De onzichtbare stem

In de laatste aflevering van de televisieserie Made in Europe (afgelopen zondag) waren beelden te zien van Dimitri Verhulst die in Boedapest sprak met de schrijver György Konrád. Naar aanleiding hiervan herplaats ik hier een boekbespreking van één van Konráds boeken, De onzichtbare stem, zoals die eerder in Quadraatschrft verscheen (juni 2001).

Nooit zal ik een studiedag over Tolerantie en ontmoeting in de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk (1992) vergeten. Rabbijn Awraham Soetendorp wijdde, ondanks het feestelijke thema, lang en breed uit over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. De toenmalige directeur van het Joods Historisch Museum, Judith Belinfante, merkte op dat hij nooit mocht vergeten wat er bijvoorbeeld in het Spanje van Alfonso el Sabio mogelijk was gebleken: het vredig samenleven, of op z’n minst naast elkaar leven, van joden, christenen en moslims. Twee meningen na(as) elkaar.

Het is György Konrád (zie foto) die in zijn essaybundel De onzichtbare stem eerst ook de kant van Soetendorp op lijkt te gaan: ‘De joodse geschiedenis’, schrijft hij, ‘bestaat louter uit herinneringen aan regelmatig terugkerende epidemieën van jodenvernietiging.’ Maar uiteindelijk vermag hij beide visies, van Soetendorp en Belinfante, te verbinden: ‘Een Duitser kan niet uitsluitend Goethe en Beethoven uit het Duitse verleden pikken (…). Een erfgoed aanvaarden betekent ook de bereidheid hebben om te lijden onder de herinnering.’ In die volgorde, wil je jood én als Hongaar (‘dubbele rampspoed’) kunnen leven – en omgekeerd: lijden onder de herinnering én vreugdevol zijn, wil het geweten van een zondaar brandend blijven. Enkele voorbeelden mogen verduidelijken hoe deze dubbelslag in het boek als totaliteit en in enkele van de twaalf essays in het bijzonder doorwerkt.

Spinoza
Konrád uit bijvoorbeeld eerst zijn bewondering voor Spinoza die hij – in tegenstelling tot Nederlandse Spinozakenners als Klever en Krop – als seculiere jood beschouwt. Dan werkt hij als in een dialoog met Spinoza een visie uit. En zelfs daarin zit een dubbelslag, van in dit geval lot en keuzevrijheid: ‘De mens is door zijn lot bestemd om te beslissen, om elke dag van zijn leven te beslissen over wat goed en slecht is.’ Uiteindelijk komt Konrád, net als Spinoza, uit bij de staat; Konrád houdt niet op te betogen dat de liberale democratie volgens hem de enige voor joden en Hongaren veilige staatsvorm is.

Koning David
Het tweede voorbeeld, van een geweten van een zondaar dat brandend blijft, treffen we aan in een essay onder de titel ‘Nader tot David.’ Daarin stelt Konrád dat het ‘niet mogelijk is om alles wat gebeurd is uit te wissen, we dragen het met ons mee al vieren we feest.’ David ‘is degeen die aan verzoekingen weerstand moet bieden en in zonde vervalt, hij is ook degeen die het boetekleed aantrekt en straf ondergaat, hij is verliefd en doet aan veelwijverij, hij is barmhartig en genadeloos.’

Auschwitz
In het essay over koning David gaat ook Konrád, net als Awraham Soetendorp, niet aan Auschwitz voorbij. ‘De mens draagt God met zich mee, maar kan zich er niet mee vereenzelvigen. Hij duwt Hem ver genoeg van zich af om een vurige intimiteit met Hem te vermijden. Maar Hij blijft in de buurt zodat men zich nergens zal kunnen verschuilen. Dit dubbele verstoppertje spelen duurt tot in eeuwigheid – soms is het Adam die zich voor de Heer verbergt, soms is het de Heer die zich verstopt, wellicht achter de rooksluiers die opstijgen uit het crematorium.’ Konrád schreef dit in 1997 en het klinkt meer overwogen dan wat hij bijna tien jaar eerder schreef over ‘de God die zelfs de zuigelingen in de gaskamers niet te hulp kwam.’

Europees
Konrád staat met deze mening niet in de traditie van een Elie Wiesel maar laat een eigen Midden-Europees geluid horen met – kenmerkend voor meer denkers uit Midden-Europa – een opvallend positieve houding ten aanzien van het Europese gedachtegoed. Ja, Konrád schrijft zelfs dat ‘het bijvoeglijk naamwoord “Europees” een sympathieke en reële betekenis begint te krijgen.’
Iedereen die zich hiermee en met de dialoog jodendom-christendom verbonden weet zou, zonder dat hij/zij uiteraard met alles hoeft in te stemmen, van zijn indrukwekkende essays kennis moeten nemen.

 

György Konrád – De onzichtbare stem. Essays. Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2001 (ISBN 90 5515 257 9).

 

Een boek dat mij boos maakte

Op 23 maart is het thema van #De Groene Live: De boeken die ons boos maakten. In de aankondiging staat een zin die mij meteen raakte, omdat het een waarheid als een koe is. Het gaat daarin over boeken die niet juichend werden onthaald, maar met verontwaardiging. ‘Niet persé omdat ze iets brutaals of onredelijks vertelden, maar ook omdat lezers en recensenten nog niet klaar waren voor de ideeën of personages die de auteurs ten tonele brachten.’ Of omdat een interpretatie haaks staat op die jij als lezer uit een boek of een toneelstuk hebt opgemaakt; dat overkwam mij toen ik iemand hoorde zeggen dat Hamlet van Shakespeare gaat over ‘the inability to act’, terwijl ik het met Erik Bindervoet eens ben dat het eerder over geweldloosheid gaat (in: William. Magazine voor Shakespeareliefhebbers jan. 2017).

T.g.v. de avond van #De Groene Live, en de presentatie van de bundel De negentien boeken die ons boos maakten (in Pakhuis De Zwijger, Amsterdam), publiceer ik hier een recensie die ik schreef voor Quadraatschrift  (juni 2001). Over een boek dat mij boos maakte: Siegfried van Harry Mulisch. Uit mijn exemplaar van dit nummer valt een stukje van Yasha (Arnon Grunberg) in de VPRO Gids (nr. 22/2001). Over Mulisch’ roman. Hij concludeert daarin dat je in Siegfried, ‘en dat is triest, het faillissement van een schrijverschap [ziet].’ Dus: is het uitgangspunt van #De Groene Live deels waar en voor de andere helft toch ook niet? Ik denk het.

Een jaar of wat geleden was in De Appel aan de Amsterdamse Nieuwe Spiegelstraat een verwarrende tentoonstelling te zien. Er stonden bustes van kopstukken uit de nazitijd. Sommige kunstenaars hadden ervoor gekozen de ogen van de mannen niet te laten zien. Het verwarrende lag erin dat zij daarmee, bij mij althans, het tegenovergestelde bereikten van wat ze eigenlijk bedoelden; de gezichten kregen zo de uitstraling van een Griekse godheid.

Iets soortgelijks ernaar ik bij het lezen van Siegfried van Harry Mulisch. ‘Het laatste woord over Hitler is niets’ schrijft de auteur, waarna een filosofisch betoog volgt over het nihilisme. Maar onderhand heeft hij al Rudolf Otto’s concept van het mysterium tremendum ac fascinans van stal gehaald: Hitler als personificatie van zowel het huiveringwekkende als van het numineuze, ‘al is het dan met een negatief voorteken.’ Hier speelt Mulisch Hitler in de kaart, want volgens Ian Kershaw (Hitler 1889-1936: Hoogmoed) was deze er voor alles op uit om ‘mysterieus en fascinerend over te komen.’ Het is hem wat Mulisch betreft gelukt.
Bovendien is het volgen van het beeld van een ‘negatieve grootheid’ volgens Kershaw een vals spoor. Niet alleen omdat personalisatie plaatsvindt, maar ook omdat het filosofisch-ethische nergens toe leidt ‘en in aanleg verdedigend is omdat uit het stellen van de vraag alleen al een zekere schoorvoetende bewondering (…) voor Hitler spreekt.’

De hoofdpersoon van Siegfried, Rudolf Herter, pretendeert dat hij het boek met Zeven Zegelen (i.c. Hitler) heeft verbroken. ‘Het boek blijkt een dummy, met uitsluitend lege bladzijden.’
Het ware te wensen geweest dat Herters alter ego, Harry Mulisch, de consequenties uit dit niets, uit deze lege bladzijden had getrokken en zijn boek om filosofisch-ethische redenen ongeschreven had gelaten.

De spiegel als bespiegeling

Memling_St. JorisOla Mafalaani

Hij is terug van nooit weggeweest: Shylock, het personage uit De koopman van Venetië van Shakespeare. In twee boeken die ik onlangs las, figureert hij: Shylock is mijn naam van Howard Jacobson, in de Nederlandse vertaling van Lidwien Biekman, en in Antisemitisme. Geschiedenis en actualiteit, een boek van Jaap Tanja.

Staat Shylock nu echt synoniem voor antisemitisme? Naar aanleiding van het verschijnen van bovenstaande twee boeken denk ik terug aan een opvoering van het stuk van Shakespeare in een regie van Ola Mafaalani (zie afb. rechts), in 2002. Ik zag het in Utrecht en schreef erover in Quadraatschrift (september 2002). Die column neem ik hier enigszins gewijzigd over.

In de Alte Pinakothek in München hangt een schilderij van Hans Memling, dat op het moment vanwege een verbouwing niet valt te zien (zie afb. links). Op de rechterkant, in het schild van St. Joris, wordt de linkerkant weerspiegeld als de echo in een Fantasie van componist Jan Pietersz. Sweelinck. Even kwam ik in de verleiding iets soortgelijks op te maken uit de regie van de Syrische regisseur Ola Mafaalani van Shakespeare’s De koopman van Venetië: het gedrag van de jood Shylock wordt weerspiegeld in dat van de Venetianen. Elk antisemitisme – wat deze rol al dan niet terecht aankleeft –, wordt zo de grond ingeboord. De zaal wordt, als altijd in een regie van Mafaalani, op die manier ‘meervoudig gericht betrokken’, zoals Douwe van der Sluis goede partijdigheid bij in dit geval joden en Palestijnen eens noemde.

Maar de regie gaat dieper. Net zoals Anton Wessels een artikel in Overcome weliswaar ook begon met spiegelingen tussen geweld van de kant van het ‘christelijke westen’ en het ‘islamitische oosten’, hij deze te boven komt door ervoor te pleiten wederzijdse vertekeningen af te bouwen. Net zoals Mafaalani deed; de spiegel is een bespiegeling geworden. Over verveling en onverschilligheid (het spelletje poker dat al voor de voorstelling is begonnen), geldzucht en consumptiedwang, machtswellust en vreemdelingenhaat, innerlijke rijkdom en uiterlijke schijn gesproken. Kortom over wat Wessels de grote djihâd (eigen verkeerde begeerten, de verzoeking) noemt.

Ola Mafalaani ging nóg een stap verder. Zij staat er niet alleen bekend om dat zij toeschouwers letterlijk bij een toneelstuk betrekt, maar ook de manier waarop zij de emoties van Shylock door middel van diens lichaamstaal voor en na de monoloog over genade door Portia in het vierde bedrijf over het voetlicht brengt, is kenmerkend. Eerst is Shylock zelfverzekerd. Want, zoals Lancelot tegen Bassanio, de vriend van de koopman zegt: ‘U hebt Gods genade, meneer en hij [Shylock] heeft genoeg’ (tweede bedrijf).

Aan het eind van de opvoering zat Shylock als een uitgestotene aan tafel, maar na (of door) de monoloog over genade wordt hij weer bij en op de anderen betrokken. Want genade

… daalt als zachte regen uit de hemel neer op de korst der aarde. Dubbel is haar zegen: wie haar schenkt en wie haar krijgt. Die zegent zij.

De monoloog over de dubbele zegen verbeeldt voor mij de meervoudig gerichte betrokkenheid waar Douwe van der Sluis het over had. Het is een bespiegeling op hetzelfde niveau als de vader in Michel Quints indrukwekkende roman, of liever novelle De tuinen van de herinnering, die na de oorlog als clown geen spiegel was van zijn bewaker (en clown) Bernhard Wicki, maar een bespiegeling van de mens (Mensch) wilde uithangen. Een bespiegeling die elke discussie over het feit of De koopman van Venetië nu antisemitisch geladen is (volgens Martin van Amerongen, zijn nagedachtenis zij tot zegen, in: Heeft een jood geen ogen …) of juist niet (volgens Henk E.S. Woldring) te boven gaat, omdat geen enkele scheiding los gezien kan worden van de selectie in de kampen door de nazi’s. ‘Want zolang dat nog bestaat, gaat het niet goed met de mensen’, zoals een overlevende van Auschwitz en Dachau, Herman Zilverberg, in een televisie-uitzending van Omrop Fryslân zei. Shakespeare heeft zich er mijns inziens in ieder geval niet schuldig aan gemaakt.

Een boek als herinnering

Gestolde pijn_DuvekotBij een tentamen Letterkunde dat ik eens deed, was één van de vragen of door veel invulling van een personage (= informatie en emotie) de mogelijkheid tot inleving door een lezer wordt vergroot of juist kleiner wordt. Ik had als antwoord de laatste optie gekozen, terwijl de eerste de juiste keuze heette te zijn. Deze vraagstelling kwam weer boven toen ik het in 2000 verschenen boek Gestolde pijn (zie afb.) van Willem S. Duvekot las. Ik schreef erover in Quadraatschrift (dec. 2001) en herplaats deze bespreking hier in enigszins herziene versie als een In memoriam, omdat Duvekot op 24 februari jl. is overleden. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

 

Eerste deel
Ook, of juist, wanneer het níet om literatuur gaat, wil ik eigenlijk niets weten over ‘het felle licht van de zon op deze dag in de lente’ wanneer de auteur uit de duisternis van het Monument van de kinderen in Jad wasjem in Jeruzalem komt, al snap ik wat hij ermee wil zeggen en staat de ervaring mij ook nog helder voor ogen. Ik wil helemaal niet weten dat je ‘goed moet uitkijken bij het oversteken’ van de Stawkistraat in Warschau, al weet ik dat er in het verkeer ook veel doden vallen. Toch is het een onvergelijkbare grootheid. Ik zou met andere woorden willen dat de pijn van de Sjoah ook in overdrachtelijke zin onder Duvekots pen was gestold, seizoenen en dagelijkse verkeersproblemen voorbij. Ik wil zélf verbanden kunnen leggen die mij alleen maar tussen de regels door worden aangereikt.

Tweede deel
Het ingehouden beschrijven van plaatsen van de Sjoah, meer nog dan de monumenten in de zin van beelden, zoals Duvekot dat met name in het tweede deel van zijn boek heeft gedaan, zegt eigenlijk al genoeg. Hij beschrijft in het tweede deel plaatsen ‘van de pijn – maar zeker ook van de hoop – uitgedrukt in beelden en plaatsen ter nagedachtenis’ in Jeruzalem, Warschau, Treblinka, Krakau en Auschwitz. Beschrijvingen die rijkelijk zijn voorzien van zelf gemaakte zwart-wit foto’s.
Citaten uit boeken van ooggetuigen, zoals in het eerste deel van het boek voorkomen (Herzberg, Kolitz, Wiesel) ontbreken hier nagenoeg geheel. Met uitzondering van indrukwekkende gedichten van Ida Vos. Dit maakt de doorgaande beschrijvingen des te indrukwekkender. Mede door een soms onderkoeld taalgebruik: ‘Binnen een half uur was dit onderdeel van de ontvangst [in het kamp, EvS] afgelopen.’

Epiloog
Een eenheid vormen, omdat ze soms in andere bewoordingen worden hernomen, de theologische explicaties waarmee het hele boek wordt doorspekt. Zoals: ‘Welke verdwazing dan alleen de hoogmoed kan de kerk ertoe brengen dat zij de boodschap van Jezus, die ze beweert te volgen, in haar tegendeel heeft verkeerd!’ Hier is de theoloog aan het woord die onder andere bekend is geworden als redactiesecretaris van het tijdschrift Ter Herkenning. Dit zijn onontbeerlijke momenten van bezinning die – zoals op de achterflap wordt omschreven – bijdragen aan wat het boek uiteindelijk wil zijn: ‘Een goede voorbereiding van een bezoek aan deze monumenten.’ Of, voor wie niet in de gelegenheid is de plaatsen te bezoeken, een poging de be-teken-is ervan duidelijk te maken. En – zou ik eraan willen toevoegen – een boek als herinnering voor hen die al dan niet alle monumenten al hebben bezocht. Want ‘vergetelheid veroorzaakt ballingschap, maar de gedachtenis is de weg naar de verlossing’ (Baäl Shem Tov).

Groeien in de tijd

Nieuwe Kerk_orgelIn Quadraatschrift van oktober 2002 schreef ik een column waarin ik een orgelconcert in de Nieuwe Kerk van Amsterdam verbond met een leerhuis over de joodse filosoof Abraham Joshua Heschel.
Op dit moment wordt het orgel (zie afb.) elke dag, met uitzondering van dinsdag, tussen de middag gedurende een half uur bespeeld (12.00-12.30 uur): http://nieuwekerk.nl/nl/#/nl/orgelconcerten/?m=99?m=150905
En maken wij ons op voor het nieuwe seizoen, waarin Pardes een leerhuis over
De profeten van Heschel aanbiedt: http://www.stichtingpardes.nl/algemeen/67/sub/98/3-september-De-profeten-van-Heschel.html  Reden genoeg om de column hier te herplaatsen.

Volgens onderzoekers, las ik in een artikel van Pieter van Os in De Groene Amsterdammer (24 augustus 2002), heeft het laten van een traan bij het luisteren naar muziek te maken met het verloop van tijd.
Een dag later kon ik dit onbedoeld beamen; het na elkaar programmeren van het koraal Ach Gott, vom Himmel sieh’ darein van Nikolaus Hanff (1665-1712) en de ‘grote’ Preludium in e van Nikolaus Bruhns (1665-1697) tijdens een orgelconcert door Bernard Winsemius in de Amsterdamse Nieuwe Kerk deed mij een traan wegpinken. Wat er, al luisterend naar het orgelkoraal van Hanff gebeurde, was wat onderzoeker Michel Poizat volgens Van Os omschreef als het ‘loskomen van de taal.’ Maar dan een beetje anders als in de opera’s die hij op het oog had. De tekst van een koraal staat nooit in het programmaboekje van een orgelconcert afgedrukt, maar ook zonder dat wist ik haarfijn waar Hanff zo grandioos in een voor hem kenmerkende en uit duizenden te herkennen stijl heeft getoonzet, op de tekst van Luther naar Psalm 12:

Ach Gott, vom Himmel sieh’ darein
Und lass dich’s doch erbarmen!
Wie wenig sind der Heilgen dein,
Verlassen sind wir Armen;
Dein Wort man nicht lässt haben wahr;
Der Glaub ist auch verloschen gar
Bei allen Menschenkindern.

Of liever – de tekst werd opeens zonneklaar doordat ik de Preludium in e van Nikolaus Bruhns in het licht van deze tekst ging beluisteren. Volkomen volgens de regels van de retorica die Bruhns volgde, hoorde ik achtereenvolgens in een dalende figuur ‘het zuchten der armen’ (Ps. 12:6), in een stralend gedeelte dat erop volgde de ‘zuiverende woorden, gedegen zilver, in een smeltoven in de aarde zevenvoudig gelouterd’ (vs. 7) en in een ostinato-bas de versregel ‘Gij, Here, zult ze gestand doen’ (vs. 8).

Abraham Heschel
HeschelHet kon niet anders dan dat ik door het lezen over het aspect tijd en het luisteren naar deze twee schitterende stukken ná elkaar, onwillekeurig moest denken aan een indrukwekkend, in poëtische taal geschreven boek van Abraham Joshua Heschel (zie afb.): zijn kleinood De sabbat, dat in 1987 in een Nederlandse vertaling verscheen bij De Haan.
Hierin gaat Heschel in op het verschil tussen ruimte en tijd. En zoals Van Os stelt, dat een esthetische ervaring in de ruimte (bijvoorbeeld een schilderij) minder emoties oproept dan een esthetische ervaring in de tijd (bijvoorbeeld een muziekstuk) – hoewel ik liever zou zeggen: andere emoties oproept -, zo stelt Heschel dat dit allemaal wel mooi en aardig is, maar dat een esthetische ervaring in de tijd toch moet worden onderscheiden van waar het vaak mee wordt verward, namelijk een godsdienstige ervaring. Hierbij is sprake van ‘een ogenblik van inzicht [dat] een geluk is, dat ons uitheft boven de grenzen van de beperkte [vet van mij, EvS] tijd’ (p. 12).
Heschel schrijft over die andere, de geheiligde tijd waarbij je in, en voor één ogenblik de eeuwigheid, de Eeuwige kunt ervaren. De tijd waarbij alle zintuigen zijn betrokken als een voorsmaak op wat gaat komen. Een tijd die alle categorieën te boven gaat: de sabbat. Over wat Guillaume van der Graft op soortgelijke wijze verwoordde:

Wij spreken woorden van brood
Wij gieten liederen wijn uit
Wij luisteren met onze handen
En met onze lippen horen wij
Woorden van brood worden vlees
Terwijl de wijn zich tot bloed zingt
Dan groeien wij in de tijd
Terug tot de dag van de schepping
Vooruit tot het einde der wereld.

Minder sympathiek

Christoffel van SwolZou Jan Pieterszoon Coen nog een nageslacht hebben? Die nazaten zullen dan nu ongetwijfeld met veel belangstelling zijn biografie van Jur van Goor, Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Koopman-koning in Azië ter hand nemen. Ik moet het wat mijn voorvader Christoffel van Swol (1668-1718, zie afb.), van 1713-1718 gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië ‘doen’ met een minder vleiend portret op Wikipedia.
Los hiervan zullen alle nazaten van mensen als Coen en Van Swol met dit voorgeslacht in het reine zien te komen. Wat mij op weg heeft geholpen, is de filosofie van Charles Taylor (geb. 1931).
Taylor stelt zichzelf vragen die waardevol zijn en neerkomen op:

1. hoe krijgt je leven betekenis als je het verleden daarin een plaats wilt geven
2. uit welke bronnen put je als je je leven zin wilt geven.

Ik wil me niet van de minder fraaie kanten van mijn voorouderlijk geslacht losmaken, omdat ik van Justine Aalders heb geleerd dat de beroemde woorden uit Exodus 20:5 dit onmogelijk maken: ‘Ik, de Heer uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheden der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten.’ Het woord bezoeken betekent volgens een uitleg van haar (in: Quadraatschrift, juli/augustus 1997) ‘niets anders dan “gedenken” (….). Dat wil zeggen: de kinderen kunnen verzoening doen voor de daden van hun vaders. Wat de vaders misdreven, kunnen de kinderen als het ware goedmaken door hun eigen goede daden.’ Aan het slot van haar indrukwekkende stuk, schrijft zij: ‘Durven wij de zonden van onze vaderen op ons te nemen en te trachten deze te verzoenen, opdat er barmhartigheid gedaan wordt door God aan duizenden, dat wil zeggen duizend geslachten? Zoveel groter is Gods barmhartigheid dan zijn woede; zoveel meer waard zijn ook onze goede daden dan onze slechte!’

Het is een beetje de positie die de filosoof Taylor inneemt in het filosofisch debat: hij houdt vast aan de waarde van de persoonlijke verantwoordelijkheid en hij bekritiseert het relativisme (of determinisme) door begrip voor ieders achtergrond en opvoeding een beetje tussen haakjes te plaatsen. Er is namelijk iets dat ieder individu overstijgt: ‘De achtergrond waarvan men aan het eigen leven richting geeft. De verbondenheid met dergelijke levensperspectieven ontneemt aan de morele keuzen die de enkeling maakt het arbitraire en vluchtige karakter (…). In plaats van een in een luchtledig zwevend individu is de enkeling volgens Taylor een gesitueerde persoonlijkheid; hij maakt deel uit van de kaders die hem als enkeling transcenderen’ (Victor Kal in zijn bijdrage over Charles Taylor in: Filosofie van deze tijd, uitg. Bert Bakker, 6e dr. 2002, p. 299).

Over dergelijke problemen en (on)mogelijke oplossingen, belegt de stichting Pardes onder de titel Geweld en verzoening op 7 juni a.s. van 14.00-17.00 uur een inspiratiemiddag: http://www.stichtingpardes.nl.
http://www.stichtingpardes.nl/algemeen/67/sub/94/Inspiratiemiddag-een-succes.html

Schönberg en Jansons

Schoenberg_zelfportret_bruinMariss Jansons gaf bij zijn afscheid als vaste dirigent van het Koninklijk Concertgebouw-orkest (KCO) te kennen, dat hij graag de Gurrelieder van Arnold Schönberg (zie zelfportret links) had willen dirigeren. Directeur Jan Raes van het KCO heeft inmiddels bekend gemaakt dat dit er zeker van komt; Jansons komt als conductor emeritus terug. Mét de Gurrelieder, dit laatromantische werk van Schönberg uit 1900/1911. Reden genoeg, nu de aandacht even naar deze componist uitgaat, om een gedeelte uit een artikel in Quadraatschrift (december 1998) hieronder opnieuw te publiceren.

Volgens Tom van Dorp en Eveline Nikkels heeft Schönberg in zijn opera Moses und Aron in muzikaal opzicht ‘een stap terug gemaakt, van de absolute positie die Schönberg – ook op gezag van Schopenhauer – haar toekende als belichaming in zichzelf van de Taal der Wereld, naar een medium via welk gestreefd wordt uitdrukking te geven aan het Absolute – een streven dat intrinsiek onvolkomen is.’ Au, dat doet pijn!
Wat Schönberg deed, is het verwerpen van de idealistische filosofie, net als de filosoof Franz Rosenzweig. Dat is geen stap terug, maar een stap vooruit.

Ik werd in deze opvatting van het ‘nieuwe’ bevestigd door de tentoonstelling Joden in Wenen rond 1900: een cultuur van contrasten die in 1998-1999 was te zien in het Joods Historisch Museum (JHM) te Amsterdam. Het doel van die tentoonstelling was namelijk dat de bezoeker zich bewust zou worden ‘van een constructie van de werkelijkheid.’ In die opzet was het JHM en het Jüdisches Museum Wien, waarmee werd samengewerkt, wat mij betreft geslaagd.

Desondanks. Want de cadeaus die Arnold Schönberg meenam naar een geënsceneerde avond in de harmonieuze, classicistische woning van het echtpaar Paula en Richard Beer-Hofmann aan de Hasenauerstrasse 59 in Noordwest Wenen, ver van de buitenproportionele gebouwen in de binnenstad, ademen nog niets van de omslag die zijn werk ademt na 1933, toen Schönberg in een synagoge van Parijs terugkeerde tot het jodendom. Het kernwoord na deze omkeer is ‘ethiek.’ Een woord dat op vele, uitgebreide – en soms op onmogelijke hoogten bevestigde – tekstbordjes op de tentoonstelling terugkwam.

Wat Schönberg voor de muziek betekende, was Alfred Loos met zijn zuivere vormen voor de architectuur (onder andere in het ontwerp van een villa voor Alexander Moissi, 1923) en Karl Kraus voor de taal. Omgekeerd respecteerde Kraus Beer-Hofmann vanwege diens ethische beginselen, integriteit, anti-nationalistische gevoelens en de openheid waarmee hij voor zijn joodse identiteit uitkwam.

De Wiener Moderne boden met andere woorden niet louter een esthetische kijk op de wereld, maar mijns inziens vooral een ethische. Dat was hun bijdrage aan de (Weense) kunst aan het begin van de vorige eeuw.

 

De roerende muziek van Peter Ruzicka

RuzickaMuziekcriticus Elmer Schönberger komt in het hoofdstuk ‘De sympathische snaar’ uit zijn boek De kunst van het kruitverschieten tot de conclusie dat kunst niet zozeer moet ontroeren, maar vooral moet roeren. Een conclusie die ik alleen maar kan delen.

Ik moest hieraan denken toen ik eens, niets vermoedend, een compact disc opzette met de Metamorphosen über ein Klangfeld von Joseph Haydn (uit 1990) van de Duitse componist en dirigent Peter Ruzicka (zie afb.). Het is niet toevallig dat Haydn, naast Mahler, de enige componist is die in het boek van Schönberger een apart hoofdstuk kreeg toebedeeld.

Haydn heeft voor Schönberger, Ruzicka en voor mij niets met de gemoedelijke, geestige ‘Papa Haydn’ van doen die hij in de ogen van sommigen nog steeds is. Wie wel eens het Haydnhuis in Wenen heeft bezocht, weet wel beter. Hier ligt bijvoorbeeld een notitie van een man die met veel moeite, en pijn in het hart, opschreef dat hij vanwege zijn slechte gezondheid op doktersadvies zijn ‘schönen Fortepiano um 200 Dukaten’ heeft moeten verkopen.

In het begeleidende boekje bij de cd met het werk van Ruzicka wordt nog zoiets gememoreerd waardoor Haydn boven elk aandoenlijk papa-gedoe is verheven. In 1794 laste de componist tussen de Bijbelwoorden ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ en ‘Mij dorst!’ van zijn bijna tien jaar oude Sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze enkele blazersakkoorden in die behoren tot het mooiste wat Haydn ooit heeft geschreven. Deze luttele drie minuten muziek vormen het uitgangspunt van Ruzicka’s werk voor symfonieorkest – los gezongen van de kruiswoorden, die bij Haydn overigens worden gesproken.

Het stuk begint en eindigt met in de strijkers de vier akkoorden van Haydn. Niet in de blazers dus, maar in een zetting waardoor de Sieben letzte Worte vooral bekend is geworden. Vier akkoorden, zoals Mozart zijn ouverture tot de Zauberflöte begint met drie klankblokken. In beide gevallen steekt hier natuurlijk een symbolische bedoeling achter: drie als heilig getal, vier voor de vier uithoeken van de aarde. De dood is bij Ruzicka direct al aanwezig, in een drietonig paukenmotief.

Opvallend is dat de statische klankvelden à la Ligeti in Ruzicka’s compositie al snel worden doorsneden met signalen. Eerst door een soort altaarbellen, die bij een eucharistieviering in de rooms-katholieke kerk klinken. Vervolgens door drie Ferntrompeten (trompetten achter het toneel). Tot tien (!) keer toe, zes en vier maal, klinken de inzetten van veraf, buiten de concertzaal, als was het een symfonie van Mahler. De trompet van de hoop doorklieft de ruimte, als de opstanding wordt aangekondigd door de tranen van de dood heen. Een dood die bij Ruzicka constant op de achtergrond aanwezig is, want vanaf maat 34 klinkt een steeds terugkerend trombonemotief, in de requiemmis traditiegetrouw het instrument van het Laatste Oordeel. Maar op het eind zijn het wél de Ferntrompeten die het laatste woord hebben!

Herplaatsing van een artikel uit Quadraatschrift jrg. 3 nr. 3 (maart 1999) n.a.v. de programmering van Ruzicka’s … Vorgefühle … (deel uit de Celan Symfonie, 1998) door Alice Coote (mezzosopraan) met het Nederlands Philharmonisch Orkest  o.l.v. Marc Albrecht in het seizoen 2015-2016: http://www.concertgebouw.nl/keuzeserie-nederlands-philharmonisch-orkest-0

Het licht romantisch?

Peter Neefs_Kathedraal AntwerpenHet summum aan spiritualiteit in de middeleeuwen is volgens de documentaire Les cathédrales dévollées, over het ontstaan van de gotiek in Frankrijk (uitgezonden door TV5 Monde, 2 december 2014) het licht. In de tijd van advent bij uitstek een item om stil bij te staan. Dat doe ik door herplaatsing van een artikel uit Quadraatschrft (maart 1998).

Ik was van mijn stuk gebracht toen ik dr. M.P. Pranger (Universiteit van Amsterdam) eens in een lezing hoorde zeggen, dat de Franse schrijver Georges Duby absoluut geen gelijk had met zijn verheerlijking van het licht in de Franse kathedralen. Wie wel eens in een donkere Franse kerk is geweest, moet volgens Pranger toch kunnen beamen dat dit allemaal maar romantisch is.

Aan de ene kant kwam het mij bekend voor; twee keer had ik met donker weer de Notre-Dame in Parijs gezien en twee keer met al even slecht weer de kathedraal van Reims: geen mooie gebrandschilderde ramen in al hun glorie, maar donkerte alom.
Toch had ik ook twee andere indrukken opgedaan: in de overweldigend lichte kathedralen van Troyes en Antwerpen. Hier – al is volgens kunsthistorici de gotiek hier over haar hoogtepunt heen – heb ik wel iets ervaren van wat Duby in de voetsporen van Dionysius de Areopagiet moet hebben bedoeld met het idee dat God licht is (in: De kathedralenbouwers).

Ik kan me daarom helemaal voorstellen dat – hoewel anderen daaraan twijfelen – de kunsthistoricus H. Jantzen meent dat de kathedraal op het schilderij Kerkinterieur bij nacht (Boedapest, Szépmüvészeti Museum) van Peter Neefs (ca. 1578-na 1656, zie afb.) uitgerekend de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen is. En niet alleen omdat de Vlaming deze kerk vaker heeft afgebeeld.

Ook hier zitten twee kanten aan het verhaal: dit schilderij heet niet voor niets Kerkinterieur bij nacht; het is er overwegend donker, net als bij slecht weer. Behalve op de plaats die destijds ook zo’n indruk op mij maakte: onder de achthoekige vieringskoepel. Daar staat een processie van mensen met fakkels. De fakkels verspreiden een helder licht, zoals je dat overdag op deze plaats ook zonder fakkels gewaar kunt worden.

Neefs dorst aan waar Duby volgens Pranger bang voor was: hij toonde niet alleen het licht, maar ook de duisternis. Zo krijgt op dit schilderij ook de duisternis op een indrukwekkende manier haar plaats:

de nacht licht als de dag,
de duisternis is als het licht
(Psalm 139).

 

Hartverscheurend

Van Gogh_Ronde van gevangenenVanaf 28 november 2014 is in het Amsterdamse Van Goghmuseum de presentatie van Van Goghs werk en leven veranderd. ‘Iets dichter bij Van Gogh’, kopte dagblad Trouw naar aanleiding hiervan (26 november 2014). Een opmerking die mij in gedachten terugbracht bij de tentoonstelling Van Manet tot Matisse in het Haags Gemeentemuseum (1996). Daarover schreef ik in Quadraatschrift (mei 2000). Dat artikel herplaats ik hier t.g.v. de nieuwe presentatie in het Van Goghmuseum.

 

‘Op een dag, waarom weet ik nog steeds niet, begonnen de gevangenen zomaar te zingen. En ze bleven maar zingen. De hele atmosfeer was vervuld van vreugde, hoop, verzet van een strijdbaar soort vastberadenheid. Maar niet agressief. Het was een soort collectieve vastberadenheid (…). Een hartverscheurend, prachtig moment’, aldus de Nigeriaanse schrijver Wole Soyinka in de 26-delige televisieserie Van de Schoonheid en de Troost van Wim Kayzer.

Zoals de eerste gevangene na het Gevangenkoor in Beethovens Fidelio zingt:

Wir wollen mit Vertrauen
Auf Gottes Hilfe bauen!
Die Hoffnung flüstert sanft mir zu:
Wir werden frei, wir finden Ruh’.

Je zou het synesthesie kunnen noemen. Tijdens de tentoonstelling Van Monet tot Matisse gebeurde iets soortgelijks. Ik stond met een schok stil voor het doek De ronde van de gevangenen (zie afb.) dat Vincent van Gogh enkele maanden voor zijn zelfmoord heeft geschilderd (1890). En wat ik hier inwendig hoorde, was het voorafgaande Gevangenenkoor:

O welche Lust, in freier Luft
Den Atem leicht zu heben!
Nur hier, nur hier ist Leben.
Der Kerker eine Gruft.

Beide ervaringen vielen samen toen ik Wole Soyinka hoorde praten. Maar voor hetzelfde geld had ik, zonder het beeld van Van Gogh en de muziek van Beethoven erbij, een spiritual gehoord. Of een psalm. Als een aanroep, zoals Van Gogh ons aankijkt, want het is waarschijnlijk de schilder zelf die dat doet, vanuit het midden van de rij gevangenen, gevangen als hij zich in zijn geestesgesteldheid moet hebben gevoeld.

Door samen psalmen of spirituals te zingen, of je te binnen te zingen, voel je dat je niet alleen op de wereld bent; het ‘ik’ uit de psalmen transformeert immers vaak tot een ‘ons.’ In de uiteindelijke hoop dat een rouwgang in een reidans zal verkeren (Ps. 30:12).