Het einde van het kwaad

Beatrice de Graaf, hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen in Utrecht, doet ik haar essay Heilige strijd een beetje hetzelfde als ik in mijn MA-scriptie Het kwaad het hoofd bieden deed: verdergaan waar de wetenschap stopt. In mijn geval: waar Het kwaad denken van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman (die al bij De Graaf op pagina 15 opduikt) ophoudt en de literatuur van Philippe Claudel (Het verslag van Brodeck) begint. In het geval van De Graaf: waar betekenisgeving begint.

De Graaf geeft meteen aan het begin haar kaarten weg, waar ik na een omweg, via de wijsgerige theologie van Dalferth (bij haar oftewel foutief oftewel familiair een keertje Ingo i.p.v. Ingolf genoemd) en Jean-Claude Wolf: hoop (en liefde), dat is wat een letterkundig werk als Het verslag van Brodeck van Claudel, en de Bijbel, aan het filosofische en ander wetenschappelijk denken onder meer kan toevoegen.

De titel van De Graafs boek slaat op de navolging van Christus’ heilige strijd. ‘Dat gevecht’, schrijft ze, ‘is gericht tegen het kwaad in ons en om ons heen.’ Het eerste is een aspect dat ik een beetje miste in het denken van Neiman en daar, in navolging van onder meer Colet van der Ven, aan heb toegevoegd. Ook in het boek van Claudel speelt het een voorname, niet te miskennen rol.

Net zomin als Neiman vindt ook De Graaf ‘het kwaad’ een te analyseren categorie. De Graaf hekelt de ‘politici, publicisten en zelfs een enkele predikant die het wel publiekelijk aandurven om het kwaad te benoemen en de oorzaken aan te wijzen: het is de islam, het zijn de vluchtelingen, de EU, de liberale elites, de “wegkijkers” die dat gezwel hebben laten voortzweten.’
Neiman brengt een tweedeling aan: natuurlijk kwaad (aardbevingen e.d.) en moreel kwaad (dat wat de mens een ander aandoet) en beschrijft hoe het in het denken van het een (God als oorzaak aanwijzen) tot het ander (de mens als oorzaak zien) is gekomen. Daarbij schenkt zij, evenmin als De Graaf, weinig aandacht aan instituties, Bijbelse en seculiere geboden die er een halt aan proberen te roepen.

Een ander punt is de vraag of je met de titel van Neimans studie het kwaad wel kunt denken: is de rede niet, zoals De Graaf stelt en ik ook uitwerk, na de Tweede Wereldoorlog niet gestruikeld? De Graaf meent terecht dat Neimans denken in deze ‘te dun’ is, omdat je in feite dan ‘“het kwaad” religieus en intellectueel onweersproken laat staan.’ Hoop, stelt De Graaf (en, als gezegd Claudel, op een heel andere, seculiere manier) belooft ‘meer dan Neimans geloof in “sufficient reason”.’

De Graaf wijst op een proefschrift van Petruschka Schaafsma, Reconsidering evil, die naast Immanuel Kants denken over het kwaad (de leermeester van Neiman) tevens dat van Paul Ricoeur en Karl Barth zet. Deze twee namen ontbreken bij Neiman, iets waar in recensies ook op is gewezen als zijnde een gemis, zeker wat het de eerst genoemde betreft, immers een filosoof die ook over het kwaad nadacht.
Kant laat het transcendente en metafysische – waar ik uitvoerig op inga, een beetje tot verdriet van mijn scriptiebegeleider – buiten beschouwing. Ricoeur komt – net als Claudel – met categorieën als vergeving en boete. Beiden geven zo een mooie aanvulling.

De Graaf zet hier nog iets naast: ‘Er moet (…) een radicale oplossing komen voor dit kwaad (…). Dat einde van het kwaad (…) moet door God worden gerealiseerd.’ Daar kun je je in vinden, of niet (helemaal). Ik zou zeggen: door God en mensen sámen. In ieder geval is dit denken, net als de literatuur, een weg die doorloopt waar de filosofie van Neiman stopt, omdat wordt erkend dat je met louter denken niet verder komt. Dat is een ding dat zeker is.

Beatrice de Graaf: Heilige strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad. Uitg. Boekencentrum, 2017 (ISBN 978 90 5059 2) € 12,99

Omslag van mijn scriptie (rechtsboven) Yve du Bois.

Kunst, religie en samenleving

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeWaar gaat het heen binnen de vier levenssferen die René Gude in zijn Het agoramodel – de wereld is eenvoudiger dan je denkt (uitgeverij ISVW) beschrijft? Privé, privaat, publiek en politiek, met kunst, religie en samenleving, met het vreemde en het eigene in een wereld waar Nederland onmiskenbaar deel vanuit maakt? Ik schreef er eerder over in een column voor een NVMB-Nieuwsbrief die ik hier t.g.v. het verschijnen van het boek van de filosoof Gude (zie foto) en een lezing over hem op 15 september a.s. (zie onderaan) in iets geupdate versie herplaats.

 

Kunst en wereldreligies
Laten we klein beginnen. Want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunst en wereldreligies, hoe je het ook wendt of keert, een marginale rol in de Nederlandse samenleving spelen. Het ontregelende dat beide cultuuruitingen zouden moeten aankleven, willen zij een daadwerkelijke functie in de openbare ruimte hebben, is vaak teruggebracht tot esthetische vraagstellingen over het schone – het eerste element in de platonische trits het schone, ware en goede.

Damien Hirst_For the love of GodDat was zo toen het platina afgietsel van een mensenschedel, ingelegd met diamanten, onder de titel For the Love of God van Damien Hirst (zie afb. rechts) in het Amsterdamse Rijksmuseum viel te zien. Het bood niet een blik op de vergankelijkheid en kwetsbaarheid van het leven, als op een Vanitasschilderij, maar bleef ook aan de buitenkant met perfecte, niet door de tijd aangetaste diamanten en gebleekte tanden. In die zin past het kunstwerk perfect in een tijdsgewricht waarin een menselijk lichaam door cosmetische ingrepen, liposuctie en facelift, geen sporen van veroudering meer lijkt te mogen tonen. En we in de toekomst volgens de gerontologe Andrea Maier zelfs 130 jaar zouden kunnen worden. We leven in een tijd waarin kopieën voor kunst worden versleten, wat op zich veel interessants oplevert, al waarschuwde Magritte nog zo door expliciet onder zijn afbeelding van een pijp te zetten: Ceci n’est pas une pipe.

Dat was ook zo bij de installatie van Joris Staal tijdens de tentoonstelling Recht voor zijn raap van het Centraal Museum in Utrecht. Vanaf het dak van het museum, naast de Nicolaikerk, klonk vijf keer per dag een oproep tot het islamitische gebed. Staal hoopte primair op een debat op straat, maar oogstte uiteindelijk meer waardering voor het esthetische aspect van zijn werk.

Ook het idee om te komen tot zogenaamde lokjoden, een voorstel van Ahmed Marcouch, berust op het concept van een kopie. In beide gevallen, van Staal en Marcouch, loste het debat op in goede aanzetten tot een gesprek zonder dat er wat veranderde. Zo’n opzet heeft pas zin als iedereen een hoofddoek of een keppeltje gaat dragen, zoals in de Tweede Wereldoorlog er Denen waren die een jodenster op hun jas speldden. Het vreemde is dan eigen geworden.

Kunst en religie maken zichzelf pas waar, als ze gaan waarover ze horen te gaan: over vragen van leven en dood (de schedel van Hirst!), over een kier waardoor de werkelijkheid achter de rauwe realiteit van alledag, voorbij de economische kloof tussen de eerste, tweede en derde wereld zichtbaar wordt. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop. Een richeltje inzicht’, noemde de protestantse predikant Henk Vreekamp dat eens. Waarop een vakgenoot aanvulde: ‘Maar dit moet wél geschieden.’

De kunst en het leven
Als je beide uitspraken bij elkaar voegt, ontstaat het ware, het tweede element in de platonische trits. Hierin doen – zoals de film Copie conforme laat zien – de kunst en het leven er zelf toe. De hoofdpersoon James Miller (William Shimell) laat zich uit over het eigen leven dat je moet leiden, Elle (Juliette Binoche) zoekt bevestiging van haar eigenheid na een ontmoeting op een pleintje in een Toscaans dorpje, de bakermat van de renaissance. Nog afgezien van het deze wat clichématige uitwerking is de boodschap van de film het overdenken meer dan waard: de impact van wat de w/Werkelijkheid is of – al dan niet in kopievorm – voorstelt.

Barnett Newman_CathedraMaar deze kunnen wij niet altijd aan of durven wij niet altijd onder ogen te komen. Zijn het niet juist díe kunstwerken die het ware, deze w/Werkelijkheid tonen die worden vernield, zoals Cathedra van Barnett Newman? (zie afb. links). Omdat het een w/Werkelijkheid is die niet op zichzelf staat, maar uitnodigt tot een gesprek, zoals in aanzet de azan (gebedsoproep) en de klokken van de belendende kerk in Utrecht op de momenten dat ze tegelijk klonken, of op een pleintje in San Gimignano?

Deze vormen van kunst, religie en (samen)leven zetten de ramen naar de buitenwereld op een kier, incorporeren voorbeelden uit het verleden en andere culturen in het heden met oog op een hoopvolle toekomst waarin stem en tegenstem niet dissoneren. Waarin niet alleen financiële markten zijn geïntegreerd, maar waarin een Iraanse filmregisseur op een Italiaanse markt die als Griekse agora, als een plaats van ontmoeting fungeert, Europese renaissance(denk)beelden tot leven wekt. Aan de ene kant benadrukt hij door het gebruik van de Italiaanse taal ook nog eens de eigen identiteit van de regio, maar aan de andere kant laat hij zijn personages ook Engels spreken, de taal van de globalisering bij uitstek. Dat er ook nog Frans wordt gesproken, drukt des te meer uit dat de wereld klein is.

Kunst, religie en samenleving
Het is de kunst- en literatuurkritiek van de collegae van James Miller die bij uitstek, na primair goed gekeken, geluisterd en gelezen te hebben, zou kunnen bemiddelen tussen kunst, religie en samenleving. Daarbij uitgaande van wat als ‘vreemd’ kan worden ervaren in die kunst, door de wereldreligies onderling en in de samenleving. Met als doel dat er empathie ontstaat en iedereen, all over the world zich het vreemde eigen kan maken.

Kunst moet zowel in de religie als in de samenleving ‘infiltreren’ opdat ze zich door haar vreemdheid laten gezeggen, het vreemde stem krijgt, wordt gehoord en gezien. Opdat ze er alle drie door worden verrijkt, zichzelf niet tekort doen en de politiek er niet meer omheen kan als zouden het ‘linkse hobby’s’ zijn.

Hafid BouazzaJe kunt je afvragen of de stem van de kunst niet is verzwakt omdat ze zich niet of nauwelijks engageerde en de samenleving op een veilige afstand hield. Je kunt je evenzeer afvragen of de wereldreligies niet alleen zijn verzwakt omdat ze zich vaak boven hun voorganger verheven voelde (christendom als vervangingstheologie van het jodendom, islam boven jodendom en christendom), maar ook omdat zij op grond van een foute uitleg van het beeldverbod uit het Oude Testament, – waar het niet om (af)beeld(ingen) in algemene zin maar om het verbod op het afbeelden en vooral aanbidden van afgoden gaat -, kunst buiten de deur heeft gewerkt en veelal gehouden. Dat geldt evenzeer voor de islam; Hafid Bouazza (zie afb. hierboven) betoogt in zijn pamflet onder de titel Beelden tot leven wekken (uitg. Querido), zoals de Iraanse regisseur Abbas Kiarostami in zijn film een beeld tot leven wilde wekken, dat het ontbreken van gevoel voor kunst de islam geen ademruimte laat. En tenslotte kun je je afvragen of de Nederlandse samenleving niet is geworden wat zij nu is, vol onvrede en angst voor het ‘vreemde’ en zich louter vastklampend aan het ‘eigene’, omdat ze kunst en religie niet als tegenstem aanvaardt en soms verre van zich werpt met een felheid die je bang te moede maakt. Het kan geen toeval zijn dat juist in deze context verschillende zachte krachten wijzen op het belang van een gesprek tussen kunst, wereldreligies en samenleving, tussen het schone, ware en goede, de eerste, tweede en derde wereld.

Kunstkritiek

Anna TilroeWat de kunstkritiek betreft, is dat bijvoorbeeld de stem van Anna Tilroe (zie foto). Zij stelde in 2008 de tiende Sonsbeek-tentoonstelling samen. Haar doel was, en is, kunst in verband te brengen met de samenleving en er een gesprek in de publieke ruimte over aan te gaan. Met de genoemde tentoonstelling was zij niet langer, om de ondertitel van haar boek uit 2002 aan te halen, op zoek naar een nieuw visioen, maar bood ze niet alleen esthetische gewaarwordingen maar ook ethische implicaties daarvan ter discussie aan. Het begon met een processie waarbij kunstwerken door Arnhem werden gedragen. Een gebruik dat religieus is in de ruime betekenis van het woord. Tilroe was op het spoor ervan gezet door een Japanse processie, maar het idee dat beelden van ouds als het goed is met de cultus van een gemeenschap waren verbonden, was niet ver weg. Met de Franse filosoof Alain Badiou noemde zij dit ‘een gebeurtenis die iets doorbreekt.’ Datzelfde probeerde zij met de kunstwerken zelf die tentoon werden gesteld te bereiken. Kunst die, zoals Tilroe in een interview in Metropolis M (nr. 6/2007) zei, ‘paf, keihard binnenkomt.’ Het was kunst uit alle werelddelen, want eenkennigheid was zij bij het samenstellen van de tentoonstelling niet.

Van haar hand verscheen ook een pamflet, onder de titel De Ja-Sprong, naar een nieuwe vitaliteit in de kunst (uitg. Querido). In dit pamflet stelt Tilroe zich enerzijds te weer tegen de internationale kunstmarkt en vestigt anderzijds haar hoop op de kunst zelf. Niet als autonome kunst, maar als soevereine uiting in een geglobaliseerde wereld. In de kunstwereld is het kapitalisme volgens haar bijna crimineel geworden, of wordt de markt niet door intrinsieke kunstwaarden maar door economische beginselen bepaald.

Leescultuur
Datzelfde geldt voor de leescultuur. De reclame focust wereldwijd op e-books. Om die te kunnen lezen is echter een e-reader noodzakelijk. Maar wanneer iemand bijvoorbeeld een e-book bij Amazon bestelt, is hij automatisch gebonden aan de Kindle van Amazon. Het e-book kan daardoor niet als een handzame kopie van een gedrukt boek (Ceci n’est pas un livre) worden beschouwd. De astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist Vincent Icke beroept zich in een artikel in NRC Handelsblad (6 augustus 2010) dan ook niet alleen op de boeken van Spinoza in zijn boekenkast omdat die niet in sommige gevallen ‘anoniem vanaf grote afstand kunnen worden gewist zonder dat wettelijke garanties dat verbieden’, maar ook omdat vorm en inhoud bij hem één zijn in die zin dat Spinoza, maar ook een andere grote gigant uit de renaissance, Shakespeare ‘en de rest (…) schitterende dingen hebben geschreven over vrijheid. Op papier.’

Monika Van PaemelDe hiervoor genoemde denkers uit heden en verleden zijn gelukkig niet de enigen die hun stem, een tegenstem laten horen. De Vlaamse schrijfster Monika Van Paemel (zie foto), die al eerder een pamflet schreef onder de titel Te zot of te bot (uitg. Querido) kwam met een boek onder de titel Een intieme geschiedenis (uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep). Net als Tilroe en Icke stelt zij zich te weer tegen vercommercialisering en vluchtigheid. In dit geval van de hedendaagse roman, ongetwijfeld in gedrukte vorm. Van Paemel spreekt zich uit over een gedeeld verhaal, een inclusieve geschiedenis, over het leven in alle facetten, zowel in esthetische als ethische zin. ‘Een intieme geschiedenis’ die niet de tijdsgeest weerspiegelt zoals de kunstwerken van Hirst en Staal, maar vergezichten biedt, door de kier van een muur, een raam met uitzicht zoals de film van Kiarostami die biedt. Dit maakt dat de literaire roman niet beperkt blijft tot een vermelding in een nationale canon, maar deel uitmaakt van wereldwijd gedragen, gemeenschappelijk bezit, tot gezamenlijk cultureel erfgoed. De roman is per definitie vreemd én eigen en biedt lezers de gelegenheid zich het vreemde eigen te maken. Je herkent je eigen verhaal en laat je verrijken door dat van een ander. Op die manier biedt de roman via de kunstkritiek, via het openbare debat ruimte voor een vruchtbare dialoog. Zodat iedereen erdoor wordt aangesproken en niemand, ook in de politiek niet, erom heen kan.

In perspectief
DeLillo_Vallende manEen roman die dit bij uitstek doet, en waarin alle hiervoor gesignaleerde aandachtspunten worden samengebald, is Vallende man (uitg. Anthos/Manteau, zie afb.) van Don DeLillo. De kleine, intieme geschiedenis van de hoofdpersoon, Keith Neudecker – we eindigen ook weer klein –, weerspiegelt de gebeurtenissen op 9/11. De performances van de schoonspringer, die van gebouwen springt, zijn een kopie van de val van de man op de beroemde, iconische foto van Richard Drew. De ex-vrouw van Neudecker, Lianne weet niet met deze performances om te gaan. Net zo goed als zij de Arabische muziek van haar onderbuurvrouw na 9/11 niet meer kan verdragen en daarmee de buurvrouw afwijst. Deze muziek staat symbool voor het vreemde, dat zij zich niet eigen kan en wil maken. De vraag is of zij in de Nature morte, de stillevens van Morandi ook een kopie van de werkelijkheid na 9/11 ziet, of dat deze gelijk bij Newman symbool staan voor het goede – het derde een laatste element in de platonische trits – waarop Lianne lijkt te hopen en daadwerkelijk, met vallen en opstaan aan wil werken. De hoop schuilt in de opvoeding die Lianne hun zoontje Justin (de rechtvaardige) geeft. Onder andere wanneer ze hem meeneemt naar een demonstratie. Zo voegt zij de daad bij het woord en gloort een kiertje licht, een weinigje hoop.

Hetzelfde geldt voor de laatste zin van het boek. Hierin beschrijft DeLillo dat Keith Neudecker niet langer zoals tot dan toe als in een film een overhemd uit de lucht naar beneden ziet vallen, maar ook dat hij niet van steen is en opeens tot zijn bewustzijn door laat dringen dat er uit de mouwen van dat overhemd armen steken, ‘armen die zwaaiden als iets wat in dit leven ondenkbaar is.’

Het is zoals pianist/dirigent Daniel Barenboim tijdens zijn Nexus-lezing 2010, De ethiek van de esthetiek het verwoordde: de kloof tussen verstand en levensvraagstukken is gedicht. Maar tussen kopie en ultieme Werkelijkheid moet altijd een kiertje blijven bestaan. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop, een richteltje inzicht.’ Opdat niets wordt dichtgemetseld, er ruimte blijft om te ademen en het vreemde tot zijn recht kan komen. In die ruimte, op dat pleintje ontmoeten mensen uit de hele wereld, uit alle culturen elkaar. Om samen het vreemde en eigene in perspectief te zien.

Op 15 september opent het Huis van de Levenskunst in Tuindorp Oostzaan (Amsterdam) weer zijn deuren. Het gaat deze keer opnieuw over de filosoof René Gude uit Amsterdam-Noord die vorig jaar is overleden. Hij was vanaf 2013 Denker des Vaderlands. Trinus Hibma, predikant van de Bethelkerk, zal enkele belangrijke punten uit zijn werk presenteren en met de aanwezigen daarover praten.

Plaats: Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam.
Tijd: donderdag 15 september van 14.00 tot 16.00 uur.
Toegang gratis. € 2 voor consumpties.

 

Het lege ik

KantEén van de interessantste filosofische interpretaties die ik de laatste tijd hoorde, kwam uit de mond van Roy Sorensen (St. Louis, Missouri). Hij deed zijn uitspraken in een televisie interview met Roel Bentz van den Berg (Wintergasten, 20 december 2011). Het ging over het ‘transcendentale (het zichzelf te bovengaande) ik’ van Immanuel Kant (1724-1804, zie afb.), het lege ik dat zo ruimte biedt voor empathie aldus Sorensen.
Ik leg deze uitleg in dit stukje naast die van Terry Pinkard, in zijn beroemde boek over Duitse filosofie 1760-1860 (uitg. Atlas) en trek tenslotte conclusies uit de negatieve duiding die vaak zowel Kant als het boek Compassie (uitg. De Bezige Bij) van Karen Armstrong ten deel vallen.

De kern van de filosofie van Kant bestaat volgens Pinkard uit begrip(pen) en aanschouwing (voorbeelden, verduidelijkingen). Neem als voorbeeld ‘rug’ in combinatie met ‘deformiteiten’. Voordat aanschouwing en begrip(pen) samenkomen, is het moeilijk je een voorstelling van de impact hiervan te maken. Daarom voegt Kant een derde functie toe: die van de verbeeldingskracht. Begrip(pen) hebben alleen betekenis in relatie tot een ervaring. In zijn geval klopt dit trouwens tussen haakjes helemaal; bekend is dat hij niet alleen klein van stuk was, maar ook vergroeid met aan de ene kant een hogere schouder dan aan de andere.
Het lege ik wordt zo gevuld door wat Kant de categorische imperatief noemt. Oftewel de zogenaamde gulden regel; wat een verpleegster mij eens antwoordde toen ik enkele jaren geleden in het ziekenhuis lag en haar complimenteerde en bedankte voor de wijze waarop ze met patiënten omging: ’Ach, ik denk altijd maar: “Behandel anderen altijd zoals je zelf behandeld wilt worden”.’

Volgens Karen Armstrong ligt deze regel ten grondslag aan drie grote wereldgodsdiensten: jodendom, Christendom en islam. Het transcendente ik kan volgens haar (en het is alsof je ook Kant hoort) alleen worden gerealiseerd door compassie met de medemens.
Volgens een recensente als Beatrijs Ritsema (ja, dezelfde van de etiquette) zijn de Bijbel en de koran een omweg om dit algemeen menselijke te bereiken.
Maar niet alleen Armstrong, ook Kant wordt verguisd als zijnde moralist en naïef. Wanneer Carel Peeters in zijn boek Gevoelige ideeën (uitg. De Harmonie) Kant afdoet omdat zijn denken ‘verbeelding, sensibiliteit en vormkracht’ zou ontbreken, doet hij hem onrecht. Een moralist? Nee – hij doet, net als Sorensen en Armstrong mensen recht die met empathie willen denken. Bovendien was het diezelfde Kant die het ‘erweiterte Denken’ bedacht: niet blijven steken in je eigen, al dan niet v/Verlichte denken, maar je verplaatsen in de omstandigheden van een ander. Daar is elk moralisme vreemd aan. Het is ‘een artistieke suggestie’, moet Peeters zuinigjes toegeven.

Lorenzetti_SienaEn dan zie ik één beeld voor me: de fresco Gli effeti del buon governo in città e campagna (De effecten van goed bestuur in stad en land, zie afb.) van Ambrogio Lorenzetti (1338) in het Palazzo Pubblico van Siena. Wat een heerlijkheid, waar iedereen een plaats heeft: van kleine kinderen tot krom gegroeide ouderen en alles wat daartussen zit. Volgens mijn reisgids is het opmerkelijk ‘dat deze [cyclus] zich niet in een kerk maar in een raadhuis bevindt’. Waarom? Lees een gedicht van Hanny Michaelis (in: Wegdraven naar een nieuw Utopia, uitg. Van Oorschot) en begrijp dat de Bijbelse beelden die zij noemt zowel in kerk als samenleving tot hun recht kunnen komen:

legden leeuwen en tijgers
hun kop op de poten
en sliepen in, slangen rolden
zich op en zelfs de schorpioen trok zich terug. Verlost
haalde ik adem, ik voelde
je hart tegen het mijne kloppen
en in mijn binnenste werd het stil
als in de lege kerk vlak voor
het ogenblik waarop het orgel
zijn triomfantelijke stem verheft.

Herplaatsing van een column die ik schreef voor Wervelingen (zomer 2011). T.g.v. de Akademie van Kunsten-lezing die de Kantiaan Susan Neiman woensdag 18 november 2015 in het Trippenhuis te Amsterdam zal houden o.d.t. Art and Enlightenment: Old-fashioned thoughts for the 21st Century.

Als het waar is (II): acht jaar later

Eddy Reefhuis_2Eerder publiceerde ik hier een interview dat ik bij het intrede van Eddy Reefhuis (zie foto) als predikant van de Oude Kerk in Amsterdam met hem had. Hier volgt deel II, het verslag van een gesprek dat ik voerde t.g.v. zijn afscheid op 22 november a.s. (zie onder aan deze blog voor meer gegevens).

Ik maak me steeds meer zorgen voor de joodse wortels in de christelijke eredienst, ook in die van de Oude Kerk. Niet zozeer wat jou betreft, maar bijvoorbeeld soms luisterend naar de voorbeden. Herken je dat?
Na acht jaar heb ook ik de meeste vragen bij de aandacht voor de joodse wortels, niet alleen van onze liturgische, maar van onze hele christelijke traditie.
Wat ik destijds daarvan had geleerd, ben ik niet kwijt geraakt, integendeel. Die respectvolle vrijmoedigheid, en dat het ‘gans andere’ nu juist in onze concrete werkelijkheid zo ‘gans anderspolitiek‘ blijkt, dat is het geheim van het onderlinge geloofsgesprek dat in de laatste jaren in de Oudekerkgemeente op gang is gekomen. Maar dat dat alles joodse wortels heeft – daarvoor is de aandacht meer en meer verdwenen. Interne discussie over wat dan ‘echt joods’ zou wezen, en toenemende wrijving over de politiek van de staat Israël, hebben ernstig afbreuk gedaan aan de belangstelling daarvoor. En voor volgende generaties is de vervolging en systematische moord op joodse landgenoten steeds meer een ver in plaats van een huiveringwekkend nabij verleden.

Is de dialoog, of misschien inmiddels trialoog (inclusief de islam) daarvoor niet wezenlijk?
Of die aandacht voor de joodse wortels ooit terugkeert via de dialoog tussen kerk en synagoge, weet ik niet. Op dit moment zie ik meer mogelijkheden in de hele actuele interculturele dialoog, waarin een groep als Salam – Sjaloom een belangrijke en vrolijke rol speelt. Nu nog vooral, omdat zij de steeds fellere tegenstelling tussen joden en moslims rondom de Israëlische politiek overbruggen. Maar daarin brengen ze beide hun eigen traditie mee en die is ook nu soms verfrissend anders dan de onze.

In de tijd dat je predikant in de Oude Kerk was, is ook de Nieuwe Bijbelvertaling ingevoerd, wat niet zonder slag en stoot ging; er wordt ook in de Oude Kerk, en vooral van aanhangers van de Amsterdamse School, veel kritiek op geleverd. Op het leerhuis heb je naast kritiek op de NBV ook regelmatig waardering voor deze vertaling geuit. En zelfs de Bijbel in Gewone Taal kwam op tafel. Ben je opgeschoven qua ideeën?
Nou, voor de NBV heb ik altijd naast kritiek ook waardering gehad. Direct al bij de verschijning merkte ik, hoe mensen, lezend in de NBV, soms voor het eerst in zeventig (!) jaar ontdekten, dat de bijbel ook voor hen was. Dat is geen kleinigheid, lijkt me.
Maar terugkijkend op acht jaar Oude Kerk, en ook op ook op meer dan dertig jaar predikantschap, verbaas ik me er vooral over, hoeveel moeite het ook mezelf nog steeds kost om de Bijbeltekst als tekst, als literatuur te lezen. En daarin ben ik misschien eerder meer dan minder Amsterdamse School geworden. ‘De tekst mag het zeggen’ is daar het adagium. En hoever dat reikt, is me in de afgelopen jaren nog veel duidelijker geworden. Mede dankzij de diensten rond kunst in de kerk werd me duidelijk, hoezeer de bijbel zelf ook kunst is, literatuur, die als alle kunst op heel eigen wijze bepaalt hoe ze wil worden verstaan.
Maar als ik over een tekst moest preken, en die zich niet zo gemakkelijk prijsgaf, was het toch moeilijk om geduldig die tekst te blijven volgen, en begon vroeg of laat toch de vraag naar wie God is – over die tekst te heersen.
Daar wil ik nog verder van worden verlost. Bijbellezen, samen met anderen – ja graag.
Maar preken – eerst maar eens een jaartje niet.

Tenslotte wil ik nog een kritische noot met je kraken. Ik vind het jammer dat de afgelopen jaren de Paascyclus aan ingetogenheid verloor, en de liturgie op zondag maar uitdijt met bijvoorbeeld een Hallelujah voor de Evangelielezing waar je vragen bij kunt zetten. Wat is de diepere bedoeling achter dit alles?
Je doelt waarschijnlijk op de veranderde opzet van de Witte-Donderdag-viering, waar we de afgelopen drie jaar hard aan hebben gewerkt. Niet langer de Pesachviering van Jezus met zijn leerlingen als opmaat naar het eigenlijke Pasen, Jezus’ lijden en sterven en zijn opstanding uit de dood; maar de joodse Pesachviering als het kader waarbinnen Jezus met zijn leerlingen, dus ook met ons, zijn eigen lijden en dood durft te vieren als verhaal van bevrijding, van opstanding dus ook. Daardoor is de Witte-donderdag-viering veel uitbundiger geworden. Over de juiste vorm zijn we ook niet uitgedacht. Maar die omkering – Pesach als kader in plaats van als opmaat – daar ben ik erg enthousiast over. Die moeten we niet meer kwijt.
En dan die extra responsies op zondag, met als laatste ‘aanwinst’ het Hallejujah voor het het evangelie – die responsies bevorderen volgens mij, dat de dienst geen eenrichtingverkeer is, maar we die samen doen. Bij dat Hallelujah kun je inderdaad je vragen hebben. Suggereer je daarmee niet toch, dat het Evangelie uiteindelijk de hoogste waarheid is, belangrijker dan Tenach? Voor mij is het Evangelie vooral de verbazing dat deze hoogst bijzondere teksten ook voor buitenstaanders, dus ook voor mij, opengaan. Dat begroeten met het van oorsprong Hebreeuwse maar inmiddels in heel de christenheid en daarbuiten bekend geworden Hallelujah vind ik wel geestig. Maar ik herinner me veel diensten waarin we ook zonder bleken te kunnen. Dus die vragen erbij – vooral stellen.

En aan het eind van het gesprek stelde Eddy Reefhuis mij een vraag terug – dialoog met de teksten en met elkaar hebben we immers meer en meer als de kern van ons leerhuis ontdekt – : hoe kijk jij terug op de afgelopen acht jaar, in het bijzonder op het leerhuis waar je praktisch vanaf het begin aan hebt meegedaan?
Voor mij vallen leerhuis door de week en kerk op zondag niet los van elkaar te zien. Wat beide samenbindt, is dat ik hoop dat er een evenwicht in wordt bereikt tussen gevoel en ratio; dat mijn hart soms even opspringt en dat mijn hersenen op z’n tijd knarsen. Zodat je de week weer door kunt en op iets kunt blijven door kauwen, en in beweging wordt gezet. Tot het zich, naar je hoopt, een volgende keer weer herhaalt. Haast als een ritueel, door de gang van de seizoenen heen.
In het leerhuis kom ik ook om anderen te ontmoeten – werkelijk te ontmoeten. Dat gebeurt niet altijd, en soms wordt je er ook in teleurgesteld, maar áls het gebeurt, levert dat bijzondere momenten op om te koesteren. In de kerk kom ik vooral om (zoals je zelf een keer treffend zei) God te ontmoeten, – God in de eerste plaats (en voor mij meer dan Jezus) en als een ander je tegemoet komt – dat ervaar ik vooral in het gezamenlijk zingen, zelfs fysiek door soms naar elkaar toe te buigen – dan geeft dat een extra dimensie. En als een ander je links laat liggen – ook dat gebeurt -, dan is er de ratio die je tot de orde roept: alla, láát. Het blijft mensenwerk, dat heb ik nooit sterker ervaren dan in de teleurstellende tijd dat ik scriba en kerkenraadslid was. God heeft soms raar grondpersoneel. Ik niet in ’t minst.


De nieuwe hemel komt in de bijbel op aarde. Het is een stad!
In de eerste stad in de bijbel, Babel (of Babylon), doen ze het omgekeerde. Daar willen ze met een toren naar de hemel. Een grote spraakverwarring verhindert dat. En die spraakverwarring is van God gegeven. Want al die verschillende talen geven ruimte aan allemaal verschillende verhalen. In plaats van zich te uniformeren voor een hoger doel waaieren de mensen uit over de aarde om hun eigen weg te zoeken en hun eigen verhaal te vinden.

In Nieuw Babylon is die spraakverwarring niet verdwenen. Nog steeds mogen er verschillende verhalen naast elkaar bestaan en brengen die ook hun eigen taal mee. Maar in Nieuw Babylon nodigt de Oudekerkgemeente ieder die op 22 november a.s. de Oude Kerk komt binnenlopen, uit, niet alleen het eigen verhaal te vertellen maar ook te luisteren naar een ander. Wie weet hoor je een verhaal dat je niet kende, waarvan je de taal niet eens verstaat, en dat je toch raakt en een nieuwe wereld voor je opent, pal voor je neus.

Jeruzalem is de andere stad in de bijbel. Daar wordt erkend dat die verschillen ook tot botsingen leiden en pijnlijk zijn. Maar in Jeruzalem roepen de slachtoffers daarvan niet om wraak maar om verzoening. Gemakkelijk is dat niet. Door de eeuwen heen gaan verzoening en verraad hand in hand. Maar soms ….
Het nieuwe Jeruzalem is, dat die verzoening niet de welhaast onmogelijke taak is die wij mensen moeten volbrengen, maar een onvermoede werkelijkheid die, o wonder, over ons neerdaalt. Voor dat wonder nodigt de Oudekerkgemeente u, samen met haar afscheid nemende predikant, uit om op zondag 22 november a.s. ’s middags de Oude Kerk binnen te lopen en dat te beleven.

Zie voor meer informatie: http://www.oudekerk.nu