Wat er overblijft

        
‘Je hebt’, schrijft de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (1942) in het derde deel van zijn Homo sacer, dat in een Nederlandse vertaling van Willy Hemelrijk verscheen bij Uitgeverij Verbum, ‘mensen die overal een verklaring voor hebben en die te veel en te snel willen begrijpen, en anderzijds zijn er de goedkope heilgverklaarders die juist weigeren te verklaren’. We kunnen er namen bij bedenken, maar Agamben kiest ervoor ‘even de tijd [te] nemen in de kloof daartussen’.

Luisteren
Het is Agambens bedoeling met dit boek ‘een paar begrippen te corrigeren waarmee de allesbepalende les van de twintigste eeuw is opgetekend; een paar woorden geschrapt en andere anders geïnterpreteerd te krijgen’. Het is volgens hem misschien wel de enig mogelijke manier ‘om te luisteren naar wat niet gezegd is’. Eerst luisteren en er dan, zoekend en tastend, woorden voor vinden. Woorden die niet al zijn ‘bezet’ en ‘besmet’, om met Christien Brinkgreve in haar recente boek Het raadsel van goed en kwaad te spreken. Een boek dat soms haaks staat op dat van Agamben. En dat is goed om over na te denken en over in gesprek te kunnen gaan.

Schaamte
Zo heeft Agamben het bijvoorbeeld over het schokkende feit dat de SS en leden van het Sonderkommando een potje voetbal speelden, als was het op een veldje in de buurt in plaats van ‘voor de poorten van de hel’ (Dante steekt bij hem vaak de kop op). Agamben schrijft over ‘de schaamte van ons mensen die de kampen niet gekend hebben en toch (…) bij de wedstrijd zitten, die zich in elke wedstrijd herhaalt, in elke televisie-uitzending’. Brinkgreve begrijpt niet goed dat schaamte de ‘meest ontregelende emotie is’, terwijl Agamben stelt dat ‘als het ons niet lukt om die wedstrijd te begrijpen, er een einde aan te maken, er nooit hoop zal zijn’. Brinkgreve zoekt het in kunst, literatuur en muziek, die immers een empathisch vermogen kunnen oproepen.

Holocaust
Zowel Brinkgreve als Agamben zoeken naar adequate woorden. ‘Holocaust’ is dat voor Agamben zeker niet, omdat het ‘niet alleen een onacceptabele gelijkstelling impliceert van verbrandingsovens met altaren, en teruggrijpt op een semantische erfenis die van begin af aan een anti-Joodse strekking heeft gehad’. Ook het woord ‘onzegbaar’ voor Auschwitz is dit niet, omdat het ‘deze vernietiging het aanzien van iets mystieks geeft’.

Een gedicht
Agamben is wars van alles dat in die richting gaat. Zo ook van de opvatting dat gedichten (Celan) en liederen ‘de mogelijke getuigenis redden’. Het is zijns inziens ‘eerder de getuigenis die het fundament legt voor de mogelijkheid tot een gedicht’. Of, zoals Remco Campert dichtte (‘Notitie’ in: Open ogen, 2018):

dit gedicht helpt hem niet
maar is genoteerd

Muselmann
Maar is hij ook gezíen en gehoord? Agamben heeft het over de Muselmann, lethargische gevangenen die bijna dood waren, waarbij hij aan Gorgo moet denken, ‘dat afschuwelijke vrouwenhoofd met een kroon van slangen’, waarvan de aanblik de dood tot gevolg had – een ‘verboden gezicht’ dus. Niemand wilde de Muselmann zien – en juist dát moet onder ogen worden gezien en daarvan moet worden getuigd.
Dit heeft volgens Agamben, die daarin Primo Levi bijvalt, zin. ‘Levi ziet de Muselmann meer als de plek waar een experiment plaatsvindt, waar juist de moraal en de menselijkheid zelf in twijfel worden getrokken. De Muselmann is een heel bijzondere grensfiguur, waarin niet alleen categorieën als waardigheid en respect, maar zelfs het idee van een ethische grens hun betekenis verliezen.’ Ook om die reden, schrijft Agamben – en met hem meer filosofen, zoals Susan Neiman – ‘markeert Auschwitz het einde en de ruïne van elke ethiek van de waardigheid, van zich conformeren aan de norm’. En, meent hij, Primo Levi is ‘de onverzoenlijke landmeter van het Muselmannland’, – zo’n rijke zin, die werelden blootlegt, zoals die van Josef K., de landmeter uit Das Schloss van Franz Kafka. De landmeter die ook bij nul begon, omdat alle bruggen achter hem waren weggeslagen, en die ook onvermoeibaar zocht naar de waarheid. En die – zoals Agamben verderop beschrijft – iets als schaamte kende, ‘die hem moest overleven’.

Dialectiek
Het is een onmogelijke dialectiek, zegt Agamben: die van de overlevende, die kan spreken maar niets interessants te zeggen heeft, en de persoon die ‘de Gorgo heeft gezien’, die ‘de bodem heeft bereikt’, namelijk de Muselmann, die niet kan spreken. Wie getuigt nu echt? Die waarlijk getuigt, is volgens hem de Muselmann, die heeft gezien en met stomheid is geslagen. Maar waarlijk mens is hij, voor zover hij getuigt voor de niet-mens. Agamben concludeert dat ‘de stelling die de les van Auschwitz samenvat’ aldus luidt: ‘De mens is degene die de mens kan overleven’. De dialectiek van de Muselmann en de overlevende valt hierin even samen.

Getuigenissen
Indrukwekkend zijn de getuigenissen van de Muselmänner waarmee het boek afsluit. Want dit is kenmerkend voor het hele boek: het gaat niet alleen óver de Tweede Wereldoorlog, maar het zijn primair getuigenissen uít Auschwitz, dat symbool staat voor alle concentratie- en vernietigingskampen.
Uiteindelijk bestaat wat overblijft van Auschwitz volgens Agamben ‘niet uit doden noch uit overlevenden, niet uit de verdronkenen noch uit de geredden, maar uit wat er daartussenin overblijft’. De getuige en het archief.

Al met al een indrukwekkend boek dat zo diep ingrijpt, dat het slechts mogelijk is het mondjesmaat te lezen en te overdenken. Maar het is wel een boek dat gelezen moet worden.

Giorgio Agamben: Wat er overblijft van Auschwitz. De getuige en het archief (Homo sacer III). Hilversum, Uitgeverij Verbum, 2018. ISBN 9789074274913. € 17,95

Dit artikel verscheen ook in GM Gast-huismagazine nr. 110 (september 2018), p. 15-17.

Deus Passus van Wolfgang Rihm

De afgelopen jaren heb ik mij in de veertigdagentijd de gewoonte aangewend om een voor mij tot dan toe onbekende Passie te leren kennen. Zo leerde ik, en schreef ik op deze blog over achtereenvolgens de Johannes Passion van Arvo Pärt en Golgotha van Frank Martin.

Dit jaar hoorde ik dank zij AVROTROS op NPO Radio4 op Goede Vrijdag de rechtstreekse uitvoering van het passieoratorium Deus Passus (Lijdende God) van Wolfgang Rihm (zie foto), over wie ik als bewonderaar van zijn werk hier ook al eerder schreef.

Maar laat ik eerst beginnen met te memoreren wat een gedenkwaardige uitvoering solisten, koor en orkest onder leiding van Markus Stenz brachten! Het solistenkwintet was geweldig op elkaar ingespeeld en mengde qua klank ook goed met elkaar. Het waren achtereenvolgens: Anna Palimina (sopraan), Olivia Vermeulen (mezzosopraan), Cécile van de Sant (alt), Mark Omvlee (tenor) en Miljenko Turk (bas).

Hierbij kan voorts meteen worden opgemerkt dat de Christuspartij geen solopartij voor tenor was, zoals we dat uit bijvoorbeeld de Passionen van Joh. Seb. Bach kennen, maar door meerdere stemmen tezamen werd vertolkt, waarvoor het – zoals Thea Derks in de inleiding op de ratio-uitzending vermeldde – ‘universeler en minder persoonlijk’ werd. Niet dat, zoals zij ook zei, Bach niet regelmatig om de hoek komt kijken.
Maar dat geldt eigenlijk voor de hele Duitse (!) muziekgeschiedenis die op z’n tijd langs kwam. Van de tremulerende strijkers in Vater, ich befehle meinen Geist in deine Hände, zoals we die uit het Klaaglied Mit Fried unt Freud ich fahr dahin van Buxtehude kennen, tot het fluisterende, haast marcherend overkomende, adembenemende Kreuzige dat we uit de muziek van Mauricio Kagel kennen.

Met die laatste uitroep was nog meer aan de hand. Het Bar-Abbas uit dit deel (dat ook werd gefluisterd) ging naadloos over in het Kreuzige. Hieraan ligt de theologische opvatting ten grondslag dat Bar-Abbas niet alleen de naam is van degene die vrijgelaten zou moeten worden, maar ook Zoon van God betekent en dat het hier dus om een Godsmoord (deïcide) gaat.
Hieruit blijkt dat Rihm zich goed in zijn onderwerp heeft verdiept, jaren lang en uiteindelijk koos voor het Lucasevangelie, dat volgens hem het minst anti-judaïstisch is van de synoptische evangeliën. Hij gebruikt delen uit het evangelie in de vertaling van Maarten Luther, van wie dit overigens niet gezegd kan worden.

Niet alleen de hele Duitse muziekgeschiedenis komt voorbij, ook de alle vormen van geloof passeren de revue. De Lutherse, met telkens terugkerende citaten uit het koraal O Haupt voll Blut und Wunden (zie afb.). Met elementen uit de rooms-katholieke eredienst voor Goede Vrijdag (een responsorium, een improperium, de Hymne bij de kruisverering en de Klacht van Maria) en, het meest opvallend, het gedicht Tenebrae van Paul Celan, dat het werk van Rihm afsluit. Aan dit deel ontleent de oratoriumpassie zijn titel. De laatste woorden luiden: Bete, Herr / Wir sind nah, als een oproep voor ons luisteraars. In dit deel is ook, net als in de opening (Lucas 22:19-20) en door het haast als refrein terugkerende koraal O Haupt voll Blut und Wunden sprake van bloed.

Ook muzikaal valt Rihm soms terug op sjablonen uit de kerkmuziek. De woorden libera me (bevrijdt mij) uit het responsorium voor Goede Vrijdag worden gezongen als een respons: eerst solo, daarna beantwoord door het koor. Af en toe komen ook toonschilderingen voorbij zoals we die uit de passionen van Bach kennen: een huiveringwekkende vioolsolo loopt vooruit op Und asbald … krähete der Hahn, trombones die Und es ward eine Finsternis begeleiden verwijzen naar het gebruik van deze instrumenten als symbool voor de dood in bijvoorbeeld het Requiem van Mozart, en – tot slot – de herhaalde letter ‘a’  in O quam tristis et afflicta (O, hoe treurig en doorwond) klinkt alsof de speer telkens weer in de zijde van Jezus van Nazareth wordt gestoken.

Ik kan weer een indrukwekkend werk toevoegen aan het rijtje passionen dat ik de afgelopen jaren in de veertigdagentijd beluisterde: ‘donker en ingetogen’, zoals Thea Derks het noemde. Passend in de theologische opvatting van onze tijd.

Vraagteken, uitroepteken …

Constantijn HuijgensIn de grandioze roman Leven & lot van Vasili Grossman komt een opvallende waarneming voor. De verteller ziet twee mannen over straat lopen: de één is als een uitroepteken, stram rechtop. De ander als een vraagteken, met gekromde rug. Zo ziet de ik-persoon ze – hoe ze zichzelf zien blijft onvermeld. En aan een helemaal ‘in’ zijnde opvatting dat mensen met een ziekte of handicap er zijn om voor hun medemensen vraagtekens bij de vanzelfsprekendheid van het leven zetten, alsof ze daar hun bestaan aan danken, raakt Grossman gelukkig helemaal niet.

Omdat Grossman met die beelden komt, en het verder open laat, kun je er je eigen fantasie op los laten. Een punt? Ik heb een kromme of scheve rug. Punt. Naar is dat wel handig? Je kweekt er geen begrip van je omgeving mee. Een komma? Dat gaat al een stap verder.
Allemaal doen ze denken aan wat in de retorica elaboratio wordt genoemd, de invulling van détails. In een serie radio-uitzendingen is daar eens een sprekend voorbeeld van gegeven aan de hand van de toepassing van dergelijke retorische stijlfiguren in de muziek. Met name Psalm 130 uit de Pathodia sacra et profana van Constantijn Huygens: een uitroepteken (‘Heer, hoor naar mijn stem’) en een vraagteken (‘Wie zal dan standhouden?’). In het eerste geval klinkt het begin van de zin (‘Heer, hoor!’) een stukje hoger dan het vervolg (‘naar mijn stem’). Bij de tweede zin, met het vraagteken, blijft de vraag in de lucht hangen alvorens het antwoord, op een stijgende melodie, klinkt. De zin wordt afgesloten met een punt.

Maar wat nu als je die stramme en die krom lopende man nu eens met niets vergelijkt? Niet met een uitroepteken, niet met een vraagteken. En de constatering niet met een punt afsluit. De dichter Paul Celan eindigt zijn gedichten vaak zo – door ze open te laten. Een letterlijk en figuurlijk open eind:

Diep in de gloeiende
lege tekst,
op fakkelhoogte,
in het tijdgat:

hoor je in
met je mond

De dichter Dick Hillenius deed het ook. Een gedicht zonder punt eindigen. Ik meende me te herinneren dat K.L. Poll er eens iets moois over heeft geschreven. Maar toen ik het desbetreffende boekje met zijn essays erop nasloeg, bleek het vooral over ‘De witte wereld van D. Hillenius’ te gaan. Over onvoltooide deelwoorden die laten ‘zien dat er een beweging aan de gang is, dat het gevecht met de omstanders in de gedichten niet beslecht wordt, maar alleen beschreven, als iets dat blijft doorgaan nadat het, bij wijze van momentopname, is geformuleerd.’

Geciteerd uit achtereenvolgens:
Leven & lot van Vasili Grossman, vert. door Froukje Slofstra. Uitg. Balans, 2008, p. 156.
Musiceren als Brugman, onder red. van Peter van Dijk, Gerard van der Leeuw en Jos Leussink. Uitg. KRO, 1981, p. 83-85.
Nachtgewaden van Paul Celan, vert. door René Süss. Eigen uitgave, p. 39.
De eigen vorm van K.L. Poll. Uitg. Meulenhoff, 1967, p.124 e.v.

Deze column verscheen in Wervelingen (zomer 2009) en wordt hier met toestemming herplaatst n.a.v. de presentatie van zestig psalmen in de berijming van Jan Pieter Kuyper, zaterdag 7 november 2015 in de Eben Haëzerkerk in Apeldoorn.

Duet voor schilderij en gedicht

Jan Andriesse: Ocean in Motion (1994, Stedelijk Museum Amsterdam)

Jan Andriesse: Ocean in Motion (1994, Stedelijk Museum Amsterdam)

BRANDING

Uur, je fladdert in de duinen.

De tijd, van fijn zand, zingt in mijn armen:
ik lig bij haar, een mes in mijn rechterhand.

Schuim dan, golf! Waag je naar boven, vis!
Waar water is, daar valt nog eens te leven,
nog eens met de dood in koor de wereld terug te zingen,
nog eens vanuit de schacht te roepen: kijk,
we zijn geborgen,
kijk, dit was ons land, kijk,
hoe we de ster de weg versperden!

Paul Celan (1920-1970), 1952

vertaling uit het Duits: Ton Naaijkens
uit: ‘Roes en memorie’, Picaron Editions, Amsterdam, 1995

Met dank aan Gijs Grobs ‘Gedicht van de week’ (nr. 899)

De ontmoetingen van Walter Vilain

Walter_VilainIn het Singer Laren is van 16 juni t/m 30 augustus 2015 een tentoonstelling te zien o.d.t. Belgische schone, met werk van Ensor tot Magritte.

In Mens en melodie (2006/nr 6) schreef ik een artikel over een minder bekende Vlaamse schilder/dichter/ componist: Walter Vilain (zie afb.), dat ik hier herplaats.

In het klooster Eibingen bij Rudesheim wordt het Liber Scivias van Hildegard von Bingen bewaard. Op één van de miniaturen daarin staat Hildegard afgebeeld met aan haar borst Mozes, onder haar hart Abraham en in haar schoot tal van profeten.
Ik moest aan deze afbeelding denken bij het doorbladeren van de monografie die Pieter Van Reybrouck wijdde aan de Belgische kunstenaar Walter Vilain (geb. 1938 in Sint-Idesbald). Vilain heeft, à la Hildegard, heel veel, in zijn geval beeldende kunst verinnerlijkt. Al bladerend vraag je je af: wie spreekt hier door Vilain nog meer tot mij? Zijn het Jan Schoonhoven, Pierro Manzoni, Kurt Schwitters, Rouault, de late Constant? Of moeten we nog veel verder terug in de tijd, naar de Vlaamse primitieven, het Italiaanse Quattrocento? Misschien zelfs naar de kalligrafie uit het oude Japan, zoals ook een compositie als Les Hospices II semi-oosters aandoet. Of het andere uiterste, ook in tijd naar satellietfoto’s van het Nabije en Midden Oosten?
De vraag is echter of dit niet evenveel zegt over wat in mij, de beschouwer (door)leeft. De kunst van Vilain wordt opgeroepen door wat híj heeft gezien en waar híj zich mee verwant voelt. En het kijken ernaar roept herinneringen op aan wat ik tot nu toe in mijn leven heb gezien en in mijn geheugen opgeslagen. Met alle beperkingen en mogelijke vertekeningen van dien, en mede bepaald door de gebeurtenissen van de tijd.

Zo kan het niet anders dan dat Vilains aquarel ’t Laatste Oordeel (1994) anders wordt bekeken als je de gelijknamige polyptiek van Rogier Van der Weyden (Hôtel-Dieu, Beaune) kent. En dat Vilains De globale omarming (1985), waarin een ingepakt bos witte (kunst)rozen aan een deurklink op een golfplaat is bevestigd, als een viool op een werk van Tapiès, na de kindermoorden in België andere gevoelens oproept. Althans bij mij, want Van Reybrouck kijkt er met andere ogen naar. Hij ziet het bosje bloemen als ‘een scheut humor, als tegengif voor de ongenadige roest.’
Op deze manier zijn Vilains werk ontmoetingen. ‘Ontmoetingen met het werk van andere schilders, dichters, filosofen (…). Maar vooral ontmoetingen met de alledaagsheid in haar breekbare glorie. Met de herhaling die zowel verveling als opwinding, gewoonten als verschillen mogelijk maakt.’

Het beeld overdoen
Van Reybrouck laat in zijn boek het werk van Vilain dat van de filosoof Gilles Deleuze (1925-1995) ontmoeten. Het gaat te ver om hier diep op in te gaan, maar in één zin samengevat ziet Van Reybrouck dat Vilain zich ‘in de haptische ruimte’ beweegt (tastend, voelend), ‘nomadisch’ is en ‘de kracht van rizomen’ kent. Met andere woorden: Deleuze ging uit van een ondergronds wortelsysteem (rizoom) waar niets hiërarchisch is, maar heterogeen en verschillende verbindingen aangaat. Het gevolg is ver-beelding, het beeld overdoen in de klassieke zin van het woord: een relatie ermee aangaan, en aldus tot op zekere hoogte een nuancering van het eerder door mij gebezigde – en door Deleuze gehate – begrip ‘verinnerlijking.’

De eerste en grote ontmoeting die Vilains leven als kunstschilder beïnvloedde, was met de Belgische schilder Paul Delvaux (1897-1994). Dit was tijdens zijn studie monumentale schilderkunst (1955-1958) aan de Hogere School voor Architectuur en Decoratieve Kunsten Ten Kameren in Brussel. Niet alleen als schilder ging hij de ontmoeting met het werk van Delvaux aan, maar ook als dichter en componist. Zo schreef hij zelf de teksten voor de Mélodies voor sopraan en piano van zijn cyclus Delvauxiana, die eveneens stukken voor pianosolo omvat.
Op de één of andere manier heeft Delvaux zowel meer componisten als auteurs geïnspireerd. Onder meer Robert Steyaert, die woonde in Sint-Idesbald en als pianodocent was verbonden aan het Conservatorium in Brussel en Vilain heeft gevormd. Vilain beshouwt hem, zoals hij in een gesprek met mij zei, voor alles als zijn ‘spirituele leraar.’ Steyaert was zoon van een schilder en zelf zowel kunstschilder als componist. Onder andere van Hulde aan Paul Delvaux.

Wat de literatuur betreft denk ik aan de romans Het groen van Delvaux (1996) van Willem Brakman en Dossier Delvaux (1997) van Koen Vergeer. Brakman legt in zijn boek het beeld van de halfopen Passage in Den Haag op dat van het schilderij Acropolis (1966) van Delvaux (Musée National d’Art Moderne, Parijs). Zo ziet hij ‘relatie’ en ‘verinnerlijking’ bij in dit geval Villains leermeester in elkaars verlengde: de mens heeft twee zielen, ‘een die naar buiten kijkt (…), en een die naar binnen kijkt.’ Twee absoluten die elkaar ontmoeten als een vrouw uit de alledaagsheid de Danaë van Rembrandt, verinnerlijkt in de vrouw op het schilderij van Delvaux. Delvaux deed met andere woorden het beeld van Rembrandt over. Zo werd híj, aldus Vergeer, uit poëtische verwondering bezield en niet omgekeerd. Gelijk Pygmalion, die volgens Ovidius in zijn Métamorphoses verliefd werd op een door hemzelf vervaardigd beeld.
De twee zielen staan in Delvauxiana in een dynamische betrekking tot elkaar: heftige interrupties en kinderlijke eenvoud in Les Cariatides, boogie woogie en Poulenc in Le viol, het imitatorische en haast minimalistische in Pénélope. Zó te componeren is om Jacques Derrida (1930-2004) – een andere grote Franse filosoof – te parafraseren ‘veinzen zich’ tot Delvaux ‘zelf te richten, in mij buiten mij.’

Niet-verdingde werkelijkheid
Bij deze inwendige ontmoetingen, met Delvaux en anderen, en bij deze uitwendige ontmoetingen, de interpretatie van de toeschouwer en luisteraar, gaat het niet om het vertellen van een verhaal. Vilain denkt zonder woorden, zoals bij de oude Brahmaan van Marapur. De tweede legende van Rabindranath Tagore vertelt dat wanneer Rabindranath de verlichting deelachtig werd, hij begon te zingen. Zonder woorden. Zoals de vocalises, als een echo of als verdubbeling van een trompet (Ouverture) of de strijkers (Balletsuite) in Vilains Coxydeana. Muzikale equivalenten van wat Vergeer kenmerkend voor Delvaux noemde: ‘verdubbeling, herhaling, verwisseling’, Derrida als kenmerkend omschreef voor Celan en Van Reybrouck voor Vilain.

Een schilderij dat veel betekenis onthult en verhult, een muziekstuk dat veel betekenis in zich bergt, de plek van de ontmoeting, de interactie tussen de binnen- en de buitenwereld. Op die plaats, die ruimte in de zin van Maurice Blanchot (1907-2003), ‘het vol-ledige van de leegte’ zoals Walter Vilain het noemt – in dat ene moment, die ene passage licht alles op, wordt de sleutel van het schilderij of het muziekstuk aangereikt, wordt – zoals bij Lucio Fontana (Concetto spaziale, Hamburger Kunsthalle) – letterlijk een blik gegund in de ruimte achter het schilderij, achter het beeld. Het zijn de meest beeldende, niet-verdingde en aan de werkelijkheid ontleende metaforen: het bosje bloemen in het reeds eerder genoemde De globale omarming, de Rialtobrug in Veneziana, het octaaf in Le miroir, de schijnbare gil in Le viol, de unisonopassage (Solitude) in L’echo – herinneringen aan het beeld, aan het woord als van Mnemosynè, de moeder der Muzen, zoals de mijmering in de Toccata uit Veneziana, als

Grida di nuovole
Echi di violini

zoals Vilain dichtte – in zijn eigen vertaling: Hij roept vanuit de wolken / en het weerklinkt als violen.

De plek van de ontmoeting is de ‘Zwischenwelt’, de ruimte tussen beeldende kunst en muziek, ‘de actie van de leegte’ (Vilain) omdat het de plaats is waar beide zich daad-werkelijk manifesteren, de ziel waar ‘eenzelfde observatie’ (Vilain) ontstaat. ‘Muziek is een sculptuur, door het ritme, het élan, de glooiingen, de holtes en het ruimtelijke,’ aldus Walter Vilain tijdens een inleiding tijdens de première van zijn pianocyclus Veneziana, 22 juli 2006 in Koksijde.

Dit midden, deze ruimte is niet alleen de plaats van ontmoeting tussen beeldende kunst en muziek, waar beide uitingen tot hun recht komen, maar ook de plaats waar zij die Vilain inspireerden samenkomen met hen die zijn werk interpreteren. Het midden is het mysterie, het onvernoemde geheim dat zich in ontmoetingen en interpretaties als onder het hart of in de schoot van Hildegard von Bingen vol-ledig prijs geeft.

Bij het afscheid van Theo de Boer

Te denken gevenTekst uitgesproken bij het afscheid van inleider Theo de Boer bij het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie, 24 april 2015 (Thomaskerk, Amsterdam).

Anonieme aanwezigheid
wordt opgeheven
ons leven staat in dienst
in het gelaat
de blik van de ander

in die hoedanigheid
zijn we beschikbaar
als een gezicht wat opklaart
door ontmoeting een blijheid
van de mens die ons aanstaart

Dit is een gedicht dat Google je ‘geeft’, als je in het zoekvenster ‘Levinas + gedicht’ intypt. Op verschillende websites kom je het tegen. Door een beetje verder te zoeken, blijkt de dichter Cor van Vliet te zijn. Een vrijzinnig theoloog en pastor/geestelijk verzorger in een groot verpleeghuis in Katwijk.

De zoektocht naar gedichten over Emmanuel Levinas leek me een mooi uitgangspunt wanneer we naar de aandachtsgebieden van Theo de Boer kijken: filosofie, theologie en poëzie.
Toch zullen de vorm en de inhoud van dit gedicht op het eerste gezicht bevreemden: ‘in dienst / in het gelaat’?, ‘een blijheid / van de mens die ons aanstaart’? Hebben we dat niet anders geleerd in de jaren dat we met Theo de Boer teksten van Levinas lazen? We zullen zien. En horen.

Het begon in 2002 in de Waalse kerk, en het eindigde in 2014 in de Thomaskerk. Van alle bijeenkomsten heb ik aantekeningen bewaard. Uit deze aantekeningen put ik hier om in te gaan op het gedicht en op wat ik maar noem de Werdegang van De Boers denken over Levinas. Althans: zoals ik het heb ervaren. En zoals het mij tussen twee haakjes aanzette tot een Bachelor-scriptie over Levinas’ Humanisme van de andere mens.

Ik volg de twee strofen van het gedicht van Van Vliet zin voor zin.

Het gedicht begint met een ‘Anonieme aanwezigheid’ die wordt opgeheven. De ander krijgt een naam, is geen nummer en geen middel maar doel. Of, zoals in de woorden van Jules Deelder in neonletters op een pand aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam: ‘de omgeving van de mens is de medemens.’ De aanwezigheid van de a/Ander is of wordt het oriëntatiepunt van waaruit en waardoor wij tot onze bestemming komen. Ook, en vooral door er te zijn voor mensen die ‘naamloos / kwetsbaar en weerloos / door het leven gaan’ (Liedboek 2013, Lied 647).

‘Ons leven staat in dienst’ is iets anders dan de zondagse eredienst. Het is niet het ritueel waarvoor Levinas volgens De Boer wat te weinig aandacht heeft. En dat is in dit verband misschien maar goed ook, want dan zou ons denken en doen daarin zijn opgesloten. Dat bedoelt de Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog misschien wanneer zij het in lezingen, interviews en in de recente bundel Medeweten over ‘ont-Levinas’ heeft: het je bewust zijn van de ander als een aanwezigheid, vóór het gelaat tot je spreekt. Zij doet dit overigens in de voetsporen van de dichter Paul Celan, maar dit terzijde.

Dat gelaat komt ook bij Van Vliet pas in de laatste zin van de eerste strofe aan de orde: ‘In het gelaat / de blik van de ander,’ de vreemdeling, de weduwe en de wees. Waarbij je het er natuurlijk over kunt hebben of die ‘a’ van l’autre nu met of zonder hoofdletter dient te worden geschreven; Levinas was daar, begrepen wij, niet consistent in.
In ieder geval gaat het niet om interventie, aldus De Boer tijdens een bijeenkomst in maart 2004, ‘maar om orde-verstoring.’ ‘In het gelaat / de blik van de ander’ licht een nieuwe orde op; een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid en recht wonen.

In de tweede strofe is sprake van ‘een gezicht wat opklaart / door ontmoeting.’ Dit doet mij denken aan een opmerking die De Boer maakte op het eind van de tweede cursus, in het najaar van 2002. Toen bleek dat hij bezig was in het boek Tegen David aan praten van Willem Barnard. De Boer paste de uitleg die Barnard gaf aan Psalm 36:10 toe op Levinas: ‘In Uw licht zien wij het licht.’ Onze inleider las dat, met de bril van Levinas op (en overigens, lijkt me, ook met die van de Pirké Avot, de Spreuken der Vaderen), aldus: God kaatst het licht terug in het gelaat van de ander die voor het licht is bestemd.

Even terug, naar de eerste zin uit de tweede strofe. Daarin gaat het over beschikbaar zijn. Dit roept bij mij een kinderpreek van Justine Aalders op, naar aanleiding van de roeping van de discipelen (Marcus 1: 14-20, Oude Kerk Amsterdam, 25 januari 2015). Toen ze een jaar of zes – zeven was, riep op een dag haar moeder haar, en vroeg of ze een heel gesneden bruinbrood wilde kopen. O, dacht ze dat is teveel gevraagd – hoe kan ik dát onthouden: een héél ge-sne-den bruin, en hoe moet dat met het geld? Waarop haar moeder haar aankeek en zei: ‘Je kunt het! Ga maar.’ Waarna haar een enorme blijdschap overviel: ik kán het, en ik maak er ook nog eens mijn moeder blij mee! Wat wil ik nog meer.
In de laatste regels van het gedicht gaat het over díe ‘blijheid / van de mens die ons aanstaart,’ een blijdschap waaraan we ons vast mogen houden, ook als het haast onmogelijke van ons wordt gevraagd. Die blijdschap is dezelfde als in Lied 607 van Huub Oosterhuis op een melodie van Bernard Smilde uit het Liedboek 2013: ‘Gij zijt voorbijgegaan, / een vreemd bekend gezicht, / een stuk van ons bestaan, / een vriend, een spoor van licht.’

De blijheid staart ons aan, staat er in het gedicht van Van Vliet. Als ik de definities van ‘aanstaren’ op mijnwoordenboek.nl opzoek, dan zijn dat er zes: aangapen, aanschouwen, aanturen, aanblikken, fixeren en staren. Misschien komt het synoniem ‘aanschouwen’ in de buurt van wat Van Vliet, – en Levinas denk ik – bedoelen.
Er klinkt iets in mee van ‘het levenslicht aanschouwen.’ Het telkens opnieuw geboren worden, tot je bestemming komen in (daar hebben we ’t woordje ‘in’ uit de derde zin) en door de ontmoeting met de a/Ander. Innerlijk aanschouwen misschien zelfs wel, zoals Antjie Krog het bedoelt: een aanwezigheid, een bewustzijn en bewustwording in je.

Want, zoals De Boer zijn bijdrage over Levinas besluit aan de recent verschenen tweede druk van de mooie geschiedenis van de westerse en oosterse filosofie, die verscheen onder de titel De verbeelding van het denken: ‘De Ander (…) brengt iets absoluut nieuws tot stand, iets wat ik niet uit mijzelf kan putten; hij sticht mij als moreel wezen.’
‘Denk daar nog maar eens over na’, zou Theo de Boer zeggen. Zoals dit gedicht ons te denken gaf en geeft.

http://www.corvanvliet.nl

De roerende muziek van Peter Ruzicka

RuzickaMuziekcriticus Elmer Schönberger komt in het hoofdstuk ‘De sympathische snaar’ uit zijn boek De kunst van het kruitverschieten tot de conclusie dat kunst niet zozeer moet ontroeren, maar vooral moet roeren. Een conclusie die ik alleen maar kan delen.

Ik moest hieraan denken toen ik eens, niets vermoedend, een compact disc opzette met de Metamorphosen über ein Klangfeld von Joseph Haydn (uit 1990) van de Duitse componist en dirigent Peter Ruzicka (zie afb.). Het is niet toevallig dat Haydn, naast Mahler, de enige componist is die in het boek van Schönberger een apart hoofdstuk kreeg toebedeeld.

Haydn heeft voor Schönberger, Ruzicka en voor mij niets met de gemoedelijke, geestige ‘Papa Haydn’ van doen die hij in de ogen van sommigen nog steeds is. Wie wel eens het Haydnhuis in Wenen heeft bezocht, weet wel beter. Hier ligt bijvoorbeeld een notitie van een man die met veel moeite, en pijn in het hart, opschreef dat hij vanwege zijn slechte gezondheid op doktersadvies zijn ‘schönen Fortepiano um 200 Dukaten’ heeft moeten verkopen.

In het begeleidende boekje bij de cd met het werk van Ruzicka wordt nog zoiets gememoreerd waardoor Haydn boven elk aandoenlijk papa-gedoe is verheven. In 1794 laste de componist tussen de Bijbelwoorden ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ en ‘Mij dorst!’ van zijn bijna tien jaar oude Sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze enkele blazersakkoorden in die behoren tot het mooiste wat Haydn ooit heeft geschreven. Deze luttele drie minuten muziek vormen het uitgangspunt van Ruzicka’s werk voor symfonieorkest – los gezongen van de kruiswoorden, die bij Haydn overigens worden gesproken.

Het stuk begint en eindigt met in de strijkers de vier akkoorden van Haydn. Niet in de blazers dus, maar in een zetting waardoor de Sieben letzte Worte vooral bekend is geworden. Vier akkoorden, zoals Mozart zijn ouverture tot de Zauberflöte begint met drie klankblokken. In beide gevallen steekt hier natuurlijk een symbolische bedoeling achter: drie als heilig getal, vier voor de vier uithoeken van de aarde. De dood is bij Ruzicka direct al aanwezig, in een drietonig paukenmotief.

Opvallend is dat de statische klankvelden à la Ligeti in Ruzicka’s compositie al snel worden doorsneden met signalen. Eerst door een soort altaarbellen, die bij een eucharistieviering in de rooms-katholieke kerk klinken. Vervolgens door drie Ferntrompeten (trompetten achter het toneel). Tot tien (!) keer toe, zes en vier maal, klinken de inzetten van veraf, buiten de concertzaal, als was het een symfonie van Mahler. De trompet van de hoop doorklieft de ruimte, als de opstanding wordt aangekondigd door de tranen van de dood heen. Een dood die bij Ruzicka constant op de achtergrond aanwezig is, want vanaf maat 34 klinkt een steeds terugkerend trombonemotief, in de requiemmis traditiegetrouw het instrument van het Laatste Oordeel. Maar op het eind zijn het wél de Ferntrompeten die het laatste woord hebben!

Herplaatsing van een artikel uit Quadraatschrift jrg. 3 nr. 3 (maart 1999) n.a.v. de programmering van Ruzicka’s … Vorgefühle … (deel uit de Celan Symfonie, 1998) door Alice Coote (mezzosopraan) met het Nederlands Philharmonisch Orkest  o.l.v. Marc Albrecht in het seizoen 2015-2016: http://www.concertgebouw.nl/keuzeserie-nederlands-philharmonisch-orkest-0

De spel-regels van Paul Celan en Matthias Kadar

Matthias KadarMatthias Kadar (1977, zie afb.) is componist, chansonnier, muziekregisseur en leraar. In 2000 studeerde hij af bij Theo Loevendie aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij heeft verschillende werken van Paul Celan op muziek gezet, zoals Todesfuge voor bariton en piano (2003). In maart 2009 gingen zijn Poèmes de Paul Celan (2007) in première tijdens een tournee door het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Micha Hamel: http://www.matthiaskadar.com/videos-from-a-composer/

‘Ik [Kadar] ben begonnen met Celans Todesfuge op muziek te zetten nadat mijn moeder mij dit gedicht had laten lezen. “Fuge” heeft hier niets met een fuga als muzikale vorm te maken, maar met de oorsprong van het woord: rennen, wegrennen. In dit gedicht zit geen punctuatie. Dus wordt het hier in een vrij snel tempo gezongen en zitten er amper adempauzes in. De muziek en de tekst zijn zó intens. Arme zangers, arme pianist! Na dit werk heb ik de gedichten van Celan even laten liggen. Later heb ik meer en meer zijn werk bestudeerd. Ik wou leren op zijn gedichten muziek te maken. Ik wou de “spelregels” leren kennen. Ik ben zo verrast dat wanneer Celan bijvoorbeeld over iets vrolijks schrijft er toch, net als bij Schubert, “iets” overheen ligt. Bovendien vormen zijn gedichten en zijn persoon een éénheid. Hij heeft ooit in een brief geschreven: “Ik leef om te schrijven en schrijf om te leven.” Dat is voor mij zo bijzonder, zo uniek. Hij schrijft in zijn moedertaal – zijn moeder, van wie hij Duits leerde, is de reden waarom hij in het Duits schreef. Alles is aan zijn moeder gericht. Zo herdacht hij haar.’

Kadar leest enkele gedichten voor, zijn voordracht is al muziek op zich. Als hij muziek schrijft op een gedicht, wil hij de lyriek en klank ervan respecteren. Daarna luisteren we naar een opname waarop tenor Marcel Beekman Kadars verklanking van Celans Sprich auch du zingt. De tekst spreekt voor zich, de muziek maakt grote indruk. Eén zangstem, hoog als een ster in de lucht, diep in de deining van wandelende woorden. Eén beeld ook als stem en tegenstem, als een larynx. Lees en luister!

De kans om Paul Celan te lezen, biedt het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LAT&E) op 14 en 28 februari en 14 maart 2015 om 10.30 uur in de Amsterdamse Thomaskerk (Prinses Irenestraat 36). Onder leiding van Wessel ten Boom wordt na een inleiding gezamenlijk zijn poëzie, en die van Nelly Sachs gelezen en erover in gesprek gegaan.

Gebaseerd op een artikel o.d.t. ‘De sleutel en de spelregels van Paul Celan’ in Mens en melodie, jrg. 64 nr. 2 (2009), p. 23-25.
Dit onderdeel vormt een tweeluik met: https://elsvanswol.nl/?p=664

René Süss 75 jaar

rené süssRené Süss (1939) beoefent als jood de christelijke theologie. Sinds zijn afscheid van de kerk in 1999 en zijn regelmatige bezoeken aan de synagoge in Amsterdam-West doet hij, in zijn woorden, aan ‘lijmpogingen’, d.w.z. plaksels ofwel collages, geïnspireerd door teksten en een tentoonstelling met werk van Kurt Schwitters.

Het is overwegend vrij werk, zoals dat in 2007 te zien was in de Amsterdamse Amstelkerk: kleurige, maar ook tere collages die aan Redon doen denken: Op naar het licht en Après le déluge. In 2007 gaf Süss in eigen beheer een boekje uit met eigen vertalingen, toelichtingen en collages van en bij gedichten van Paul Celan: Nachtgewaden.

‘Zijn gedichten moet je niet door metaforen weg verklaren. Zijn leven is vergald door plagiaatbeschuldigingen van Claire Goll die hem kapot heeft gemaakt, terwijl iemand als de dichteres Rose Ausländer heeft aangetoond dat het beeld van de Schwarze Milch in het joodse denken juist iets gemeenschappelijks is. Zijn correspondentie met Ingeborg Bachmann is eindelijk vrijgegeven. Die werpt meer licht op zijn metaforen. Het is zoals Celan zelf zei: “Lezen, lezen en het begrip komt vanzelf”.’

Wat de ‘lijmpogingen’ van Süss zelf betreft zou je hierop doordenkend, kunnen zeggen: kijken, kijken en het begrip komt vanzelf. Ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag, publiceerde hij vijfentwintig droosjes (korte toelichtingen bij de Toralezingen van de week) onder de titel Sjabat Sjalom die deels werden gehouden in de Sjoel-West te Amsterdam. Inclusief enkele collages uit de serie L’univers des boîtes. Misschien vormen deze droosjes, zoals één van de sprekers tijdens het feestje ter gelegenheid van deze verjaardag zei, de synthese van Süss werk met christelijke theologie enerzijds en joodse theologie anderzijds.

Gebaseerd op een artikel o.d.t. ‘De sleutel en de spelregels van Paul Celan’ in Mens en melodie, jrg. 64 nr. 2 (2009), p. 23-25.