Het werk vieren

Terwijl ik op zaterdag 12 november 2022 in de Dom van Utrecht de Utrechtse première bijwoonde van de indrukwekkende Sonate ‘Da pacem Domine’ (1913) van Hendrik Andriessen, gespeeld door Jan Hage, vond in het Conservatorium van Amsterdam (Bernard Haitinkzaal) de tweede editie plaats van het festival Forbidden Music Regained. Er werden werken gespeeld van Henriette Bosmans (foto rechts), Hans Lachman, Bob Hanf (foto links), Leo Smit (in een arr. van Bob Zimmerman), James Simon (een wereldpremière), Rosy Wertheim en Géza Frid.

NVMB Netwerkdag: Joodse muziek rond WOII
Gelukkig heb ik enkele dagen eerder in datzelfde Conservatorium (Sweelinckzaal) een netwerkdag van de NVMB, landelijk platform voor muziekcollecties bij kunnen wonen onder de noemer Joodse muziek rond WOII. Enkele stukken die zaterdag gespeeld gingen worden, kregen hier al hun sneak preview, zoals het onvoltooide strijkkwartet van Leo Smit, in aanwezigheid van arrangeur Bob Zimmerman, die het voor saxofoonkwartet zette. Het ging, zoals Philomeen Lelieveldt (Nederlands Muziekinstituut) zei om ‘het werk te vieren van hen wiens leven verloren is gegaan. En dat levert een dubbel gevoel op’. Dat is ook zo.

Wat primair centraal stond deze dag, waren emigratieverhalen van in de jaren dertig van de vorige eeuw vooral uit Duitsland gevluchte joodse musici en componisten. Individuen dus; op dit accent kom ik straks terug. Ellen van der Grijn Santen (Meertens Instituut) stelde zich ten doel vier vragen te beantwoorden: hoe was de ontvangst van hun muziek in Nederland? Vonden ze makkelijk werk? Vermengden zij zich of bleef het een aparte groep? Hadden ze blijvend invloed op het Nederlandse muziekleven?
Haar antwoorden waren nog steeds actueel. Willy Rosen (1894-1944) bijvoorbeeld, die in 1933 was gevlucht, had het net als anderen, zoals Rudolf Nelson (1878-1960) moeilijk om werk te vinden. Dat kwam omdat de Nederlandse Toonkunstenaarsbond (Ntb) pal stond voor Nederlandse musici en meende dat de nieuwkomers hen verdrongen op de arbeidersmarkt. Leuk was te horen, dat Wim Sonneveld niet onder stoelen of banken heeft gestoken, dat hij door Rosens cabaret is beïnvloed.

Exposities in de OBA Oosterdok
Voor mij werd deze interessante dag mede gekleurd door twee tentoonstellingen die ik ervoor bezocht in de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA Oosterdok), de buurman van het Conservatorium.
Bij de entree was dat een kleurrijk altaar ter ere van de tiende sterfdag van Carlos Fuentes, een Mexicaans schrijver. De dood was hier aanwezig, maar ook een manier van het leven vieren. Anders dan Philomeen Lelieveldt bedoelde en onvergelijkbaar, maar toch.

In de expositiezaal was een tentoonstelling te zien van emigranten – als individu, maar vooral als groep die op weg geholpen moet worden. Muziek kwam zijdelings aan de orde, bijvoorbeeld in de gitaar bij de Molukkers. En als je het dan over een blijvende invloed op het Nederlandse muziekleven hebt, dan denk ik aan Indiepop en -rock.

Tenslotte was er de fototentoonstelling New Voices. Een (verkoop)expositie met werk van gevluchte fotografen. Hier was de verrekijker omgekeerd en keken de nieuwkomers naar ons. De tentoonstelling gaat over de kennismaking met de Nederlandse cultuur en welke invloed die dat op de acht gevluchte fotografen en fotojournalisten heeft. Het is tweerichtingsverkeer. Ook met die insteek bleken de gevoelens – net als Philomeen Lelieveldt verwoordde – dubbel.

Forbidden Music Regained
Daarom is het ook goed dat niet alleen de individuele namen van componisten en andere kunstenaars, zoals fotografen, genoemd blijven worden, maar dat hun werk ook wordt uitgevoerd en getoond. Dat is mede het doel van de onvermoeibare Leo Smit Stichting en van Forbidden Music Regained. Er worden steeds meer partituren gepubliceerd en dat is een goede zaak (www.donemus.nl). Ondertussen hopen we er ook op, dat in de op stapel staande proefschriften, bijvoorbeeld over Sim Gokkes (1897-1943, zie foto links) aan zoveel mogelijk aspecten die ik hiervoor noemde in het kielzog van de lezingen op de NVMB-netwerkdag en de tentoonstellingen in OBA Oosterdok recht zal worden gedaan.

En … om niet te vergeten: de lof zij gezongen aan muziekbibliothecarissen zoals Do Reeser uit Haarlem. Ik heb destijds mijn stage bij haar gelopen; Ed Spanjaard memoreerde haar naam terecht in zijn openingswoord, en aan (onder)zoekers zoals Jort Fokkens, die de briljant gespeelde sonate van Andriessen terugvond in een archief in Amerika, waar het was beland en niet gecatalogiseerd.

Mathilde Wantenaar heeft wat te zeggen


Haar naam kende ik wel, uit de tijd dat ze de Donemus’ Aanmoedigingsprijs voor vrouwelijke componisten kreeg (2012), maar op een of andere manier is die niet beklijfd. Om nu, nadat ik steeds meer werken van haar hoor, nooit meer uit mijn geheugen te verdwijnen. Die naam is Mathilde Wantenaar (1993). Een korte zoektocht naar wat ze (mij) wil zeggen.

 

Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken
In 2019 begon er al wat te dagen, nadat ik in het NTR ZaterdagMatinee met haar koorwerk Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken op tekst van Herman Gorter kennismaakte. Uitgevoerd door het Groot Omroepkoor onder leiding van Philipp Ahmann. Frits van der Waa schreef in de Volkskrant (24 maart 2019) dat het een ‘ietwat ouderwets’ werk is. Niets mis mee – het sluit naadloos aan op de tekst.

Meander
Op 2 oktober jl. hoorde ik in datzelfde Matinee de wereldpremière van haar orkestwerk Meander, uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van chef-dirigent Lahav Shani. Ook ietwat ouderwets? Ja, misschien. Deels dan. Zelf spreekt de componiste op haar website over ‘eclectisch en toch authentiek’. Simone Leuven schreef in het programmaboekje dat Meander ‘zowel lyrisch romantische klanken als elementen van minimal music in zich heeft’. Dat eerste deed mij denken aan zowel De Moldau van Smetana als La mer van Debussy, maar die eigen stem is er wel degelijk. Een sterke stem, dat staat buiten kijf.

Prélude à une nuit américaine
Een week later was het weer raak: haar Prélude à une nuit américaine, dat ook is geschreven voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest, werd in het Amsterdamse Concertgebouw uitgevoerd door het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Ludovic Morlot. Dit werk zou je ook eclectisch kunnen noemen: wederom impressionistisch aan de ene kant (de titel verraadt dit al), maar ook jazzy Amerikaans en – zoals ze zelf zegt – bovenal ‘een ongegeneerd groots romantisch gebaar’. Het kan en het mag. Wantenaars leermeester Willem Jeths is haar erin voorgegaan.

Een lied voor de maan
En dan is er de première van Een lied voor de maan, een jeugdopera gebaseerd op het gelijknamige kinderboek van Toon Tellegen. Volgens een persbericht van De Nationale Opera ‘met oogstrelende melodieën en tal van humoristische verwijzingen naar de muziekgeschiedenis, van operaklassiekers tot pophits’. Zelf schreef ze er het volgende over: ‘Het is (…) een stuk over de kracht van muziek.’

Strijkkwartet
Tenslotte zou in de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam op 3 februari in het Amsterdamse Muziekgebouw aan het IJ haar Strijkkwartet in première gaan, uitgevoerd door het Calder Quartet, en op 18 februari in de Grote Zaal van TivoliVredenburg in Utrecht een nieuw werk door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van die geweldige dirigent Karina Canellakis; de website van TivoliVredenburg vermeldt in de tekst dat het om een nieuw werk gaat, elders op dezelfde pagina, dat Prélude à une nuit américaine zal worden uitgevoerd. Ook niet te versmaden overigens.
Het kwartet gaat nu in première tijdens een tournee dat het Belinfante Quartet dit voorjaar door Nederland zal maken. Het concert in Utrecht gaat hoop ik, al dan niet met publiek, door en wordt op Radio 4 uitgezonden. Twee concerten om je op te verheugen!

Terug naar de Strijkkwartet Biënnale, die een mooie brochure had uitgegeven. Er staan rake omschrijvingen in van inmiddels al wijd en zijd bekende stukken; ik kom daar nog een keer op terug. Zou het zo kunnen zijn dat wat Wantenaar wil uitdrukken bekende thema’s zijn zoals eenzaamheid en identiteit? Thema’s die iedereen erkent? En dat haar muziek daarom steeds vaker wordt gespeeld? Wat mij betreft niet vaak genoeg. Mathilde Wantenaar: een naam om niet te vergeten!

Foto ontleend aan de website van Mathilde Wantenaar: https://www.mathildewantenaar.com

Theo Verbey (1959-2019)

Voor hij het pand verliet, wuifde hij als ik in de buurt was altijd vriendelijk lachend naar mij. Je kunt me met zo’n geste om je vinger winden, zoals ook wel van zijn welluidende muziek werd gezegd, dat hij het publiek stroop om de mond smeerde. Maar dat zegt méér over de anti-esthetische houding van hardcore liefhebbers van moderne muziek, dan van zijn composities, waar nota bene modernistische, wiskundige fractels aan ten grondslag lagen. ‘Waarom heb je een boek over fractels aangeschaft?’, vroeg de toenmalige directeur van zijn toenmalige uitgeverij – die later zijn werk meenam naar waar het grootste deel van zijn werk zou worden uitgegeven, enkele buitenlandse uitstapjes daar gelaten. ‘Nou’, antwoordde ik, ‘je weet wel: Theo Verbey’. Toen was het goed.

Op 13 oktober jl. is hij op 60-jarige leeftijd overleden. Het moment waarop hij door een andere directeur van Donemus werd ontdekt, heug ik me nog als de dag van gisteren, want dat zijn ‘de’ enerverende momenten in je dagelijks werk: er is een componist van grote klasse ontdekt! Het ging om Verbeys orkestratie uit 1984 van Alban Bergs Pianosonate nr. 1, dat vele malen op de lessenaars van het Koninklijk Concertgebouworkest stond, in binnen- en buitenland. Naar het buitenland mocht het als paradepaardje mee, hoewel Verbey niet bekend stond als een Nederlands componist pur sang.
Geen in memoriam kwam eronder uit dit stuk met naam en toenaam te noemen, maar dat de componist een wat schrijvers een writers block opliep nadat de verwachtingen zo hoog waren gespannen, bleef vaak onvermeld, al kwam de term ‘depressie’ in verband met zijn leven en welzijn wel een enkele keer voorbij.

Die onzekerheid hoorde bij Verbey en werd aan het begin van zijn vliegende carrière ten onrechte wel als hoogmoedigheid versleten. Ik zie hem nog staan schutteren en twijfelen in de garderobe van de Beurs van Berlage in Amsterdam, voor een concert waar een werk van hem zou worden uitgevoerd: moest hij nu met het afgeven van zijn jas wel of niet een fooitje geven?
Het ging om het Donemusjubileumconcert waar het Nederlands Kamerorkest onder leiding van Lucas Vis zijn Triade uitvoerde. De recensies zongen weer hetzelfde, elkaar imiterende liedje: vakmanschap, hechte constructie, mooie orkestratie.

Het concert viel in dezelfde tijd dat ik, als me op dat moment zou worden gevraagd welk muziekstuk ik mee zou willen nemen naar het spreekwoordelijke onbewoonde eiland, ik voor Duet voor twee trompetten (1992) zou hebben gekozen.

Op 10 oktober jl., enkele dagen voor de zieke Verbey zich van het leven benam, woonde ik het eerste concert bij in de Horizon-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest in het nieuwe seizoen. Ik werd er weer even aan herinnerd, dat bij het volgende concert in deze serie zijn laatst voltooide werk, Ariadne, een opdracht van dit orkest in première zal gaan. Ik verheug(de) me erop, nog niet in de wetenschap verkerend dat deze eerste uitvoering een rouwrandje krijgt en postuum zal plaatsvinden.

Rest in de tussentijd het opnieuw beluisteren van de vijf compact discs met zowel zijn kamermuziek als orkestwerken die ik in ’t rek heb liggen. Om zijn naam levend te houden.

De humanist Marius Flothuis

Flothuis
Van de achtste cd van de in totaal tien cd’s die de box Forbidden Music in World War II (Et’cetera KTC 1530) omvat, is de tweede helft ingenomen door muziek van Marius Flothuis (1914-2001, zie afb.), ‘Flot’ zoals hij bij mijn oud-werkgever Donemus, waar hij als bibliothecaris werkzaam is geweest, werd genoemd. Een van de composities die is vastgelegd, is het Concert voor fluit en orkest op. 19 (1944). Over dit stuk gaat het hier. Opdat deze box, deze cd en dit werk meer luisteraars trekt.

 

Marius Flothuis wordt in het begeleidende boekje bij deze cd-box omschreven als ‘componist, wetenschapper en humanist.’ Wij lezen dat hij ‘als gevolg van verzetswerk werd gearresteerd, gevangengezet in kamp Vught en in 1944 naar Sachsenhausen gedeporteerd. In de kampen bleef hij componeren.’

Het Fluitconcert werd in kamp Vught geschreven voor medegevangene en fluitist Everard van Royen. Het manuscript ging echter verloren. Op nieuwjaarsdag 1945 (hoe symbolisch!) voltooide Flothuis het stuk voor de tweede keer, in Sachsenhausen (Oranienburg). Hij heeft het werk zelf omschreven als een tegenwicht tegen alle ellende om zich heen.

Bij beluisteren valt de serene, melancholieke fluitpartij op. Maar dat niet alleen. Regelmatig neemt de solohoorn, of de hele hoorngroep (drie in getal) het voortouw. Niet dat ze fors uitpakken, maar hun bijdrage zegt binnen de context van het stuk en de tijd van ontstaan genoeg; de hoorn als symbool van het Duitse woud waarin het diepste donker heerst.

En toch … Even zo vaak tinkelt het geluid van de celesta door het overigens doorzichtig geïnstrumenteerde orkest heen. Ook dat is niet voor niets: de celesta – de naam zegt het al – als symbool voor een hemels kiertje hoop om de moed niet te verliezen. Flot als humanist ten top.

Het fluitconcert is niet het bekendste werk van de componist, maar waard om (vaker) te worden gehoord. Tot mijn verbazing geeft het archief van het (inmiddels Koninklijk) Concertgebouworkest – waaraan Flothuis als staflid verbonden is geweest – geen enkele uitvoering hiervan. Of is dit een missertje?
De uitvoering op deze cd is in handen van fluitist Raymond Delnoye met Het Brabants Orkest onder leiding van Marc Soustrot (1996).

Met dank aan Patricia Werner Leanse.

Achteraf …

AnkMuziek Centrum Nederland (MCN) zat net in het nieuwe pand aan het Amsterdamse Rokin, toen de Nederlandse Vereniging van Muziek-bibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB) besloot dat het goed was de jaarlijkse studiedag dáár te houden. Een van de leden van de programmacommissie leek het een goed idee Ank Schonewille (zie foto van Jantien Dubbeldam, 2008) te vragen één van de inleidingen te houden.
Ik weet dat ik een beetje zenuwachtig was om haar, een grote naam in ons vakgebied, te ontmoeten. Dat bleek, zoals zo vaak, achteraf grote onzin. En het bleef niet bij die ene ontmoeting. Maar altijd, achteraf bekeken, nog te weinig.

Ank werd medelid van het NVMB-bestuur. Bij één van de bestuursvergaderingen, weer bij MCN, viel het ons op dat ze achterstevoren de monumentale trap af liep. Oké, het was geen gemakkelijke trap en er was wel eens een motorhelm en zelfs iemand vanaf gevallen, maar met een beetje voorzichtigheid was het goed te doen. Er klopte duidelijk iets niet en Ank is toch maar naar de huisarts gegaan. Er klopte zeker iets niet, en achteraf was dit het begin van een lange weg met vallen en – steeds minder – opstaan.

Aan het begin ervan hebben Gert Floor, de toenmalige voorzitter van het NVMB-bestuur en ik, de secretaris, Ank opzocht in Zwolle, waar ze woonde en (nog) in de bibliotheek van het ArtEZ conservatorium werkte, die ze in zo’n 37 jaar had zien en mede laten uitgroeien tot een prachtige collectie waar ze trots op was en mocht zijn.
Eerst gingen we naar een orgelconcert in de Grote Kerk. Ik geloof achteraf dat Gert niet eens zo gek op orgelmuziek is, maar het sterkte ons wel en heeft, net als het bezoek, een verbondenheid geschapen die onze hele gezamenlijke bestuursperiode voortduurde.

We leerden Ank ook beter, en van een andere kant kennen: optimistisch, vol liefde voor haar raskatten, alles wat met circus heeft te maken en natuurlijk voor haar verzameling kunstpoppen die overal stonden en zaten. In alle verenigingen die iets met katten, circus en poppen hadden te maken was ze wel actief. Maar over muziek hebben we ‘t wonderbaarlijk genoeg niet gehad; het duurde tot de afscheidsdienst tot ik hoorde dat Neil Diamond, de song What a wonderful world en Strauss’ 4 Letzte Lieder (zie de tekst van Beim Schlafengehen van Hermann Hesse hieronder) tot haar lievelingsmuziek behoorden.
‘s Avonds gingen we gedrieën samen eten. Ank liep met krukken, op de middenweg als ik me goed herinner, en zei dat ze absoluut niet mocht vallen en haar heup breken, want dat zou rampzalig zijn. Dat is later gebleken.

We spraken af dat als ik in Zwolle was, we samen ergens iets zouden eten of drinken. Elke keer weer was Ank optimistisch en vol lof over haar ‘professor aan het UMC in Groningen.’ De kanker leek wel een chronische ziekte geworden, meende zij. Of hoopte ze. De techniek van elke behandeling interesseerde haar mateloos, rationeel ingesteld als ze was.

Zelfs deed ze nog een cursus van de Gemeenschappelijke Opleidingen (GO) die ik in Utrecht gaf. Waarom dat moest, wist ze eigenlijk zelf ook niet, van 1979-1982 lid van de FOBID-commissie die de Nederlandse vertaling verzorgde van de internationale standaard voor titelbeschrijven van musicalia.
En weer was ik een beetje zenuwachtig. Ten onrechte, bleek ook nu weer, want ze vond het eigenlijk toch wel leuk en zei zelfs nog wat te hebben geleerd.

Maar het meest heb ik van Ank geleerd. Over hoe moedig met een rotziekte in het leven te staan, en te genieten van de kleine dingen, zoals het lezen van een boek. En plannen te blijven maken: ‘Als je weer komt gaan we met de auto naar Kasteel het Nijenhuis bij Wijhe.’ Het is blij plannen gebleven, want op 20 februari is zij op 58-jarige leeftijd overleden, over het leed heen getild, zoals ds. Hans Koops tijdens de afscheidsdienst, in Ermelo, zei. Haar nagedachtenis zij tot zegen.

Nun der Tag mich müd’ gemacht,
soll mein sehnliches Verlangen
freundlich die gestirnte Nacht
wie ein müdes Kind empfangen.Hände, laßt von allem Tun,
Stirn, vergiß du alles Denken.
Alle meine Sinne nun
wollen sich in Schlummer senken.Und die Seele, unbewacht,
will in freien Flügen schweben,
um im Zauberkreis der Nacht
tief und tausendfach zu leben.
Nu de dag mij moe heeft gemaakt,
wens ik smachtend
de vriendelijke sterrennacht
als een vermoeid kind te ontvangen.Mijn handen, ik laat ze niets meer doen
mijn hoofd, vergeet al het denken.
Al mijn zintuigen willen nu
zich sluimerend verminderen.En onbewaakt wil mijn ziel
in vrije vlucht gaan zweven
om in de toverkring der nacht
diep en duizendvoudig te leven.

Schenk ook aan het kankeronderzoek in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), waar Ank altijd zo vol lof over was. Ter nagedachtenis aan haar, en voor alle mensen die daar worden behandeld. Op rekening NL21 ABNA 0423 1266 95 t.n.v. Stcihting Steunfonds UMCG, Groningen.

De stem van Enquist en Otten

Anna EnquistAnna Enquist, die nieuwe stadsdichter van Amsterdam (zie afb.), heeft als geen ander het karakter van de hobo, het instrument van haar in 2001 overleden dochter Margit, getroffen in een gedicht in De tussentijd (uitg. De Arbeiderspers, 2004):

   …
   nu stijgt de stem boven de zwaarte

   omhoog. Je wil niet, je weigert –
   maar het lied sleurt je mee
                                                                  in een windhoos van bittere troost.

Een componist die het karakter van de hobo ook raak heeft getroffen, is Ludwig Otten (geb. 1924). Hij gebruikte behalve de hele omvang van het instrument van laag tot hoog, ook alle uithoeken van het karakter ervan, van klagend tot juichend, zwaar en troostvol.

Waar ik op doel zijn de Liederen van vroeger (2005, uitg. Donemus), een bewerking voor hobo en piano van zijn Quadro (1954), een vocalise voor sopraan, fluit, altviool en piano. De achtergrond is gelegen in een opmerking van de hoboïste Pauline Oostenrijk, die eens zei dat er meer muziek voor hobo geschreven zou mogen worden. Otten zette zich direct aan de slag.

Uiteindelijk is er één woord van toepassing op deze liederen zonder woorden: cantabile (als gezongen, zangerig), zoals Albert Camus eens in zijn Dagboek schreef dat, wanneer hij een Ethiek zou moeten schrijven, ‘het boek 100 bladzijden zou omvatten waarvan er 99 leeg zouden zijn’. En op die ene, gevulde bladzij zou maar één woord staan: liefde. Als de liefde van Enquist voor haar hobospelende dochter, die ze bezong in haar gedicht.

Micha Hamel als componist

brahmsTijdens een lunchconcert op 24 maart 1997 in het Conservatorium van Amsterdam werd Micha Hamels strijktrio Where are you? (1993) uitgevoerd. Na afloop gingen enkele mensen met de lift naar beneden. Een mevrouw beukte met haar vuisten op de muur en riep tegen enkele concertgangers die het volgens haar nog niet hadden begrepen: ‘Het is toch duidelijk? Where are You, God!’ Het was tot mij doorgedrongen op het moment dat Micha Hamel – om Freek de Jonge te parafraseren – God wakker leek te willen zingen met een wiegelied. Niet dat Hamel dit primair zo zal hebben bedoeld, maar het werkte als de hand van de schilder Salvador Dalí die op verschillende schilderijen ofwel een wolk ofwel de zee wegtrekt om daaronder een metafysisch beeld te tonen. Dalí zelf heeft zich in dit verband in één moeite door verdedigd door te zeggen dat hij ‘geen clown’ is. i ‘Maar’, vervolgt hij, ‘in zijn naïviteit ziet deze monsterlijke maatschappij niet wie gewoon een ernstig spel speelt om zijn gekte beter te verbergen.’

In Hamels Songs of sorrow and joy, liederen zonder woorden voor fanfare uit 2003 met een ‘Lang zal hij leven’ aan het eind, hangt de componist wel degelijk de clown uit. Maar dan één zoals Michel Quint hem beschrijft in zijn onvergetelijke De tuinen de herinnering: één die een bestorven lach weer tot leven probeert te wekken door ‘de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid…!’ ii
Die dubbele laag zit zowel in Hamels composities als in zijn gedichten.

De vergelijking met Dalí gaat verder. Zowel Dalí als Hamel vervormen elementen uit de werkelijkheid en combineren ze oneigenlijk, zoals Dalí in zijn ‘Corpus hypercubus’ (Kruisiging) uit 1954 deed (The Metropolitan Museum of Art, New York). Niet voor niets is een vroeg werk van Hamel, het eerste dat door Donemus werd uitgegeven, hierop gebaseerd: Corpus hypercubus uit 1989 voor mezzosopraan, oboe d’amore, fagot, viool en cello. Dit historicisme is ‘een ernstig spel’ (Dalí) als bij Quint; achter deze denksport schuilt eenzelfde intentionele gerichtheid als in het taalspel van de ‘Heilighe daghen’ (1645) van Constantijn Huygens waaruit Micha Hamel in 2000 enkele gedichten onder de titel Geestelijke liederen toonzette voor koor en orkest, uitgaande van de hypothese elk gedicht van een ander (stijl)citaat als begeleiding te voorzien, variërend van Joh. Seb. Bach met teveel noten tot Poulenc, Verdi en jazzmuziek. In het eerste lied, ‘Sondagh’, horen we de Abruzzenhobo uit het derde deel (Serenade van een bergbewoner) van Berlioz’ Harold en Italie terug. In de tekst van ‘Sondagh’ speelt Huygens met de inhoud van het woord: de dag van Gods Zoon (Soon-dagh), Gods verzoening (Soen-dagh), en – als de dag niet wordt geheiligd – een dag vol zonden (Sond-dagh).

i Gilles Néret: Salvador Dalí. Uitg. Taschen/Librero, 2002; p. 87 (ISBN 3-8228-6832-9).
ii Michel Quint: De tuinen van de herinnering. Uitg. De Bezige Bij, 2001; p. 76 (ISBN 90-234-0023-2).

Deze blog is gebaseerd op een artikel over Micha Hamel als componist én dichter in Mens en melodie, jrg. 60 nr. 2 (2005) en wordt hier herplaatst n.a.v. de NTR ZaterdagMatinee op 9 november 2013 (14.15 uur, Concertgebouw Amsterdam), waarin een bewerking van enkele Hongaarse dansen van Brahms (zie afb.) door Micha Hamel in première gaan.