Twee interviews, twee visies en Orlando

UTRECHT - Ds A Plaisier scriba vd PKN 13-11-2012György Konrád

Terug van vakantie ligt er altijd een stapeltje kranten te wachten. Al gingen enkele geïnterviewde personen niet zelf met elkaar in gesprek, ze doen dat wel in mijn hoofd. En zo kan je er als lezer uiteindelijk zelf een conclusie uit trekken.

Het eerste interview dat ik met belangstelling las, was opgetekend door Gerrit-Jan Kleinjan. Hij sprak met Arjan Plaisier (foto links), die op 10 juni jl. afscheid nam als scriba van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Het stond in Trouw van diezelfde dag.
Ik had al eerder een mooi boekje van hem gelezen over zeven toneelstukken van Shakespeare, Is Shakespeare ook onder de profeten? Nu gaat het meer over wat onder anderen Johann Sebastian Bach hem gedurende de acht moeilijke jaren als scriba van de PKN te zeggen had.
En ook over T.S. Eliot. Diens sombere toon raakt hem. Plaisier zegt bij alle goedheid, waarheid en schoonheid in de cultuur ook iets van een ruïne te vinden. ‘Ik ben een cultuurpessimist’, zegt hij, en ‘moet ervoor waken daar niet helemaal aan toe te geven.’
Een schokkende uitspraak voor iemand die jarenlang het gezicht was van de PKA – zelfs zoveel dat ik soms het gevoel had dat hij ten onrechte de voorzitter, Karin van den Broeke, wat wegdrukte. Want hoezo is de scriba van de PKA ‘de hoogste functionaris die de kerk kent?’

Het tweede interview stond in dezelfde krant van een dag daarna. Peter Olsthoorn interviewde in een hotellobby in Amsterdam de Hongaarse György Konrád (foto rechts). Geen voorganger, maar een schrijver. Geen cultuurpessimist maar een optimist. Voor hem is ironie een overlevingsmechanisme. ‘Ik kan heel boos worden maar ik voel direct de behoefte om opzij te stappen en m’n eigen woede te beschouwen. Ik heb de plicht om niet dom te zijn. De ironie is de beste hulp om niet dom te worden, niet boos.’ Konrád wil ‘niet onbegrensd optimistisch zijn over de goedheid [van de mens, EvS], noch overdreven pessimistisch. Mensen kunnen, vooral als je het niet verwacht, extreem goed zijn. Vaak in stilte. Overal.’

OrlandoHieraan moest ik denken toen ik nog op mijn vakantieadres, op de televisie een rij mensen zag die in Orlando (Florida)  in de rij stonden om bloed te geven voor de meer dan vijftig gewonde slachtoffers van de aanslag op een gayclub door een eenling.

Konrád citeert Sándor Nemeth, die hem ‘een goede rabbi’ noemde. De schrijver beaamt het: ‘Dat ben ik toch ook?’ Het is jammer dat Plaisier wellicht toch teveel cultuurpessimist is en te weinig leraar. Misschien wacht hem een volgende baan waarin dat laatste meer ten goede kan worden aangewend.

Dan dooft het licht …

RamsZe zijn niet hetzelfde, maar ze hebben soortgelijke problemen, zouden dus van elkaar kunnen leren en wat aan elkaar kunnen hebben. Dagblad Trouw bericht vrijdag 13 november een paar pagina’s van elkaar verwijderd over bibliotheek- en kerksluitingen. Voor een ouder bibliotheeklid verdwijnt zo een ontmoetingsplek dicht bij huis, terwijl de Protestantse Kerk Nederland (PKN) het zoekt in bisschoppen op regionaal niveau. Terug naar de basis, is een veelgehoorde kreet. Maar, zegt de verslaggever van Trouw droog (en daarom prefereer ik de krant boven de zure Volkskrant): wat is dat eigenlijk, terug naar de basis, en hoe moet dit worden ingevuld? Dat staat er niet bij.

Een uurtje later zit ik in de bioscoop en zie de IJslandse film Rams (zie afb.). De schaapkudden van twee broers, Gummi en Kiddi, die pal bij elkaar wonen maar al veertig jaar (!) niet meer met elkaar praten, vallen ten prooi aan scrapie en moeten worden geruimd. Het script is losjes gebaseerd op een echt gebeurd verhaal van twee zussen,  verteld aan de schrijver van het script/regisseur van de film door zijn moeder.

Halverwege (of is het op het punt van de gulden snede?) valt de winter in en wordt Kerstmis gevierd. Het christelijke feest met zijn ‘Vrede op aarde’ brengt beide broers niet tot elkaar. En toch komen de broers, al even losjes gebaseerd op Kaïn en Abel, nader tot elkaar. Op een hoogvlakte. ‘Het is symbolisch’ zegt regisseur Grímur Hákonarson in een vraaggesprek met de zaal na afloop van de vertoning van de film in het kader van de Rialto Filmclub. Zoals veel in de film symbolisch is; ik wees al op het getal veertig (veertig jaar in de woestijn enz.).

Hákonarson vertelt meer. Over de cultuur in IJsland, waar het in de winter donker blijft. Over verhalen, saamhorigheid en het op elkaar terugvallen om in donkere tijden, letterlijk en figuurlijk (hij verwijst naar crisissituaties) te kunnen overleven.
Zou dat niet een basis, een grond onder de voeten kunnen zijn: verhalen, christelijk of niet, het Kerstverhaal, dat van Kaïn en Abel die werkelijkheid worden, waaruit wordt geleefd en die gebeuren?
Donkerte heerst dan niet zozeer waar bibliotheken en kerken sluiten, maar waar het verhaal en ontmoetingen uitdoven.

De waarheid hiervan bleek de dag hierna, de zaterdag na de aanslagen in Parijs, toen in een leerhuis van dr. Anton Wessels over Apocalyptiek in de koran (LATE) aan het eind een Marokkaanse moslima het woord nam. Nadat we al een hele ochtend hadden zitten lernen gebeurde het: de trialoog waar de wereld naar smacht.

http://www.trouw.nl/tr/nl/4716/Christendom/article/detail/4185676/2015/11/13/De-protestantse-bisschop-zal-geen-mijter-dragen.dhtml

Helmut Gollwitzer en Luther

GollwitzerOp vrijdag 25 september 2015 werd in de Amsterdamse Thomaskerk een boekje over de Duitse theoloog Helmut Gollwitzer (1908-1983, zie afb.) gepresenteerd van de hand van Andreas Pangritz uit Bonn, in een vertaling van Dick Boer (uitg. Narratio).
In zijn inleiding sprak Pangritz de intrigerende woorden dat Gollwitzer Luther naar voren dacht, en Karl Barth naar links. Ik beperk mij tot het eerste.

 

Uit de kerk had ik twee afleveringen meegenomen van het tijdschrift In de Waagschaal. Thuis bleken die een vervolg te bieden op die intrigerende woorden van Pangritz. In nr. 8 van dit jaar vraagt Wessel ten Boom zich af wat de synagoge wil: ‘Het verzoek van rabbijnen Evers en Ten Brink en het CIDI aan de PKN, om bij de komende festiviteiten rondom 500 jaar reformatie excuses aan te bieden voor de Jodenhaat van Maarten Luther, is ontluisterend. Het is dan ook terecht dat Arjan Plaisier deze boot vooralsnog afgehouden heeft’, aldus Ten Boom. Volgens hem heeft ‘dit antisemitisme in de navolgende eeuwen’ niet ‘als het hart van de reformatorische theologie’ gefungeerd. ‘Wie doet alsof dit wel zo is, heeft wel wat uit te leggen voordat hij om excuses vraagt.’ Je moet maar durven.

Gollwitzer heeft haast als geen ander begrepen dat de Jodenhaat van Luther weliswaar niet het hart van de reformatorische theologie heeft uitgemaakt, maar wel de basis vormde van een bepaalde manier van denken die tot mijn grote verdriet nog steeds in de kerk voortleeft.
In het volgende nummer van In de Waagschaal (nr. 9) stonden twee reacties onder de respectievelijke kop ‘Ontluisterend?’ en: ‘Wessel ten Boom, Luther en “de” synagoge.’ In de eerste wordt om volledige afstand gevraagd van Luthers anti-joodse uitspraken. In het tweede wordt gewezen op het feit dat In de Waagschaal nu niet bepaald het blad is ‘dat door “de” synagoge gelezen wordt.’ Zulke zaken aan de orde stellen doe je in een gesprek met elkaar. Als voorbeeld wordt het OJEC genoemd, waar naar elkaar wordt geluisterd en van elkaar wordt geleerd.

Dick Boer vroeg in een kort co-referaat aandacht voor een aspect waarin Gollwitzers denken nog steeds actueel is en waarop Pangritz in zijn inleiding, in tegenstelling tot zijn boekje, niet in was gegaan: dat gesprek tussen joden en christenen, onder andere over Israël.
Bram Grandia zag zijn kans schoon – ik schreef er al eerder over – door aandacht te vragen voor de Palestijnen. Hij plaatste de visie van Christenen voor Israël tegenover die van de Palestijnen. Daar zou volgens hem eens een congres over moeten worden georganiseerd. Alleen: welke stem ontbreekt er in zijn verhaal? Het is het oude liedje: achteruit denken zou ik het willen noemen.

Een fragment uit het boekje van Pangritz over Gollwitzer, onder een vreemde titel maar toch: http://www.kinderdienst.nl/data/pdf/45105.pdf

Van voor naar achter en van links naar rechts

Maarten LutherRabbijn Raphael Evers, rabbijn Menno ten Brink en Guy Muller van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi) roepen de kerken op ter gelegenheid van de vijfhonderdste verjaardag van de Reformatie (in 2017) excuses te maken voor Luthers jodenhaat.

De reactie hierop vanuit zowel de PKN als Refo500 zijn tekenend. Maar naar mijn idee moet er (ook) iets heel anders gebeuren. Eerst de reacties. En dan wat er zou kunnen gebeuren.

 

Een woordvoerster van de PKN, Marloes Nouwens-Keller, vindt het (als weergegeven in Trouw van vandaag) een punt om excuses te maken voor iets wat je zelf niet hebt gedaan. Herman Selderhuis van Refo500 wil ook aandacht schenken aan het feit dat de kerken vijfhonderd jaar geleden verdeeld raakten.

Het zijn kenmerkende uitspraken die iets zeggen over de beweging die de protestantse kerken maken: van voor naar achter en van links naar rechts (of van rechts naar links?). Of dat de goede kant op is, is maar de vraag. Daarom is het misschien goed als de kerken zich, ongedeeld, jawel, afvragen in welke al dan niet anti-joodse traditie zij nog steeds staan en wat dit met hun belijdenis doet.

Een voorbeeld. Een paar weken geleden werd Sacraments(zon)dag gevierd, een feestdag die oude papieren heeft (Luik, 1246) en gepaard gaat met plechtige processies. In de kerk waar ik ter kerke ga werd ter intocht stil gestaan bij de kooromgang, met zicht op de plaats waar eens het sacramentshuisje stond opgesteld. Het is een haast symbolisch moment in een kerk die zich beroept op de voor-reformatorische liturgie: ‘de rijkdom van de liturgie, het belang van rituelen, de wekelijkse viering van de Maaltijd van de Heer (Avondmaal of Eucharistie), de eeuwenoude traditie van muziek en theologie.’
Regelmatig klinkt er bijvoorbeeld gregoriaans, maar dan gezongen op een manier waarin niets hoorbaar is van de joodse wortels die er op één of andere manier in door zóuden kunnen klinken.

Een gezamenlijke optocht i.p.v. alleen door ambtsdragers – oké. Maar wordt ‘zo zichtbaar en voelbaar, dat wij te gast zijn in het huis van de Heer, en Hij degene is die ons uitnodigt?’ En: ‘doorbreken we (zo) ook de vaste gewoonte, die de indruk kan wekken dat wij bepalen wat er in Gods huis gebeurt?’  Daarvoor moet toch iets anders gebeuren.
De kans is groot dat mij, zoals me een keer in een kerkenraadsvergadering overkwam, ongetwijfeld worden verweten dat ik weer een hobby aan het botvieren ben. Een gevoeligheid voor joodse wortels is voor alles weet hebben van de boodschap die erachter zit.

In het leerhuis van dezelfde kerk is het hoe langer hoe meer bon ton om de Naam van God, het tetragram JHWH voluit uit te spreken. Al lang niet meer weersproken, want er lijkt geen beginnen meer aan. Of, zoals Ruard Ganzevoort mij eens twitterde toen ik er hem op wees dit gebruik ongepast te vinden: Mag ik. Het is in mijn traditie gebruikelijk. Een traditie die een steeds grotere stem krijgt. ‘En we zijn er inmiddels al niet meer bang voor’, hoorde ik een predikant laatst zeggen. O nee?

Met het gebruik de voor-reformatorische liturgie te omhelzen en joodse gebruiken die even goede papieren hebben in één moeite door de nek om te draaien, lijkt het steeds minder ongepast om in leren en vieren, in preken en voorbeden de joodse God van de wrake (u bedoelt?) van stal te halen en de aandacht voor het joodse erfgoed te vervangen door het Palestijnse leed. Dat zijn eenzijdige én gevaarlijke ontwikkelingen.
Misschien is het goed daar bij de herdenking van 500 jaar Reformatie óók bij stil te staan. En ons leven te verbeteren in plaats van terug te vallen in wat ik had gehoopt dat het verleden tijd zou zijn.

Vredesspiraal

Bram GrandiaHet artikel van Bram Grandia (zie afb.) in Vredesspiraal, het orgaan van Kerk en Vrede (december 2014, p. 6-7) past helemaal in het rijtje dat getuigt van slechte smaak die de kerk(mensen) nog steeds c.q. weer heeft/hebben t.a.v. jodendom en Israël: het Gazamanifest in Trouw (13 augustus jl.), de bijna-aanwezigheid van de secretaris van de PKN bij de alternatieve herdenking van de Kristallnacht in Amsterdam, de keuze voor uitgerekend Van Agt door de samenstellers van de serie Preek van de Leek in datzelfde Mokum op dezelfde dag.

Aan dat rijtje kan ik nog ontwikkelingen toevoegen als overwegingen met goede bedoelingen, sympathiek voor een moment, die plaats maken voor een goede exegese op grond van de bronteksten én het bijbehorende gedachtegoed, waarop je een hele week kunt kauwen.
En dan heb ik het nog niet eens over het onuitroeibare beeld van de God van de wrake van het Oude Testament en de God van de liefde uit het Nieuwe, alsof het er twee zouden zijn.

Behoren die constateringen tot een achterhoedegevecht? Misschien, als ik de predikant mag geloven die onlangs tegen mij zei dat de aandacht voor de joodse oorsprong van het christendom inderdaad minder wordt. Maar het is óók dat ik mijn mond niet kan, wil en mag houden én vooral omdat ik de hoop niet wil verliezen. Ook wat de politiek in Israël betreft, waartoe ik mij hier verder beperk.

‘De druk op Israël moet omhoog’ stelt Grandia met een opgeheven vinger in de kop boven, en als een refrein in zijn stuk. Alle bescheidenheid die mensen als professor Rudolf Boon (zijn nagedachtenis zij tot zegen) juist christenen in het spreken over Israël aanleerde en op het hart drukte, is als sneeuw voor de zon verdwenen. Kolommen lang. Ja, zelfs de laatste alinea – met, o gotspe, het woord lef –, waarin de erkenning van de Palestijnse staat uit de hoge hoed wordt getoverd, past in dit kader: de druk moet omhoog. Om de Palestijnen te steunen.

Begrijp me goed: ik ben vóór erkenning van een Palestijnse staat. Maar ik leg de accenten toch anders.
Ten eerste op dezelfde manier als de honderden Israëli’s, waaronder schrijver David Grossman en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman, die zich in oktober jl. per brief aan verschillende Europese parlementen richtten: ‘Een erkenning garandeert niet alleen het bestaan en de veiligheid van Palestina, maar ook het bestaan en de veiligheid van Israël.’
Ten tweede: ‘Het brengt meer evenwicht in vredesonderhandelingen (…). En dat is ook goed nieuws voor Israël’, aldus Jaap Hamburger (voorzitter van Een Ander Joods Geluid, 26 november jl.). Het biedt perspectief, concludeert hij, kan een stap naar een vredesakkoord zijn en is een reddingsboei.

Laten we die hoop levend houden! In Godsnaam.

http://www.timesofisrael.com/israeli-authors-urge-belgium-to-recognize-palestine/
http://www.sivmo.nl/petitie-erken-palestina.html

http://karlbarth.nl/het-gaza-manifest/

In stille verbondenheid

ZadkineTijdens de zesdaagse oorlog in Israël, in 1967 – ik was toen veertien jaar – heb ik om mij nu onduidelijke redenen een plakboek gemaakt met knipsels uit allerlei kranten en weekbladen. Voorin ligt een afbeelding uit een krant van 14 mei 1970, die ik er dus later in moet hebben gelegd: De verwoeste stad, het beeld van Zadkine van een man zonder hart in het naoorlogse Rotterdam (zie afb.).

Ik stuit op een knipsel met de kop ‘A’dam demonstreert uit sympathie voor Israël’. Een stoet van 15.000 mensen liep vanaf het Frederiksplein, lees ik. ‘Een stem vroeg via de geluidswagen: Wat willen we? De massa antwoordde: Vrede. De stem: Waar? De massa: Israël.’ Als was het het openingskoor uit Bachs Matthäus Passion: Sehet – wen? Sehet – was? Sehet – wohin?

Even verderop in het plakboek zit een soortgelijk knipsel over een demonstratie in Groningen. Vijfduizend mensen luisterden er naar sprekers, waaronder rabbijn
J. Soetendorp die het regime van Nasser ‘in wezen een voortzetting noemde van de politiek van het nationaal-socialisme’. En dan gaat het verder met foto’s van de Gaza-strook, een artikel van David Nazarella over GAZA na de strijd.

Het laatste knipsel heeft als kop: ‘JERUZALEM een jaar later’ en komt uit het toenmalige Algemeen Handelsblad (24 juni 1968). GAZA met een hoofdletter, JERUZALEM met een hoofdletter; zo ging dat blijkbaar toen.

Ik zou zo verder kunnen gaan, zoveel jaar later. Met berichten over demonstraties, nu in Den Haag en Amsterdam. Wat willen we? De 180 graden gekantelde antwoorden vergeleken met 1967, de leuzen en gelijkstelling van nu Israël met het nationaal-socialisme kennen we. En de misselijk makende link naar joden in Nederland ook.

Maar het is zoals Arjan Plaisier, de scriba van de generale synode van de PKN schreef: ‘Wij accepteren geen land van ‘minder Marokkanen’. Wij accepteren geen land van minder Joden en al helemaal niet van ‘weg met de Joden’.” Noch het één noch het ander.

Er zat nog een klein knipseltje in die Multomap: ‘Ook in Utrecht’. In Utrecht is in 1967 door studenten een stille tocht gehouden, ‘om uiting te geven aan hun ongerustheid over de gebeurtenissen in het Nabije Oosten.’

Niet Eyless in Gaza, zoals de boektitel van Aldous Huxley luidt, of het moet het blinde recht zijn. Niet horende doof. Maar stil, opgekropt geschreeuw, zoals het beeld in Rotterdam. Omdat we het ook niet weten, maar uiting willen geven aan onze verbondenheid. Met het hele Midden Oosten. Met joden en Marokkanen in Nederland.