Een bol

Ik omschreef het programma van een fraai orgelconcert van hem eens als een bol, als een toverbal, die telkens anders kleurde. We schrijven 10 augustus 1983 en het speelde zich af in de Grote Kerk van Leeuwarden, en ik schreef erover in de Leeuwarder Courant van een dag later.
Op het programma stond, naast werken van Nicolas de Grigny, Joh. Seb. Bach, Ernst Pepping en Max Reger ook de Pinksterhymne Veni creator op. 4 (1930) van Maurice Duruflé (foto rechts). Volgens Goethe de mooiste hymne die ooit is geschreven. Over creativiteit, over liefde.

Het toeval wil, dat Tjeerd van der Ploeg (want over hem heb ik het) vanmorgen datzelfde stuk, Choral varié sur le thème du ‘Veni creator’ speelde tijdens wat een Orgeldienst werd genoemd. Op zondag Rogate (Bidt) in de Bethelkerk in Amsterdam Tuindorp-Oostzaan (zie foto links, EvS). Het zou een onderdeel worden van wat ds. Kees G. Zwart in zijn inleiding een preek in drie delen noemde: eerst de gesproken tekst, daarna de ‘wervelende compositie’ van Duruflé en tenslotte een gedicht vertolkt door een doventolk (Annet van den Berge). Alleen: dat laatste, ik neem aan Lied 697 uit het Liedboek, viel samen met het stuk van Duruflé. Jammer maar waar wat mij betreft. Een al dan niet derde onderdeel had dan ook best stilte mogen zijn. Om te reflecteren op die preek in twee delen.

Eigenlijk bestond de opbouw van de hele dienst min of meer uit twee delen. Ga maar na: voor de verkondigingen in taal en klank klonk aan het begin het koraalvoorspel Nun bitten wir den heiligen Geist BuxWV 209 van Dietrich Buxtehude, Lied 360 Kom Schepper, Geest op een melodie uit de negende eeuw en enkele verzen uit Psalm 19 op een Geneefse melodie (1542). Allemaal oude melodieën, waarbij je je overigens kunt afvragen waarom het inleidende koraalvoorspel niet binnen de orde van de dienst viel, dus ná het klokgelui. En na de verkondiging de wat nieuwere melodieën, van Frits Mehrtens (Lied 763) en een korte, mooie en krachtige improvisatie daarover tot slot.

Wat de verkondiging in gesproken taal betreft: deze viel ook uit in twee gedeelten. Eerst ging het over Exodus 20:1-21, de uittocht naar het leven vanuit de bevrijding. De vraag is hoe je dat kunt bewaren. Het antwoord ligt volgens dominee Zwart in de Tien woorden, de tien invalshoeken, de tien bakens in de zee van het leven. Liefde is de grote drijfkracht.
Het tweede gedeelte was naar aanleiding van Johannes 14:15-21. Jezus haalt de geboden aan. Weer is liefde de drijvende kracht om in vrijheid te kunnen leven. Dat wil zeggen: krachtig en geestig.

Ten aanzien van Van der Ploegs uitvoering van Duruflé’s koraalvariaties, kan ik haast letterlijk overnemen wat ik in de Leeuwarder Courant van 11 augustus 1983 schreef naar aanleiding van zijn uitvoering van hetzelfde stuk op het Müllerorgel: ‘Het is opvallend dat [nu] het Flentroporgel onder de handen van Tjeerd van der Ploeg (…) heel ver tegemoet komt aan de verschillende klankkleuren. Variërend bijvoorbeeld van tongwerken (…) tot de grondstemmen’ en – vul ik hier aan – de fluiten.

Het was niet zozeer een toverbal die na dit koraal nog weer anders kleurde, maar een bol zoals ik het ook in de Leeuwarder Courant noemde: een bol waarin licht valt, telkens anders gedurende de dag. Een bol als op de achterwand van het Arnolfini portret (1434) van Jan Van Eyck. En wat daar dan het centrale thema van is? U raadt het al: liefde. Het kan niet missen.

Mooi dat in deze tijd wordt gezocht naar een wat experimentele invulling van een dienst die via kerkdienstgemist kan worden gevolgd. In verbondenheid met anderen thuis en met hen die ons voorgingen, in woord en muziek.

Eén onderlaag

St. Nicolkaaskerk PurmerendDagvoorzitter Willem Poot stelde tijdens zijn inleiding op een dag van de Stichting Orgelnetwerk Noord-Holland (24 mei 2014 in de St. Nicolaaskerk te Purmerend, zie afb.), die geheel was gewijd aan de interpretatie van orgelwerken van Joh. Seb. Bach, dat Bach door het gebrek aan autografen eigenlijk ‘leeg’ is en door de organist kan worden gevuld. En – voeg ik daar maar even aan toe – door de toehoorder. Of het helemaal waar is, laat ik overigens in het midden.

De ene organist deed dit vanuit de vorm, de ander vanuit de inhoud. Bijvoorbeeld in de Fantasia in g kl.t. BWV 542, met een deel dat in de stylus fantasticus is geschreven en een gedeelte dat meer polyfoon is. Tjeerd van der Ploeg speelde het eerste wat vrij en het tweede wat streng, Kees van Eersel benadrukte het verschil in karakter: het eerste werd onder zijn handen dramatisch van toon, het tweede was vanuit de vocaliteit gedacht.

Tijdens de pauze van deze studiedag las ik in De Groene Amsterdammer (22 mei 2014) onder andere een artikel van Joost de Vries over de toneelvoorstelling Anne. Op een gegeven moment komt daarin Philip Roths The Ghostwriter ter sprake, waarin Anne Frank figureert als een levende vrouw in Massechusetts.
Ze weet dat de publicatie van haar dagboek het leed voor veel mensen invoelbaar heeft gemaakt en wil de mythe niet ongedaan maken. ‘Het portret van Anne moet blanco zijn, waardoor je er alles in kunt zien dat je wilt’, schrijft De Vries.

Ik zou liever zeggen: je mag de ondertekening van het portret niet zien, maar deze stuurt wel, zoals de noten bij Bach – autograaf of niet -, vorm en inhoud beide. Of zoals Kees van Eersel ’s middags n.a.v. het koraal O Mensch, bewein dein Sünde Gross BWV 622 zei: ‘De articulatie mag je eigenlijk niet horen, maar moet je ervaren’.
Geen ontmythologisering dus, maar dóór de mythe heen prikken en een diepere (onder)laag bereiken en doorléven. Eentje (het lijden) beneemt je al genoeg de adem.