Wat niet gezegd kan worden

Marga Minco krijgt de P.C. Hooft-prijs 2019 voor verhalend proza. Hieronder in verkorte vorm de inleiding op haar boek Nagelaten dagen zoals ik in 1997 voor een leesclub hield. Een van haar minder bekende boeken.

De schrijfster
Over de schrijfster zelf heb ik niet veel gezegd, want dat is genoegzaam bekend. In relatie tot Nagelaten dagen merkte ik op, dat zij in een interview met Hanneke Groenteman (november 1997) vertelde, dat ze haar boeken altijd het eerst aan haar dochter Jessica Voeten laat lezen. Nagelaten dagen is mede aan haar opgedragen.

Haar werk
Hiervoor gold hetzelfde. Ten aanzien van Nagelaten dagen vertelde ik, dat we daarin elementen tegenkomen uit Minco’s voorgaande werk, onder meer in een kernachtige zin als ‘Ik verliet mijn zuster en bleekte mijn haar’, waarin alles opgesloten ligt.

Nagelaten dagen
Marga Minco heeft zich in het eerder genoemde interview met Hanneke Groenteman uitgelaten over de totstandkoming van dit boek. Een interview dat wordt aangehaald in Joodse tradities in de literatuur van Daphne Meijer.
Het scharnierpunt van Nagelaten dagen is een autobiografisch gegeven: de ik-figuur ontvangt een brief van ene Miriam Weissenbach uit Jeruzalem. Zij bestudeert stambomen, waarna een bezoek aan Amsterdam volgt. Om dit gegeven heen weeft Minco twee andere thema’s, die allebei met haar zus Bettie hebben te maken:

  1. De ik-figuur gaat voor het zusje van haar zwager Hans, Eva Ruppin, naar een adres aan het Wedemerplein waar haar nooit teruggekeerde moeder de huisraad had ondergebracht bij zogenaamde bewariërs, de familie Stelerius, de buren van de moeder van Eva. Het Wedemerplein is uiteraard het Merwedeplein in Amsterdam, hoewel andere straatnamen in het boek, zoals het Kasteelplein te Breda, volgens de kaart wel degelijk echt zijn.
  2. Het andere thema betreft twee bezoeken die de ik-figuur brengt aan Eva in Santa Barbara (Californië). De eerste keer krijgt ze een fotoalbum mee, bestaande uit 23 bijeengehouden, losse bladen dat ze in 1942 voor haar zusje had gemaakt voor haar trouwdag. De tweede keer ligt Eva in het ziekenhuis met een gebroken heup en is ze dementerend. Ze krijgt de Japanse kom, het enige dat de bewariërs uit Eva’s nalatenschap hadden teruggegeven. Eva laat de kom in scherven op de grond vallen, een gegeven waarop ik nog terugkom.

Hiermee heeft Marga Minco symbolisch het eigenlijke thema van het boek aangesneden. Het is, volgens Daphne Meijer, bovendien een thema dat in al Minco’s werk terugkomt: ‘een sjaal, een theeservies, onbeduidende dingen hebben een bijzondere betekenis wanneer zij het enige zijn dat er nog herinnert aan vroeger’. Maar ze gaat verder: ‘Gaandeweg vermindert de wens om nog iets terug te kunnen krijgen: het heeft geen zin om het verlangen naar de personen die er niet meer zijn te projecteren op spullen of foto’s.

De opbouw van het boek wordt gekenmerkt door sterke parallellie, die telkens verbanden suggereren, hoewel er geen enkel contact bestaat.
De stijl is nog soberder dan in voorgaande boeken en de oorsprong van dit boek, een verhaal in Avenue. Het feit dat het bijvoorbeeld om een Japanse kom gaat, wordt niet uitgewerkt, terwijl er in het oorspronkelijke verhaal nog sprake is van een bruidsboeket dat uit Japanse bloesems bestaat, wat als een voorteken wordt gezien.

Recensies
Wat de recensies betreft, is het opvallend dat veel recensenten erop wijzen, dat (en ik citeer Onno Blom uit Trouw, 24 oktober 1997) ‘de vertrouwde elementen uit Minco’s werk in Nagelaten dagen nogal eens een halve of een hele slag zijn gedraaid. Zo heeft het Amsterdamse plein waar Bettie is opgepakt door de Duitsers (…) nu het Wedemerplein in plaats van Merwedeplein. Het lijkt een futiliteit, maar het is in wezen een van de subtiele tekens, die erop wijzen dat Minco een stapje van de werkelijkheid van Het bittere kruid af is gaan staan. Om de metafoor nogmaals te gebruiken: Marga Minco biedt geen afgeronde blik op de glanzend glazen kom van de tijd, maar op de vertekende en gebarsten scherven’.

Elsbeth Etty (NRC Handelsblad, 17 oktober 1997) citeert bladzijde 83 uit het boek: ‘Het was of de motor van mijn geheugen een slag werd teruggedraaid’, net als later het deksel van de vallende Japanse kom. Zij gaat ook in op de titel van het boek: ‘”De nagelaten dagen” van de titel zijn de dagen die door middel van het vergeten fotoalbum aan de schrijfster worden teruggegeven. Maar misschien zijn die dagen ook de dagen, bijvoorbeeld de vier in Californië, waarin de overlevenden nalaten gezamenlijk betekenis aan hun herinneringen te verlenen. Omdat zij het niet kunnen’.

De conclusie die Etty trekt (‘Nagelaten dagen brengt uitkomst noch troost. Wie het boek dichtslaat weet dat het nooit goed komt’) staat in schril contrast tot wat Doeschka Meijsing als duiding aan het geheel gaf (in Elsevier), waarin ze een stap verder gaat: ‘De deksel ligt intact op het ziekenhuiskastje. Tegen het licht gehouden vliegt een vogel, door het porselein zichtbaar, naar de vrijheid. Dit prachtige beeld, het hele boek voorbereid, behoeft geen duiding. Het vat alles samen wat niet gezegd kan worden’.

Dank u wel, Marga Minco, voor uw schitterende oeuvre – de P.C. Hooftprijs is méér dan verdiend.

Philippe Claudel en Torgny Lindgren

Philippe ClaudelIn mijn MA-scriptie over het kwaad in de filosofische studie Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel (zie foto), had ik twee paragrafen opgenomen waarin ik de verwantschap aantoonde met respectievelijk de roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren en met de techniek van het drama-in-het-drama van Shakespeare. In het kader van information overload heb ik deze twee paragrafen er in de herziene versie uitgehaald. Ik presenteer beide hier achtereenvolgens als blog. Dit is de eerste: over Claudel en Lindgren. Mede t.g.v. de publicatie van een nieuwe roman van Claudel: De boom in het land Toraja.

In de roman van Lindgren speelt het verhaal ook in een dorpje in – ditmaal is het duidelijk aangegeven – Zweden. Al zou Noord-Norrland overal kunnen liggen en zal het om het even zijn of het zo heet. Ook hier zijn er twee hoofdpersonen: een vreemdeling die zich voordoet als een vluchteling uit Duitsland, en journalist Bertil. Tegen de laatste groeit steeds meer weerstand. Uiteindelijk wordt hij, gelijk de Anderer bij Claudel, met messteken om het leven gebracht. De vluchteling blijkt oorlogsmisdadiger Martin Bormann (1900-1945) te zijn, die Zweden niet zoals de Anderer met paard en ezel binnentrok, maar wel met een “eigenaardig vervoermiddel”.[1] Het landschap van Zweden beantwoordt aan diens gemoedstoestand en staat er model voor.

Ook Lindgren speelt, net als Claudel, met de noties ‘werkelijkheid’ en ‘waarheid’. Eén van de personages bij Lindgren plaatst Gösta Berling (een figuur uit Lars Högström van Selma Lagerlöf) bijvoorbeeld zelfs in de werkelijkheid. Lindgren vraagt zich af of er in de werkelijkheid wel gebeurtenissen voorkomen. En of deze van voor naar achter moeten worden verteld. Er is een waarheid die moet worden gezegd. Maar die moet eerst worden begrepen, voor je er iets belangrijks over kwijt kunt.

Veel kan op papier worden gezet, maar sommige dingen, zoals het recept voor balkenbrij, niet. Dat valt buiten de geordende, gecultiveerde maatschappij. Just Maser, de vluchteling, wil in het boek van Lindgren de kunst van het maken ervan machtig worden, maar het lukt hem niet. Veel zou ook schadelijk kunnen zijn als het wordt opgeschreven. Wat de journalist bij Lindgren niet opschrijft, is waar Brodeck bij Claudel juist voor is aangesteld: om alles over wat groeit en bloeit te noteren.[2] Veel kan worden gezegd, maar sommige smart is, gelijk bij Claudel, woordloos. Maar als het lukt wél iets aan het papier toe te vertrouwen, is de auteur volkomen vrij. De journalist schrijft met zijn geheugen. En op de bodem daarvan bevindt zich wat je genade kunt noemen. Men vraagt zich in het dorp af of de journalist ergens verslag van moet uitbrengen. Van de vluchteling misschien, die nauwlettend door Bertil in de gaten wordt gehouden? De hoofdzaak is dat er wordt geschreven, niet wat er op papier komt.[3]

Het uiteindelijke punt bij Lindgren is niet zozeer het verschil tussen werkelijkheid en waarheid, maar echtheid. En dat is zeldzaam, als het al bestaat. We zijn als mensen aangewezen op enkel de weerschijn van het directe gebeuren. We moeten genoegen nemen met de gebaren van degene die zag, met het verhaal zoals bij Claudel. Lindgren neemt zijn toevlucht tot het idee van de grot bij Plato. Het ergste daarbij is “de goddeloze splitsing tussen actieve en deelnemende waarnemers en verstoten en versmade getuigen en toeschouwers (…), de zonde tegen de vanzelfsprekendheid”.[4]

Bertil neemt het zichzelf kwalijk dat hij niet werkelijk heeft gezien en, gelijk Brodeck, alles uit de tweede hand gewaar werd. Dat hij met andere woorden moest interpreteren in plaats van zien. Hoop wordt geput uit de cyclus van de seizoenen; aan het eind van het boek verschijnen kraanvogels als hoopvol teken. De vrouw van Bertil vindt eindelijk de berg, de Avaberg, waar ze het hele boek naar op zoek was. Op de kaart én in werkelijkheid. En ze is in staat Bertil de vrijheid in het leven en de vreugde van het scheppen terug te geven. Bertil die van de burgemeester de opdracht kreeg om zijn verslaglegging te staken, omdat hij steeds meer waarheid en verzinsel door elkaar begon te halen.

Wat er met de moordenaar van Maser gebeurt, valt te voorspellen en wordt niet opgeschreven. (Hij valt ten prooi aan longtering; ziekte als straf).


[1] Bormann was na de Tweede Wereldoorlog lange tijd onvindbaar, tot men in 1972 zijn gebeente vond in de Berlijnse Tiergarten. Vreemde vervoermiddelen staan centraal in dertien biografieën die Lex Veldhoen schreef onder de titel Markante reizigers (Rotterdam 2016). Het betrof onder meer spionnen.
[2] Met enige fantasie kun je de rol van de journalist bij Lindgren vergelijken met het Boek der Natuur, dat leidt tot natuurwetenschappelijke en filosofische kennis, en die van Brodeck – getuige ook zijn belangstelling voor boeken uit de collectie van de Anderer – tot het Boek der Schriftuur, dat leidt tot openbaringskennis. Vrij naar Pieter J.D. Drenth, Religie en wetenschap; beide onder vuur (26 april 2016, Thomaskerk, Amsterdam).
[3] Vergelijk met de joodse opvatting van Lernen: de hoofdzaak is dat er Talmoed wordt gelernd, niet in functionele zin, maar om het Lernen zelf.
[4] Tony Lindgren, Het ultieme recept (Amsterdam 2005) 205. De nazi’s duldden geen getuigen, zodat het onze plicht is om te getuigen. Dat is de boodschap van de film Son of Saul (regisseur Lásló Nemes, 2015). Feigenbaum, één van de personages, is zich bewust van de noodzaak zijn ervaringen op te tekenen en zo voor de wereld te bewaren. De in 2016 overleden overlevende van Sobibor Jules Schelvis, vond het als mede-aanklager in het proces tegen kampbewaarder John Demjanjuk zelfs belangrijker dat de wereld weet wat er is gebeurd dan dat hij straf kreeg opgelegd. Wel moest hij veroordeeld worden. Marcel Wiegman, ‘Een leven in het teken van Sobibor’, Leeuwarder Courant (5 april 2016). Deze humanistische opvatting is verwant aan wat Adriana Leter in een interview met Colet van der Ven zegt: “Een mens straf zichzelf door het verkeerde te doen”. Colet van der Ven, Van oude mensen … De twintigste eeuw weerspiegeld in twintig levensverhalen (Baarn 1997) 49.