Kunst en kerk

Ik heb wat met de verhouding tussen ‘Kunst en kerk’, om de titel van het themanummer van het tijdschrift In de Waagschaal (3 juli 2021, jrg. 50 nr. 7) aan te halen. Zo ben ik enkele jaren lid geweest van de kunstcommissie van de Oude Kerk in Amsterdam en heb als curator a.i. enkele tentoonstellingen samengesteld voor de Amsterdamse Thomaskerk (nu: De Thomas). Op dit moment denk ik nu af en toe mee aangaande kerk en kunst in de breedste zin van het woord (beeldende kunst, gedichten, muziek) met mijn wijkpredikant, ds. Paula de Jong van de Nieuwendammerkerk en schrijf af en toe een recensie over een boek of tentoonstelling op dit terrein. Reden te meer om het genoemde extra dikke zomernummer (48 pagina’s) met buitengewone interesse te lezen en erop in te gaan in deze al even extra lange blog.

Kunst en kerk
Om te beginnen het artikel van Jessa van der Vaart, vanaf 2016 verbonden aan diezelfde Oude Kerk (zie historische foto). Zij begint met te memoreren dat haar vader, de in 2000 overleden keramist Jan van der Vaart, zichzelf liever pottenbakker noemde, maker van gebruiksvoorwerpen. Het lijkt een statement, zo aan het begin van haar artikel dat de vraag oproept: is kunst in de kerk dan óók een gebruiksvoorwerp in plaats van een autonoom kunstwerk? Staat het dan ten dienste van de kerk? Denk bijvoorbeeld aan een Avondmaalsstel of een kruiswegstatie. Maar die weg bewandelt ze niet, zodat dat begin, afgezien van de schets van een persoonlijke context, mij inhoudelijk niet helemaal duidelijk is.

Van der Vaart memoreert dat de Oude Kerk zich ontwikkelde tot tentoonstellingsruimte van hedendaagse kunst die kunstwerken toont die specifiek voor de kerk zijn gemaakt. Ze heeft tot nu toe vier exposities meegemaakt – alle vier nadat ik uit de kunstcommissie was gestapt, zodat ik mijn handen vrij had die tentoonstellingen soms te recenseren voor de website 8WEEKLY.

Van der Vaart noemt met name ‘NA’ van de onlangs overleden kunstenaar Chr. Boltanski (2017-2018, zie link naar mijn recensie hieronder). Ze heeft het over een dienst, die niet werd voorbereid met de al dan niet toen nog bestaande kunstcommissie, maar met de toenmalige cantor Christiaan Winter en Marcel Barnard (zie hieronder). Tijdens de dienst werd er een dialoogpreek aangegaan met een niet met name genoemd gemeentelid.
Ze eindigt haar artikel met de constatering, dat kunst staat voor ‘condition humaine’ en de kerk daar iets aan toevoegt: ‘een ander, verrassend perspectief dat nu juist niet uit die “condition humaine” opkomt, maar uit een andere hoek, van een andere kant, met een andere stem’. Maar zou de kerk niet juist meer aandacht moeten hebben voor de ‘condition humaine’? Het is analytisch ongetwijfeld verhelderend, maar ook een beetje valse tegenstelling die wordt gecreëerd.

Kunst en geloof
Het volgende, wat omvangrijker artikel is van de hand van Marcel Barnard. Ook hij komt aan het eind van zijn stuk met de installatie van Boltanski en genoemde dienst, maar zijn insteek is een andere. Ook hij begint net als Van der Vaart met de persoonlijke context waarin zijn liefde voor kunst ontwaakte: zijn vader, die hem meenam naar een tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Hier kreeg de jonge Barnard een numineuze ervaring bij het zien van werk van Peter Struycken. Hij schreef erover in Meditaties van de ziel (Amsterdam, 2020, p. 21 e.v.), waarover ik eerder blogde.

Eenzelfde soort sensatie overkwam hem bij het beleven van de liturgie in de Amsterdamse Oude Kerk. Hier dus geen al dan niet valse tegenstelling, maar een en dezelfde soort ervaring. Als wetenschapper heeft hij ook weet van een ‘keurige boedelscheiding’, maar ‘op de via directa, in de geloofservaring wentelen geloof en kunst, het esthetische en het religieuze (…) onlosmakelijk om elkaar heen’, aldus Barnard. Ik kan die bevinding (in de dubbele betekenis van het woord) alleen maar beamen. Ook ik kan evenzeer geraakt worden door een kunstwerk, om het even in welke vorm (beeldende kunst, gedichten, muziek) als door een preek of een lied waarin gevoel en ratio op eenzelfde manier samengaan en mij bewegen en in beweging zetten.

Even verder echter spreekt Barnard toch net als Van der Vaart en in de voetsporen van G. van der Leeuw (1890-1950) van ‘het “andere” van de kunsten [en] het “totaal andere” van God’ en ‘een gesprek tussen beide waarin ze soms samenstemmen en soms van elkaar verschillen’. Alleen, schrijft Barnard dan, ‘bij ware kunst en (…) diep geloof, komt het andere, de ander, de Ander ons in de verbeelding tegemoet’. Moge het zo zijn.

Grensgebied van kunst en religie
De volgende bijdrage waar ik hier aandacht voor wil vragen, is van de kunsthistoricus en schrijver Anneke van Wolfswinkel, die betrokken is bij de Biënnale Kunst in de Heilige Driehoek, dit jaar van 10 juli t/m 15 augustus.
Zij heeft het niet over ‘kunst en kerk’ of ‘kunst en geloof’, maar over ‘het grensgebied van kunst en religie’. Zij heeft het over de ontmoeting tussen ‘hedendaagse kunst en eeuwenlange kloostertradities’. En met Barnard heeft ze het over verbeelden en het nieuwe betekenissen toekennen. Als kunsthistoricus zegt ze hetzelfde als Barnard met de via directa, de geloofservaring of bevinding, maar dan vanuit een ander perspectief: ‘Niet alleen de kunstenaar geeft betekenis, de kijker doet dat net zo goed’.

Als voorbeeld noemt ze het vierdelige kunstwerk Martyrs van Bill Viola en Kira Perov (zie afb.). Het is een kunstwerk dat ik (deels) op verschillende plaatsen heb gezien: in de Nieuwe Kerk in Amsterdam en in Kube, het kunstmuseum van Ålesund (Noorwegen). Ook daar blogde ik al eerder over. De betekenis die ik aan het werk hechtte, was niet anders in de kerk dan in het museum, omdat het kunstwerk zélf in alle gelaagdheid sprak.

Verhouding tussen kunst en kerk
In de bijdrage van predikant en schrijver Frans Willem Verbaas is sprake van de ‘verhouding tussen kunst en kerk’. Hij stelt dat we ‘kunst en kerk als concurrenten kunnen zien, maar ook als broer en zus’. Concurrenten omdat bijvoorbeeld een uitvoering van de Matthäus Passion van Bach meer mensen zal trekken dan een Goede Vrijdagdienst, allebei in de kerk. ‘Kerk en kunst zijn verwant’, schrijft Verbaas, ‘maar niet identiek’.

Beide zouden van elkaar kunnen leren: ‘Van de kunstwereld kan de kerk het belang van kwaliteit leren. Het is niet goed om maar wat aan te modderen met de liturgie of met kinderpraatjes en preken, die niet met werkelijke aandacht zijn voorbereid. Liturgie is geen onnozel maar een heilig spel. De lat mag hoog gelegd.’ Ik denk aan een predikant die de vrijere, cultureel gerichte omgang met een Psalmtekst door een kunstenaar als bevrijdend ervaarde. ‘Omgekeerd’, schrijft Verbaas, ‘kan de kunstwereld van de kerk leren dat het niet goed is om zich blind te staren op werelds applaus of om zich te verlagen tot het bieden van louter amusement’.

Verbaas meent tenslotte, dat ‘predikanten hun ambtswerk ook kunnen voortzetten met andere middelen: met schilderen, muziek, toneel, fotografie, dans, journalistiek, literatuur, bloggen, vloggen, of met bijbels tuinieren of koken’. Afgezien dat hier verschillende grootheden onder één noemer worden gebracht, wordt hij op zijn wenken bediend door twee andere artikelen in dit nummer: van theoloog en kunstenaar Ruud Bartlema en van judaïcus en beeldend kunstenaar Marcus van Loopik. Ook Werner Pieterse doet een duit in het zakje door te stellen, dat ‘het perspectief van de predikant als kunstenaar’ nog te vaak ontbreekt ‘als er weer eens een rapport verschijnt over het ambt’. Want ‘kunst kan ons zicht op het ambt verhelderen en ons uit de dorre vergadertaal halen’. U leest het goed: niet vergaderzaal maar vergadertaal.

Kunst als vernieuwer van de godsdienst
Ruud Bartlema meent dat kunst niet zozeer godsdienst kan vervangen, als wel dat ze ‘wel nieuwe openingen naar de beleving van godsdienst’ kan creëren. Wéér dat woord, dat we al bij Barnard tegenkwamen. Kunst als breekijzer voor gestolde liturgie zeg maar.
Naar Bartlema’s ‘diepste overtuiging zijn zowel godsdienst als kunst vormen of aspecten van wat ik religie noem. Voor mij betekent dat woord religie: verbinding maken (…) [en]  uitdrukking geven aan de ontmoeting met [het] Mysterie en het maken van een verbinding tussen het onbenoembare en het benoembare van dat Mysterie’. Kerk en kunst zijn geen concurrenten, zoals Verbaas meent, ‘maar in wezen verschillende vormen van dat zoeken naar de verhouding tot en de verbinding met dat grote Mysterie dat het leven is’.
In de kerk zouden we elkaar kunnen ontmoeten, in gesprek gaan en zoeken naar nieuwe rituelen ‘rondom bijvoorbeeld concerten, exposities, lezingen, workshops, beeldende kunsten, literatuur, levensbeschouwing en spiritualiteit’.

Onafscheidelijke bondgenoten
Voor Marcus van Loopik zijn kunst en religie ‘functionele bondgenoten van elkaar’. Kunst en religie mag je volgens hem niet tegen elkaar uitspelen. ‘Religie zonder kunst is ook ondenkbaar!’ stelt hij. Uitroepteken. Kunst stelt kritische vragen en hoort daarom ‘als een tweelingzuster bij religie’. Kunst hoort een zekere relevantie te bezitten en mag niet ‘volledig op zichzelf komen te staan en als doel op zich gaan fungeren’. Want dan verzandt ze in ‘pure esthetiek van kleuren en vormen’. Een opvallende opvatting, want juist de esthetiek van de kleuren en vormen van joodse kunstenaars als Rothko (zie afb., diens laatste schilderij) en Newman worden religieus beleefd.

Van Loopik zoekt ook de dialoog, maar dan een ‘binnen een multiculturele en multireligieuze samenleving. Joodse mystiek heeft mij geleerd om te streven naar jichoed, naar eenwording, om bovenal te zoeken naar wat mensen verbindt’. Dat ben ik met hem eens. Ook hij heeft het, net als Pieterse, over taal. Over beeldtaal in dit verband, die ‘geen (…) pasklare of dogmatische antwoorden heeft op de raadsels van het leven, maar roept bovenal authentieke menselijke vragen en verwondering op’. De ‘condition humaine’ van Van der Vaart.

Tot slot
Zo is de cirkel rond en rijst de vraag hoe ik mij na lezing van deze (en andere, niet genoemde artikelen in In de Waagschaal) zelf tussen de schuivende panelen beweeg: tussen kunst en kerk, kunst en geloof, op de grens daarvan.
Concluderend kan ik mij het meest vinden in wat Udo Doedens en Mirjam Elbers in de inleiding tot dit nummer schrijven over de visie van de Van der Leeuw Stichting: ‘de gedachte dat kunst en kerk bondgenoten zijn. Dit bondgenootschap ligt volgens hen niet zozeer in de ondersteunende functie van de kunst bij de verkondiging of in het vereren van de schoonheid maar in de kritische functie van zowel de kunst als de kerk (…). Wie iets doorkrijgt van de ontregelende en inspirerende werking van de kunsten, begrijpt ook beter de draagwijdte van bijbelteksten en – liederen. In die visie zijn kerk en kunst elkaars Geschwister en niet elkaars concurrenten.’

In twee volgende blogs zal ik dit in concreto nader uitwerken aan de hand van respectievelijk Lied 272 uit het Liedboek en mijn keuze van enkele orgelwerken tijdens de orgelzomer.

 

Link naar mijn recensie over ‘NA’ van Chr. Boltanski in de Oude Kerk in Amsterdam: https://8weekly.nl/recensie/a-place-to-think-about-life/

‘Een exodus, een revolutie’

De theoloog en Islamkenner Anton Wessels vervolgde zijn inmiddels afgesloten  cursusochtenden Koran lezen met Tenach en Evangelie voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) – dit seizoen via Zoom – als vanouds met veel verwijzingen naar allerlei boeken.
Zo wees hij een keer op de Grunbergbijbel van Arnon Grunberg, die ik ook in de kast heb staan. Het boek kon niet geheel zijn toets der kritiek doorstaan. Heeft Grunberg het wel helemaal begrepen, vroeg Wessels zich af. Neem alleen al dat hij spreekt over twee revoluties: die van het Oude- en die van het Nieuwe Testament. Er is toch alleen maar sprake van één revolutie, die van zowel het Oude- en het Nieuwe Testament als die van de koran? 1)
Alle drie de boeken zijn voor een goede uitleg van elkaar afhankelijk. En dat is dan geen dogmatische uitleg, want daartegen stelde Mohammed zich juist teweer. Dat is er een vanuit Tora en de Profeten, die bij Grunberg missen.

Iemand zei ter afsluiting van deze cursusochtend, dat hij de Grunbergbijbel ter hand ging nemen. Ik ging verder met ‘een verklaring van het boek Job’, zoals de ondertitel van het nieuwe boek van Dick Boer luidt. Ik stuitte in dit boek, Job redt de NAAM, op een schitterend hoofdstuk onder de titel ‘Twistgesprek: de evolutietheorie van de kameraden tegenover Jobs vasthouden aan de revolutie’ (p. 60-64). Wéér dat begrip ‘revolutie’. Elders in het boek noemt Boer dit: ‘een exodus, een revolutie’ (p. 141). En wéér die eenheid van Oude- en Nieuwe Testament. De koran blijft hier overigens buiten beeld.

Genade
Dick Boer wijst op het protestantse adagium sola gratia (genade alleen). Mijn vader nam het vaak in de mond en het raakte mij elke keer diep wanneer hij dat zei. Boer stelt echter, dat het uit elkaar rukken van Tora doen en het ‘door het genade alleen’, ten diepste anti-joods is. Ik schrok ervan, maar als je het tot je door laat dringen, is het ontegenzeggelijk waar, net zoals er maar één revolutie is. Deels waar, maar daar kom ik nog op.2)

God ‘geeft Tora’, schrijft Boer, ‘opdat deze gedaan wordt, niet uit eigenbelang maar in het belang van de verworpenen der aarde die uit de Tora naar de vrijheid geleid zullen worden’. Aan het begin staat het geschenk van de Tora, aan het eind het doel van de Tora. ‘Daar tussenin, in de tussentijd, komt het op het doen aan’. De auteur benadrukt op het eind van zijn boek, dat het sola gratia ‘geen eenzijdige daad van God [is], geheel los van het doen van de mens’ (p. 194). Je moet Tora doen, maar je kunt – denk ik – ook teveel van jezelf eisen.

Genade is inderdaad een werkwoord, maar het is en blijft wel een troostend woord voor als je tekort schiet in dat arbeiden op de akker van de Heer. Je ervaart – volgens ds. Johan Visser, predikant van de Noorderkerk in Amsterdam in een interview met Matthijs Hoogenboom (op de website van de Protestantse Kerk Amsterdam, 6 mei jl.) – ‘dat iets van goedheid je wordt toegeworpen. (…) Er zit ook iets van het [joodse] gein in, (…) dat al ons streven en drukdoenerij doorbreekt en relativeert. Een onverdiende vreugde die over je komt. Volgens mij is dat ergens de kern van geloven’.
Of – misschien – één van de kernen, zoals een ei soms twee dooiers kan hebben: exodus/revolutie én genade.

1) ‘Een stille revolutie’ noemde ds. J.H. Uytenbogaardt het tijdens zijn preek op Eerste Pinksterdag in de Bethelkerk in Amsterdam: de voetwassing op Witte Donderdag. En hij refereerde aan het Taizélied Ubi caritas uit Taizé: ‘Ubi caritas et amor / ubi caritas, Deus ibi est’ (‘Waar vriendschap en liefde is, daar is God’, Lied 568 uit het Liedboek).
2) In dit verband wijs ik ook op de uitleg die Max Brod gaf aan de roman Het slot van Franz Kafka: als beeld van Gods genade, die de mens niet door eigen inspanning kan verwerven.

Late gedichten als een echoput


De gedichten in Dromen. Late gedichten van Wessel ten Boom lezen als waren ze een echoput. In de positieve én de breedste zin van het woord. Een echoput van woorden, beelden, klanken, geuren en sensualiteit. Van een aarde die ritselt en fluistert, van het beven en trillen als mens, gelijk de ruisende bomen, van kijken, maar ook als echo’s van gedichten van andere dichters, als echo’s van de dichter die bij een ander tot weerklank komen, die de ‘jij’ (een verloren geliefde) ‘in rijpe stilte enkel kunt beamen’.

Reizen
Echo’s die reizen door met name België en Frankrijk in de dichter oproepen en hem ontroeren. Een vaak voorkomend woord, net als huilen (‘ik wist niet, dat ik ben geboren voor verdriet’). Een mooi voorbeeld is het gedicht ‘Dodengang’ over de frontlinie van de Grote, de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk. Het gaat over de jongens die er verminkt raakten, stierven of gek werden. Ze worden bij name genoemd: Paul, Jean en Peter (Paulus, Johannes en Petrus?) en staan in schril contrast tot de altijd bloeiende klaproos, die ook terugkomt in het gelijknamige gedicht, dat als volgt eindigt:

God, wat hebt Gij met ons gedaan?

Want dezen hier beneden
klappen open als een roos, als bloedend rood
ontelbaar zijn hun wonden.

God, die als in de Psalmen Zijn gezicht verborg en wellicht zweeg, zoals de profeten in een ander gedicht uit deze bundel. Het zijn de tien profeten van de Münster in Freiburg, die in een museum staan. Ik moest daarbij ook even denken aan Heidegger, de filosoof die daar les gaf en aan wiens voeten zoveel studenten zaten. De man die altijd heeft gezwegen over zijn oorlogsverleden, wat hem nog het meest is kwalijk genomen.

Andere gedichten en dichters
Het zijn ook echo’s van andere gedichten en dichters die treffen. Bijvoorbeeld een omkering van het bekende adagium van Lucebert, dat bij Ten Boom werd: ‘Alles was weerloos, / is nu van waarde’, of van Van Ostaijen (‘Marc groet de dingen van de dag’). Hans Andreus’ ‘Vertel het aan de bomen’ werd; ‘Ik vraag het de bomen, ze antwoordden niet’ en een reminiscentie aan Paul Celans zwarte melk (‘grijze as’), en tenslotte aan Willem Barnard (Gezang 737 uit het Liedboek):

Bach loopt met een bokkenpruik op zoek naar negen zonen.
Petrus en Paulus improviseren het liefste jazz, blijkt nu.

Woorden
Wat al deze gedichten, verdeeld over vier afdelingen bij elkaar houdt, is een motto uit 2 Korinthe 3:6: ‘… want de letter doodt, maar de Geest maakt levend’. Ruim gesteld, zijn het w/Woorden die de rode draad vormen, wat je van een dominee-dichter kunt verwachten. De dichter is zich er zelf van bewust, dat die woorden zowel positief als negatief kunnen uitwerken. Hij kan er aan de ene kant in vluchten, maar ze aan de andere kant ook breken. Door het goede woord te vinden, kun je iemand laten opstaan uit de doden. Het omgekeerde kan echter ook het geval zijn. Teveel woorden:

Mevrouw, ik wou u zo graag kussen!
maar mijn woord zit er weer tussen

Er zijn ook woorden, die je niet meer kunt vinden, maar die een ander hervindt en uitspreekt, proeft met haar lippen. Waar zwijgen meer is dan spreken:

Ik hoefde niets met woorden te benoemen
de dingen kwamen zomaar vrij

Het laatste gedicht eindigt aldus:

Ik kan mij niet uitspreken

en ook jullie maken mij niet af
niemand dicht zijn eigen graf

Vergeef!
Ik had het moeten zeggen
wat ik niet heb kunnen vinden
nu al jaren bijna weet
en mijn leven languit leef

Het is wat hij zijn vrienden, ernstig ziek zijnde, mee wil geven:

Vergeef, gedenk, bewaar, heb lief

En zijn lezers, – want het zijn gedichten om te lezen, te herlezen, hardop te lezen en in je hart te bewaren. Een prachtbundel!

https://wesseltenboom.wordpress.com/
De bundel wordt de lezer om niet geschonken en tegen verzendkosten toegestuurd.

Koning en kind

 

Van ’t vroeglicht van de dageraad
tot waar de zon weer ondergaat
zingt elk de koning Christus eer
het kind der maagd is onze Heer.

 

 

Deze eerste strofe van Lied 516 uit het Liedboek (O solis irsus cardine) is voor mij de samenvatting van het Christmas Oratorio (2019) van de Schotse componist Sir James MacMillan, dat afgelopen zaterdag zijn première beleefde in het NTR Zaterdagmatinee. Gespeeld en gezongen door twee solisten, Mary Bevan (sopraan) en Christopher Maltman (bariton) op een, getuige de presentator van de ratio-uitzending ver in de zaal uitgebouwd podium, met de rug naar het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor met een scherm voor zich waarop componist/dirigent James MacMillan was te volgen.

Koning Christus en het kind, of – om de titel van een boek van Karl Barth in een vertaling van Nico T. Bakker te parafraseren – Het koninklijke kind. Zo heb ik het ervaren. Zoals Barth telkens twee kanten laat zien, zo doet MacMillan dat ook.
Het begint er al mee, dat zijn oratorium uit twee delen bestaat, elk verdeeld in zeven segmenten en symmetrisch opgebouwd, als een palindroom, gespiegeld. Als zeg maar de gelaagdheid van een boven- en een benedenkerk. Volgens een interview dat mijn oud-collega Anthony Fiumara met de componist had, en dat werd gepubliceerd in het bij het Zaterdagmatinee behorende digitale boekje, is het MacMillans bedoeling ‘bij de ziel te komen en de relatie tussen het menselijke en het goddelijke op een krachtige, mysterieuze manier aan de orde te stellen’.
De componist zet zich duidelijk af tegen het wat hij ‘monodimensionele’ van een Arvo Pärt noemt. Enige nuancering is daarbij op zijn plaats: hij bedoelt hier de late(re), spirituele Pärt, want in met name in diens niet-vocale, vroege(re) werken horen we wel degelijk, maar dan veelal subtieler, eenzelfde conflict als MacMillan ten tonele voert.

Koning Christus
Laat ik de twee uitersten, de koning Christus en het kind, tot uitgangspunt nemen en zo bij wat hij ‘de ziel’ noemt uitkomen. Dat kan alleen, als je MacMillan ziet zoals Fiumara zijn stijl beschrijft: als uiting van een ‘retrospectief modernist’. Als een rooms-katholiek componist die ‘zijn plek begrijpt vanuit het verleden’, vanuit die traditie, maar dan voorwaarts gericht.

Het koninklijke wordt verklankt zoals we dat door de eeuwen heen gewend zijn te horen: met veel koperblazers, zoals in het ‘in unum Dominum’ in het eerste deel, en bij het woord ‘king’ in een koorgedeelte. Niet dat MacMillan voor de makkelijkste oplossing kiest, want waar je koninklijk koper zou verwachten, klinkt soms opeens een tedere woordschildering. Het andere uiterste van het spectrum.

Het kind 
Het kinderlijke klinkt meteen in de Sinfonia I waarmee het oratorium opent: een Schots dansje, met xylofoon en hobo (het pastorale instrument bij uitstek). De dreiging van gaat gebeuren (de kindermoord, de kruisdood) is echter niet ver weg, zoals de pauken aan het slot van het eerder genoemde ‘In unum Dominum’ bewijzen. Soms meende ik zelfs een vleugje blokachtige akkoorden à la Louis Andriessen te horen, zoals in het koor ‘But when Herod died, behold, an angel of God appeared in a dream to Joseph in Egypt’. Zoals er ook werd getapt uit vaatjes die de componist als dirigent kent: Sjostakovitsj (Sinfonia 3, het begin van het tweede deel), de Benjamin Britten van diens Christmas Carols (‘Today Christ is born’) en Bartók (slaan met de strijkstok op de snaren van de viool).

De ziel
En dan komen we tenslotte uit bij de ziel, die bij MacMillan als bij Joh. Seb. Bach wordt gespeeld door een vioolsolo, in dit geval Elisabeth Perry. Zij ging gelijk bij Bach de samenspraak aan met één van de solisten, zoals met de bariton in ‘Seest thou, my soul’. Ze had zelfs het laatste woord van dit stuk, een Schots kerstliedje van grote eenvoud waarin ook de celesta (caelestis, hemels, goddelijk) een grote rol speelde.

Zo mag ik het horen – heel doordacht qua opbouw en uitwerking aan de ene kant, en vol emoties aan de andere kant. ‘Spirituele genezing’ noemt MacMillan het, maar dat gaat mij iets te ver, al proef ik er wel iets van heel-making in. In een uitvoering om door een ringetje te halen, voor zover je dat via de radio helemaal kunt beoordelen.
Midden in coronatijd een lichtpuntje om in je hart en hoofd te bewaren. Of misschien, om de omschrijving van het werk van Paul Klee aan te halen waarvan het gezicht het omslag siert van het eerder genoemde boek van Barth/Bakker: ‘Hat Kopf, Hand, Fuss und Herz’. Het een wat meer dan het ander, maar dat is de persoonlijke insteek van zowel componist als luisteraar.

Een bol

Ik omschreef het programma van een fraai orgelconcert van hem eens als een bol, als een toverbal, die telkens anders kleurde. We schrijven 10 augustus 1983 en het speelde zich af in de Grote Kerk van Leeuwarden, en ik schreef erover in de Leeuwarder Courant van een dag later.
Op het programma stond, naast werken van Nicolas de Grigny, Joh. Seb. Bach, Ernst Pepping en Max Reger ook de Pinksterhymne Veni creator op. 4 (1930) van Maurice Duruflé (foto rechts). Volgens Goethe de mooiste hymne die ooit is geschreven. Over creativiteit, over liefde.

Het toeval wil, dat Tjeerd van der Ploeg (want over hem heb ik het) vanmorgen datzelfde stuk, Choral varié sur le thème du ‘Veni creator’ speelde tijdens wat een Orgeldienst werd genoemd. Op zondag Rogate (Bidt) in de Bethelkerk in Amsterdam Tuindorp-Oostzaan (zie foto links, EvS). Het zou een onderdeel worden van wat ds. Kees G. Zwart in zijn inleiding een preek in drie delen noemde: eerst de gesproken tekst, daarna de ‘wervelende compositie’ van Duruflé en tenslotte een gedicht vertolkt door een doventolk (Annet van den Berge). Alleen: dat laatste, ik neem aan Lied 697 uit het Liedboek, viel samen met het stuk van Duruflé. Jammer maar waar wat mij betreft. Een al dan niet derde onderdeel had dan ook best stilte mogen zijn. Om te reflecteren op die preek in twee delen.

Eigenlijk bestond de opbouw van de hele dienst min of meer uit twee delen. Ga maar na: voor de verkondigingen in taal en klank klonk aan het begin het koraalvoorspel Nun bitten wir den heiligen Geist BuxWV 209 van Dietrich Buxtehude, Lied 360 Kom Schepper, Geest op een melodie uit de negende eeuw en enkele verzen uit Psalm 19 op een Geneefse melodie (1542). Allemaal oude melodieën, waarbij je je overigens kunt afvragen waarom het inleidende koraalvoorspel niet binnen de orde van de dienst viel, dus ná het klokgelui. En na de verkondiging de wat nieuwere melodieën, van Frits Mehrtens (Lied 763) en een korte, mooie en krachtige improvisatie daarover tot slot.

Wat de verkondiging in gesproken taal betreft: deze viel ook uit in twee gedeelten. Eerst ging het over Exodus 20:1-21, de uittocht naar het leven vanuit de bevrijding. De vraag is hoe je dat kunt bewaren. Het antwoord ligt volgens dominee Zwart in de Tien woorden, de tien invalshoeken, de tien bakens in de zee van het leven. Liefde is de grote drijfkracht.
Het tweede gedeelte was naar aanleiding van Johannes 14:15-21. Jezus haalt de geboden aan. Weer is liefde de drijvende kracht om in vrijheid te kunnen leven. Dat wil zeggen: krachtig en geestig.

Ten aanzien van Van der Ploegs uitvoering van Duruflé’s koraalvariaties, kan ik haast letterlijk overnemen wat ik in de Leeuwarder Courant van 11 augustus 1983 schreef naar aanleiding van zijn uitvoering van hetzelfde stuk op het Müllerorgel: ‘Het is opvallend dat [nu] het Flentroporgel onder de handen van Tjeerd van der Ploeg (…) heel ver tegemoet komt aan de verschillende klankkleuren. Variërend bijvoorbeeld van tongwerken (…) tot de grondstemmen’ en – vul ik hier aan – de fluiten.

Het was niet zozeer een toverbal die na dit koraal nog weer anders kleurde, maar een bol zoals ik het ook in de Leeuwarder Courant noemde: een bol waarin licht valt, telkens anders gedurende de dag. Een bol als op de achterwand van het Arnolfini portret (1434) van Jan Van Eyck. En wat daar dan het centrale thema van is? U raadt het al: liefde. Het kan niet missen.

Mooi dat in deze tijd wordt gezocht naar een wat experimentele invulling van een dienst die via kerkdienstgemist kan worden gevolgd. In verbondenheid met anderen thuis en met hen die ons voorgingen, in woord en muziek.

Drieluik

Gisteren stond in dagblad Trouw een mooie blog van Nico de Fijter over een kunstwerk in Münster. Boven een deur van de St. Paulus Dom (foto links) stond in neonlicht ‘een rijtje sierlijke, witte letters’. Er stond: As-salamu alaikum (Vrede zij met u) – ‘een islamitische tekst boven de toegang tot een christelijke kerk’. Even verderop stond boven het LWL-Museum für Kunst und Kultur, recht tegenover de Dom waarnaast  ik verleden jaar samen met een vriendin op een terrasje een kop koffie dronk, ‘Wege zum Frieden’  boven de ingang. En nog weer verder stond de Hebreeuwse versie van deze wens (Shalom aleichem) boven de deur van de Marokkaanse Attawba Moskee.
Het bleek om een project te gaan van de Duitse kunstenaar Fridolin Mestwerdt, die er de ‘wederzijdse waardering en erkenning tussen de drie Abrahamitische godsdiensten’ mee tot uitdrukking wilde brengen.

Ik moest opeens denken aan de drie dozen of kistjes die figureren in Shakespeare’s De koopman van Venetië. Bassanio moet eruit kiezen, wil hij met Portia mogen trouwen. De drie doosjes hebben tot veel interpretaties aanleiding gegeven, maar ik kon voor dit moment in het gouden, zilveren en loden doosje niets anders zien dan het jodendom, het christendom en de islam – de boom, de stam, de takken, en de blaadjes en de bloemen, zoals rabbijn Marianne van Praag ze noemde in de tweede van een serie televisie-uitzendingen onder de titel ‘Kijken in de ziel’ van Coen Verbraak.

Dominee Han Dijk had het in de kerkdienst waar ik vanmorgen was, over drie sleutels om het geheim van Marcus 6:45-52 open te kunnen maken; we moeten Jezus (en God, en Mohammed) volgens hem juist niet in een doosje willen doen, niet willen opsluiten. Maar we moeten wél door een deur de teksten binnengaan.
Hij zag in de onderhavige Evangelietekst drie sleutelmomenten:

  1. Jezus wilde de discipelen voorbij gaan (vs. 48) – zoals God aan Mozes voor(bij) ging, die Hem op de rug zag en volgde.
  2. ‘Ik ben het’, riep Jezus (vs. 51) en daarin weerklinkt de Naam van God: Ik ben die Ik ben.
  3. ‘En zij waren innerlijk bovenmate ontsteld’ (vs. 52) is de derde en laatste sleutel.

Drie wijzen van geloven, drie kistjes, drie sleutels – dat is wat geloof (jodendom, christendom en islam), kunst (in Münster) en toneel (Shakespeare) ons brengen. Of zoals we met een kinderlied (Lied 218 uit het Liedboek) zongen:

Dank U voor vrienden en voor vreemden
die ik tegenkom.

Zing van het Licht!

Tegen het donker heet een verzamelbundel met liederen van Sytze de Vries, Zing van het Licht! heet een bundeling met liedjes en mini-musical bij de Bijbel van mijn nicht Lida van den Broek-Mater. De insteek – donker en licht – en de doelgroep – volwassenen en kinderen – is anders, maar allebei bieden ze een aanvulling op wat het Liedboek biedt. En gelukkig worden de kinderen bij Van den Broek niet als mini-volwassenen beschouwt, maar zitten er ook lekker dwarse teksten in. Lida schreef ze zelf, net als de muziek erbij.

Neem De gelijkenis van de verontschuldigingen naar Lucas 14:1 of 12:24. Als toelichting schrijft ze erbij: ‘De leidende tekst is “gaat heen in de heggen en steggen en dwingt ze om in te gaan”. Dat is een wat beladen tekst, veel misbruikt. In de NBG staat dan ook: “nodig iedereen met klem uit”. Maar in de grondtekst wordt het woord dwingen gebruikt”. In de liedjes komt het dwingende karakter naar voren. Een beetje wild misschien. Met een beetje fantasie kunnen de kinderen van de kindernevendienst zich uitleven op de gemeenteleden!’

Ik zie het helemaal voor me, met de tekst die ook nog eens voor volwassenen een diepere laag heeft met een kritische ondertoon over mensen die niet hoeven te betalen en daarom geen nee zullen zeggen én een Bijbelse over dat ze geen dure vent willen in een sjieke tent, maar lammen en de blinden. Kinderen voelen zoiets ongetwijfeld feilloos aan. En is het niet direct, omdat het nog boven hun petje gaat, dan valt het kwartje later wel. Op de flaptekst staat dat het ideaal van de maakster is dat ‘groten en kleinen in de kerk hier samen mee aan de gang gaan!’

Lida Mater (1933) kreeg de opvoeding die bij haar past: de Montessorischool en de Volksmuziekschool. Later, na als onderwijzeres en maatschappelijk werkster te hebben gewerkt, volgde ze Conservatorium A en gaf muziekles op de basisschool, de muziekschool en bij het Speciaal Onderwijs. Ze leidde een kinderkoor, een jongerenkoor en, kerkelijk betrokken als ze is, diverse cantorijen. Op oudere leeftijd volgde ze HBO-theologie A.
In het kader van de laatste opleiding schreef ze Leven aan het Licht (Kok Kampen, 1994).

Het onlangs uitgegeven boekje wens ik in handen van veel kindercantorijen, in de kindernevendienst en op basisscholen.

Lida van den Broek-Mater – Zing van het Licht! Lecturium Uitgeverij, 2017.