‘Ik ben een entertainment’

Als je op de flyer van de IDFA-documentaire King of the Cruise afgaat, – een film die nog steeds in de bioscoop draait (en op PICL valt te zien) -, zou je denken dat de hoofdpersoon Ronnie Reisinger, pardon: baron Ronald Reisinger, dagelijks over het dek flaneert in een Sinterklaasachtige koningsmantel. Niets is minder waar: we zien hem slechts één keer in die mantel om op de foto te worden gezet (zie foto hierboven). Meestal heeft hij een overhemd en een korte broek aan, soms een Schotse kilt.

Niet dat hij niet op wil vallen, want daar is het hem eigenlijk allemaal om te doen. Ouder worden is onzichtbaar worden, zegt hij, en daar heeft hij een broertje dood aan. En niet dat hij de enige extravagante persoon op het cruiseschip is. Neem een Estse vrouw waarmee hij vaak aan tafel zit. Zij is buitengewoon in hem geïnteresseerd en deed me denken aan een Estse die ik eens op een congres ontmoette en die elke winkel indook om een boek over Europese koningshuizen te bemachtigen. Het trekt, zegt Ronnie, baron of koning zijn.

Het is wellicht net zo’n combinatie van echt en verzonnen als de naam van het cruiseschip (Edge) en de naam van de maatschappij op de badges van het personeel (CNO). Regisseur Sophie Dros doet ook geen moeite om er duidelijkheid over te scheppen, net zomin als ze dat doet over het waarheidsgehalte van Reisingers opgediste verhalen; ‘Ik ben een entertainment’ volstaat. Dat is goed, maar denk dan óók niet dat het grote schip model staat voor ‘het’ cruiseschip, net zomin als de passagiers dat doen. Die zijn er allebei in soorten en maten.

Een cruiseschip is – de tweede hoofdpersoon van de film –, nog steeds volgens de genoemde flyer, ‘een drijvende micro-gemeenschap die aantrekkelijk is voor sommigen, en afstotelijk voor anderen’. Ik behoor een beetje tot de eerste categorie, maar denk niet dat ik me op de foto laat zetten, telkens met champagne in mijn hand of in de buurt heb, ga golven, naar de pedicure of de fitness ga. Het zijn dingen die ik thuis ook niet doe, dus waarom zou ik dat daar opeens wel doen?

Ik zie het wel om me heen: mensen die zich vol eten (zoals ook de baron, met de mogelijke gevolgen van dien; halverwege wordt hij naar een ziekenhuis vervoerd), mensen (ook jongeren, die bij mijn rederij ontbreken, zie foto) die zich vervelen en niet of nauwelijks van boord gaan, waar ik de kans te baat neem dat wél te doen om wat te zien van de steden en dorpen in het land waardoor ik heen vaar. Aan boord schrijf ik me in voor de leesclub, bezoek de korte kerkdiensten (andersoortig dan op Ronnies schip), geniet van het uitzicht, zoals dat in King of the Cruise af en toe ook mooi in beeld is gebracht, ben blij als me aan het diner een mooi gesprek toevalt in plaats van de small talk uit de film en bezoek de première van een film van David Attenborough met live muziek.

De muziek die ik verder verkies is niet de rake, ironische keuze van de film (‘Nice skin’ op het moment dat een gerimpelde nek van een oudere dame in beeld wordt gebracht), maar concerten van meereizende conservatoriumstudenten die bijvoorbeeld een Pianokwintet van Brahms spelen. En die zingende serveersters ben ik ook nog nooit tegengekomen. Wel het vriendelijke tot overdreven vriendelijke personeel dat zich afbeult. Ik pas ze af te vallen; geen dagkrantje ontvangen? Dan haal ik er wel een uit een display en niet aan de receptie, want daar vragen ze naar het nummer van je ‘Stateroom’ …

Het zijn twee werelden, die van mij en die van Reisinger en de Estse, die van het ene en het andere cruiseschip, de ene en andere (minder vervuilende) maatschappij, maar op een gegeven moment kantelt de film. In zijn luxe balkonhut vertelt Reisinger over zijn leven, het gebrek aan liefde dat hem ten deel viel en valt. Staat hij (of liever: zit hij, uitgeput op een bankje, terwijl iemand om hem heen aan het stofzuigen is) ‘symbool voor de leegte in de westerse wereld’, zoals ik ergens las? Nee – hij maakt er deel van uit, net als ikzelf op een bepaalde manier. Dat kun je maar beter erkennen en proberen wat meer inhoud aan je eigen leven te geven. Dat kan ook, ja werkelijk, op een cruiseschip.

Zie ook: https://8weekly.nl/special/confrontatie-met-jezelf/

Overdonderende onderdompeling

Vierde Adventszondag. De Dorpskerk in Bloemendaal. Een Festival of Lessons and Carols. De kerk is afgeladen vol. Er worden stoelen bijgezet, mensen wijken uit naar de galerij. Het Kleinkoor zingt onder leiding van Peter Folstar en met een zelfstandige orgelpartij, gespeeld door Agnes van Bekkum, een kort stuk van de Duitse organist en componist André Heberling (1975):

Das Volk das noch im Finstern wandelt, bald sieht es Licht, ein grosses Licht!
Und über denen die da wohnen im Finstern Lande scheint es hell!

Het is een tekst uit Jesaja 9:1-2. Het begint in de donkere diepte van de stemmen en culmineert met een uitbarsting op ‘Licht!’.
Agnes van Bekkum speelt verderop in de dienst het orgelkoraal Nun komm der Heiden Heiland van Joh. Seb. Bach. Ook nu begint het in de donkere diepten. Niet dat het daarbij bleef, want het koor had even tevoren als laatste bijdrage aan deze dienst het O magnum mysterium van de Zwitserse componist Ivo Antognini (1963) gezongen – bedoeld als een opmaat naar kerst, zoals het laatste, schrijnende akkoord in Bachs Matthäus Passion oplost met de blik richting Pasen.

Ik moet eraan terugdenken, terwijl ik – nog net in de Adventstijd – in de Amsterdamse Oude Kerk loop door de installatie Poems for Earthlings van de Argentijn Adrián Villar Rojas (1980). Niet dat daar op de acht uur durende soundscape iets van Heberling, Bach of Antognini klinkt. Nee, het is de sfeer die de installatie oproept: donker, vooral donker, onder meer door de geblindeerde ramen. Hoe zou je dat als kerkganger ervaren op kerstmorgen? En de rest van het kerkelijk jaar, tot en met 21 april 2020?

Wat je ziet zijn vooral houten schotten en zandzakken. Sommige zakken zijn overigens gevuld met piepschuim om het niet al te zwaar te maken. Zij moeten herinneren aan de zandzakken die in de Tweede Wereldoorlog de schatten in kerken, zoals de kathedraal van Reims, beschermden tegen het oorlogsgeweld. Ds. Marcel Barnard refereerde in zijn preek op derde Adventszondag (na te lezen op de website https://oudekerk.amsterdam) ook aan een andere bedoeling ervan: het buiten sluiten van het ‘economische en toeristische en wellustige geweld van deze buurt’.
De kerk als een naar binnen gekeerde schuilplaats en niet openstaand naar buiten, open voor bijvoorbeeld asielzoekers. Dat laatste is eerder indrukwekkend verbeeld door Sarah van Sonsbeeck (2017, zie: https://8weekly.nl/recensie/gelaagde-mylar-dekens-havenkerk/). Daar ging het om beschermende dekentjes voor bootvluchtelingen.
Een verwijzing naar de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog, die wel wordt gelegd, heb ik zelf niet; de looppaden zijn daarvoor te breed.

Wat je ziet zijn vervolgens kroonluchters die, op staketsels leunend, laag bij de grond hangen. Ze verlichten de donkere kerk spaarzaam. Wat je hoort is geen kerkmuziek, maar – in de tijd dat ik er rond liep – het geschrei van een baby (toch een beetje kerst!) en het gegrom van een aap.
In die zin is het toch niet helemaal een site specifiek werk, zoals de Stichting Oude Kerk aankondigt, maar een conceptueel kunstwerk waartoe je je als bezoeker moet verhouden.

Dat gebeurt alom. Aan de heftige meningsverschillen die dit helaas oplevert, ga ik hier voorbij; het valt allemaal na te lezen op een webpagina waarop de kerkelijke gemeente tal van reacties bij elkaar heeft gezet: https://oudekerk.amsterdam/nieuws/het-kunstwerk-in-de-oude-kerk-discussie/ Waaraan trouwens (nog?) het mooie stuk ‘Collectief’ van Niña Weijers (in: de Groene Amsterdammer, 12 december jl.) ontbreekt; zij heeft het over ‘een kunstervaring die (…) overdonderend was’. Over een ‘onderdompeling’ waarvan ze hoopt dat iedereen hem zo zou kunnen beleven. Over de inhoud van de installatie heeft ze het niet. Sterker nog: wil ze het niet hebben. En dat ligt in het verlengde van de abstractie die Villar Rojas voorop stelt.

Ik moest wat dit laatste betreft tenslotte denken aan wat iemand mij vertelde over een Artist talk waar ik zelf niet bij ben geweest. Volgens haar kwam er niet helemaal uit naar voren wat Adrián Villar Rojas nu precies met het kunstwerk bedoelde. Zij weet dat aan zijn gebrekkige Engels, maar misschien wilde hij, net als Weijers, het gewoon open laten en niet, zoals nu een beetje gebeurt, dicht timmeren met woorden; het kunstwerk vraagt om er stil doorheen te slenteren. Dan kun je niet anders dan Weijers beamen, alle nuanceringen die je er ook bij kunt bedenken ten spijt.

Foto (Jörg Baumann) bovenaan deze blog is ontleend aan een Nieuwsbrief van de Oude Kerkgemeente in Amsterdam.

https://oudekerk.nl 

Drieluik

Het wordt weer eens tijd voor een drieluik. Dit keer naar aanleiding van

  1. ‘Drie paradijselijke middagen in de Ark’
  2. Muziektheater bij Zinnig Noord: Golem
  3. De recensie van Niña Weijers over de nieuwe roman van Ben Lerner

1.
Er staan in de Bijbel twee scheppingsverhalen, vertelt dr. Wilken Veen tijdens de eerste van drie middagen van het Oecumenisch Leerhuis Noord in Amsterdam.
Tijdens de tweede middag keken we naar het verhaal in Genesis 2. Veen legde uit dat in de mens een levende ziel werd geblazen (vers 7), zodat lichaam en geest één werden. God vond het geen goed idee, dat ‘de mens’ (adam) alleen is (vs. 18), maar Hij ‘vond geen hulp als zijn tegenover’, als gelijkwaardige. Daarom nam Hij één van zijn ribben uit de man en bouwde die tot een vrouw. Het woord ‘ribben’ werd lang louter als lichaamsonderdeel gelezen, maar je kunt het volgens Veen ook lezen als een rib van een gebouw; het Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt in het kader van de bouw van de Tempel van Salomo.
Wanneer ‘de mens’ (adam, de man) zegt dat de vrouw been van zijn gebeente is (vs. 23), dan zegt hij niet meer en niet minder dan: precies zoals ik. Zij heet Ischa, vrouw (vs. 23), dus niet: mannin, zoals wel wordt vertaald, maar een zelfstandig wezen. En dan volgt een matriarchaal trekje: de man hangt, of kleeft, zijn vrouw aan. Wordt dus met andere woorden deel van de clan van zijn vrouw.

2.
In dezelfde week dat wij dit gedeelte lazen (een volgende keer lezen we nog verder over het paradijs), woonde ik de muziektheatervoorstelling Golem van Zinnig Noord in dezelfde kerk, de Ark, bij. Een persbericht vermeldde de volgende vragen die aan de orde zouden komen: ‘Wanneer raak je als mens bezield? Wanneer gaat “het licht” aan?’ Zouden er dezelfde, of andere antwoorden worden gegeven als in het Oecumenisch Leerhuis? En waar zou de joodse mysticus en kunstenaar Joseph Semah mee komen in wat werd aangekondigd als ‘een kort voorprogramma’? Dáár was ik ook nieuwsgierig naar, want zijn naam was in mijn leven als recensent en kunstliefhebber al eerder voorbij gekomen: https://8weekly.nl/recensie/de-kerk-is-deel-geworden-van-de-kunst/

Eerst de performance. Sebastian Holzhuber zat in een wijde pofbroek op een poef en spon een draad. Achter de piano zat Uzi Heymann, gehuld in een Franciscaanse pij. Hij speelde minimal music en een stukje van Eric Satie. Zijn gezicht was niet te zien, we hoorden hem alleen. Tot hij op een gegeven moment zijn pij afwierp en op een lendendoek na naakt voor ons stond. Holzhuber begon klei nat te maken en kneedde dit uit op zijn lichaam, tot op en in zijn haren aan toe. Er ontstond op die manier een, overigens mooi, abstract schilderij. Er ontstond een Golem, het mythische personage uit de joodse legende, een mens zonder individualiteit. Het eindbeeld was dat de twee mannen lepeltje lepeltje stonden en beiden de armen ophieven. Een afrondend gebaar? Een kruisteken? Het riep bij mij verwarrende gevoelens op, hoe fraai ik de performance op zich ook verder vond.

Het korte voorprogramma van Semah werd omdat men, bij monde van Jonatan, een van de organisatoren van Zinnig Noord, de beelden voor zich wilde laten spreken, een kort na-programma. Semah sprak niet of nauwelijks over de golem, maar over – zoals een persbericht al had voorspeld – het feit dat ‘zowel in de joodse mystiek als in de Griekse filosofie mannen en vrouwen ooit waren verenigd. Tot zij door de goden werden gescheiden. Gebeurde dit uit angst, of uit liefde?’

Semah begon met de Griekse filosoof Plato (Symposion). Daarin is een raamvertelling over de schepping opgenomen van Aristophanes. Eerst werden man en man geschapen, toen vrouw en vrouw en tenslotte man en vrouw. Het geslacht werd met een staaldraad van het lichaam gescheiden, omdat er angst bestond dat ze aan de macht van Zeus zouden raken.
Vervolgens ging hij in op het eerste scheppingsverhaal (Genesis 1), dat bij Wilken Veen niet echt aan de orde was geweest. Hier werd de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen. Adam en Eva leefden volgens de joodse mystiek rug aan rug, zodat ze geen weet hadden van elkaars bestaan. God kwam weer letterlijk tussenbeide en daar waren Adam en Eva die elkaar ontmoetten, omdat ze elkaar aan konden kijken, en zochten. Hier was niet sprake van angst, maar van liefde.

Tenslotte gaf Semah de twee uitvoerenden van de performance nog een tip: eindig niet zoals je nu eindigt (het riep bij mij als gezegd ook al verwarring op), maar met een gezamenlijke dans, met drinken en eten eventueel.

3.
In De Groene Amsterdammer (14 november 2019) schreef Niña Weijers tenslotte een stukje onder de titel ‘Bla’. Het begon met gender: ‘Giftige mannelijkheid heeft een evolutie doorgemaakt van superieur zwijgen naar superieur spreken. De mansplainer is ontegenzeggelijk meer van de elite dan de zwijgende cowboy; het zijn voornamelijk hoogopgeleide vrouwen met carrières die aanstoot aan hem nemen, in omgevingen waar kennis en taal hoog in het vaandel staan.’

Vervolgens sprong zij over naar de nieuwe roman van Ben Lerner, Leerjaren in Topeka. ‘Het begint’, schrijft zij, ‘met een sterk staaltje mansplainen’. De hoofdpersoon blijkt nota bene Adam te heten, en dat is vast niet voor niets! Adam gaat varen met een vriendinnetje, ‘met zijn rug naar haar toe houdt hij een lang betoog over een en ander. Wanneer hij zich eindelijk omdraait, is ze verdwenen, in het water gedoken en, naar blijkt, terug naar huis gezwommen’.

Hoe anders dan in het joods-mystieke verhaal dat Semah vertelde: Adam en Eva die rug aan rug leefden, maar door God de goede kant op werden gekeerd, zodat ze elkaar aan konden zien. Als elkaars tegenover, gelijkwaardig aan elkaar. De uitbeelding van het verhaal van de golem kwam niet tot dit punt, omdat beide mannen elkaar niet aanzagen. De golem is dan ook geen individu, zoals man en mannin dat nog niet zijn. Dat kwam toen God ze scheidde, Adam en Eva noemde, de mythe voorbij.

Twee paar handen

Vorige week bezocht ik met een vriendin op de Biënnale in Venetië. Een impressie van met name de twee hoofdtentoonstellingen, de landenpaviljoens in het stadspark Guardini en de door curator Ralph Rugolff samengestelde expositie in het Arsenale, alsmede enkele satelliettentoonstellingen én een geheim tip van een in de pers schromelijk verwaarloosde bijdrage van Navid Nuur, verscheen op de website 8weekly.nl: https://8weekly.nl/special/kunst-specials/biennale-arte/ 

Wie mijn blogs een beetje volgt, weet dat ik verzot ben op kunstwerken die op één of andere manier, al dan niet bewust, in gesprek gaan met elkaar. Op bovengenoemde website zijn dat James Byas en de stèle van doge Mercantonio Memmo, – hier een doek van Jörg Immendorff (Michael Werner Gallery, foto links) in Quarini Stampalia en een zelfportret van Arshile Gorky (privécollectie, foto rechts) in Ca’ Pesaro.

Eerst Immendorff. Het doek in acrylverf heeft als titel So … Besuch bei einem Künstler (1976). Op een sociaal-realistische manier schilderde Immendorff een groep mensen. Rechts staat de Künstler, met in zijn linkerhand een kwast waarvan het uiteinde uit vingers bestaat. De boodschap moge duidelijk zijn: de kunstenaar heeft een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Kunst moet de wereld, de maatschappij, leefbaarder maken. Het is de kunst zelf waardoor de in 2007 overleden Immendorff zich uit en zijn duidelijke en zekere statement maakt. Je zou het ethische kunst kunnen noemen, op een aansprekende manier en in felle kleuren neergezet.

Het schilderij van Gorky, die in 1948 zelfmoord pleegde, is een zelfportret dat hij circa 1937 met olieverf in tere kleuren op het doek zette. Het is (nog) duidelijk beïnvloed door de stijl van Paul Cézanne. De schilder houdt in zijn rechterhand, lijkt het, een palet. In zijn linker vermoed je een kwast, maar het is noch een hand, zoals bij Immendorff, noch een kwast die zijn afgebeeld. Het is pure vorm, l’art pour l’art haast.

Gorky was in 1937 bevriend met John Graham, auteur van onder meer System and Dialectics in Art (New York, 1939). In het voorwoord hiervan schrijft de auteur dat ‘kunst de kracht is die de mensheid door eeuwen van donkerte leidt’. Dit is wat ik ook in dit portret proef, samen met een zekere onzekerheid en twijfel of dit wel mogelijk is. Je zou het esthetische kunst kunnen noemen.
Wat mij bij deze Biënnale opviel, was echter dat het ethische én het esthetische allebei aanwezig was. Soms, zoals in bovengenoemde twee doeken in samenspraak, soms ook binnen één kunstwerk.

Schijf van vijf

De inmiddels overleden hoogleraar Ido Abram ontwikkelde, naar analogie van de bekende ‘schijf van vijf’ voor gezond eten, een soortgelijke schijf van vijf om de joodse identiteit te benoemen. Zoiets geldt natuurlijk voor ieder mens, die immers altijd méér is dan dat ene kenmerk dat iemand anders als wezenlijk aanmerkt. Een verademing in tijden van doorgeschoten hokjesdenken en etikettering, waarin iemand wordt vastgepind op zijn etnische achtergrond, nationaliteit, religie of sekse. Zei Maxim Februari tijdens de prachtige uitzending van Zomergasten onlangs niet, een Afrikaans gezegde parafraserend, dat een mens niet zomaar een verhaal is, zelfs niet zomaar een boek, maar een hele bibliotheek?

Ik moest eraan denken toen ik onlangs in Museum Kranenburgh in Bergen op de tentoonstelling Onder vrienden (nog te zien t/m 10 november a.s.) werk van Leo Gestel (1881-1941) zag. Het leek wel een beetje op de schijf van vijf, want vanuit zoveel achtergronden en in zoveel stijlen heeft hij geschilderd.
Hetzelfde geldt ook voor Jan Toorop (1858-1928, foto hierboven), waar ik hier verder nu op inga.

Jan Toorop
Op de één of andere manier blijft er echter een overheersend beeld van zijn kunst hangen, dat nodig weer moet worden rechtgezet c.q. aangevuld. Of het nu door de reclame-uitingen van 2016 kwam, maar ik heb de tentoonstelling Jan Toorop in het Gemeentemuseum Den Haag toen aan mij voorbij laten gaan. In mijn geheugen heeft, al dan niet, het beeld postgevat van Toorops slaoliestijl (reclameaffiche voor Delftsche Slaolie, 1894, Rijksmuseum Amsterdam, afb. links) en van diens rooms-katholieke achtergrond (De Pelgrim, 1921 uit Museum Catharijneconvent te Utrecht, afb. rechts), maar het zijn maar twee schijven van de zeg maar vijf.

Voor een Special voor de website 8weekly.nl heb ik Museum Kranenburgh in eerste instantie bezocht voor een andere tentoonstelling die nog t/m 10 november a.s. valt te zien: met werk van Toorops kleinzoon Jan Fernhout (Licht in kleur), straks gevolgd door de tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Alkmaar: De Toorop Dynastie (28 september t/m 26 januari 2020).
Ondertussen kijk ik bij museumbezoek tussendoor telkens of er in het onderhavige museum ook werk van Jan Toorop valt te zien. En dat leidt tot verrassingen. Laten we eens kijken.

In het Rijksmuseum Amsterdam hangt een prachtig doek: De zee bij Katwijk (1887, zie hiernaast) dat, verdomd als het niet waar is, in een rechte lijn doorloopt naar atmosferische zeegezichten van Fernhout in Bergen. Daarover straks meer in mijn Special voor 8weekly. Toch kun je Toorop niet, zoals Victorine Hefting, oud-directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag deed, puur als een typische Haagse Schoolschilder zien; dat is maar één partje van de schijf van vijf. Het palet uit die tijd doet evenzeer aan dat van Breitner denken.

Dat bleek ook weer toen ik in de Fundatie in Zwolle stond voor een klein maar fijn pointillistisch schilderij: De sluizen bij Katwijk (1898, zie afb. links). Zo rond de eeuwwisseling pakte Toorop deze Franse stijl op die je blij maakt. Een stijl die hij al snel verwisselde voor het impressionisme van Monet, maar de blijheid blijft ervan af stralen.

 

Deze ‘schijf’ wordt gevolgd door een realistische, symbolistische en rooms-katholieke periode waarin onder meer werken ontstonden die zich in het Kröller-Müllermuseum te Otterlo bevinden, zoals de hierboven weergegeven krijttekeningen: Meditatie (1896, links) en Orgelklanken (1891, rechts)
En nog is de schijf van vijf niet vol – want als etser was hij ook vernieuwend bezig. Hij noemde ze ‘hiëroglyfen van de innerlijke stilte’. Kleine portretjes van mooie koppen. De revolutionair Toorop was de schilder van kunst als ‘voertuig voor de revolutie naar rust’ geworden. De schijf is vol(tooid), het beeld compleet.

Drieluik bij de zevende kruiswegstatie

Jezus valt voor de tweede maal

1.
Afgelopen week liep ik op een avond van metrostation Vijzelgracht richting Leidseplein, met als doel onderweg in The Small Museum – twee mededelingenkastjes van de voormalige Vrije Gemeente (thans Paradiso) – pen- en inkttekeningen van Paul van Dongen die deel uitmaken van Troubled Waters, Art Stations of the Cross te bekijken.

De linker verbeeldt het Oordeel (2012), de rechter het Verrijzen (2013, zie afb. links, ontleend aan de website van de kunstenaar). De eerste toont ons volgens de catalogus ‘mensen die vallen, misschien doordat hun een te zware last werd opgelegd’. Het is een choreografie ‘met naakte manfiguren die samen de val, het bestaan zonder vaste grond, de reddeloosheid uitdrukken’. Aan de rechterkant van de deur, in het andere kastje (waarin op het moment dat ik er langs liep het tl-licht overigens kapot was, wat overigens niet deerde), worden mensen getoond die ‘weer opkrabbelen, zoals ook Jezus opstond na zijn val’.

2.
In de loop van de week lees ik in Preludium, het muziekmagazine van Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO, april 2019) een dubbelinterview dat Thea Derks had met dirigent David Robertson en componist Nico Muhly, die allebei meewerken aan een nieuwe theaterproductie van Dood in Venetië naar de novelle van Thomas Mann (4, 5, 7, 8, 10, 11 en 13 april a.s. in Koninklijk Theater Carré). Robertson dirigeert het KCO, Muhly componeerde verbindende muziek.
Muhly heeft het in het interview over Charon (de veerman van de onderwereld), die ‘staat voor de dood en het afdalen naar een steeds diepere duisternis. Het is een cyclus van vierenveertig akkoorden, die steeds in een andere variatie terugkeren (…). Het is alsof je eindeloos naar beneden valt’, net als op het Oordeel van Van Dongen.

3.
Weer enkele dagen later valt mij een recensie-exemplaar toe van de essaybundel Pijnlijk mooi. Lijden en schoonheid in de christelijke kunst (uitg. Skandalon) die ik voor de website 8weekly.nl zal bespreken. Anne-Marie Bos, verbonden aan het Titus Brandsma Instituut, schreef er een bijdrage in over een kruiswegstatie van Titus Brandsma (1942). Bij de zevende statie benadrukt hij volgens haar ‘niet het “weer opstaan”, maar het “weer vallen”.’ De herhaling van de val is, als in de vierenveertig akkoorden van Muhly, de vernedering in de vernedering. Het gaat Brandsma niet, zoals bij Van Dongen, om het Verrijzen, maar over bidden, het ‘ons steeds weer bemoedigen in ogenblikken van zwakte en vlucht van het lijden’.

Toegift
Aan het eind van de week hoor ik een mooie uitleg van het slot van het Bijbelboek Genesis (Gen. 50:22-26). De rouw om de dood van in dit geval Jozef, die blijft staan, terwijl er toch de zekerheid is dat God naar Zijn volk zal omzien en het uit de ballingschap zal voeren. Zoals Van Dongen beide naast elkaar laat staan: het Oordeel en het Verrijzen, de val en de opstanding, terwijl Muhly en Brandsma het bij het vallen houden. In de wetenschap dat er nog meer komt, dat er nog meer staties volgen. Zo vervolg ook ik mijn route langs de staties die deze veertigdagentijd in Amsterdam zijn te zien.

www.thesmallmuseum.nl
http://paulvandongen.com/
www.artstations.org
www.skandalon.nl

Het vijfde seizoen; aan de vooravond van de klimaatmars

Opeens is er in het boek Het jaar van Vivaldi van Henk Vreekamp weer een figuur die je ook in Als Freyja zich laat zien tegen had kunnen komen. Ze stapt door de deur, gemaskerd als voor het Venetiaanse carnaval, en neemt plaats in de lege stoel bij de haard. Ze blijkt Vivaldi goed te hebben gekend. Ze vertelt:

‘Vivaldi heeft me ooit toevertrouwd (…), dat hij plannen had aan De Vier jaargetijden een Vijfde jaargetijde toe te voegen. Op dat idee was hij gekomen toen hij op de vierde zondag van Advent in het Missaal de beginwoorden van Psalm 19 las: “Coeli enarrant gloriam Dei: et opera manuum eius annutiat firmamentum”. De hemelen verhalen de glorie van God en het firmament kondigt de werken van zijn handen aan. De vonk in deze woorden sprong bij hem over, op slag. Verrast dronk hij de woorden van Psalm 19 in als “sonnet” voor het vijfde seizoen.’                                                                                       

Het vijfde seizoen vormt de ziel van de vier. Het verbindt ze, zet ze in beweging zodat ze niet verstarren in hun wederkeer. Het is zoiets als ‘het vijfde evangelie, het zesde zintuig, de achtste dag, de dertiende maand’. Of wellicht de dertiende apostel (Joh. Seb. Bach). In ieder geval ‘boventallig. Over de grens van het gewone heen, om juist dat gewone te bezielen’.

Het doet me, aan de vooravond van de klimaatmars in Amsterdam, denken aan een schilderij van David Hockney dat ik afgelopen week op de tentoonstelling Hockney – Van Gogh in het Van Gogh Museum in Amsterdam zag:

Een moerbeiboom links lijkt te juichen van vreugde. Hockney heeft wat met de wisseling der seizoenen in het Engelse Yorkshire. De boom lijkt te juichen voor het vijfde seizoen, in de hoop ‘op U, op ons’ zoals André F. Troost dichtte. Het tegendeel van de klagende, kreunende, schreeuwende en roepen schepping op het beroemde schilderij De schreeuw van Edvard Munch.

Troost lijkt als slot van zijn gedicht ook het vijfde seizoen te benoemen, het ‘jaargetijde dat al ons vuil in schoonheid doopt’:

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping klaagt, de
aarde huilt – akkers en weiden: straks woestijnen,
het voedsel schaars, de grond vervuild.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping kreunt, de
aarde vraagt: gun ons de tijd nog te vermijden dat
al wat leeft wordt weggevaagd.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping schreeuwt,
de aarde zucht – hoe konden wij zo bruut ontwij-
den uw werk: het land, de zee, de lucht?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping roept, de
aarde smeekt – dit is toch niet het eind der tijden
nu hebzucht wereldwijd zich wreekt?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping bidt, de
aarde hoopt op U, op ons – een jaargetijde dat al
ons vuil in schoonheid doopt.

 

Afb.: David Hockney “May Blossom on the Roman Road” 2009
Oil on 8 canvases (36 x 48″ each) 72 x 192″ overall
© David Hockney Photo Credit: Richard Schmidt

Mijn recensie van deze tentoonstelling, die nog tot 26 mei a.s. valt te zien, verscheen op de site van 8weekly.nl: https://8weekly.nl/recensie/kunst/een-ode-aan-het-leven/

Tussen mei-september a.s. komt bij uitgeverij KokBoekencentrum een boekje van mijn hand uit over denken en werk van Hendrik Vreekamp: Mythe, mysterie, mystiek.

Esther Tielemans

Ik houd van het werk van beide kunstenaars: van Robert Zandvliet (1970) en van Esther Tielemans (1976). Zou het zijn doordat ze allebei zijn geïnspireerd door landschapsschilderkunst? Zou het komen omdat hun werk iets teers heeft? Alle twee wellicht.

De kunst van Zandvliet kwam bij eerste kennismaking meteen al overweldigend binnen. Dat was in Museum Belvédère in Heerenveen, jaren geleden. Dat van Tielemans heb ik moeten veroveren, maar tijdens de tentoonstelling Sol LeWitt: a tribute in GEM, Museum voor Actuele Kunst in Den Haag (2017, zie afbeelding) was het helemaal raak. Ik schreef erover voor de website 8weekly.nl: ‘LeWitts wandtekening #1024 (2002) beïnvloedde de Nederlandse kunstenaar Esther Tielemans (1976), van wie onder andere Een cirkel is een zacht vierkant 1 (2014) valt te zien. In een ander schitterend werk, Zonder titel (Pedestal Painting, 2014) voegt zij aan de strakheid die minimal art per definitie kenmerkt, een expressieve toets toe die doet denken aan de gouaches Zonder titel (1992) van LeWitt.’

Die combinatie (strakke rationaliteit en expressieve toets) zal het hem mede hebben gedaan. Net als het feit dat schilderkunst bij Tielemans – waartoe ik mij hier verder beperk – overgaat in sculpturale kunst.
Maar er valt nóg een laag in te ontdekken, naast die invloed van de landschapsschilderkunst, naast het tere, naast de ratio en het gevoel. Niet zozeer letterlijk in de egale kleurvlakken die zijn bespoten met spiegelend epoxyhars, maar in de factor tijd die er een rol in speelt. In de panelen van haar recentere werk zitten wéér panelen, die eruit kunnen worden gehaald. Je kunt de kunstwerken dus als één geheel zien, maar ook als onderdelen die dat geheel uitmaken. De kunstenaar zei in een interview dat ‘de stap waarvan ik aanvankelijk dacht dat het de laatste was geweest, ineens ergens halverwege blijkt te hebben plaatsgevonden’.

Dat is een filosofisch probleem dat me aanspreekt, al vanaf het moment dat Dieuwke Eringa ons tijdens de lessen Frans op het Hervormd Lyceum in Amsterdam het begrip ‘tijd’ bij Bergson uitlegde. Om dat – als volgende stap in het beschouwen van het werk van Tielemans – te kunnen doorgronden, bel ik blij dat Galerie Ron Mandos in Amsterdam Esther Tielemans gaat vertegenwoordigen. Zij tonen voor het eerst haar werk tijdens Art Rotterdam, februari 2019 (in de Van Nelle Fabriek). Een fijn vooruitzicht!

Zwart en wit

Zaterdag 8 september bezocht ik de Culturele Hoofdstad van dit jaar: Leeuwarden, de stad waar ik in de jaren zeventig-tachtig van de vorige eeuw 12 ½ jaar heb gewoond en gewerkt. Samen met een oud-collega heb ik er met volle teugen genoten wat Leeuwarden in dit kader zoal te bieden heeft.

Fontein
Het eerste wat opvalt wanneer je van het station richting stad loopt, is de zeven meter hoge fontein van de Spaanse kunstenaar Jaume Plensa, een van de 11 fonteinen die in het kader van de Culturele Hoofdstad verrezen. Het is een prachtig werk: twee witte kinderhoofden reizen op uit de mist, of worden erdoor omhuld. Ze zijn naar elkaar gericht, in gedachten, met de ogen dicht. Ze dromen, aldus de kunstenaar, van de toekomst.
De fontein is haast het spiegelbeeld van de twee koppen die tezamen de fontein van Mark Manders aan het Amsterdamse Rokin vormen: zij kijken niet naar elkaar, maar van elkaar af, de een richting Centraal Station, de ander richting Munt. Ze zijn ook niet wit, maar van zwart marmer.

Achmeatoren
Nadat de inwendige mens was gelaafd, togen wij naar de Achmeatoren van de Friese architect Abe Bonnema. Net als de fontein van Manders zwart, in dit geval opgetrokken uit zwarte platen natuursteen. Snelle liften, waarvan twee aan de buitenkant die langs een glazen want uitzicht over snel kleiner wordende stad beneden gaven, brachten ons naar de 24ste verdieping. Nog twee verdiepingen lopen en we konden rondom kijken. Naar waar we hadden gewoond, naar de Waddeneilanden. Gebouwen uit ‘onze tijd’ herkennend, nieuwbouw en wat dies meer zij bewonderend. En en passant wat meer over Bonnema te weten komend, van wiens werk ik altijd een liefhebber ben geweest.

Johan Tahon
De volgende stop betrof de tentoonstelling Monk van Johan Tahon in het Princessehof. Ik kende zijn werk uit de galerie van Gerhard Hofland in Amsterdam en verheugde me erg op deze expositie. Een recensie ervan verschijnt op de website 8weekly.nl (een link volgt hier later).
Hier keerden we weer terug naar de kleur wit; de Vlaamse kunstenaar had zich laten inspireren door de schiere (witte) monniken van Schiermonnikoog. Wit glazuur sijpelt over hun lichamen, als een ritueel. Het is enerzijds archaïsche kunst maar anderzijds ook, net als de fontein van Plensa, toekomstgericht: zal gebed de wereld kunnen redden? Net als bij de fontein hebben de monniken de ogen dicht; ze zijn in gedachten’/gebed verzonken.

Slotconcert Nationale Orgeldag in Fryslân
Onze laatste stop, na een paar lekkere kopjes thee in de vernieuwde theesalon, was de Grote Kerk. Jaren lang, toen ik muziekrecensies schreef voor de Leeuwarder Courant, zomers vertrouwd terrein voor mij, wanneer er orgelconcerten plaatsvonden. Ook Broer de Witte, die 8 september speelde, heb ik daar gehoord. Hij speelde nu – het concert was tevens het negentiende concert van de Bach-estafette 2018 – naast werken van de grootmeester zelf, ook composities van Muffat (op een kistorgel), Joh. Gottfried Walther en Dieterich Buxtehude. Wat mij opviel – een korte recensie – was, dat met name diens Praeludium en fuga in g BuxWV 149 uitblonk door puur speelplezier, terwijl bijvoorbeeld Bachs Trio in G (naar Georg Ph. Telemann) BWV 586 wat aan finesses tekort kwam; de verstopte echowerkingen hadden bijvoorbeeld door verschillen in articulatie naar voren kunnen worden gehaald.

Wat ook opviel, was de tentoonstelling in de kerk: Wie zeggen de mensen dat ik ben. Meteen een werk viel na binnenkomst in het oog: Boven het maaiveld, een parabel van de Marsumse kunstenaar Eveline van der Pas: het moet een luchtbrug voorstellen, bestaande uit – daar hebben we het weer – witte kleding, ‘verguisd, verscheurd, genaaid, gehangen, gereinigd, gehecht, verbonden’. Ook haast een ritueel. En daarmee waren we weer terug bij Tahon.

Eetcafé Spinoza
We besloten de dag in Eethuis Spinoza – een toepasselijke, toevallig tot stand gekomen keuze voor een liefhebber van deze filosoof. Hier werden we omringd door bustes van de filosoof, en op de wand geschilderde uitspraken van hem. Hij stond er als eenling bij – niet met z’n tweeën zoals bij de fontein van Plensa, of met een heel stel geestverwanten zoals de monniken van Tahon. Misschien kenmerkend, maar in ieder geval groots. En zo was de hele dag: wat een evenement, die Culturele Hoofdstad. Petje af voor de organisatie!

 

Foto: Johan Tahon: Monk.
Johan Tahon, Monk, 2016-2017. Geglazuurde keramiek, ca. 160 cm. hoog. Foto: G.J. van Rooij

Interacteren

De tentoonstelling Shelter in het Utrechtse Museum Catharijne Convent (t/m 9 september a.s.) stelt eigenlijk drie vragen:

  1. Wat zijn de overeenkomsten tussen de door Bart Rutten (artistiek directeur Centraal Museum in Utrecht en gastconservator) gekozen internationale hedendaagse kunststukken en de vaste collectie van het Catharijne Convent?
  2. Wat zijn de verschillen tussen de oude en hedendaagse kunst over thema’s als rust, troost, hoop en bescherming?
  3. Wat ervaar je zelf, wat doet het je? Vragen die de tekstbordjes en audiotour soms uitlokken.

1.
In de Catharinazaal in het souterrain valt een klein werk van Daan Golding op: Sleeping Buddha, Singapore. De afbeelding van de boeddha is met steentjes versierd als de band van het Ansfriduscodex (St. Gallen, 11e-13de eeuw) dat in de Schatkamer, links na de Catharinazaal valt te zien. Niet dat die link bewust wordt gelegd, maar het is een van de velen die zelf kunt ontdekken en dat geeft mede een toegevoegde waarde aan deze fraaie ‘pionierstentoonstelling’ zoals het in het fraaie Museummagazine wordt genoemd, aan deze samenwerking tussen beide musea.

2.
In de Utrechtzalen op de begane grond staat in een nis een fraai beeld van Pieter d’Hont: Het gesprek. Beide geestelijken zijn gedurende hun gesprek duidelijk op elkaar betrokken. Heel anders dan de in zichzelf gekeerde, apart afgebeelde Men in the Cities. Gretchen and Eric van Robert Longo. Zijn ze nu in extase of juist gestold in hun beweging? Beide suggesties biedt de audiotour aan, beide zijn mogelijk. Een meerduidig kunstwerk dus.

3.
Hetzelfde, meerduidigheid, geldt ook voor de verschillende kunstwerken van Sarah van Sonsbeeck die op de eerste verdieping worden getoond. In de kloostergang, die uitkijkt op de tuin, is haar Anti drone tent te zien (zie foto). Een serie anti drone tentjes van hetzelfde materiaal (Mylar dekens met een gouden en een zilveren kant) waarvan zij ook haar installatie We all may have come on different ships, but we’re in the same bote now in de Amsterdamse Oude Kerk (2017) optrok. Het staat voor Van Sonsbeeck niet alleen voor de bescherming tegen drones, maar ook symbolisch voor de eigen binnenwereld, zo aan de binnentuin van het voormalige klooster.
In de noordgang staat een eveneens goudkleurige Hear TH FI TO IN PH Around This Chair And it Knocks You Down van James Lee Byars: een goudkleurige stoel (de kleur van het g/Goddelijke) die leeg is. Je kunt er als bezoeker in gedachten je eigen invulling aan geven: God, boeddha of wie dan ook.

Het is de audiotour en het zijn de tekstbordjes die dat soort vragen oproepen: ervaar je Het Scheppingsverhaal van Peter Vos, of de zwarte Christus op de Piëta van Nola Hatterman als schokkend? Nee, eigenlijk niet. Maar wat wel opvalt, is dat de een van de sprekers op de audiotour bij The Jewish girl van Marlene Dumas zich afvraagt waaruit het joodse van het meisje nu blijkt en vervolgens met allerlei sjablonen komt. Dat rijmt niet op elkaar: ‘Waarom verwachten we eigenlijk dat Christus er als een witte man met donkerblond haar uitziet?’ en waarom verwachten we eigenlijk dat het joodse meisje donker haar heeft enz.?
Laten we het maar zo zien: ook die twee opvattingen ‘interacteren met elkaar en geven elkaar nieuwe betekenis’ zoals het Museummagazine zegt. Om te concluderen: ‘En dat is precies de bedoeling’. Daarin is deze mooie tentoonstelling goed in geslaagd.

Foto: Ati de Zeeuw-Kroesbergen

Zie mijn recensie van de installatie van Sarah van Sonsbeeck in de Amsterdamse Oude Kerk: https://8weekly.nl/recensie/gelaagde-mylar-dekens-havenkerk/