergankelijke relaties bijvoorbeeld), zag Hibma er vooral de mooie kanten van.

3.
De opvoering uit 2017 van Twelfth Night (1601) van William Shakespeare die het National Theatre gedurende een week vrijgaf, voerde mij ’s middags verder op dit pad. Want als er één stuk is waarin fantasie, creativiteit (spontaneïteit, muziek!) en vloeibaarheid (vooral genderfluïditeit) een grote rol spelen, dan is het wel Twelfth Night (Driekoningenavond). Zeker in deze opvoering die meer de vrolijke kanten van de komedie dan de poëzie benadrukte; een komedie is bij Shakespeare eigenlijk nooit louter en alleen leut. In deze opvoering speelde muziek een zeer grote rol, zoals Shakespeare het overigens ook bedoelde. Er klonken jazzy-achtige klanken, dance, upbeat, close harmony en ga zo maar door. Een beetje de muziek die zowel een liberale- als jonge achterban aan zal spreken, en voor hen leek de enscenering ook primair bedoeld, al heb ik er ook van genoten.
Speelde Shakespeare al met gender (jonge vrouwenrollen die door mannen worden gespeeld), het National Theatre zette dit nog eens extra aan; Fabio (een dienaar) was Fabia geworden en Malvolio (een hofmeester) Malvolia (foto). Vooral Tamsin Greig, die de laatste rol speelde, stal de show. Zij was misschien de enige die ook de wat melancholieke kanten van de rol naar boven haalde, terwijl de komische aspecten bij haar mij soms aan Hyacinth Bucket uit Keeping up appearances deden denken.

Welke accolade zet ik nu om deze drie ervaringen? Misschien dat alles niet zo massief als een rots is: de Tien Geboden zijn ‘hulplijntjes’, moderniteit is vloeibaar en niet in steen gehouwen, een toneelstuk uit 1601 mag je fantasievol, creatief en met fluïde personages op de planken zetten. Opdat iedereen, ongeacht nationaliteit, huidskleur, seksuele geaardheid enz. zich aan het water uit de rots kan laven. Niet alleen ‘juist nu’, maar overal en altijd.

 

Met dank aan Brian André, die mij op de opvoering van het National Theatre attent maakte.

Wanneer de sjofar klinkt

Naar aanleiding van het overlijden van de cultuurfilosoof en schrijver George Steiner,
3 februari jl., plaats ik hier een oorspronkelijk voor
Quadraatschrift (maart 2004) geschreven column in een iets verkorte en aangepaste vorm. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

De laatste zin van Ludwig Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus luidt: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen’. George Steiner heeft de filosoof na het verschijnen van zijn boek geantwoord, dat er altijd een joods alternatief is geweest: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zingen’. Waarmee hij stond in de traditie van het chassidisme, de joodse mystiek die aan muziek (mét maar ook zonder woorden, zoals de nigun) altijd een grote rol toekent.

Of, en hoe, Wittgenstein op Steiners antwoord heeft gereageerd, weet ik niet. Maar een vondst door Michael Nedo, directeur van het Wittgenstein Instituut, vormt wellicht ‘het’ antwoord, neergekrabbeld op een notitieblok: vier maten muziek van Wittgenstein zelf. De componist Anthony Powers heeft die onderhavige maten met als aanduiding Leidenschaftlich beschreven als: ‘Het is de voortzetting van een onvolledige zin, alsof hij was begonnen iets te zeggen, maar niet de woorden vond om het te beëindigen en zich tot muziek wendde’. Inderdaad – waarover men niet kan spreken, moet men zingen of van spelen.

Ook in de opera Moses und Aaron van Arnold Schönberg (zie afb. rechts) neemt de muziek het over als de stem verstikt.[1] Het orkest houdt dan op met spelen, op de violen na die unisono (eenstemmig), als symbool van het Sjema Israël (Deut. 6:4), de eenheid weergeven: ‘Een erkenning (zoals wij die ook vinden bij Kafka, Broch, Adamov) van het feit dat woorden falen’, aldus Steiner.

Volgens sommigen is in den beginne (in principe) het Woord (Joh. 1:1). Daarin meldt zich Eén die ons beweegt en in beweging zet. Woord – gesproken of gezongen, of alleen in het hart wanneer het instrumentaal wordt gespeeld – en daad vormen vanaf dat moment een eenheid (dabar), net als ethiek en esthetiek, gevoel en ratio, lichaam en geest. Want wat deze polen bij uitstek op een heilzame manier bij elkaar brengt, is fiducie in de toekomst.

Als de trompet, de sjofar, in Beethovens derde Leonore-ouverture, die van achter het toneel een glimp van Gods Koninkrijk laat horen en zegt/zingt/speelt dat waar het – om Spinoza te citeren – werkelijk om gaat vrijheid is.

 

[1] Zie ook mijn blog Muziek als betekeniscode (13 oktober 2015): https://elsvanswol.nl/muziek-als-betekeniscode/

Lees verder over George Steiner: https://www.filosofie.nl/nl/artikel/30041/george-steiner-ook-ik-kan-niet-zonder-hoop.html?utm_source=redactioneel&utm_medium=email&utm_campaign=redactioneel-05-02-2020

En/Of

In de bundel Verborgen tuinen van Anneke Brassinga staan prachtige gedichten, strofes, zinnen, beelden en gedachten. Teveel om op te noemen. Ik pak er een, kort gedicht uit onder het mom: kopen, dat boek!

Het gaat om ‘Wat ze zei’:

‘Zullen jullie me kunnen horen,’ vroeg ze
en zei: ‘Ik zal er altijd zijn’, alsof na de dood
de dood niet meer bestaan kon, alsof

na haar leven ons leven het bootje was
waaronder zij meezwom, bij klaarlichte dag
klinkend als golfslag en des nachts lieflijk

in slaap ze zich zong als de meermin die ons,
blind van tranen, verlokte voort te varen;
o mogen we zo haar blijvend horen ongezien.

De ‘ze’ uit de eerste regel zou een moederfiguur kunnen zijn, of God; daar geeft de tweede regel ook aanleiding toe: ‘Ik zal er altijd zijn’ doet denken aan het tetragram JHWH (Ik ben die ik ben; Ik zal er zijn). Na de dood bestaat de dood niet meer, zoals je levend niet dood kunt zijn en dood niet levend.

Het bootje uit de tweede strofe doet denken aan de Ark van Noach, of – als een Bijbels beeld ook hier niet gewenst zou zijn –, het bootje waarmee Charon de schimmen van overlevenden de Styx overzette. De ark is als een doodskist, net als het biezen mandje van Mozes in de Nijl, waarin de overlevenden de dood (gesymboliseerd door het water) overwonnen. God gaat met ze, niet als een vuurkolom of een wolk vooruit, maar als een dragende grond eronder, als in de zegen van St. Patrick: ‘De Heer zal onder je zijn, zodat je nooit ten onder kunt gaan’.

De ‘ze’ zingt zichzelf volgens de laatste strofe in slaap als een meermin, een sirene die met haar zang schippers op de klippen lonkte, maar deze meermin verlokte het tegenovergestelde: voort te varen. Het kwade heeft zich ten goede gekeerd.

Het slot van het gedicht is als een bede:

o mogen we haar zo blijvend horen ongezien.

De moeder/God  is niet te zien, wel te ervaren (blijvend horen ongezien) , naar de joodse bede (geloofsbelijdenis, wordt het ook wel genoemd) ‘Hoor, Israël!’. Dat wil zeggen: hoor niet alleen naar Hem/Haar, maar ga ook in Zijn/Haar voetsporen, in het kielzog van de boot.

Alfred Schaffer schreef in zijn recensie van deze dichtbundel voor de Groene Amsterdammer (18 april 2019), dat sommige gedichten ‘bijna gebeden lijken, licht ontredderd en ontdaan als ze zijn. Gebeden vol ongeloof’. Of dat laatste helemaal waar is, waag ik te betwijfelen. Voor mij is het niet of geloof of ongeloof, maar eerder een tweeluik waarin mythen uit de oudheid (de meermin) samengaan met Bijbelse beelden. En ja: je mag het vast ook anders lezen. Maar je moet ze écht lezen, zou ik zeggen.

 

Verborgen tuinen
Anneke Brassinga
Gedichten
De Bezige Bij Amsterdam, 2019
ISBN 978 94 031 3630 1
€ 19,99

Umwertung aller Werte

Het is op deze blog, naar aanleiding van een beeld van de Vlaamse kunstenaar Johan Tahon aan de Landeskirche in Hannover, al eens eerder aan de orde geweest: de typologie van de blinde Synagoga.
Eerst uitgebeeld als een man, zoals Mozes, op een miniatuur in de bijbel van Moutier-Grandval (ca. 840). Hij staat voor Tenach en heeft een sluier voor de ogen, die wordt weggetrokken door één van de apostelen. Dat wil zeggen: hem is het heil nog verborgen en dat moet worden onthuld door de Ecclesia. Later werd het een vrouw, een dochter Sions, soms met niet alleen een blinddoek voor, maar ook nog eens met een kroon die van haar hoofd rolt, wetstafelen die uit haar handen vallen en een lans die is gebroken. Deze typologie gaat terug op de Bijbel: Klaagliederen 1:1 en 5:15-17. Dergelijke afbeeldingen of uitbeeldingen vinden we niet alleen in miniaturen en dergelijke, maar vooral als beelden aan de portalen van grote kathedralen: Straatsburg, Metz, Bamberg, Worms en andere.

Ik moest er weer aan denken, toen ik op de tentoonstelling The Institute of Ungoing Things in het Joods Historisch Museum (JHM) een werk van de Israëlische kunstenaar Uri Katzenstein (1951­–2018) zag. Katzenstein was beeldhouwer, performancekunstenaar, musicus, bouwer van geluidsmachines en filmmaker, en overleed helaas plotseling tijdens de laatste voorbereidingen van de expositie.
In het JHM staat, als onderdeel van de tentoonstelling, een vlaggendraagster als Umwertung aller Werte. Dat wil zeggen: de blinde Synagoga is, als een al dan niet bewuste referentie, onder handen van Katzenstein een trotse vlaggendraagster geworden, die – volgens de website en i-pads op de tentoonstelling, katzenstein.jck.nl (nr. 22) – ‘gespannen en alert op een voetstuk staat, dat speciaal voor haar is ontworpen.’ Het voetstuk doet denken aan de geometrische vormen van de toestellen die Katzenstein ontwierp (met name nr. 36) en die herinneringen oproepen aan kinderspeelgoed.
De tekst vervolgt: ‘Ze strekt één been achterwaarts om haar evenwicht te bewaren tijden de zware fysieke inspanning van het zwaaien van zelfbedachte vlaggen.’ Dat is een element dat overigens doet denken aan het standbeen uit de Griekse beeldhouwkunst, waar discuswerpers op die manier worden neergezet. De vlaggen doen denken aan de androgyne figuren (met name nr. 14) waarvan – ik citeer – ‘het onduidelijk is of de figuren zijn geschapen en adem is ingeblazen, of eerder een aftakelingsproces doorlopen en langzaam maar zeker instorten tot de dood erop volgt.’
De tekst bij nummer 22 vervolgt: ‘Ze kijkt omhoog, maar is geblinddoekt en communiceert dus met behulp van andere visuele middelen.’ Die blinddoek bestaat overigens uit een rode driehoek, die doet denken aan het symbool dat politieke gevangenen (zoals communisten, vrijmetselaars, verzetsstrijders) tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten dragen in de concentratie- en vernietigingskampen.
De conclusie op de website luidt: ‘De sculptuur kan worden gezien als een monument voor de vrouwen die in levensgevaarlijke omstandigheden moeten werken zonder ooit met de lauwerkrans van de overwinning of roem te worden getooid.’

Op deze manier is het kunstwerk van iets negatiefs (de blinde Synagoga) tot iets positiefs (een monument voor vrouwen) omgesmeed. Het omgekeerde komt bij Katzenstein echter ook voor: een gebedssnoer dat moslims gebruiken (misbaha) en is gemaakt uit verwrongen stukjes metaal (nr. 55-56), dat op die manier wil herinneren aan lijden en verlies. Of, wat genuanceerder, als een dubbelslag, goed en kwaad ineen gelijk de mens: Boedler is bijvoorbeeld ‘een door de kunstenaar bedachte samentrekking van Boeddha en Hitler. De sculptuur toont een superheld die is uitgedost met een semi-hitleriaanse, semi-chaplineske snor, gehuld in een jurk, verstijfd in de pirouette van een ballerina. Tel al deze elementen bij elkaar op en je krijgt de kunstenaar zelf.’ Of een beeldje van een als altijd dik gebuikte boeddhistische monnik, symbool van vriendelijkheid, waarop Katzenstein de haardracht en snor van Hitler schilderde. Of – tenslotte – een boksbeugel waarop aan de ene kant GOD staat en aan de andere kant DOG, het omgekeerde ervan. Zegen en vloek ineen.

Het is dan ook te eenvoudig om te willen zeggen dat Katzenstein met de oude man uit Shakespeare’s Macbeth wil zeggen: ‘God’s benison go with you, and with those that would make good of bad and friends of foes!’ Een adagium met Bijbelse proporties, van vloek die tot zegen verkeert als in het verhaal over de ezel van Bileam in Numeri. Maar het heeft er wel de schijn van. En dat stemt hoopvol, als iets om aan te werken zodat het werkelijkheid wordt.

 

De tentoonstelling is te zien t/m 24 februari 2019.
De afbeelding is ontleend aan genoemde website.

Aangeraakt door het Europese verhaal

Onder, bij de deur links: The Curse of Spinoza, helemaal links boven het beeld (Piëta): Spinoza mirrored in the Eyes of God (foto Peter Tijhuis)

Midden in de tentoonstelling Giacometti-Chadwick, facing fear is, na het vroege werk van beide kunstenaars op de begane grond en nog twee verdiepingen met later werk te gaan, wat Ralph Keuning, directeur van Museum De Fundatie in Zwolle ‘een kapel’ noemt ingericht. Saxofonist Yuri Honing (1965) en beeldend kunstenaar Mariecke van der Linden (1973) maakten samen een Gesamtkunstwerk onder het mom ‘Homo homini lupus’ (de mens is een wolf voor zijn medemens). ‘Ze zijn net als ik’, vervolgt Keuning desgevraagd, ‘aangeraakt door het Europese verhaal’.

Spinoza
Het is de filosoof Spinoza die in deze zaal een paar keer voorkomt op de schilderingen van Van der Linden en in een sculptuur van Honing, van wie ook de muziek is die klinkt (van de cd Goldbrun). Deze sculptuur wordt in de begeleidende flyer bij de tentoonstelling omschreven als ‘een manshoge piëta, met Spinoza als Maria en het onthoofde lichaam van Marie-Antoinette als Jezus’. Je herkent Marie-Antoinette van een schildering op de muur en de piëta is het spiegelbeeld van een kleine piëta, die hangt naast het intrigerende Spinoza mirrored in the Eyes of God, hoog op een muur.

Marie-Antoinette komt straks terug, eerst die intrigerende schildering. Je ziet Spinoza op de rug. Zijn lange haar valt over zijn zwarte kleding. Hij staat in een ijzig landschap, dat ook elders opduikt. Op de rug – zag Mozes God niet op de rug? Zodat – zegt de joodse uitleg – hij niet verteerd werd door het licht dat van Zijn gelaat straalt én opdat Hij hem kan volgen. Hier zijn de rollen omgekeerd. God (en de museumbezoeker) ziet Spinoza die van Hem wegloopt. Zijn gezicht is onzichtbaar.

Ook in een andere schildering, The Curse of Spinoza, kijkt de filosoof van de beschouwer weg. Hij heeft ‘the hat of shame’ op, zoals het in de flyer wordt genoemd, ‘used during the Spanish Inquisitio of Jews, for whom his father fled’. De hoed straalt enerzijds licht uit en doet anderzijds meer denken aan het hoofddeksel van Inquisiteur I (1964) van Chadwick, die te zien is in de zaal tegenover de expositie van Honing/Van der Linden.

Franse Revolutie
Bij de poging om de betekenis van een en ander af te pellen, schiet een regel uit Nelleke Noordervliets recente essay Door met de strijd te binnen. Zij schrijft dat bij opstanden ‘de rede en het geweten het eerst buiten werking worden gesteld’. Daar zit Spinoza dan, de man van de rede met de veel later levende Marie-Antoinette op schoot, de tijdens de Franse Revolutie onthoofde koningin. Hét symbool voor decadentie en macht, die in de negentiende eeuw eerder als een held en een heilige werd gezien.

De laatste zinnen van Noordervliets essay luiden: ‘Bij alle opstanden slingert de pendel van macht naar tegenmacht, tussen actie en reactie, van vrijheid naar onderdrukking, van leven naar dood’. In die zin past de zaal in het hart van de expositie met werk van Giacometti en Chadwick. In de mooie catalogus bij deze tentoonstelling wordt een uitspraak van Sartre over Giacometti geciteerd: ‘We lijken tegenover de vleesloze martelaren van Buchenwald te staan. Maar een tel later denken we er heel anders over: deze fijne en ranke wezens stijgen op naar de hemel. Het is ineens net alsof we op een groep hemelvaarders zijn gestuit’. Dit geeft de beelden ook hoop en kracht, zoals die af en toe ook in de schilderingen van Van der Linden naar voren komt.

Verlichtingsdenken
Zo is het ook met het Verlichtingsdenken waarvan Spinoza al dan niet te recht als de vader (bij Honing moeder) wordt beschouwd: volgens de een de bron van het moderne Westerse denken (Jonathan Israel over Spinoza), voor de ander de bron van ‘fascistisch denken’ (Victor Kal over Spinoza) of ‘fascistoïde of totalitair’ denken (Wim Klever over Spinoza).
Dan is de donkere man die op de rug wordt gezien niet iemand om na te volgen, dan is de lichtgevende jodenhoed er een die verblindt en Marie-Antoinette het slachtoffer van wat Noordervliet omschrijft: macht.
Het is een somber beeld dat beklijft. Maar er resten nog twee verdiepingen Giacometti en Chadwick, met op de bovenste verdieping, in de koepel, hoop en humor. Hoop is overigens geen emotie die Spinoza, en Sartre, kenden, want ‘vrijheid ligt in het doen van het goede’, zoals de filosofe Alicja Gescinska eens schreef. Dat is een troost.

Yuri Honing & Mariecke van der Linden: Goldbrun.
Museum De Fundatie, Zwolle, t/m 6 januari 2019.
http://www.museumfundatie.nl

Drieluik

Gisteren stond in dagblad Trouw een mooie blog van Nico de Fijter over een kunstwerk in Münster. Boven een deur van de St. Paulus Dom (foto links) stond in neonlicht ‘een rijtje sierlijke, witte letters’. Er stond: As-salamu alaikum (Vrede zij met u) – ‘een islamitische tekst boven de toegang tot een christelijke kerk’. Even verderop stond boven het LWL-Museum für Kunst und Kultur, recht tegenover de Dom waarnaast  ik verleden jaar samen met een vriendin op een terrasje een kop koffie dronk, ‘Wege zum Frieden’  boven de ingang. En nog weer verder stond de Hebreeuwse versie van deze wens (Shalom aleichem) boven de deur van de Marokkaanse Attawba Moskee.
Het bleek om een project te gaan van de Duitse kunstenaar Fridolin Mestwerdt, die er de ‘wederzijdse waardering en erkenning tussen de drie Abrahamitische godsdiensten’ mee tot uitdrukking wilde brengen.

Ik moest opeens denken aan de drie dozen of kistjes die figureren in Shakespeare’s De koopman van Venetië. Bassanio moet eruit kiezen, wil hij met Portia mogen trouwen. De drie doosjes hebben tot veel interpretaties aanleiding gegeven, maar ik kon voor dit moment in het gouden, zilveren en loden doosje niets anders zien dan het jodendom, het christendom en de islam – de boom, de stam, de takken, en de blaadjes en de bloemen, zoals rabbijn Marianne van Praag ze noemde in de tweede van een serie televisie-uitzendingen onder de titel ‘Kijken in de ziel’ van Coen Verbraak.

Dominee Han Dijk had het in de kerkdienst waar ik vanmorgen was, over drie sleutels om het geheim van Marcus 6:45-52 open te kunnen maken; we moeten Jezus (en God, en Mohammed) volgens hem juist niet in een doosje willen doen, niet willen opsluiten. Maar we moeten wél door een deur de teksten binnengaan.
Hij zag in de onderhavige Evangelietekst drie sleutelmomenten:

  1. Jezus wilde de discipelen voorbij gaan (vs. 48) – zoals God aan Mozes voor(bij) ging, die Hem op de rug zag en volgde.
  2. ‘Ik ben het’, riep Jezus (vs. 51) en daarin weerklinkt de Naam van God: Ik ben die Ik ben.
  3. ‘En zij waren innerlijk bovenmate ontsteld’ (vs. 52) is de derde en laatste sleutel.

Drie wijzen van geloven, drie kistjes, drie sleutels – dat is wat geloof (jodendom, christendom en islam), kunst (in Münster) en toneel (Shakespeare) ons brengen. Of zoals we met een kinderlied (Lied 218 uit het Liedboek) zongen:

Dank U voor vrienden en voor vreemden
die ik tegenkom.

In memoriam Nico ter Linden

Op de dag dat predikant en schrijver – zoals hij in de rouwadvertentie in Trouw wordt omschreven – Nico ter Linden op 81-jarige leeftijd na een ziekbed overleed, memoreerde ds. Fokkelien Oosterwijk tijdens een cantatedienst in ‘zijn’ oude Wester, – waar hij bijna twintig jaar ‘stond’ (1977-1995) – dat ze verbijsterd was toen enkele catechisanten niets van de betekenis van water in de Bijbel wisten. Want, zei ze, dat hadden haar voorganger en zij toch zó vaak verteld: het staat voor de dood. En daarom deed ze het nog eens. Niet als een in memoriam, want we wisten toen nog niets van diens overlijden. Mooi, omdat – hoewel ze zijn naam niet noemde – bekend is dat Ter Linden niet zo blij was toen zij hem opvolgde.

Thuis las mijn vader uit de serie Het verhaal gaat, de Bijbelverhalen opnieuw vertelt door Nico van der Linden. Hij deed dat zo aanstekelijk, dat zijn buurvrouw, die rooms-katholiek was, erdoor werd aangestoken en de zes delen ook aanschafte. Niet dat ze er nu geloof ik samen veel over hebben gepraat, maar toch. Er was kritiek op deze delen, zeker, maar dat trok Ter Linden zich aan. Die kritiek betrof het feit dat hij voor zijn hervertelling van de Oudtestamentische verhalen zijn oor niet te luisteren had gelegd bij de rabbijnen. Vanaf dat moment ging hij dat wel doen en dat kwam hem, en de lezers, ten goede. En dat waren er veel; er werden een half miljoen exemplaren van verkocht.

In mijn boekenkast staan niet of nauwelijks boeken van zijn hand, maar eentje kan ik me goed herinneren: De dag zal komen, Janus – gedachten over de dood en over de fantasie van hemel en hel (2003). De titel is ontleend aan een gedicht van François Haverschmidt, dat hij een paar jaar voor zijn dood schreef aan een oude Leidse studievriend. Ik heb het vandaag weer herlezen. Hij heeft her hierin bijvoorbeeld ook over de joodse traditie, die stervelingen ‘leert met een paar passen bij een begrafenisstoet aan te sluiten, als teken van solidariteit, ook al heb je geen idee wie de dode is die daar ten grave wordt gedragen.’ En even verderop citeert hij Martin Buber, die schreef dat het ons past ‘aan te nemen dat [de dood] het einde is van alles wat wij ons kunnen voorstellen. Ons iets willen voorstellen dat aan gene zijde van het sterven ligt, in de geest vooruit willen lopen op wat alleen de dood ons kan openbaren, lijkt mij als geloof vermomd ongeloof. Het echte geloof zegt:  ik weet niets van de dood, maar ik weet dat God eeuwigheid is en ik weet ook nog dat hij mijn God is.’

Niet lang na de dood van mijn vader, toen een predikant mij toevoegde dat hij toch vanuit de huidige natuurwetenschappen zeker wist dat er geen hemel bestaat waar de doden, en zeker niet hun ziel, naartoe gaan, hoor ik Ter Linden in het toenmalige Bijbels Museum in Amsterdam een verhaal vertellen.
Later vind ik het terug in zijn Kostgangers (1981, p. 386-387). Het gaat over een ontmoeting tussen Mozes en een herder, die elke avond zijn beste melk in een kom giet en neerzet. ‘Deze melk’, zegt hij, ‘is voor God.’ De herder veronderstelde dat God het ook opdronk, want elke morgen was de kom leeg. Mozes voelde zich, net als de genoemde predikant, genoodzaakt de herder wat wijzer te maken en zei dat God echt geen melk drinkt. Dat wist hij zeker, even zeker als de herder het tegenovergestelde. Op een dag verstopte de herder zich in het struikgewas en zag dat een kleine vos tevoorschijn kwam en de melk opslorpte. De herder was bedroefd en Mozes terneergeslagen omdat hij de herder zijn naïeve geloof had ontnomen. ’s Nachts sprak God tot hem en zei: ‘Mozes, het was niet goed wat je deed.’

Het is een verhaal dat, gezien de context zo pal na het overlijden van mijn vader, grote indruk op mij maakte. En het is denk ik tekenend voor de predikant en schrijver, die behalve Bijbelkenner ook pastor was. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Als een lichtglans

In de dienst in de Nieuwendammerkerk vanmorgen sprak ds. Paula de Jong de hoop uit dat ze een nieuw inzicht op het bekende Bijbelverhaal over de bruiloft van Kana (Joh. 2: 1-11) met ons kon delen. Dat is haar op een fijne manier gelukt.

Het verhaal speelt op de derde dag. En zoals Mozes op de derde dag al iets van God ervoer (Ex. 19:16), zo ervoeren de bruiloftsgasten tijdens het feest in Kana iets van de kracht van Jezus. ‘Mijn ure is nog niet gekomen’ zou dáárop kunnen duiden, en niet op Zijn dood en verrijzenis. Het is een openbaringsverhaal, als in een spiegel waarin zich iets spiegelt en daarachter weer iets, stukje bij beetje.

Ik moest denken aan een sessie met excellente studenten van de Open Universiteit die op 27 oktober verleden jaar in Utrecht hun Masterscriptieonderzoek in de cultuurwetenschappen presenteerden. Een ging over vrouwen in beeld, zoals in het Bijbelverhaal Maria duidelijk in beeld is en de rol van ceremoniemeester op zich neemt. Ze is veel meer in beeld dan de bruid en de bruidegom, die meer decorstukken lijken.

Een van de spreeksters tijdens deze sessie was Gaby Guysemans die het had over de schilderes Clara Peeters. Een schilderes van stillevens (zie afb. hierboven) over wier leven we weinig weten. In haar stillevens zitten kleine zelfportretten verstopt, in de rand van een karaf of op de buik van een beker. Guysemans had het over waarnemen en ontwikkelingen in de optica. Daarin sloot Peeters aan op het beroemde Portret van Arnofili van Jan Van Eyck en Memlings Tweeluik met spiegels.

Het echte onderwerp van de stillevens is volgens Guysemans dat die spiegelingen tot een bewuste ervaring worden gemaakt, zoals in het verhaal over Mozes. Ze vroeg zich af of het hyperrealisme avant la lettre is. Volgens één van de aanwezige universitair docenten, Jan Oosterholt (letterkundige), is het eerder een ‘nederige afbeelding in het discours van Ogentroost van Huygens.’

Zoiets zit misschien ook in het verhaal over de bruiloft in Kana, op een zondag waarop traditiegetrouw Psalm 55 wordt gelezen of gezongen, over een ik-figuur die in zijn onrust kreunend rondzwerft, wiens hart in zijn binnenste ineen krimpt, over wie verschrikkingen des doods zijn gevallen, vrees en beving. Allemaal zo herkenbaar.
Het verhaal over de bruiloft is dan ook volgens ds. De Jong niet primair een wonderverhaal over water dat in wijn verandert, maar biedt de troost van de overvloed in moeilijke tijden. De troost van de ware wijnstok, de wijn van het Koninkrijk.

Even later vierden wij de maaltijd van de Heer. Een schaal met matzes ging langs, een beker wijn. En daarin lichtte, zo mooi als ze gepoetst waren, soms het gezicht van iemand op. Soms, even. Een mooi moment was dat. In mij weerklonk de eerste lezing van deze morgen (Jes. 62: 1-12):

Om Sions wil zal ik niet zwijgen
en om Jeruzalems wil zal ik niet
rusten, totdat zijn heil opgaat als
een lichtglans en zijn verlossing
als een brandende fakkel.

Over kerk en synagoge en twee beelden van Johan Tahon

‘Interessant u. vor mir aus gesehen, nie lösbar’ schreef de Zwitserse vriendin van mijn vader op de flyer van de tentoonstelling Ecclesia et Synagoga. Zwei feindliche Schwestern in 1999 in het Jüdisches Museum Hohenems (Oostenrijk, zie afb. links). Zou het beeld Twins – Zwillinge, een monument voor Hannover dat Johan Tahon maakte (zie afb. rechts, foto van Gert-Jan van Rooij) en dat op 4 mei a.s. om 19.00 uur aan de Landeskirche aan de Rote Reite wordt onthuld, die vraag anders hebben beantwoord? Daarvoor moeten we eerst in de kunstgeschiedenis duiken.[1]

Ecclesia en Synagoga
De afbeelding van de twee zusters, of tweelingen zoals Tahon ze noemt, vindt de basis in typologieën die kerkvaders en middeleeuwse navolgers in de Bijbel vonden. Kaïn en Abel is een voorbeeld. Ambrosius zag in Kaïn de voorafbeelding van Annas en Kajafas, Judas en de joden, en in Abel de voorafschaduwing Jezus van Nazareth, de goede herder die onschuldig ter dood wordt gebracht. Bij deze, en andere voorbeelden is de ‘goede’ kant steeds de kerk en staat de ‘slechte’ voor de synagoge. Het is in de middeleeuwse kunst uitzonderlijk, wanneer ze min of meer gelijkwaardig worden afgebeeld. Bijvoorbeeld als os en ezel bij de geboorte van Jezus.

Concordia
Een andere opvatting vinden we terug in de zogenaamde Concordia Veteri et Novi Testamenti, oftewel de harmonie tussen Oude- en Nieuwe Testament. Hierin wordt uitgegaan van het feit dat beide boeken ten diepste dezelfde boodschap brengen. De synagoge wordt gezien als de draagster van Tenach, en Ecclesia als een volgende fase in het heilsplan dat God met de wereld heeft.
Maar er bestaat ook een andere invulling van, die onder meer tot uiting komt in het geschrift Altercatio Ecclesiae et Synagogae (ca. 500?). Hierin wordt een twistgesprek beschreven tussen Synagoga en Ecclesia. Ze worden beide voorgesteld als vrouw, en de Synagoga eist haar eigenheid terug van de Ecclesia. Maar ze krijgt die niet en wordt beschuldigd van liegen en blindheid.

Afbeeldingen
Dit laatste gegeven, de blinde Synagoga, leidt rechtstreeks naar de manier waarop de vrouw later wordt afgebeeld. Eerst is het vaak overigens nog een man, zoals Mozes op een miniatuur in de bijbel van Moutier-Grandval (ca. 840). Hij staat voor Tenach en heeft een sluier voor de ogen, die wordt weggetrokken door één van de apostelen. Dat wil zeggen: hem is het heil nog verborgen en moet worden onthuld door de Ecclesia.
Later werden kerk en synagoge gepersonifieerd als twee vrouwen: aan de ene kant de dochter Sions, soms met niet alleen een blinddoek voor maar ook nog eens met een kroon die van haar hoofd valt, wetstafelen die uit haar handen vallen en een lans die is gebroken, en aan de andere kant een fier rechtop staande kerk, met gekroond hoofd, een miskelk en een kruisstaf. Beide typologieën gaan ook hier terug tot de Bijbel: respectievelijk Klaagliederen 1:1 en 5:15-17 en Efeze 5:25-33. Beide vrouwen kijken omhoog, vanwaar hun verlossing zou moeten komen: Jezus aan het kruis.
Dergelijke afbeeldingen of uitbeeldingen vinden we niet alleen in miniaturen en dergelijke, maar vooral als beelden aan de portalen van grote kathedralen: Straatsburg, Metz, Bamberg, Worms en andere.

Twee lijnen
In het vervolg van de kunstgeschiedenis tekenen zich twee hoofdstromen af wat betreft het uitbeelden van kerk en synagoge. In de eerste plaats is er de stroming die de blindheid van de synagoge als onherroepelijk voorstelt en iets dat uitloopt op eeuwige verdoeming in de hel. In de tweede plaats is er een visie op de synagoge, waarin de sluier aan het eind der tijden wordt afgenomen en beide zusters zich verzoenen. Een voorbeeld van dit laatste is te zien op een gebrandschilderd raam in Saint Denis. Hierop staat Jezus van Nazareth tussen kerk en synagoge in. Met Zijn ene hand kroont Hij de kerk, en met Zijn andere trekt hij de sluier van de ogen van de synagoge. In deze visie heeft Christus dus beide, kerk en synagoge, met elkaar verzoend.

Johan Tahon
Waar staat de tweeling van de Vlaamse kunstenaar Johan Tahon in dit geheel?
Al in een interview in De Morgen (18 december 2010) zegt de kunstenaar zowel dat het Christendom steeds belangrijker voor hem wordt, als dat het hem in zijn werk vooral gaat over het contact tussen mensen. Het is niet voor het eerst dat hij een tweeling neerzet. In het geval van de twee beelden in Hannover draait het om het contact tussen de tweeling joden- en christendom.
In een artikel van Wim van Mulders, op de website van Tahon, zegt Van Mulders dat de beelden van Tahon lijken te gaan over gelijkgestemdheid. Dat lijkt bij het beeld in Hannover zeker op zijn plaats. Beide figuren, mannen of vrouwengestalten, dat is niet duidelijk, leunen ergens tegenaan: Tenach bij de ene figuur, het Evangelie bij de andere? Beide lijken ook aangedaan en gewond, zoals bijna alle beelden van Tahon. De één kijkt je aan, de ander lijkt in gedachten verzonken. Als ze de positie aanhouden van de oude kerk en synagoge-beelden aan de kathedralen, dan is degene die kijkt de kerk en degene die in gedachten is de synagoge. Maar ze stijgen boven de sjablonen van deze beelden uit. Het meest lijken ze nog in het verlengde te liggen van de verbeelding van de harmonie tussen Oude- en Nieuwe Testament. Maar of ze de vraag van de Zwitserse vriendin van mijn vader oplossen of deels open laten? Dat is het soort vraag waar een ieder die langs de kerk loopt over na kan denken. Want dat is wat de beelden doen: ze stellen ons een vraag, over de eeuwen heen in het hier-en-nu. Waarbij de toekomst open blijft en niet aan ons is om in te vullen.


Verschijnt ook in
GM Gast-huismagazine nr. 104 (mei 2017).

http://www.johantahon.be

[1] Ik ontleen enkele gegevens aan een lezing die dr. U.H. Kollaard hield voor het Leerhuis op dinsdagavond van het Centrum voor Leren en Vieren (thans: Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie) op 19 januari 1999, waar ik het gesprek na de pauze mocht voorzitten.