Wat God doet, dat is welgedaan

‘”Nee,” zei hij hardop. De mensen naast hem in de kerkbanken wierpen hem steels een verbaasde blik toe. De dominee had zijn preek net afgesloten met het gebruikelijke ‘amen’, er werd een ogenblik gewacht tot het orgel machtig zou inzetten. En daar, in dat moment van intense stilte, was er ineens dat “nee”. Luid en duidelijk. Hij kleurde tot in zijn haarwortels en richtte zijn blik snel naar beneden, naar zijn gezangenboek.’

Dit is een citaat uit het boek In de voetsporen van mijn grootvader van Margot Dijkgraaf, zoals Athenaeum Boekhandel in Amsterdam het op hun site voorpubliceerde. Op het moment dat ik de cd Young Bach Fellows (zie foto bovenaan) aan het draaien was en dit stukje erover voorbereidde. Ik moest denken aan mijn vader die eens iets soortgelijks deed, toen een gastpredikant in mijn kerk er naar zijn gevoel teveel omheen draaide: ‘Dominee, begin nu maar met uw preek’. Hoewel iets minder luid en duidelijk, en niet hij maar ik kleurde ervan. Of aan mijn moeder die het lied Wat God doet dat is welgedaan niet over haar lippen kreeg en haar mond hield als het werd gezongen.

Wat God doet, dat is welgedaan
Met die gelijknamige cantate van Joh. Seb. Bach, BWV 99 begint genoemde cd:

Wat God doet, dat is welgedaan,
zijn wil is wijs en heilig.
’k Zal aan zijn hand vertrouwend gaan,
die hand geleidt mij veilig.
In nood is mij
zijn trouw nabij.
Ja Hij, de Heer der Heren,
blijft eeuwig wijs regeren.

Het lied zit in mijn hoofd als een gedragen, wat langzaam gezongen, zware melodie. Hoe groot was dan ook mijn verrassing toen ik de cd opzette en een vlot en licht gezongen versie hoorde. Ter vergelijking: solisten, koor en Concentus Musicus Wien onder leiding van Nikolaus Harnoncourt deden er in 1980 nog 6’23” over, de Young Bach Fellows 4’24”.
Ik pakte de tekst er nog eens bij en mijn oog bleef haken op de woorden ‘vertrouwd gaan’ en ‘trouw nabij’ (in de tekstbewerking van Jan Wit). Woorden die over de eerste zinsneden, of liever: de interpretatie daarvan heen schoven, met als bronwoord het Griekse pistis, trouw én vertrouwen. Zij verdringen het idee dat alles wat je overkomt, zoals ziekte of radicaal kwaad, van God komt, zoals ten tijde van mijn ouders (nog) werd gedaan en mijn moeder zelf wellicht ook dacht, getuige haar weerstand tegen dit lied. Wat een verademing is dan die uitvoering door de Young Bach Fellows; zij zetten alles in een nieuw licht!

Young Bach Fellows
De Young Bach Fellows bestaat uit twaalf jonge, net afgestudeerde musici die zich onder leiding van Shunske Sato, artistiek leider van de Nederlandse Bachvereniging, bekwamen in het uitvoeren van barokmuziek volgens de historisch verantwoorde uitvoeringspraktijk. Voor AVROTROS Klassiek presenteert! namen ze hun debuut-cd op met werken van Joh. Seb. Bach: twee cantates, twee koralen en een klavecimbelconcert. De cantate die deze cd afsluit is BWV 159, Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem.

Niet dat bij luisteren naar deze cantate iets soortgelijks gebeurde als bij het luisteren naar eerstgenoemde cantate, maar deze nieuwe top-cd is mij nu al door die ervaring én door de geweldige uitvoeringen van zowel deze cantate(s) als de andere werken, zéér lief.

‘Op vleugels’
Wat er gebeurde heb ik omschreven, maar kan ik tot slot kort nog iets verder uitwerken aan de hand van wat Lydia Vroegindeweij zei in haar lezing gedurende het symposium ‘Op vleugels’ ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van Sytze de Vries, op 12 september 2021 in de Domkerk te Utrecht.
Zij sprak over Joh. Marin Schamelius (1668-1742), hymnoloog avant la lettre, die de oorspronkelijke Lutherse liederen(bundels) voor zijn tijd wilde behouden. Begreep je de teksten niet meer, of verzette je ertegen zoals mijn moeder, dan moet je ze niet wegdoen, maar uitleggen vond hij.

De koraalcantates dienden in die tijd volgens Vroegindeweij niet alleen ter verduidelijking van de oude teksten van Luther, maar ook als troost, een thema dat zij in het kader van haar promotie (2020) onderzocht. Troost in tijden van lijden en verdriet tijdens en aan het leven. Jammer dat mijn moeder het zo niet heeft mogen ervaren. Bij mij ligt de cd van de Young Bach Fellows nog steeds in de cd-speler.

De opname van genoemde Bachcantate (in de Waalse Kerk in Amsterdam) valt geheel te zien en beluisteren op: https://www.youtube.com/watch?v=keOIgHhw-dk
Op de Young Bach Fellows en de Nederlandse Bachvereniging kom ik naar aanleiding van het jubileummagazine (
100 jaar) terug.

Leren, vieren en dienen

De Protestantse Kerk Nederland (PKN) doet momenteel onderzoek naar wat de meest geliefde liederen zijn. Quadraatschrift, het toenmalige tijdschrift van het Centrum voor leren en vieren (CLV) in Amsterdam, had destijds een Liedrubriek waarin hetzelfde werd gevraagd. Als redactievoorzitter/eindredacteur heb ik die rubriek ook een keer mogen schrijven. Ik koos toen voor Lied 272 uit het (toen) nieuwe Liedboek: ‘Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here’. Ik herneem die bijdrage hier niet, maar doe het nog eens dunnetjes over en vraag me zo’n kleine twintig jaar later af, of wat ik toen zo mooi vond aan dat lied, dit nog steeds zo ervaar.

Het lied werd in 1901 geschreven door de Franse predikant en latere hoogleraar in Parijs Wilfred Monod (zie foto links, 1867-1943). Hij stichtte tevens een Franciscaner orde voor protestantse leken, Tiers Ordre Protestante des Veilleur. Hij wordt gekenschetst als een mystiek theoloog, wat hem denk ik tekort doet, want hij was een niet alleen in het hart maar in zijn totale mens-zijn bewogen. Bewogen door wat er politiek en maatschappelijk om hem heen en in de wereld gebeurde. Met ontferming bewogen, zou ik willen zeggen. De kerk zou daarbij volgens hem een grote rol moeten spelen. De theologische faculteit van Parijs was dit niet met hem eens, en ontsloeg hem in 1929. Hij was toen twintig jaar hoogleraar praktische theologie geweest.

‘Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here’ is een lied van Monod dat als Gezang 324 werd opgenomen in het ‘oude’ Liedboek en (gelukkig) doorschoof naar het ‘nieuwe’ Liedboek (Lied 272). Dit lied is te danken aan Jan Wit (1914-1980), die als predikant van de Waalse gemeente in Nijmegen bekend was met het Franse kerklied.
De hiervoor benoemde tweeslag die Monods theologie kenmerkt (mystieke inkeer en politieke en maatschappelijke betrokkenheid) komt er duidelijk in terug en reikt elkaar de hand.

Gods aangezicht
Het eerste couplet geeft uiting aan die mystieke inkeer, hier betrokken op Jezus van Nazareths stille innigheid, op Jezus ‘die op een berg klom’, alleen was met God ‘die geest en waarheid zijt’. Overigens staat in het origineel niet ‘berg’ (montagne) maar woestijn (désert).
Ik zal nooit vergeten dat, toen ik problemen kreeg binnen de kerkenraad van de kerkgemeente waarbij ik me had aangesloten, de toenmalige predikant tegen mij zei, dat het in een dienst niet om al dan niet goed- of kwaadwillende gemeenteleden gaat, maar om het zoeken van Gods aangezicht, om Góds aanwezigheid.
Die aanwezigheid heb ik ervaren toen ik, op vakantie in Israël, enkele momenten in de woestijn vertoefde. Ik voelde me te moe om nog een stap te verzetten, maar mijn kamergenote – die daar al eerder was geweest – zette me ertoe aan éven aan de woestijn (letterlijk de achtertuin van ons hotel) te ruiken. Ik ben er haar nog steeds dankbaar voor.
Het raakte me diep en troostte me net zoals dit eerste couplet dat in diezelfde kerk werd gezongen op de eerste zondag dat ik de kerk bezocht, de eerste van de vele jaren die zouden volgen tot de narigheid begon en ik vertrok. ‘Als welkom’, zoals de toenmalige (een andere) predikant na afloop tegen mij zei. Hij had mijn bijdrage aan Quadraatschrift gelezen en gaf er een prachtig gevolg aan.

Uitgeputte schapen
Het tweede couplet volgt de lijn van het zich terugtrekken naar een eenzame plaats (Marcus 6:30), maar verbindt deze met Mattheüs 9:36: ‘Toen hij [Jezus] de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder’.
Ik heb al eerder aangegeven dat ook voor mij de tweeslag van Monod, en van andere theologen – zoals Dorothee Sölle – leidinggevend is. Ik ben dat des te sterker gaan voelen, toen ik van de toenmalige hoofdredacteur van het blad Kerk in Mokum met grote regelmaat werd gevraagd om juist aan de rubriek Diaconie bijdragen te leveren. De ontmoetingen die ik toen had met mensen die je gerust uitgeput en hulpeloos, maar ook heel krachtig kunt noemen, maakte diepe indruk op mij. Tot op de dag van vandaag.

Kaïn en Abel
Het derde vers verwijst naar het verhaal over Kaïn en Abel (Genesis 4:1-16), dat ook centraal staat in de opera Die ersten Menschen van de Duitse componist Rudi Stephan (1887-1915) die in het kader van het Holland Festival 2021 werd opgevoerd en ook via stream valt terug te zien: Kajin en Chabel. Feitelijk zet Stephan Chabel net zo vergeestelijkt neer als Monod wanneer deze spreekt van mystieke inkeer. Kajin is bij Stephan een man die ziek is van verlangen naar seksuele bevrediging. Bij Monod roept Abels bloed ‘nog steeds tot ons geweten,/ Wie ’t zingend overstemt is Kaïns deelgenoot’.

Het leed dat van de aarde schreit
In het laatste couplet lijkt Monod een samenvatting te geven van de eerste drie: de ‘Heiland op de berg, alleen met God zijn Vader’ en ‘’t leed dat van de aarde schreit’. Daaraan koppelt hij dan een oproep die tegelijk een bede is: ‘Maak uw kerk tot hoorder en tot dader’. In één Bijbels woord samengevat: dabar. Het is een verwijzing naar Jakobus 1:22-24, het Bijbelboek dat ik in diezelfde grote stadsgemeente in het leerhuis en als doorgaande lezing op zondag heb leren kennen en op waarde schatten. Leren, vieren én dienen. Deze drie.

De melodie
De melodie waarop dit lied is gezet, is van de Franse theoloog en componist Emmanuel Haien (zie foto rechts, 1896-1968). Hij schreef onder meer een studie over de gregoriaanse oorsprong van de Geneefse psalmwijzen. Een lijn die je nog verder terug door kunt trekken, naar joodse melodieën.
Haiens melodie gaat hand in hand met het ingetogen karakter van de tekst. Oorspronkelijk stond de melodie (zie het ‘oude’ Liedboek) in e kl.t., wat dit nog benadrukt en (o toeval) tevens mijn lievelingstoonsoort is, maar nu is hij een toon lager gezet (d kl.t.), wat het accent wellicht meer legt op de maatschappelijke betrokkenheid van de tekst, wat ook nog eens wordt benadrukt door de 4/4 in plaats van 2/4-maat.
Kenmerkend zijn voorts de gepuncteerde noten (melodieregels 2 en 4), waar tekst en melodie als het ware even pauzeren, even inhouden. Het doet denken aan de onvergetelijke manier waarop Frans Brüggen wel eens inhield in Bachcantates waar tekst en muziek van een ingetogenheid uiten (bijvoorbeeld BWV 8). Op deze manier is de eenheid van Monod ook in de muziek terug te vinden.
Het is een lied dat gaandeweg je leven steeds meer gaat zeggen. Een lied om nog steeds lief te hebben, zoveel jaren na mijn eerste stukje hierover in Quadraatschrift.

 

Link naar tekst, melodie en gezang: https://www.youtube.com/watch?v=wO7THYgEMdg