Witter dan wit

Op Auschwitz volgde volgens de Amerikaanse filosofe Susan Neiman een oorverdovend stilzwijgen. Volgens Theodor Adorno was dit ook de enige gepaste reactie: ‘Na Auschwitz is poëzie niet meer mogelijk’. Dat wil zeggen dat er aan de ene kant niet kan worden gedaan alsof er niets is gebeurd, en aan de andere kant omdat er geen vertroosting mogelijk is of volgens hem zelfs mag zijn.

Woorden kunnen er ook aanleiding toe geven, dat een overlevende van hetzij de sjoah hetzij de dood van een naaste, zichzelf terug kan vinden. Dat bewijzen de gedichten van Gerrit Kouwenaar, over wie Anne Enquist recent herinneringen aan het papier toevertrouwde: Een tuin in de winter. Kouwenaar vond op zich net als Adorno dat een gedicht zich niet met troost in moest laten:

Als je je sleutel mist zoek eerst
in je eigen deurslot, als je dood moet
geef je plant nog wat water, klop niet
om regen uit het verlaagde plafond, maak het

gedichten moeten niet troosten, zeg ik
toch maar weer eens in wat nu echt af en toe
op een volwassen stilstand gaat lijken

handen gevouwen boven het erfeliijk bestek, brood
en vleeswaar staan klaar, maar geen woord
dat zich bekt, en hoe mager de eetlust
eten is leven

dus eerst nog maar even het zwijgen vergulden
wat leegte innemen, de schemer inwonen
en er een opsteken, voor de doden –

Enquist vermeldt dat ‘troost’ een woord was dat tot hevige discussie tussen Kouwenaar, Bernlef en haar aanleiding gaf. Zo vond Bernlef dat Kouwenaar met zijn bundel Totaal witte kamer lezers – waaronder ik – troost had geboden. Maar er is een verschil tussen sentiment en sentimentaliteit. Wat Kouwenaar deed, was het zwijgen vergulden, in taal het verlies van zijn vrouw sublimeren:

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

Na Auschwitz, na de dood van een geliefde is poëzie wel degelijk mogelijk. Niet sentimenteel, maar witter dan wit, wat leegte innemen. Zoals de betekenis van een Hebreeuwse letter volgens de Kabbala niet in het zwart ervan zit, maar in het wit eromheen en er binnenin. Als je de sleutel mist, moet je hem dáár zoeken.

Met dank aan Wil en Jan Kok, die mij in 2006 na een operatie het bundeltje Het bezit van een ruimte van Kouwenaar cadeau deden.

Ontmoetingen

Zondag 21 mei jl. interviewde Marleen Stelling in Het Vermoeden de theoloog Theo Witvliet (NPO 2, 11.30 uur, zie foto). Een theoloog wiens denken ik een warm hart toedraag; wie in het zoekvenstertje bij deze blog zijn naam intypt, kan dat beamen.
Witvliet – zoon van een predikant die ik graag mocht horen – werkte aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar ‘Geschiedenis van het christendom in de moderne tijd’ en was gasthoogleraar aan de Universiteit van Genève. Internationale bekendheid kreeg hij door vertalingen van zijn publicaties over de bevrijdingstheologie,
Een plaats onder de zon (1984) en De weg van de zwarte Messias (1984). Verder schreef hij onder meer Gebroken traditie (1999) en Het geheim van het lege midden (2003). Met name van dit laatste boek ken ik hem, al staat zijn recentste boek, dat a.s. zondag centraal zal staan (Kwaliteit van leven; het humanisme van Buber) hoog op mijn verlanglijstje.
Het kan niet missen dat ik in mijn MA-scriptie ook verder denk in de voetsporen van Witvliets boek
Het geheim van het lege midden. Enkele alinea’s daaruit neem ik hier t.g.v. de televisie-uitzending van a.s. zondag over. Aangevuld met wat mij opviel in een ander gesprek, diezelfde zondag (NPO 1, 11.20 uur) dat Jeroen van Kan in het programma VPRO Boeken had met de schrijver Tim Parks over diens nieuwste boek, De roman als overlevingsstrategie.

1. Theo Witvliet

Enerzijds doet de omschrijving ‘het lege midden’ denken aan het joodse makom (= plaats), anderzijds, mede door zijn toevoeging dat de plek leeg is, aan een begrip dat Witvliet ontleende aan Karl Barth.[1] De plek is niet, zoals bij Augustinus (354-430) opgevuld door een beeld van God.[2] En het gaat ook niet om een mystieke open ruimte, maar om het midden van een Talmoedpagina die is gevuld met dialogen en verschillende interpretaties van een Bijbeltekst. Witvliet schrijft:

Met het geheim van het ‘lege midden’ doel ik dan ook niet op een mysterie dat uitstijgt boven de verhalen, liederen, voorschriften, wijsheidsspreuken en brieven, maar op de onvermoede geheimen die in de teksten besloten zouden kunnen liggen.[3]

Dat geldt zeker zo wanneer de mens leeft naar de teksten die Witvliet noemt, en deze heeft geïnternaliseerd, oftewel opgegeten (Ezechiël 3:1). Zodat transcendentie en immanentie “uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering” aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[4] “De kracht van het transcenderen bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het” volgens Safranski om.[5]

Witvliet heeft het in het gesprek met Marleen Stelling over een ontmoeting (in het lege midden?) die gebeurt, bijvoorbeeld wanneer de tijd even wegvalt. Dat hoeft niet alleen tussen mensen te zijn, maar kan ook met literatuur; Witvliet heeft het over de Zwitserse schrijver Max Frisch, in wiens werk hij zich heeft verdiept.
Die ontmoeting gaat verder in het gesprek dat Jeroen van Kan nagenoeg tegelijkertijd (leve Uitzending gemist!) met Tim Parks heeft.

2. Tim Parks

Tim Parks ziet in zijn boek over de roman (zie afb. links) het lezen van een roman ook als een ontmoeting en een deel van het gedrag van een auteur. Boeken krijgen een relatie met ons en onze levens. Je kunt bijvoorbeeld boos worden bij het lezen van een boek (zie mijn blog over Siegfried van Harry Mulisch!), maar dar zegt iets over mijzelf. We vormen een opinie in relatie tot waar het boek over gaat.

Twee spannende boeken, lijkt me: van Theo Witvliet enerzijds en van Tim Parks (ook voor op het verlanglijstje!) anderzijds.


[1]
Theo Witvliet, Het geheim van het lege midden. Over de identiteit van het Westers christendom (Zoetermeer 2003). Barth sprak in zijn Der Römerbrief (1922) over ‘Hohlraum’, lege ruimte.
[2] Hoewel er mijns inziens geen bezwaar tegen is, hierin het beeld te zien van een Zich achter de wolken terugtrekkende God (in de Bijbelse Psalmen), of een zich samentrekkende, transcendente God die plaats maakt voor de mens (tsimtsoem,
Kabbala). 
[3] Witvliet 19.
[4] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.
[5] Een mooi voorbeeld is Rüdiger Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, Amsterdam 2005, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

Muziek en Weinreb

Twee keer per jaar organiseert Leeftocht in Fredeshiem te Steenwijk-De Bult een weekend-cursus met drs. Sjef Laenen over joodse mystiek volgens het gedachtegoed van Friedrich Weinreb (zie afb.). Ik heb hier op deze blog al eerder twee keer over geschreven. Afgelopen weekend woonde ik voor de tweede keer zo’n cursus bij. Toen schoot mij te binnen, dat ik ook eerder over de invloed van Weinreb (1910-1988) in de muziek heb gepubliceerd; in mijn boekje Dialoog in muziek. Dit gedeelte hieruit neem ik hieronder, aangevuld met wat ik in Steenwijk leerde, in iets gewijzigde vorm over.

Van de Zwitserse componist Urs Peter Schneider (geb. 1939) werd in 1970 tijdens de Gaudeamus Muziekweek het stuk Umkerhr uitgevoerd. Leo Hanekroot schreef daar destijds in het Nieuwsblad van het Zuiden het volgende over: ‘Er gebeurt quasi niets meer, kan niets meer gebeuren in een vaste binaire opeenvolging van twee accoorden, die dan wel door een hele reeks verschillende instrumenten met uiterst geringe maar wezenlijke veranderingen in kleur en structuur worden uitgevoerd. Dat duurt twintig minuten.’

Umkehr is geïnspireerd op een tekst van Friedrich Weinreb. Schneider heeft hier zelf het volgende over geschreven: ‘Zestien instrumentenparen in een halve kring om de toehoorders (…). Vragen die altijd worden gesteld (…). Na een sombere tijd van twijfel volgt eigenlijk zoiets als verzoening. Geen dramatisch verloop (…). Ontmoeting, Te Deum. De boeken van Weinreb.[1] De niet-seriële schrijfwijze, denkwijze (…). Altijd het getal twee.’

Een getal dat ook belangrijk is in de compositie 10-5-6-5(a) uit 1972 van de Nederlandse componist David Porcelijn (geb. 1947), dat eveneens is geïnspireerd door de manier waarop Weinreb de Kabbala toegankelijk maakte. Het stuk is geschreven voor twee strijkkwartetten en twee vibrafoons die spiegelvormig zijn geplaatst, alsmede een blaaskwintet dat de functie van spiegel heeft.[2]

Het getal twee komt in het werk van Weinreb inderdaad altijd terug, zoals Schneider schreef. Het gaat dan om de innerlijke en de uiterlijke wereld, die op enigerlei wijze kunnen worden hersteld (tiqqun in het Hebreeuws). Maar eerst moet je, zoals Laenen stelt, de tweedeling hebben doorleefd en begrepen alvorens je kunt omkeren (de titel van de compositie van Schneider!).

Hetzelfde geldt voor de breuk tussen joden- en Christendom. Laenen noemde een predikant die deze breuk heeft hersteld. Ik denk hierbij aan René Süss, over wie ik op deze blog ook eerder schreef. Zijn ‘lijmpogingen’ oftewel collages zijn in dit verband symbolisch. Datzelfde geldt denk ik achteraf ook voor de collages die ik in hetzelfde hoofdstuk (15) in Dialoog in muziek behandel.

[1] Zie voor de boeken van Weinreb: www.quintessentia.org

[2] Het geheel vertoont verwantschep met het werk van Harry Mulisch. Zo is De Verteller opgebouwd uit tien zegels (d.i. gedeelten), waarvan het eerste zegel het spiegelbeeld is van het laatste. Zie ook: P. Meeuwse, ‘Mulisch als maniërist’, De Revisor 1980 nr. 6.

http://www.leeftocht.nl

Het volgende cursusweekend is op  zaterdag 14 en zondag 15 oktober 2017.

Lesson …

flight_doopsgezinde-kerk-amsterdam

laurens-ten-kate

Wanneer ik me mateloos aan iets erger, betekent dit per definitie dat een kunstwerk (want dat is het vaak) zich niet direct bloot heeft gegeven. Of liever: dat ik de betekenis ervan nog niet meteen heb kunnen vatten. Maar dat het me hoe dan ook bezighoudt.
Er is vaak een ander kunstwerk voor nodig, of een andere invalshoek, die het kwartje alsnog laat vallen. Beide vielen mij gisteren ten deel tijdens een leerhuisavond van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Laurens ten Kate (zie foto), bijzonder hoogleraar Vrijzinnige religiositeit en humanisme aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, sprak er in het kader van een serie over de Beeldenstorm.

Het kunstwerk waar ik me aan ergerde, was de compositie Lesson of anatomy (2015) van de componist Pierre Jodlowski, dat door de klaveciniste Goska Isphording, aan wie het ook is opgedragen, in Utrecht werd uitgevoerd tijdens de Gaudeamus Muziekweek in september jl.
Volgens de concerttoelichting benadert deze Franse componist ‘het klavecimbel vanuit een “medische” invalshoek. Hij kocht een klavecimbel om onbegrensd te kunnen experimenteren. Er is zeker sprake van een zowel visuele als musicale [lees: muzikale] “deconstructie” van het instrument.’ Lees: gelijktijdig werd op een scherm het uit elkaar halen van het klavecimbel getoond. Op YouTube valt te zien hoe dat in zijn werk ging (zie link hieronder).

Volgens Laurens ten Kate breken religies, als een Jodlowski zeg maar, God af, maken Hem kapot. Ten Kate noemde in dit verband de naam van een landgenoot van Jodlowski: Jean-Luc Nancy.
Na de pauze ging de inleider, alvorens we met hem in gesprek konden gaan over wat hij – zoals hij zei – met ons ‘had willen delen’, nog even op dit spoor verder. Hij toonde de installatie Flight van Lynne Leegte in de Amsterdamse Doopsgezinde kerk aan het Singel, een denominatie waarmee hij vanuit zijn leerstoel in Utrecht samenwerkt. Het toont (zie afb.) een bijbel waarvan de pagina’s los zijn geraakt en door de lucht vliegen, vrij als vogels. Hij vergeleek het niet alleen met de Gelijkenis van de zaaier, maar ook met de opvatting over de Tien woorden door de (alweer: Franse) filosoof Marc-Alain Ouaknin. Wat de mens van God krijgt, moet hij vernietigen ofwel deconstrueren om het recht te doen. Dat wil zeggen: dat moet hij interpreteren.

Eén van de toehoorders merkte op dat de bladzijden van de Schrift ook weer terugvallen, net als herfstbladen die worden gevangen door de wind dat doen. Maar dan zijnze wel door de (interpretatie van) de mens heen gegaan. Waarop door een ander werd gewezen op het eind van de roman De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch. Hierin maken de letters zich los van de stenen tafelen: ‘Letters! Het zijn letters! Letters van het licht!’ Vrij en los om samen een nieuw verband te vormen, en niet – zoals de gematria (Kabbalistische numerologie) ons wil laten geloven – om een absolute betekenis bloot te leggen.

Zo lichtte het samen lernen en verschillende interpretaties bij mij de mogelijke betekenis van een tot dan toe onbegrepen muziekstuk op. Maar wat de inleiding nu met rechtvaardigheid te maken had, vroeg iemand mij naar afloop; Ten Kate had het woord een paar keer voorbij laten komen. Ik stond met mijn mond vol tanden en vond het jammer dat de vragensteller dit niet had ingebracht; nu dreigde de discussie op een gegeven moment een onderonsje tussen vakgenoten (filosofen) te worden. Maar misschien had mijn antwoord gewoon moeten zijn: iets of iemand recht doen en de ruimte geven. Zoals in mijn geval Lesson of anatomy van Pierre Jodlowski.

 

 

Alledaagse werkelijkheid en ietsje meer

Gedicht Acherberg op de linker zijgevel van het oude stadhuis in Wijk bij Duurstede (foto: Els van Swol)

Gedicht Achterberg op de linker zijgevel van het oude stadhuis in Wijk bij Duurstede (foto: Els van Swol)

In 2012 reisde ik met een vriendin het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg van Wim van Amerongen na. T.g.v. het feit dat het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie het programma voor de winter en het voorjaar 2016 bekend heeft gemaakt, plaats ik hier enkele aantekeningen die ik maakte naar aanleiding van deze vakantie. Met het oog op de avond op 5 april a.s. door Martien Brinkman over Achterberg (Thomaskerk, Amsterdam, 20.00 uur).

 

Ter voorbereiding van het reisje sprokkelde ik van alles bij elkaar dat ik van en over Achterberg heb. De recensie van de reisgids van Van Amerongen, een groot artikel van Willem Jan Otten, een klein stukje in het activiteitenoverzicht van de Stichting Collage/OSG (januari/februari 1997). Hierin wordt geciteerd uit een boek van Theo de Boer, met wie we in het Leerhuis niet alleen Levinas maar ook gedichten lazen. De titel van het boek is Langs de gewesten van het zijn, dat is ontleend aan een gedicht van Achterberg:

SPIEGELING
Langs de gewesten van het zijn
drijven de resten van uw wezen
als vlijmen pijn en vleuglen vrezen.
Het is misschien alleen de schijn
van eigen overblijven tegen
zijn einde, uit de rijke mijn
van het geheugen saamgelezen

De Boer beschouwt Achterberg niet in de eerste plaats als een religieus dichter, maar volgens hem kunnen we het gedicht ‘wel lezen als een beschrijving van onze situatie na de dood van “God”.’

Ik herlees uiteraard meer gedichten en bundels van Achterberg. Om te beginnen de bundel Radar (1946). Toch kun je hier wel, denk ik, het eerste gedicht meteen religieus duiden:

Gij hebt uzelve saamgesteld met dit,
wat om mij heen de wereld heet;
naald in een hooiberg, die ik vind
op ieder punt waar ik het lied
beginnen laat, gij hebt u niet
verborgen voor mijn oog en hand:
starende tast ik door de brand
der stof om u geheel en al
te isoleren van ’t heelal.

Volgens Martinus Nijhoff is het ‘opvallend hoe zelden zijn werk Oudtestamentische motieven optreden, en hoe sterk het zoveel universeler en kernachtiger Nieuwe Testament hem aanspreekt.’ Toch buitelen in dit gedicht mijns inziens panentheïsme (r. 1-2), inderdaad Nieuwe- (r. 3) maar ook Oudtestamentische beelden uit de Psalmen (r. 5-6) en de Kabbala (slot) over elkaar.

Op zoek naar de volgende bundel die ik wil gaan lezen, rolt een knipsel uit de Verzamelde gedichten. Uit Trouw (20 januari 1994):

REFLECTIE
Een naam van iemand die niet meer bestaat
blijft soms nog lang onder de mensen,
hoewel er niets meer is te wensen
wat wederzien of werkelijkheid aangaat.
En de gedachten die hij achterlaat
verliezen hun remiscenzen.
Maar ik bezit u in de lenzen
van dit volmaakt projectieapparaat.
De woorden draaien om hun as en brengen
u automatisch op de wereldwand,
waartegen gij onmiddellijk gaat leven.
Zonder zich met de tijd te moeten mengen
is hun betekenis intact gebleven.
God heeft een buiten- en een binnenkant.

Dit keer geen toelichting van Theo de Boer, maar van de theoloog Lex Boot. Hij legt evenwel, net als De Boer in ’t vervolg van zijn uitleg, een verbinding tussen het ‘alledaagse en de transcendente Werkelijkheid. Daar liggen bronnen van spirituele ervaring. Ervaring is eigenlijk nog een plat woord; “bevinding” heette dat in sommige kringen, en ik vind dat eigenlijk niet eens zo slecht.
Wie zijn projectielicht ontsteekt (dat heet geloven), zal aanschouwen. Geloven maakt je tot volmaakt projectieapparaat, wat bijbels gezien betekent: met een onverdeeld hart, op één doel gericht (Hebreeuws: taniem). Anders verstrooit het licht naar alle kanten en verliezen we in de mist elke oriëntatie.’

Eigenlijk sluit dit gedicht en deze uitleg ervan naadloos aan op een preek van 22 juli 2012 in de Amsterdamse Oude Kerk door ds. Eddy Reefhuis. Dit n.a.v. de tekst God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis (I Joh. 1:5).
Gods licht straalt over ons. Hij zet ons in het licht, opdat wij dit ook uitstralen, reflecteren. Dat wil het delen van de vijf broden en de twee vissen zeggen (Marc. 6:30-44). Dat wil echter niet zeggen, dat er geen duisternis is (vs. 8 e.v.). Iets dat Achterberg maar al te goed wist. Roland Holst vond het woord hiervoor, in zijn tafelrede t.g.v. Achterbergs vijftigste verjaardag (in 1955): ‘een scheur licht’ – met een reminiscentie aan het gedicht Eben Haëzer, waarin Achterberg het heeft over een ‘richel licht.’ Het viel me toe, toen een boek uit de kast rolde: Een verbeelde God. Joh. Goud vergelijkt er de poëzie van Achterberg in met die van de in juli 2012 overleden Kopland: ‘Achterbergs poëzie is dramatischer en tragischer dan de observerende, naar verstilling zoekende gedichten van Kopland (…). Soms overwint ze de tragiek van het gespannen hopen en het vruchteloos verlangen.’ Beide dichters zijn me lief.